Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Islamitische Republiek Pakistan inzake economische samenwerking en bescherming van investeringen
De Regering van de Islamitische Republiek Pakistan en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen;
Bevestigend de vriendschappelijke betrekkingen die tussen beide landen en hun volken bestaan;
Geleid door de wens deze betrekkingen te intensiveren, de economische samenwerking te bevorderen, wederzijdse bescherming van investeringen te bieden en hiertoe het nodige rechtelijke en bestuurlijke kader te scheppen
zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1
Voor de toepassing van deze Overeenkomst
- (a). omvat de term „investeringen”: alle soorten goederen, rechten en belangen, ongeacht hun aard, die zijn geïnvesteerd in overeenstemming met de wetten van de Partij op het grondgebied waarvan de investering is gedaan, in het bijzonder, doch niet beperkt tot:
- (i). roerende en onroerende goederen, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen;
- (ii). rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen;
- (iii). recht op geld en andere vermogensbestanddelen en op iedere prestatie die economische waarde heeft;
- (iv). rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen en technische kennis;
- (v). krachtens het publiekrecht verleende rechten, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en exploiteren van natuurlijke eigendommen.
- (b). omvat de term „onderdanen”, met betrekking tot beide Overeenkomstsluitende Partijen:
- (i). natuurlijke personen die volgens het recht van die Overeenkomstsluitende Partij haar nationaliteit bezitten;
- (ii). onverminderd het bepaalde in hieronder, rechtspersonen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetten van die Overeenkomstsluitende Partij;
- (iii). rechtspersonen die onder al dan niet rechtstreeks toezicht staan van onderdanen van die Overeenkomstsluitende Partij, doch die zijn opgericht in overeenstemming met de wetten van de andere Overeenkomstsluitende Partij.
- (c). omvat de term „grondgebied”: de zeegebieden grenzend aan de kust van het betrokken land, voor zover dat land overeenkomstig het internationale recht soevereine rechten of rechtsmacht in deze gebieden kan uitoefenen.
Artikel 2
De Overeenkomstsluitende Partijen doen al het mogelijke, binnen het kader van hun wetten en voorschriften en rekening houdend met hun internationale verplichtingen, om de economische en technologische samenwerking tussen beide landen te ontwikkelen en te versterken tot wederzijds voordeel.
Artikel 3
De Overeenkomstsluitende Partijen stimuleren en bevorderen in het bijzonder de duurzame economische en technologische samenwerking tussen:
- (a). onderdanen van de onderscheiden Staten;
- (b). onderdanen van de ene Staat en de andere Staat of diens lichamen.
De samenwerking tot de bevordering waarvan de Overeenkomstsluitende Partijen zich verplichten op grond van het eerste lid omvat in het bijzonder de totstandkoming van projecten en de oprichting of vestiging van bedrijven. Bedoelde samenwerking kan geschieden door middel van deelneming in het aandelenkapitaal, verschaffing van leningen, gezamenlijke ondernemingen of anders zins.
Artikel 4
De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen dat de samenwerking onder andere betrekking kan hebben op industrie, mijnbouw, energie, land- en waterontwikkeling, handel, landbouw, gebieds- en plattelandsontwikkeling, infrastructuur, vervoersinfrastructuur, verbindingen, constructiewerkzaamheden en andere diensten.
Zij doen elkander mededeling van specifieke sectoren waarin zij samenwerking wenselijk achten.
Artikel 5
De in artikel 3 bedoelde technologische samenwerking kan worden verwezenlijkt, met inachtneming van de wetten en voorschriften van beide Overeenkomstsluitende Partijen, door middel van projecten en ondernemingen waarin hun onderscheiden onderdanen economische samenwerking aangaan of deze versterken. Zodanige samenwerking kan onder andere omvatten:
- (a). de vergemakkelijking van rechtstreekse contacten, de uitwisseling van informatie en de opstelling van programma's;
- (b). de gezamenlijke uitvoering van onderzoeksprojecten;
- (c). de uitwisseling van bezoeken en studiereizen van gespecialiseerde afvaardigingen, onderzoekers en deskundigen;
- (d). de ontwikkeling van opleidingstechnieken en -stelsels en de opleiding van technisch personeel;
- (e). de verschaffing van deskundigheid op bedrijfskundig of technisch gebied;
- (f). de belegging van symposia en bijeenkomsten over onderwerpen van wederzijds belang.
Artikel 6
Iedere Overeenkomstsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik en het genot hiervan of de beschikking hierover door die onderdanen.
Met name kent iedere Overeenkomstsluitende Partij zodanige investeringen, binnen het kader van haar wetten en voorschriften, een volledige veiligheid en bescherming toe, die in elk geval niet minder is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van onderdanen van een derde Staat.
Artikel 7
Iedere Overeenkomstsluitende Partij laat toe dat betalingen die voortvloeien uit investeringsactiviteiten zonder onnodige beperking of vertraging in de valuta van het betrokken land of in vrij inwisselbare valuta worden overgemaakt naar het land van de andere Overeenkomstsluitende Partij, in het bijzonder betalingen betreffende:
- (a). winsten, interesten, dividenden en andere lopende inkomsten;
- (b). redelijke gedeelten van de inkomsten van natuurlijke personen;
- (c). de opbrengsten van een liquidatie van kapitaal;
- (d). gelden voor terugbetaling van leningen;
- (e). honoraria voor verleende beheersdiensten;
- (f). royalty's.
Artikel 8
Geen der Overeenkomstsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij direct of indirect hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- (a). de maatregelen worden genomen in het algemeen belang en met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang;
- (b). de maatregelen zijn niet discriminatoir of in strijd met een toezegging die eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij heeft gedaan;
- (c). de maatregelen gaan vergezeld van een regeling voor de betaling van een billijke schadeloosstelling. Deze schadeloosstelling dient de echte waarde van de getroffen investeringen te vertegenwoordigen en zij moet, wil zij doeltreffend zijn voor de gerechtigden, zonder onnodige vertraging worden betaald en overgemaakt naar het land waarvan die gerechtigden onderdaan zijn en in de valuta van dat land of in een vrij inwisselbare valuta.
Artikel 9
Indien de investeringen van een onderdaan van de ene Overeenkomstsluitende Partij krachtens een bij wet ingesteld stelsel verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico's, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar in de rechten van genoemde onderdaan, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering, door de andere Overeenkomstsluitende Partij erkend.
Artikel 10
De Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied waarvan een onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij een investering doet of voornemens is een investering te doen stemt ermee in elk geschil dat ontstaat in verband met die investering op verzoek van die onderdaan voor arbitrage of conciliatie voor te leggen aan het Centrum dat is opgericht krachtens het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van investeringsgeschillen tussen Staten en onderdanen van andere Staten.
Artikel 11
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn vanaf de datum van inwerkingtreding ook van toepassing,
- -. wat de Islamitische Republiek Pakistan betreft, op investeringen die zijn gedaan door onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden met toestemming van de Regering van de Islamitische Republiek Pakistan op of na 1 september 1954.
- -. wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, op investeringen van onderdanen van de Islamitische Republiek Pakistan die zijn gedaan in overeenstemming met de wetten en voorschriften van het Koninkrijk vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
Artikel 12
De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen een Gemengde Commissie inzake economische en technologische samenwerking in te stellen. De Commissie wordt samengesteld uit vertegenwoordigers die in verband met een bijeenkomst van de Commissie door de onderscheiden Regeringen worden benoemd. Deskundigen en adviseurs van zowel de privé-sector als de publieke sector kunnen op verzoek van één der Partijen worden aangezocht de bijeenkomst van de Commissie bij te wonen.
De Commissie:
- -. bespreekt elke aangelegenheid die betrekking heeft op de uitvoering van deze Overeenkomst en doet aanbevelingen terzake;
- -. onderzoekt en bepaalt de sectoren waarin zij een verruiming van de samenwerking tussen de beide landen mogelijk acht en doet aanbevelingen ter zake.
De Commissie kan speciale werkgroepen voor de samenwerking in bepaalde sectoren benoemen. De werkgroepen brengen verslag uit aan de Gemengde Commissie.
De Commissie komt op verzoek van één der Partijen bij de Overeenkomst bijeen.
Artikel 13
Ten aanzien van aangelegenheden die door deze Overeenkomst worden beheerst, kan geen enkele bepaling van deze Overeenkomst een onderdaan van de ene Overeenkomstsluitende Partij beletten een recht uit te oefenen dat gunstiger voor hem is en dat voor de andere Overeenkomstsluitende Partij is verleend.
Artikel 14
Enig geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden geregeld, wordt, tenzij de partijen anderszins zijn overeengekomen, op verzoek van één der partijen bij het geschil voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Iedere partij benoemt een scheidsman en de beide aldus benoemde scheidsmannen benoemen te zamen een derde scheidsman, die geen onderdaan is van één van beide Staten, tot hun voorzitter.
Indien één van de partijen nalaat haar scheidsman te benoemen en indien zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere partij binnen twee maanden tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.
Indien de beide scheidsmannen binnen twee maanden na hun benoeming niet tot overeenstemming kunnen geraken over de keuze van een derde scheidsman, kan één van beide partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.
Indien in de in het tweede en derde lid bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde taak te verrichten of een onderdaan is van één van beide Staten, dienen de noodzakelijke benoemingen te geschieden door de Vice-President. Indien de Vice-President verhinderd is genoemde taak te verrichten of een onderdaan is van één van beide Staten, dienen de noodzakelijke benoemingen te geschieden door het lid van het Gerechtshof dat het hoogst in anciënniteit is, dat beschikbaar is en dat geen onderdaan is van één van beide Staten.
Het scheidsgerecht doet uitspraak op grond van eerbiediging van het recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elke stand van het geding een minnelijke schikking van het geding aan de partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht in het geschil te beslechten naar gerechtigheid en in goede trouw, indien de partijen daarmee instemmen.
Tenzij de partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.
Het scheidsgerecht doet uitspraak bij meerderheid van stemmen. De uitspraak is onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil.
Artikel 15
Ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden is deze Overeenkomst van toepassing op het deel van het Rijk in Europa en op Aruba, tenzij de kennisgeving, voorzien in artikel 16, eerste lid, anders luidt.
Artikel 16
Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de Overeenkomstsluitende Partijen elkander schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de in hun onderscheiden landen hiertoe constitutioneel vereiste procedures is voldaan, en zij blijft van kracht gedurende een tijdvak van 15 jaar.
Tenzij door één van beide Overeenkomstsluitende Partijen ten minste zes maanden vóór de datum waarop haar geldigheid vervalt kennisgeving van opzegging wordt gedaan, wordt deze Overeenkomst telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij iedere Overeenkomstsluitende Partij zich het recht voorbehoudt de Overeenkomst te beëindigen, nadat zij ten minste zes maanden vóór het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid van dit voornemen kennis heeft gegeven.
Ten aanzien van investeringen die zijn verricht vóór de datum van beëindiging van deze Overeenkomst blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van nog eens 15 jaar, te rekenen vanaf die datum.
Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde termijn is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd om de toepassing van deze Overeenkomst ten aanzien van Aruba afzonderlijk te beëindigen.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned representatives, duly authorized hereto, have signed the present Agreement.
DONE in duplicate at Islamabad, in the English language, on this fourth day of the month of October, 1988.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands
(sd.) Y. VAN ROOY
Mrs. Yvonne M. C. T. van Rooy
Minister for Foreign Trade
(sd.) M. P. VAN SOEST
Mr. M. P. van Soest
Netherlands Charge d'Affairs a.i.
For the Government of the Islamic Republic of Pakistan
(sd.) MAHBOOBUL HAQ
(Dr. Mahboobul Haq)
Minister for Finance
and Economic Affairs
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.