Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan inzake sociale zekerheid
Het Koninkrijk der Nederlanden
en
Japan
Geleid door de wens hun onderlinge betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid te regelen
Zijn het volgende overeengekomen:
DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „Nederland”, het Koninkrijk der Nederlanden;
- b. de uitdrukking „grondgebied”, wat Japan betreft, het grondgebied van Japan; wat Nederland betreft, het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa;
- c. de uitdrukking „onderdaan”, wat Japan betreft, een onderdaan van Japan in de zin van het recht van Japan inzake nationaliteit; wat Nederland betreft, een persoon met de Nederlandse nationaliteit;
- d. de uitdrukking „wetgeving”, wat Japan betreft, de wet- en regelgeving van Japan inzake de Japanse pensioenregelingen en de Japanse ziektekostenverzekeringsstelsels omschreven in artikel 2, eerste lid; wat Nederland betreft, de wet- en regelgeving van Nederland inzake de takken van sociale zekerheid omschreven in artikel 2, tweede lid;
- e. de uitdrukking „bevoegde autoriteit”, wat Japan betreft, de ter zake van de in artikel 2, eerste lid, omschreven Japanse pensioenregelingen en de Japanse ziektekostenverzekeringsstelsels bevoegde overheidsorganisaties; wat Nederland betreft, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- f. de uitdrukking „bevoegd orgaan”, wat Japan betreft, de voor de uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, omschreven Japanse pensioenregelingen en Japanse ziektekostenverzekeringsstelsels verantwoordelijke verzekeringsorganen of samenwerkingsverbanden daarvan; wat Nederland betreft, de voor de uitvoering van de wetgeving van Nederland bevoegde organen;
- g. de uitdrukking „verzekeringstijdvak”, wat Japan betreft, een tijdvak van betaling van premie of bijdrage uit hoofde van de wetgeving van Japan inzake de Japanse pensioenregelingen omschreven in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, i tot en met v, en elk ander tijdvak dat uit hoofde van die wetgeving in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van een recht op uitkeringen; tijdvakken die ingevolge andere met dit Verdrag vergelijkbare overeenkomsten inzake sociale zekerheid in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van een recht op uitkeringen uit hoofde van die wetgeving worden daaronder evenwel niet begrepen; wat Nederland betreft, een tijdvak van arbeid in loondienst of als zelfstandige, of een tijdvak van wonen en als zodanig aangemerkte tijdvakken uit hoofde van de wetgeving van Nederland;
- h. de uitdrukking „uitkering”, een pensioen of andere uitkering uit hoofde van de wetgeving van een Verdragsluitende Staat.
Voor de toepassing van dit Verdrag heeft elke uitdrukking die in dit Verdrag niet wordt omschreven de betekenis die eraan wordt gegeven in de van toepassing zijnde wetgeving.
Artikel 2. Materiële werkingssfeer
Dit Verdrag is van toepassing
-
- wat Japan betreft, voor de toepassing van dit Verdrag zijn de artikelen 5, 14 tot en met 21, 26, 27, 30 (met uitzondering van het derde lid) en artikel 32, tweede lid, evenwel uitsluitend van toepassing op de Japanse pensioenregelingen bedoeld in onderdeel a van dit lid; en
- a. op de volgende Japanse pensioenregelingen: (de onder ii tot en met v omschreven Japanse pensioenregelingen worden hierna aangeduid als de „Japanse pensioenregelingen voor werknemers”); voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder het nationaal pensioen evenwel niet verstaan het aanvullend ouderdomspensioen of andere pensioenen die tijdelijk of aanvullend worden verstrekt ten behoeve van welzijn en die geheel of voornamelijk uit de middelen van de nationale overheid worden betaald; en
- i. het nationaal pensioen (met uitzondering van het nationaal pensioenfonds);
- ii. de pensioenverzekering voor werknemers (met uitzondering van het pensioenfonds van werknemers);
- iii. het onderling pensioen voor rijksambtenaren;
- iv. het onderling pensioen voor lokale ambtenaren en personeel met vergelijkbare status (met uitzondering van de pensioenregeling voor leden van lokale raden); en
- v. het onderling pensioen voor personeel van particuliere scholen;
- b. op de Japanse ziektekostenverzekeringsstelsels die uit hoofde van de volgende wetten, als gewijzigd, worden uitgevoerd:
- i. Wet op de ziektekostenverzekering (wet nr. 70. 1922);
- ii. Wet op de verzekering van zeelieden (met inbegrip van de bepalingen inzake werknemersverzekering en verzekeringen tegen schade door bedrijfsongevallen voor werknemers), (wet nr. 73, 1939);
- iii. Wet op de nationale ziektekostenverzekering (wet nr. 192, 1958);
- iv. Wet inzake de vereniging voor onderlinge bijstand voor rijksambtenaren (wet nr. 128, 1958);
- v. Wet inzake de vereniging voor onderlinge bijstand voor lokale ambtenaren en daarmee vergelijkbaar personeel (wet nr. 152, 1962);
- vi. Wet inzake de onderlinge bijstand voor personeel van particuliere scholen (wet nr. 245, 1953); en
- vii. Wet op de veiligheid van gezondheidszorg voor senioren (wet nr. 80, 1982);
-
- wat Nederland betreft, op de volgende takken van sociale zekerheid:
- a. arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;
- b. ouderdomspensioenen;
- c. nabestaandenuitkeringen;
- d. kinderbijslagen;
- e. uitkeringen bij ziekte en moederschap;
- f. verstrekkingen in natura bij ziekte; en
- g. werkloosheidsuitkeringen;
voor de toepassing van dit Verdrag zijn de artikelen 14 tot en met 21, 26, 30 (met uitzondering van het derde lid) en artikel 32, tweede lid, evenwel niet van toepassing op de takken van sociale zekerheid bedoeld in de onderdelen d tot en met g van dit lid, en de artikelen 5, 27 en artikel 31, tweede lid, zijn niet van toepassing op de takken van sociale zekerheid bedoeld in de onderdelen d, f en g van dit lid.
Artikel 3. Personele werkingssfeer
Dit Verdrag is van toepassing op personen op wie de wetgeving van een Verdragsluitende Staat van toepassing is of is geweest, alsmede op gezinsleden of nabestaanden die aan deze personen rechten ontlenen.
Artikel 4. Gelijkheid van behandeling
Tenzij anders voorzien in dit Verdrag worden de personen omschreven in artikel 3, die gewoonlijk wonen op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat bij de toepassing van de wetgeving van die Verdragsluitende Staat op dezelfde wijze behandeld als onderdanen van die Staat.
Artikel 5. Betaling van uitkeringen in het buitenland
Tenzij anders voorzien in dit Verdrag zijn bepalingen van de wetgeving van een Verdragsluitende Staat die het recht op of de betaling van uitkeringen beperken uitsluitend omdat de rechthebbende gewoonlijk woont buiten het grondgebied van die Verdragsluitende Staat niet van toepassing op personen die gewoonlijk wonen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat. Het voorgaande laat evenwel onverlet:
- a. de bepalingen van de wetgeving van Japan die bepalen dat personen van 60 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar op de datum van het eerste geneeskundig onderzoek of op de datum van overlijden gewoonlijk dienen te wonen op het grondgebied van Japan teneinde rechten te kunnen verwerven op het basispensioen voor arbeidsongeschikten of het basispensioen voor nabestaanden;
- b. de bepalingen van de Toeslagenwet van 6 november 1986 en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van 24 april 1997 van Nederland.
Uitkeringen uit hoofde van de wetgeving van een Verdragsluitende Staat worden betaald aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat die gewoonlijk wonen buiten het grondgebied van beide Verdragsluitende Staten onder dezelfde voorwaarden als wanneer zij onderdaan zouden zijn van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat.
DEEL II. BEPALINGEN INZAKE DE TOEPASSELIJKE WETGEVING
Artikel 6. Algemene bepalingen
Tenzij anders voorzien in dit Verdrag is op personen die als werknemer of als zelfstandige werkzaam zijn op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat ter zake van dat dienstverband of die werkzaamheden als zelfstandige uitsluitend de wetgeving van die Verdragsluitende Staat van toepassing.
Artikel 7. Bijzondere bepalingen
Indien een persoon op wie de wetgeving van een Verdragsluitende Staat van toepassing is en die als werknemer op het grondgebied van die Verdragsluitende Staat in dienst is van een werkgever die zijn plaats van bedrijfsuitoefening heeft op dat grondgebied door die werkgever vanuit dat grondgebied of vanuit een grondgebied buiten beide Verdragsluitende Staten wordt uitgezonden om werkzaam te zijn op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat, is op de werknemer uitsluitend de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat van toepassing als zou die werknemer op het grondgebied van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat werkzaam zijn, mits het tijdvak van deze detachering naar verwachting ten hoogste vijf jaar zal belopen.
Indien de in het eerste lid van dit artikel bedoelde detachering langer voortduurt dan vijf jaar, kunnen de bevoegde autoriteiten of bevoegde organen van beide Verdragsluitende Staten overeenkomen dat op de werknemer uitsluitend de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat van toepassing blijft.
Op personen op wie de bepalingen van het eerste lid van dit artikel reeds van toepassing waren, zullen deze bepalingen niet opnieuw van toepassing zijn, tenzij na afloop van de vorige detachering een jaar verstreken is.
Indien personen op wie de wetgeving van een Verdragsluitende Staat van toepassing is en die gewoonlijk als zelfstandige werkzaam zijn op het grondgebied van die Verdragsluitende Staat, tijdelijk als zelfstandige uitsluitend werkzaam zijn op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat, is op die personen uitsluitend de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat van toepassing als zouden die personen werkzaam zijn op het grondgebied van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat, mits het tijdvak van de werkzaamheden als zelfstandige op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat naar verwachting ten hoogste vijf jaar zal belopen.
Indien de werkzaamheden als zelfstandige op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat bedoeld in het vierde lid van dit artikel langer voortduren dan vijf jaar, kunnen de bevoegde autoriteiten of bevoegde organen van beide Verdragsluitende Staten overeenkomen dat op de zelfstandige uitsluitend de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat van toepassing blijft.
Artikel 8. Werknemers aan boord van zeeschepen
Op personen die als werknemer werkzaam zijn aan boord van zeeschepen die onder de vlag van een de Verdragsluitende Staten varen is, ter zake van die werkzaamheden, uitsluitend de wetgeving van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de werkgever gevestigd is van toepassing.
Artikel 9. Leden van diplomatieke zendingen, leden van consulaire posten en ambtenaren
Dit Verdrag laat de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 of van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963 onverlet.
Behoudens het eerste lid van dit artikel, indien ambtenaren van een Verdragsluitende Staat of in de wetgeving van die Verdragsluitende Staat als zodanig aangemerkte personen naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat worden gezonden om aldaar werkzaam te zijn, is op die personen uitsluitend de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat van toepassing als zouden die personen werkzaam zijn op het grondgebied van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat.
Artikel 10. Uitzonderingen op de artikelen 6 tot en met 9
Op verzoek van een werknemer en een werkgever of een zelfstandige kunnen de bevoegde autoriteiten of bevoegde organen van beide Verdragsluitende Staten ermee instemmen ten behoeve van bepaalde personen of categorieën personen uitzonderingen toe te staan op de artikelen 6 tot en met 9, mits op deze personen of categorieën personen uitsluitend de wetgeving van een van de Verdragsluitende Staten van toepassing is.
Artikel 11. Echtgenote en kinderen
Op de echtgenote of kinderen die een persoon die werkzaam is op het grondgebied van Nederland vergezellen en op wie de wetgeving van Japan in overeenstemming met artikel 7 (met uitzondering van het derde lid), artikel 9, tweede lid, of artikel 10 van toepassing is, is uitsluitend de wetgeving van Japan van toepassing, tenzij zij zelf op het grondgebied van Nederland als werknemer of zelfstandige werkzaam zijn.
Artikel 12. Verplichte verzekering
Op de artikelen 6 tot en met 8, artikel 9, tweede lid, en artikel 11 zijn uitsluitend van toepassing op verplichte verzekering uit hoofde van de wetgeving van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 7 is niet van toepassing op personen die als werknemer werkzaam zijn op het grondgebied van Japan bij een werkgever die een plaats van bedrijfsuitoefening heeft op dat grondgebied of op het grondgebied van Japan gewoonlijk werkzaam is als zelfstandige, indien op die personen niet de wetgeving van Japan inzake de Japanse pensioenregelingen omschreven in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, i tot en met v, van toepassing is.
Artikel 13. Woonplaats in Nederland
Personen op wie in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 6, 7 (met uitzondering van het derde lid), 8, 9, tweede lid, en 10 de wetgeving van Nederland van toepassing is, worden aangemerkt als zijnde woonachtig op het grondgebied van Nederland gedurende het tijdvak waarin op die personen de wetgeving van Nederland van toepassing is.
DEEL III. BEPALINGEN INZAKE UITKERINGEN
HOOFDSTUK 1. BEPALINGEN INZAKE NEDERLANDSE UITKERINGEN
Artikel 14. Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Het bevoegde orgaan van Nederland neemt ten behoeve van de vaststelling van het recht op de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekeringstijdvakken uit hoofde van de wetgeving van Japan in aanmerking, voor zover zij niet samenvallen met de verzekeringstijdvakken uit hoofde van de wetgeving van Nederland.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.