Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland
Het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Strafhof,
Overwegend dat het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, aangenomen op 17 juli 1998 door de Diplomatieke Conferentie van Gevolmachtigden van de Verenigde Naties, het Internationaal Strafhof de bevoegdheid verleent rechtsmacht uit te oefenen over personen met betrekking tot de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap met zorg vervullen;
Overwegend dat in artikel 3, eerste en tweede lid, van het Statuut van Rome, wordt bepaald dat de zetel van het Hof wordt gevestigd te Den Haag, Nederland, respectievelijk dat het Hof met het Gastland een zetelverdrag sluit, dat dient te worden goedgekeurd door de Vergadering van Staten die Partij zijn en vervolgens door het Hof in naam van het Hof wordt gesloten;
Overwegend dat in artikel 4 van het Statuut van Rome wordt bepaald dat het Hof internationale rechtspersoonlijkheid bezit alsmede de handelingsbevoegdheid die benodigd is voor de uitoefening van zijn taken en de verwezenlijking van zijn doelstellingen;
Overwegend dat in artikel 48 van het Statuut van Rome wordt bepaald dat het Hof op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten geniet die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken;
Overwegend dat in artikel 103, vierde lid, van het Statuut van Rome wordt bepaald dat indien geen Staat wordt aangewezen ingevolge het eerste lid van dat artikel, de opgelegde gevangenisstraf wordt ondergaan in een penitentiaire inrichting die door het Gastland ter beschikking is gesteld overeenkomstig de voorwaarden vermeld in het zetelverdrag;
Overwegend dat de Vergadering van Staten die Partij zijn, tijdens haar eerste vergadering gehouden van 3 tot en met 10 september 2002, de grondbeginselen van een door het Hof en het gastheerland overeen te komen zetelverdrag heeft aangenomen, en het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof heeft aangenomen;
Overwegend dat het Hof en het Gastland een verdrag wensen te sluiten teneinde het soepel en doeltreffend functioneren van het Hof in het Gastland te vergemakkelijken;
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „het Statuut’’, het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, aangenomen op 17 juli 1998 door de Diplomatieke Conferentie van Gevolmachtigden van de Verenigde Naties inzake de oprichting van een Internationaal Strafhof;
- b. „het Hof’’, het bij het Statuut opgerichte Internationaal Strafhof; voor de toepassing van dit Verdrag vormt het Secretariaat een integrerend onderdeel van het Hof;
- c. „het Gastland’’, het Koninkrijk der Nederlanden;
- d. „de partijen’’, het Hof en het Gastland;
- e. „Staten die Partij zijn’’, de Staten die Partij zijn bij het Statuut;
- f. „Vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn’’, alle gedelegeerden, substituut-gedelegeerden, adviseurs, technisch deskundigen, secretarissen en overige geaccrediteerde delegatieleden;
- g. „de Vergadering’’, de Vergadering van Staten die Partij zijn bij het Statuut;
- h. „het Bureau’’, het Bureau van de Vergadering;
- i. „hulporganen’’, de organen die door de Vergadering of het Bureau worden ingesteld;
- j. „functionarissen van het Hof’’, de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griffier, de Substituut-Griffier en het personeel van het Hof;
- k. „de rechters’’, de door de Vergadering in overeenstemming met artikel 36, zesde lid, van het Statuut gekozen rechters van het Hof;
- l. „het Presidium’’, het orgaan bestaande uit de President en de Eerste en Tweede Vicepresident van het Hof, in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van het Statuut;
- m. „de President’’, de door de rechters in overeenstemming met artikel 38, eerste lid, van het Statuut gekozen President van het Hof;
- n. „de Aanklager’’, de door de Vergadering in overeenstemming met artikel 42, vierde lid, van het Statuut gekozen Aanklager;
- o. „de Substituut-Aanklagers’’, de door de Vergadering in overeenstemming met artikel 42, vierde lid, van het Statuut gekozen Substituut-Aanklagers;
- p. „de Griffier’’, de door rechters in overeenstemming met artikel 43, vierde lid, van het Statuut gekozen Griffier;
- q. „de Substituut-Griffier’’, de door rechters in overeenstemming met artikel 43, vierde lid, van het Statuut gekozen Substituut-Griffier;
- r. „personeel van het Hof’’, het in artikel 44 van het Statuut bedoelde personeel van de Griffie en van het Parket van de Aanklager; onder personeel van de Griffie wordt mede verstaan het personeel van het Presidium en de Kamers en het personeel van het Secretariaat;
- s. „het Secretariaat’’, het bij resolutie ICC-ASP/2/Res.3 d.d. 12 september 2003 ingestelde Secretariaat van de Vergadering;
- t. „stagiair(e)s’’, afgestudeerden of postdoctorale studenten die niet tot het personeel van het Hof behoren, maar door het Hof zijn toegelaten tot het stageprogramma van het Hof om bepaalde taken voor het Hof uit te voeren zonder daarvoor een salaris van het Hof te ontvangen;
- u. „bezoekende vakspecialisten’’, personen die niet tot het personeel van het Hof behoren, maar door het Hof zijn toegelaten tot het programma voor bezoekende vakspecialisten van het Hof om deskundigheid in te brengen en bepaalde taken voor het Hof uit te voeren zonder daarvoor een salaris van het Hof te ontvangen;
- v. „raadslieden’’, de raadslieden voor de verdediging en de advocaten van slachtoffers;
- w. „getuigen’’, „slachtoffers’’ en „deskundigen’’, personen die als zodanig door het Hof zijn aangewezen;
- x. „het terrein van het Hof’’, gebouwen, delen van gebouwen en gebieden, met inbegrip van installaties en faciliteiten die het Hof ter beschikking worden gesteld of door het Hof worden onderhouden, betrokken of gebruikt in het Gastland in verband met zijn taken en doelstellingen, waaronder de detentie van een persoon, of in verband met bijeenkomsten van de Vergadering, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen;
- y. „het ministerie van Buitenlandse Zaken’’, het ministerie van Buitenlandse Zaken van het Gastland;
- z. „de bevoegde autoriteiten’’, de nationale, provinciale, gemeentelijke en overige bevoegde autoriteiten uit hoofde van de wet- en regelgeving en de gebruiken van het Gastland;
- aa. „het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van Hof’’, het in artikel 48 van het Statuut bedoelde Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van Internationaal Strafhof, aangenomen tijdens de derde vergadering van de eerste zitting van de Vergadering gehouden van 3 tot en met 10 september 2002 op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York;
- bb. „het Verdrag van Wenen’’, het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer van 18 april 1961;
- cc. „Reglement van proces- en bewijsvoering’’, het in overeenstemming met artikel 51 van het Statuut aangenomen Reglement van proces- en bewijsvoering.
Artikel 2. Doel en reikwijdte van dit Verdrag
Dit Verdrag regelt alle zaken die verband houden met of voortvloeien uit de instelling en het naar behoren functioneren van het Hof in het Gastland. Het Verdrag voorziet onder meer in de langdurige stabiliteit en onafhankelijkheid van het Hof en vergemakkelijkt het soepele en doeltreffende functioneren ervan, met inbegrip van, met name, de behoeften met betrekking tot de personen wier aanwezigheid op de zetel van het Hof vereist is en met betrekking tot het overbrengen van informatie, mogelijk bewijs of bewijs in en uit het Gastland. Dit Verdrag regelt tevens alle zaken die verband houden met of voortvloeien uit de instelling en het naar behoren functioneren van het Secretariaat in het Gastland, en de bepalingen ervan zijn van overeenkomstige toepassing op het Secretariaat. Dit Verdrag regelt, naargelang van toepassing, zaken die verband houden met de Vergadering, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen.
HOOFDSTUK II. RECHTSPOSITIE VAN HET HOF
Artikel 3. Juridische status en rechtspersoonlijkheid van het Hof
Het Hof bezit internationale rechtspersoonlijkheid in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, van het Statuut en bezit de handelingsbevoegdheid die benodigd is voor de uitoefening van zijn taken en verwezenlijking van zijn doelstellingen. Het Hof heeft met name de bevoegdheid overeenkomsten te sluiten, roerende en onroerende zaken te verwerven en te vervreemden en in rechte op te treden.
Artikel 4. Vrijheid van vergadering
Het Gastland garandeert de Vergadering, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, volledige vrijheid van vergadering, met inbegrip van de vrijheid van discussie, besluitvorming en publicatie.
Het Gastland treft alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat de voortgang van door de Vergadering, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, bijeengeroepen bijeenkomsten op geen enkele wijze wordt belemmerd.
Artikel 5. Voorrechten, immuniteiten en faciliteiten van het Hof
Het Hof geniet op het grondgebied van het Gastland de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen.
Artikel 6. Onschendbaarheid van het terrein van het Hof
Het terrein van het Hof is onschendbaar. De bevoegde autoriteiten waarborgen dat het terrein niet geheel of gedeeltelijk wordt onteigend of het Hof wordt ontzegd zonder zijn uitdrukkelijke toestemming.
De bevoegde autoriteiten betreden het terrein van het Hof niet voor het vervullen van een officiële taak tenzij dit geschiedt met de uitdrukkelijke instemming of op verzoek van de Griffier, of van een door hem of haar aangewezen personeelslid van het Hof. Op het terrein van het Hof vinden geen gerechtelijke acties en geen betekening of tenuitvoerlegging ter zake van rechtsvervolging plaats, met inbegrip van de inbeslagneming van privé-eigendommen, behoudens met instemming van de Griffier en in overeenstemming met de door hem of haar goedgekeurde voorwaarden.
In geval van brand of andere noodgevallen die onmiddellijk beschermend optreden vereisen, of indien de bevoegde autoriteiten in redelijkheid kunnen aannemen dat een dergelijk noodgeval zich heeft voorgedaan of op het punt staat zich voor te doen op het terrein van het Hof, wordt de instemming van de Griffier, of van een door hem of haar aangewezen personeelslid van het Hof, voor de nodige toegang tot het terrein van het Hof geacht te zijn gegeven indien geen van beiden op tijd kan worden bereikt.
Onverminderd het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde, nemen de bevoegde autoriteiten de nodige stappen om het terrein van het Hof tegen brand of ander onheil te beveiligen.
Het Hof voorkomt dat zijn terrein gebruikt wordt als toevluchtsoord voor personen die arrestatie of berechting op grond van enige wet van het Gastland willen ontlopen.
Artikel 7. Bescherming van het terrein van het Hof en de omgeving daarvan
De bevoegde autoriteiten nemen alle doeltreffende en adequate maatregelen om de beveiliging en bescherming van het Hof te waarborgen en ervoor te zorgen dat de rust van het Hof niet wordt verstoord door personen of groepen die het terrein van het Hof betreden of door ordeverstoring in de onmiddellijke omgeving van het terrein, en bieden het Hof de eventueel benodigde bescherming.
Indien de Griffier daarom verzoekt, stellen de bevoegde autoriteiten voldoende politie ter beschikking voor de handhaving van de openbare orde op het terrein van het Hof of in de onmiddellijke omgeving daarvan, en voor het verwijderen van personen van deze locaties.
De bevoegde autoriteiten treffen alle redelijke maatregelen om erop toe te zien dat het ongestoord gebruik van het terrein van het Hof niet wordt belemmerd en dat het terrein kan worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor het is bestemd zonder hinder door de wijze van gebruik van de percelen of gebouwen in de omgeving van het terrein. Het Hof treft alle redelijke maatregelen om erop toe te zien dat het ongestoord gebruik van de percelen in de omgeving van het terrein van het Hof niet wordt belemmerd door de wijze van gebruik van de percelen of gebouwen van het terrein van het Hof.
Artikel 8. Recht en gezag op het terrein van het Hof
Het terrein van het Hof staat onder het beheer en gezag van het Hof, zoals bepaald in dit Verdrag.
Tenzij anders bepaald in dit Verdrag, is de wet- en regelgeving van het Gastland van toepassing op het terrein van het Hof.
Het Hof is bevoegd tot het uitvaardigen van op zijn terrein geldende regels die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van zijn taken. Het Hof brengt dergelijke regels na de aanneming ervan terstond ter kennis van de bevoegde autoriteiten. Op het terrein van het Hof worden geen wetten of regels van het Gastland gehandhaafd voor zover deze onverenigbaar zijn met de regels van het Hof uit hoofde van dit lid.
Het Hof kan personen vanwege schending van zijn regels van het terrein van het Hof verwijderen of de toegang ertoe ontzeggen en stelt de bevoegde autoriteiten vooraf van dergelijke maatregelen in kennis.
Met inachtneming van de in het derde lid van dit artikel bedoelde regels, en in overeenstemming met de wet- en regelgeving van het Gastland, is het uitsluitend personeelsleden van het Hof toegestaan wapens te dragen op het terrein van het Hof.
De Griffier stelt het Gastland in kennis van de naam en identiteit van elk personeelslid van het Hof dat gerechtigd is een wapen te dragen op het terrein van het Hof, alsmede van de naam, het type, kaliber en serienummer van het wapen of de wapens waarover hij of zij beschikt.
Ieder geschil tussen het Hof en het Gastland over de vraag of regels van het Hof onder deze bepaling vallen of over de vraag of wetten of regels van het Gastland onverenigbaar zijn met de regels van het Hof uit hoofde van dit lid, wordt onverwijld beslecht volgens de in artikel 55 van dit Verdrag vervatte procedure. Zolang het geschil nog niet is beslecht, is de regel van het Hof van toepassing en is de wet en/of regel van het Gastland op het terrein van het Hof niet van toepassing voor zover het Hof deze onverenigbaar acht met zijn regels.
Artikel 9. Openbare voorzieningen ten behoeve van het terrein van het Hof
De bevoegde autoriteiten zorgen er, op verzoek van de Griffier of van een door hem of haar aangewezen personeelslid van het Hof, voor dat het Hof tegen redelijke voorwaarden de beschikking krijgt over de door het Hof benodigde openbare voorzieningen waaronder, echter niet beperkt tot, post-, telefoon- en telegraafdiensten, alle communicatiemiddelen, elektriciteit, water, gas, riolering, ophalen van vuilnis, brandbestrijding en reiniging van de openbare weg met inbegrip van het ruimen van sneeuw.
Wanneer de openbare voorzieningen bedoeld in het eerste lid van dit artikel door de bevoegde autoriteiten aan het Hof worden geleverd of de prijzen daarvan worden bepaald door deze autoriteiten, zijn de tarieven voor deze voorzieningen niet hoger dan de laagste vergelijkbare tarieven voor instellingen en organen van wezenlijk belang voor het Gastland.
In geval van onderbreking of dreiging van onderbreking van dergelijke voorzieningen zal aan het Hof de voorrang worden gegeven die ook aan instellingen en organen van wezenlijk belang voor het Gastland wordt gegeven, en het Gastland treft de daartoe benodigde maatregelen om te waarborgen dat de werkzaamheden van het Hof niet worden belemmerd.
De Griffier, of een door hem of haar aangewezen personeelslid van het Hof, treft op verzoek van de bevoegde autoriteiten passende maatregelen om naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers van de desbetreffende nutsbedrijven in staat te stellen op het terrein van het Hof voorzieningen, leidingen, buizen en rioleringen te inspecteren, repareren, onderhouden, reconstrueren of verplaatsen zonder de uitoefening van de taken van het Hof te verstoren.
Ondergrondse werkzaamheden op het terrein van het Hof kunnen door de bevoegde autoriteiten alleen worden uitgevoerd na overleg met de Griffier of een door hem of haar aangewezen personeelslid van het Hof en zonder de uitoefening van de taken van het Hof te verstoren.
Artikel 10. Vlag, embleem en onderscheidingstekens
Het Hof is bevoegd zijn vlag, embleem en onderscheidingstekens te tonen op zijn terrein en op voertuigen en andere vervoermiddelen die voor officiële doeleinden worden gebruikt.
Artikel 11. Fondsen, bezittingen en overige eigendommen
Het Hof en zijn fondsen, bezittingen en overige eigendommen, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, zijn vrijgesteld van elke vorm van rechtsvervolging, behoudens voor zover het Hof in een bijzonder geval uitdrukkelijk van zijn immuniteit afstand heeft gedaan, evenwel met dien verstande dat afstand van immuniteit zich nooit uitstrekt tot executiemaatregelen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.