Internationaal Verdrag inzake hulpverlening, 1989
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,
De wenselijkheid erkennende om in gemeen overleg eenvormige internationale regels vast te stellen betreffende hulpverlening,
In aanmerking nemende dat belangrijke ontwikkelingen, in het bijzonder de toenemende aandacht voor de bescherming van het milieu, de noodzaak hebben aangetoond van een herziening van de internationale regels, thans vervat in het Verdrag tot het vaststellen van eenige eenvormige regelen betreffende hulp en berging, gedaan te Brussel, 23 september 1910,
Zich bewust van de belangrijke bijdrage die een doelmatige en tijdige hulpverlening kan leveren aan de veiligheid van schepen en andere zaken die in gevaar verkeren en aan de bescherming van het milieu,
Overtuigd van de noodzaak zorg te dragen voor voldoende aansporingen voor personen die hulp verlenen aan schepen en andere zaken die in gevaar verkeren,
Zijn als volgt overeengekomen:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit Verdrag:
- a. betekent hulpverlening iedere daad of werkzaamheid, verricht om hulp te verlenen aan een in een bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak,
- b. betekent schip ieder schip of ander vaartuig, dan wel iedere constructie waarmee kan worden gevaren,
- c. betekent zaak iedere zaak die niet blijvend en opzettelijk aan de kust is bevestigd en daaronder is begrepen de in risico zijnde vracht,
- d. betekent milieuschade aanzienlijke fysieke schade aan de gezondheid van de mens, aan de fauna of flora in zee of aan hulpbronnen in kust- of binnenwateren of daaraan grenzende gebieden, veroorzaakt door verontreiniging, besmetting, brand, ontploffing of soortgelijke ingrijpende gebeurtenissen,
- e. betekent betaling iedere krachtens dit Verdrag verschuldigde beloning, vergoeding of schadeloosstelling,
- f. betekent Organisatie de Internationale Maritieme Organisatie,
- g. betekent Secretaris-Generaal de Secretaris-Generaal van de Organisatie.
Artikel 2. Toepassing van het Verdrag
Dit Verdrag is van toepassing wanneer een gerechtelijke of scheidsrechtelijke procedure betreffende een aangelegenheid waarop dit Verdrag betrekking heeft, aanhangig wordt gemaakt in een Staat die Partij is bij dit Verdrag.
Artikel 3. Platforms en booreenheden
Dit Verdrag is niet van toepassing op vaste of drijvende platforms of verplaatsbare boorinstallaties wanneer die platforms of boorinstallaties op een lokatie in bedrijf zijn voor de exploratie, exploitatie of winning van minerale rijkdommen van de zeebodem.
Artikel 4. Staatsschepen
Onverminderd artikel 5 is dit Verdrag niet van toepassing op oorlogsschepen of andere niet-handelsschepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een Staat en die ten tijde van de hulpverlening een beroep kunnen doen op staatsimmuniteit krachtens algemeen erkende beginselen van internationaal recht, tenzij die Staat anders besluit.
Wanneer een Staat die Partij is bij dit Verdrag besluit het Verdrag toe te passen op zijn oorlogsschepen of andere in het eerste lid bedoelde schepen, geeft die Staat hiervan kennis aan de Secretaris-Generaal onder vermelding van de bepalingen en voorwaarden waaronder die toepassing geschiedt.
Artikel 5. Hulpverlening onder toezicht van de overheid
Dit Verdrag laat onverlet de bepalingen van nationaal recht of enig verdrag betreffende hulpverleningswerkzaamheden die worden verricht door of onder toezicht van een overheid.
Niettemin kan een hulpverlener die zodanige werkzaamheden verricht een beroep doen op de in dit Verdrag ten aanzien van hulpverleningswerkzaamheden voorziene rechten en rechtsmiddelen.
De mate waarin een overheid op wie een verplichting rust om hulp te verlenen, gerechtigd is een beroep te doen op de rechten en rechtsmiddelen voorzien in dit Verdrag, wordt bepaald door het recht van de Staat waar die overheid is gevestigd.
Artikel 6. Overeenkomsten omtrent hulpverlening
Dit Verdrag is van toepassing op iedere hulpverlening, behalve voorzover een overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend anders bepaalt.
De kapitein is bevoegd om namens de eigenaar van het schip een overeenkomst omtrent hulpverlening te sluiten. De kapitein of de eigenaar van het schip is bevoegd een zodanige overeenkomst namens de eigenaar van de zaken aan boord van het schip te sluiten.
Dit artikel laat onverlet de toepassing van artikel 7 en de verplichting tot voorkoming of beperking van milieuschade.
Artikel 7. Vernietiging en wijziging van overeenkomsten
Een overeenkomst of enig daarin voorkomend beding kan worden vernietigd of gewijzigd indien:
- a. de overeenkomst is aangegaan onder misbruik van omstandigheden of onder invloed van gevaar en de overeengekomen bedingen onbillijk zijn, of
- b. de overeengekomen betaling buitensporig hoog of laag is in verhouding tot de daadwerkelijk verleende diensten.
HOOFDSTUK II. UITVOERING VAN DE HULPVERLENING
Artikel 8. Plichten van de hulpverlener en van de eigenaar en de kapitein
De hulpverlener is jegens de eigenaar van het schip of andere in gevaar verkerende zaak verplicht:
- a. de hulpverlening met de nodige zorg uit te voeren;
- b. bij de nakoming van de onder letter a bedoelde verplichting de nodige zorg te betrachten om milieuschade te voorkomen of te beperken;
- c. in alle gevallen, waarin de omstandigheden dit redelijkerwijze vereisen, de bijstand in te roepen van andere hulpverleners; en
- d. de tussenkomst van andere hulpverleners te aanvaarden, wanneer hierom redelijkerwijze wordt verzocht door de eigenaar of de kapitein van het schip of de andere in gevaar verkerende zaak; echter met dien verstande dat het bedrag van zijn beloning niet wordt verminderd, indien mocht blijken dat het verzoek onredelijk was.
De eigenaar en de kapitein van het schip of de eigenaar van andere in gevaar verkerende zaken zijn jegens de hulpverlener verplicht:
- a. gedurende de hulpverlening volledig met hem samen te werken;
- b. daarbij de nodige zorg te betrachten om milieuschade te voorkomen of te beperken; en
- c. wanneer het schip of de andere zaken in veiligheid zijn gebracht, teruggave daarvan te aanvaarden wanneer zulks redelijkerwijze door de hulpverlener wordt verzocht.
Artikel 9. Rechten van kuststaten
Geen bepaling van dit Verdrag doet afbreuk aan het recht van de betrokken kuststaat om maatregelen te nemen in overeenstemming met algemeen erkende beginselen van internationaal recht ter bescherming van zijn kust of daarmee samenhangende belangen tegen verontreiniging of dreigende verontreiniging na een ongeval op zee of na met een dergelijk ongeval verband houdende handelingen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zeer ernstige schade tot gevolg kunnen hebben, daaronder begrepen het recht van een kuststaat aanwijzingen te geven met betrekking tot hulpverlening.
Artikel 10. Plicht tot hulpverlening
Iedere kapitein is verplicht, voor zover hij dit kan doen zonder ernstig gevaar voor zijn schip en de opvarenden, hulp te verlenen aan een ieder die op zee in levensgevaar verkeert.
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag nemen de maatregelen die nodig zijn voor de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichting.
De eigenaar van het schip is niet aansprakelijk voor de schending door de kapitein van de in het eerste lid bedoelde verplichting.
Artikel 11. Samenwerking
Telkenmale wanneer een Staat die Partij is bij dit Verdrag regels uitvaardigt of een besluit neemt over een aangelegenheid betreffende hulpverlening, zoals de toelating in havens van in nood verkerende schepen of het treffen van voorzieningen ten behoeve van hulpverleners, houdt hij rekening met de noodzaak tot samenwerking tussen hulpverleners, andere belanghebbende partijen en de overheid teneinde een doelmatige en geslaagde uitvoering van het redden van in gevaar verkerende mensenlevens of zaken, alsmede het voorkomen van schade aan het milieu in het algemeen te verzekeren.
HOOFDSTUK III. RECHTEN VAN HULPVERLENERS
Artikel 12. Voorwaarden voor het hulploon
Hulp die met gunstig gevolg is verleend geeft recht op hulploon.
Tenzij anders is bepaald, is geen betaling krachtens dit Verdrag verschuldigd indien de hulp geen gunstig gevolg heeft gehad.
Dit hoofdstuk is ook van toepassing, indien het schip waaraan de hulp is verleend en het schip dat de hulp heeft verleend aan dezelfde eigenaar toebehoren.
Artikel 13. Criteria voor het vaststellen van het hulploon
Het hulploon wordt vastgesteld met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening, rekening houdend met de volgende criteria ongeacht de volgorde waarin zij hieronder zijn opgesomd:
- a. de geredde waarde van het schip en de andere goederen;
- b. de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu;
- c. de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag;
- d. de aard en ernst van het gevaar;
- e. de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;
- f. de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;
- g. het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico's;
- h. de snelheid van de verleende diensten;
- i. de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting;
- j. de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners.
De betaling van een in overeenstemming met het eerste lid vastgesteld hulploon geschiedt door alle belanghebbenden bij het schip en de andere goederen in evenredigheid met de geredde waarde daarvan. Een Staat die Partij is bij dit Verdrag mag echter in zijn nationale wetgeving bepalen dat de betaling van een hulploon door één van deze belanghebbenden geschiedt, met dien verstande dat die belanghebbende een recht van verhaal heeft jegens de andere belanghebbenden voor hun onderscheiden aandeel. Niets in dit artikel belet het gebruik van enig verweermiddel.
Het hulploon, met uitzondering van rente en verhaalbare gerechtelijke kosten, mag de geredde waarde van het schip of de andere goederen niet overtreffen.
Artikel 14. Bijzondere vergoeding
Indien een hulpverlener hulp heeft verleend aan een schip dat zelf of wegens zijn lading schade dreigde toe te brengen aan het milieu en hij geen hulploon heeft verkregen krachtens artikel 13 dat ten minste gelijk is aan de volgens dit artikel vast te stellen bijzondere vergoeding, heeft hij recht op een bijzondere vergoeding van de zijde van de eigenaar van het schip, gelijk aan de door hem gemaakte kosten zoals in dit artikel omschreven.
Indien de hulpverlener in de in het eerste lid bedoelde omstandigheden door zijn hulpverleningswerkzaamheden schade aan het milieu heeft voorkomen of heeft beperkt, kan de door de eigenaar volgens het eerste lid aan de hulpverlener te betalen bijzondere vergoeding worden verhoogd tot een maximum van 30% van de door de hulpverlener gemaakte kosten. Indien echter het gerecht, rekening houdend met de in het eerste lid van artikel 13 genoemde criteria, zulks billijk en rechtvaardig acht, kan het die bijzondere vergoeding verder verhogen, maar de totale verhoging mag in geen geval meer bedragen dan 100% van de door de hulpverlener gemaakte kosten.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden onder kosten van de hulpverlener verstaan de contante uitgaven die door de hulpverlener redelijkerwijze zijn gemaakt bij de hulpverlening en een billijk tarief voor uitrusting en personeel die daadwerkelijk en redelijkerwijze zijn ingezet tijdens de hulpverlening, in aanmerking nemend de criteria genoemd in artikel 13, eerste lid, onder (h), (i) en (j).
De totale bijzondere vergoeding krachtens dit artikel wordt slechts betaald indien en voor zover deze vergoeding hoger is dan het hulploon dat de hulpverlener krachtens artikel 13 kan ontvangen.
Indien de hulpverlener nalatig is geweest en daardoor in gebreke is gebleven schade aan het milieu te voorkomen of te beperken, kan hem de krachtens dit artikel verschuldigde bijzondere vergoeding geheel of gedeeltelijk worden ontzegd.
Geen bepaling van dit artikel doet afbreuk aan enig recht van verhaal van de eigenaar van het schip.
Artikel 15. Verdeling tussen hulpverleners
De verdeling van een in artikel 13 bedoeld hulploon tussen hulpverleners geschiedt volgens de in dat artikel genoemde criteria.
De verdeling tussen de eigenaar, de kapitein en de andere in dienst van ieder hulpverlenend schip staande personen wordt bepaald door het recht van de vlag van het schip. Indien de hulpverlening niet is verricht vanaf een schip, wordt de verdeling bepaald door het recht dat van toepassing is op de overeenkomst tussen de hulpverlener en zijn ondergeschikten.
Artikel 16. Redding van personen
Geen hulploon is verschuldigd door personen wier leven is gered, maar dit artikel doet geen afbreuk aan bepalingen van nationaal recht betreffende dit onderwerp.
Degene die mensenlevens heeft gered en heeft deelgenomen aan de werkzaamheden die zijn verricht ter gelegenheid van het ongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de hulpverlening, is gerechtigd tot een billijk aandeel in de betaling die aan de hulpverlener is toegekend voor de redding van het schip of andere zaken of voor het voorkomen of beperken van schade aan het milieu.
Artikel 17. Diensten die worden verleend krachtens bestaande overeenkomsten
Geen betaling is verschuldigd krachtens dit Verdrag tenzij de verleende diensten verder gaan dan wat redelijkerwijs kan worden aangemerkt als een gebruikelijke uitvoering vaneen overeenkomst die was gesloten voordat het gevaar ontstond.
Artikel 18. Gevolgen van het wangedrag van de hulpverlener
Aan een hulpverlener kan een krachtens dit Verdrag verschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk worden ontzegd voor zover de hulpverlening noodzakelijk geworden of bemoeilijkt is door zijn fout of nalatigheid of de hulpverlener zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog of ander oneerlijk gedrag.
Artikel 19. Verbod tot hulpverlening
Diensten, verleend niettegenstaande het uitdrukkelijke en redelijke verbod van de eigenaar of de kapitein van het schip of van de eigenaar van enige andere in gevaar verkerende zaak die zich niet aan boord van het schip bevindt of heeft bevonden, geven geen recht op een betaling krachtens dit Verdrag.
HOOFDSTUK IV. VORDERINGEN EN RECHTSGEDINGEN
Artikel 20. Scheepsvoorrecht
Geen bepaling van dit Verdrag doet afbreuk aan het scheepsvoorrecht van de hulpverlener krachtens een verdrag of nationaal recht.
De hulpverlener kan zijn scheepsvoorrecht niet uitoefenen, wanneer hem op een behoorlijke wijze voldoende zekerheid voor zijn vordering, met inbegrip van rente en kosten, is aangeboden of verstrekt.
Artikel 21. Verplichting tot het verstrekken van zekerheid
Op verzoek van de hulpverlener moet degene die aansprakelijk is voor een betaling krachtens dit Verdrag voldoende zekerheid stellen voor de voldoening van de vordering van de hulpverlener, met inbegrip van rente en kosten.
Onverminderd het in het eerste lid bepaalde moet de eigenaar van het schip waaraan de hulp is verleend zich inspannen om, voordat de lading wordt vrijgegeven, van de eigenaren daarvan voldoende zekerheid te verkrijgen voor de voldoening van de vorderingen, met inbegrip van rente en kosten, die jegens hen geldend kunnen worden gemaakt.
Het schip en de andere zaken waaraan de hulp is verleend mogen niet zonder toestemming van de hulpverlener worden verwijderd van de eerste haven of plaats waar zij na beëindiging van de hulpverlening zijn aangekomen, totdat voldoende zekerheid is gesteld voor de voldoening van de vordering van de hulpverlener op het schip of de andere zaken.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.