Protocol betreffende samenwerking ter bestrijding van olielozingen in het Caraïbisch gebied
De Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol,
Partij zijnde bij het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied, gedaan te Cartagena de Indias op 24 maart 1983,
Zich ervan bewust dat de werkzaamheden ter exploratie, produktie en raffinage van olie, alsmede het daarmede samenhangende vervoer over zee, een dreiging van aanzienlijke olielozingen in het Caraïbisch gebied inhouden,
In het besef dat de eilanden van het gebied, gezien de broosheid van hun ecosystemen en de economische afhankelijkheid van enkele van hen van het voortdurend gebruik van hun kustgebieden, bijzonder kwetsbaar zijn voor uit aanzienlijke verontreiniging door olie voortvloeiende schade,
Erkennend dat, in het geval van olielozing of de dreiging daarvan, onverwijld en doeltreffend dient te worden opgetreden, aanvankelijk op nationaal niveau, ten einde activiteiten, gericht op de voorkoming, de vermindering en de opruiming van de verontreiniging, te organiseren en te coördineren,
Voorts het belang erkennend van een goede voorbereiding en samenwerking en van wederzijdse bijstand ten einde doeltreffend te kunnen optreden bij olielozingen of de dreiging daarvan,
Vastbesloten door het nemen van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van uit olielozingen voortvloeiende verontreiniging, schade aan het mariene milieu, met inbegrip van de kustgebieden, van het Caraïbisch gebied af te wenden,
Zijn als volgt overeengekomen:
Inwerkingtreding voorheen door Trb. 1986, 195 gesteld op 30 maart 1986.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol:
-
- betekent «Caraïbisch gebied» het Verdragsgebied zoals omschreven in artikel 2 van het Verdrag, en de aangrenzende kustgebieden.
-
- betekent «Verdrag» het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu van het Caraïbisch gebied.
-
- betekent «daarmede samenhangende belangen» de belangen van een rechtstreeks getroffen of bedreigde Verdragsluitende Partij, die onder meer betrekking hebben op:
- (a). werkzaamheden op zee, aan de kust, in de havens of aan de riviermondingen;
- (b). de aantrekkingskracht van het desbetreffende gebied vanuit een oogpunt van de historie en het toerisme, met inbegrip van watersportbeoefening en recreatie;
- (c). de gezondheid van de kustbevolking; en
- (d). de visserij en het behoud van natuurlijke rijkdommen.
-
- betekent «olielozing» uitstroming, of een aanzienlijke dreiging van uitstroming van olie, ongeacht de oorzaak, van een omvang die het treffen van noodmaatregelen of ander onmiddellijk optreden vereist ten einde de gevolgen ervan tot een minimum te beperken of de dreiging weg te nemen.
-
- betekent «Organisatie» de instelling bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Verdrag.
-
- betekent «Regionaal Coördinatiecentrum» het centrum, bedoeld in het Actieplan voor het Caraïbisch Milieuprogramma.
Artikel 2. Toepassing
Dit Protocol is van toepassing op olielozingen die hebben geleid tot of die een aanzienlijke dreiging inhouden van, verontreiniging van het mariene milieu en de kusten van het Caraïbisch gebied of die de daarmede samenhangende belangen van een of meer Verdragsluitende Partijen nadelig beïnvloeden.
Artikel 3. Algemene bepalingen
De Verdragsluitende Partijen werken naar vermogen samen bij het nemen van alle nodige, preventieve en corrigerende, maatregelen voor de bescherming van het mariene milieu en de kusten van het Caraïbisch gebied, vooral de kustgebieden van de eilanden van het gebied, tegen olielozingen.
Naar vermogen scheppen de Verdragsluitende Partijen de middelen en houden deze in stand, of verzekeren zulks, ten einde te kunnen optreden bij olielozingen en trachten zij het risico daarvan te beperken. Zodanige middelen omvatten de uitvaardiging, voor zover nodig, van ter zake dienende wetten, de opstelling van rampenplannen, de vaststelling en ontwikkeling van het vermogen tot optreden bij een olielozing, en de aanwijzing van een voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol verantwoordelijke autoriteit.
Artikel 4. Uitwisseling van informatie
Elke Verdragsluitende Partij wisselt periodiek met de andere Verdragsluitende Partijen recente informatie uit aangaande haar toepassing van dit Protocol, met inbegrip van de aanduiding van de autoriteiten die voor deze toepassing verantwoordelijk zijn, alsmede informatie inzake haar wetten, voorschriften, instellingen en operationele procedures betreffende het voorkomen van olielozingen en de middelen voor het beperken en bestrijden van de schadelijke gevolgen van olielozingen.
Artikel 5. Verstrekking van informatie betreffende en melding van olielozingen
Elke Verdragsluitende Partij stelt passende procedures vast ten einde te verzekeren dat informatie aangaande olielozingen zo snel mogelijk wordt gemeld en dient, onder andere:
- (a). van haar daartoe bevoegde functionarissen, kapiteins van schepen die haar vlag voeren en beheerders van onder haar rechtsmacht staande voorzieningen voor de kust, te verlangen dat dezen haar iedere olielozing melden, waarbij hun schepen of voorzieningen betrokken zijn;
- (b). de kapiteins van alle schepen en de piloten van alle luchtvaartuigen die hun werkzaamheden verrichten in de nabijheid van haar kusten te verzoeken, haar iedere olielozing te melden waarvan zij kennis dragen.
Ingeval een Verdragsluitende Partij een melding aangaande een olielozing ontvangt, brengt zij deze onmiddellijk ter kennis van alle andere Verdragsluitende Partijen wier belangen naar alle waarschijnlijkheid door zulk een voorval worden getroffen, alsook van de vlaggestaat van een daarbij betrokken schip. De Verdragsluitende Partij stelt ook de bevoegde internationale organisaties op de hoogte. Bovendien stelt zij, zodra zulks mogelijk is, deze Verdragsluitende Partijen en bevoegde internationale organisaties in kennis van de door haar genomen maatregelen om de verontreiniging of de dreiging daarvan te verminderen of tot een minimum te beperken.
Artikel 6. Wederzijdse bijstand
Elke Verdragsluitende Partij verleent naar vermogen bijstand aan andere Verdragsluitende Partijen die om bijstand verzoeken, bij het optreden bij een olielozing, zulks in het kader van het tussen de verzoekende en bijstand verlenende Verdragsluitende Partijen overeengekomen gezamenlijk optreden.
Elke Verdragsluitende Partij vergemakkelijkt, onder voorbehoud van haar wetten en voorschriften het verkeer naar, via en uit haar grondgebied van technisch personeel, uitrusting en materialen nodig voor het optreden bij een olielozing.
Artikel 7. Praktische maatregelen
Elke Verdragsluitende Partij neemt met name en naar vermogen de onderstaande maatregelen ten einde op te treden bij een olielozing:
- (a). het verrichten van een voorlopige evaluatie van de lozing, met inbegrip van de aard en de omvang van bestaande of vermoedelijke verontreinigende gevolgen;
- (b). het onverwijld mededelen van informatie betreffende de lozing ingevolge artikel 5;
- (c). het onverwijld vaststellen van haar vermogen tot het nemen van doeltreffende maatregelen voor het optreden bij de lozing en van de bijstand die nodig zou kunnen zijn;
- (d). het waar passend plegen van overleg met andere betrokken Verdragsluitende Partijen bij het vaststellen van het noodzakelijke optreden bij de lozing;
- (e). het nemen van de nodige maatregelen, ter voorkoming, vermindering of wegneming van de gevolgen van de lozing, met inbegrip van het bewaken van de situatie.
Artikel 8. Subregionale regelingen
Ten einde de toepassing van de bepalingen van dit Protocol, en inzonderheid van de artikelen 6 en 7 te vergemakkelijken, dienen de Verdragsluitende Partijen passende bilaterale of multilaterale subregionale regelingen aan te gaan.
Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol die zulke subregionale regelingen aangaan, stellen de andere Verdragsluitende Partijen, alsook de Organisatie, in kennis van het aangaan en de inhoud van zulke regelingen.
Artikel 9. Institutionele regelingen
De Verdragsluitende Partijen wijzen de Organisatie aan voor het verrichten, via het Regionale Coördinatiecentrum, zodra dit is ingesteld, en in nauwe samenwerking met de Internationale Maritieme Organisatie, van de volgende taken:
- (a). het bijstaan van de Verdragsluitende Partijen, op hun verzoek, op de volgende terreinen:
- (i). de opstelling, periodieke herziening en bijwerking van de in kel 3, tweede lid, bedoelde rampenplannen, ten einde, onder meer de onderlinge afstemming van de plannen van de Verdragsluitende Parjen te bevorderen, en
- (ii). het geven van bekendheid aan opleidingscursussen en -programma's;
- (b). het bijstaan van de Verdragsluitende Partijen, op hun verzoek, op regionale basis, op de volgende terreinen:
- (i). de coördinatie van regionale activiteiten tot optreden in noodgevallen, en
- (ii). het bieden van een forum voor bespreking van zulke activiteiten en aanverwante onderwerpen;
- (c). het leggen en onderhouden van contacten met:
- (i). bevoegde regionale en internationale organisaties, en
- (ii). in aanmerking komende particuliere lichamen die activiteiten in het Caraïbisch gebied verrichten, waaronder grote olieproducenten, beheerders van raffinaderijen, bedrijven en coöperaties die een gebied reinigen van uitgestroomde olie, en vervoerders van olie;
- (d). het bijhouden van een actuele inventaris van de uitrusting, materialen en deskundigen die voor het optreden in noodgevallen in het Caraïbisch gebied beschikbaar zijn;
- (e). het verspreiden van informatie inzake het voorkomen en bestrijden van olielozingen;
- (f). het aanwijzen of in stand houden van communicatiemiddelen voor optreden in noodgevallen;
- (g). het bevorderen van onderzoek door de Verdragsluitende Partijen, de internationale organisaties en in aanmerking komende particuliere lichamen, van met olielozingen samenhangende onderwerpen, met inbegrip van de milieu-effecten van olielozingen en van materialen en technieken voor de bestrijding van uitgestroomde olie;
- (h). het bijstaan van de Verdragsluitende Partijen bij de uitwisseling van informatie ingevolge artikel 4; en
- (i). het opstellen van verslagen en het verrichten van andere taken, haar opgedragen door de Verdragsluitende Partijen.
Artikel 10. Vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen
De gewone vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol worden gehouden te zamen met de gewone vergaderingen van de Partijen bij het Verdrag, die worden gehouden ingevolge artikel 16 van het Verdrag. De Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol kunnen ook buitengewone vergaderingen houden, zoals bepaald in artikel 16 van het Verdrag.
Het is de taak van de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen:
- (a). de werking van dit Protocol te toetsen en bijzondere technische regelingen en andere maatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid van dit Protocol te onderzoeken;
- (b). middelen te onderzoeken waardoor de regionale samenwerking zou kunnen worden uitgebreid tot voorvallen waarbij andere gevaarlijke stoffen dan olie zijn betrokken; en
- (c). maatregelen te onderzoeken ter verbetering van de samenwerking krachtens dit Protocol, met inbegrip, overeenkomstig artikel 16, tweede lid, onder (d), van het Verdrag, van mogelijke wijzigingen op dit Protocol.
Artikel 11. Betrekkingen tussen dit Protocol en het Verdrag
De bepalingen van het Verdrag betreffende de protocollen daarbij zijn van toepassing op dit Protocol.
De procedureregels en de financiële voorschriften die ingevolge artikel 20 van het Verdrag zijn aangenomen, zijn van toepassing op dit Protocol, tenzij de Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol anders overeenkomen.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Protocol.
DONE at Cartagena de Indias this twenty-fourth day of March one thousand nine hundred and eighty-three in a single copy in the English, French and Spanish languages, the three texts being equally authentic.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.