Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Islamitische Republiek Pakistan inzake economische samenwerking en bescherming van investeringen

Type Verdrag
Publication 1989-10-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van de Islamitische Republiek Pakistan en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen;

Bevestigend de vriendschappelijke betrekkingen die tussen beide landen en hun volken bestaan;

Geleid door de wens deze betrekkingen te intensiveren, de economische samenwerking te bevorderen, wederzijdse bescherming van investeringen te bieden en hiertoe het nodige rechtelijke en bestuurlijke kader te scheppen

zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze Overeenkomst

Artikel 2

De Overeenkomstsluitende Partijen doen al het mogelijke, binnen het kader van hun wetten en voorschriften en rekening houdend met hun internationale verplichtingen, om de economische en technologische samenwerking tussen beide landen te ontwikkelen en te versterken tot wederzijds voordeel.

Artikel 3
1.

De Overeenkomstsluitende Partijen stimuleren en bevorderen in het bijzonder de duurzame economische en technologische samenwerking tussen:

2.

De samenwerking tot de bevordering waarvan de Overeenkomstsluitende Partijen zich verplichten op grond van het eerste lid omvat in het bijzonder de totstandkoming van projecten en de oprichting of vestiging van bedrijven. Bedoelde samenwerking kan geschieden door middel van deelneming in het aandelenkapitaal, verschaffing van leningen, gezamenlijke ondernemingen of anders zins.

Artikel 4

De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen dat de samenwerking onder andere betrekking kan hebben op industrie, mijnbouw, energie, land- en waterontwikkeling, handel, landbouw, gebieds- en plattelandsontwikkeling, infrastructuur, vervoersinfrastructuur, verbindingen, constructiewerkzaamheden en andere diensten.

Zij doen elkander mededeling van specifieke sectoren waarin zij samenwerking wenselijk achten.

Artikel 5

De in artikel 3 bedoelde technologische samenwerking kan worden verwezenlijkt, met inachtneming van de wetten en voorschriften van beide Overeenkomstsluitende Partijen, door middel van projecten en ondernemingen waarin hun onderscheiden onderdanen economische samenwerking aangaan of deze versterken. Zodanige samenwerking kan onder andere omvatten:

Artikel 6
1.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik en het genot hiervan of de beschikking hierover door die onderdanen.

2.

Met name kent iedere Overeenkomstsluitende Partij zodanige investeringen, binnen het kader van haar wetten en voorschriften, een volledige veiligheid en bescherming toe, die in elk geval niet minder is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van onderdanen van een derde Staat.

Artikel 7

Iedere Overeenkomstsluitende Partij laat toe dat betalingen die voortvloeien uit investeringsactiviteiten zonder onnodige beperking of vertraging in de valuta van het betrokken land of in vrij inwisselbare valuta worden overgemaakt naar het land van de andere Overeenkomstsluitende Partij, in het bijzonder betalingen betreffende:

Artikel 8

Geen der Overeenkomstsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij direct of indirect hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Artikel 9

Indien de investeringen van een onderdaan van de ene Overeenkomstsluitende Partij krachtens een bij wet ingesteld stelsel verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico's, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar in de rechten van genoemde onderdaan, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering, door de andere Overeenkomstsluitende Partij erkend.

Artikel 10

De Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied waarvan een onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij een investering doet of voornemens is een investering te doen stemt ermee in elk geschil dat ontstaat in verband met die investering op verzoek van die onderdaan voor arbitrage of conciliatie voor te leggen aan het Centrum dat is opgericht krachtens het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van investeringsgeschillen tussen Staten en onderdanen van andere Staten.

Artikel 11

De bepalingen van deze Overeenkomst zijn vanaf de datum van inwerkingtreding ook van toepassing,

Artikel 12

De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen een Gemengde Commissie inzake economische en technologische samenwerking in te stellen. De Commissie wordt samengesteld uit vertegenwoordigers die in verband met een bijeenkomst van de Commissie door de onderscheiden Regeringen worden benoemd. Deskundigen en adviseurs van zowel de privé-sector als de publieke sector kunnen op verzoek van één der Partijen worden aangezocht de bijeenkomst van de Commissie bij te wonen.

De Commissie:

De Commissie kan speciale werkgroepen voor de samenwerking in bepaalde sectoren benoemen. De werkgroepen brengen verslag uit aan de Gemengde Commissie.

De Commissie komt op verzoek van één der Partijen bij de Overeenkomst bijeen.

Artikel 13

Ten aanzien van aangelegenheden die door deze Overeenkomst worden beheerst, kan geen enkele bepaling van deze Overeenkomst een onderdaan van de ene Overeenkomstsluitende Partij beletten een recht uit te oefenen dat gunstiger voor hem is en dat voor de andere Overeenkomstsluitende Partij is verleend.

Artikel 14
1.

Enig geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden geregeld, wordt, tenzij de partijen anderszins zijn overeengekomen, op verzoek van één der partijen bij het geschil voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Iedere partij benoemt een scheidsman en de beide aldus benoemde scheidsmannen benoemen te zamen een derde scheidsman, die geen onderdaan is van één van beide Staten, tot hun voorzitter.

2.

Indien één van de partijen nalaat haar scheidsman te benoemen en indien zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere partij binnen twee maanden tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

3.

Indien de beide scheidsmannen binnen twee maanden na hun benoeming niet tot overeenstemming kunnen geraken over de keuze van een derde scheidsman, kan één van beide partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

4.

Indien in de in het tweede en derde lid bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde taak te verrichten of een onderdaan is van één van beide Staten, dienen de noodzakelijke benoemingen te geschieden door de Vice-President. Indien de Vice-President verhinderd is genoemde taak te verrichten of een onderdaan is van één van beide Staten, dienen de noodzakelijke benoemingen te geschieden door het lid van het Gerechtshof dat het hoogst in anciënniteit is, dat beschikbaar is en dat geen onderdaan is van één van beide Staten.

5.

Het scheidsgerecht doet uitspraak op grond van eerbiediging van het recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elke stand van het geding een minnelijke schikking van het geding aan de partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht in het geschil te beslechten naar gerechtigheid en in goede trouw, indien de partijen daarmee instemmen.

6.

Tenzij de partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

7.

Het scheidsgerecht doet uitspraak bij meerderheid van stemmen. De uitspraak is onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil.

Artikel 15

Ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden is deze Overeenkomst van toepassing op het deel van het Rijk in Europa en op Aruba, tenzij de kennisgeving, voorzien in artikel 16, eerste lid, anders luidt.

Artikel 16
1.

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de Overeenkomstsluitende Partijen elkander schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de in hun onderscheiden landen hiertoe constitutioneel vereiste procedures is voldaan, en zij blijft van kracht gedurende een tijdvak van 15 jaar.

2.

Tenzij door één van beide Overeenkomstsluitende Partijen ten minste zes maanden vóór de datum waarop haar geldigheid vervalt kennisgeving van opzegging wordt gedaan, wordt deze Overeenkomst telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij iedere Overeenkomstsluitende Partij zich het recht voorbehoudt de Overeenkomst te beëindigen, nadat zij ten minste zes maanden vóór het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid van dit voornemen kennis heeft gegeven.

3.

Ten aanzien van investeringen die zijn verricht vóór de datum van beëindiging van deze Overeenkomst blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van nog eens 15 jaar, te rekenen vanaf die datum.

4.

Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde termijn is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd om de toepassing van deze Overeenkomst ten aanzien van Aruba afzonderlijk te beëindigen.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned representatives, duly authorized hereto, have signed the present Agreement.

DONE in duplicate at Islamabad, in the English language, on this fourth day of the month of October, 1988.

For the Government of the Kingdom of the Netherlands

(sd.) Y. VAN ROOY

Mrs. Yvonne M. C. T. van Rooy

Minister for Foreign Trade

(sd.) M. P. VAN SOEST

Mr. M. P. van Soest

Netherlands Charge d'Affairs a.i.

For the Government of the Islamic Republic of Pakistan

(sd.) MAHBOOBUL HAQ

(Dr. Mahboobul Haq)

Minister for Finance

and Economic Affairs

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.