← Geldende tekst · Geschiedenis

Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds

Geldende tekst a fecha 2015-05-11

Het Koninkrijk België,

de Tsjechische Republiek,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Republiek Estland,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

Ierland,

de Italiaanse Republiek,

de Republiek Cyprus,

de Republiek Letland,

de Republiek Litouwen,

het Groothertogdom Luxemburg,

de Republiek Hongarije,

de Republiek Malta,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Republiek Polen,

de Portugese Republiek,

de Republiek Slovenië,

de Slowaakse Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden,

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verdragsluitende partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Verdrag betreffende de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, en van

De Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

hierna „de Gemeenschap” genoemd,

enerzijds, en

De gevolmachtigden van de Republiek Albanië, hierna „Albanië” genoemd,

anderzijds,

Gelet op de sterke banden tussen de partijen en de waarden die zij gemeen hebben, hun verlangen deze banden nog te versterken en op wederkerigheid en wederzijds belang gebaseerde nauwe en langdurige betrekkingen tot stand te brengen die Albanië in staat moeten stellen de betrekkingen met de Gemeenschap en haar lidstaten te versterken en uit te breiden, welke voorheen via de Overeenkomst inzake handel en commerciële en economische samenwerking van 1992 met de Gemeenschap tot stand zijn gebracht;

Gelet op het belang van deze overeenkomst voor het stabilisatie- en associatieproces met de landen van Zuidoost-Europa voor de totstandbrenging en handhaving van een op samenwerking gebaseerde stabiele orde in Europa, waarvan de Europese Unie een steunpilaar is, en voor het stabiliteitspact;

Gelet op de verbintenis van de partijen dat zij met alle mogelijke middelen zullen bijdragen tot politieke, economische en institutionele stabilisatie, in Albanië en in de gehele regio, door de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld en door democratisering, institutionele opbouw en hervorming van het openbaar bestuur, regionale handelsintegratie en versterkte economische samenwerking, alsmede door samenwerking op veel uiteenlopende gebieden, met name op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, en versterking van de nationale en regionale veiligheid;

Gelet op de verbintenis van de partijen om de politieke en economische vrijheden te stimuleren als grondslag van deze overeenkomst, de mensenrechten te eerbiedigen en de rechtsstaat te handhaven, inclusief de rechten van leden van nationale minderheden, alsmede de democratische beginselen, op basis van een meerpartijenstelsel met vrije en eerlijke verkiezingen;

Gelet op de verbintenis van de partijen om volledig uitvoering te geven aan alle beginselen en bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, de OVSE, met name die van de Slotakte van Helsinki, de slotdocumenten van de conferenties van Madrid en Wenen, het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa, en het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa, teneinde bij te dragen tot regionale stabiliteit en samenwerking tussen de landen van de regio;

Gelet op de gehechtheid van de partijen aan de beginselen van de vrijemarkteconomie en de bereidheid van de Gemeenschap om aan de economische hervormingen in Albanië bij te dragen;

Gelet op het belang dat de partijen hechten aan vrijhandel, overeenkomstig de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de WTO;

Gelet op de wens van de partijen om de regelmatige politieke dialoog over bilaterale en internationale vraagstukken van wederzijds belang verder te ontwikkelen, met inbegrip van regionale aspecten, rekening houdend met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie;

Gelet op de verbintenis van de partijen om de georganiseerde misdaad te bestrijden en beter samen te werken in de strijd tegen terrorisme, op basis van de verklaring van de Europese Conferentie van 20 oktober 2001;

Overtuigd dat deze overeenkomst een nieuw klimaat zal scheppen voor hun onderlinge economische betrekkingen, in het bijzonder voor de ontwikkeling van handel en investeringen, factoren van cruciaal belang voor de economische herstructurering en modernisering;

Gelet op de verbintenis van Albanië om zijn wetgeving aan te passen aan die van de Gemeenschap en om die daadwerkelijk ten uitvoer te leggen;

Rekening houdend met de bereidheid van de Gemeenschap om doorslaggevende steun te verlenen voor de tenuitvoerlegging van hervormingen en daartoe gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten voor samenwerking en technische, financiële en economische bijstand, op een brede, indicatieve meerjarige basis;

Bevestigend dat de bepalingen van deze overeenkomst die binnen de toepassingssfeer van deel III, titel IV, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland binden als afzonderlijke verdragsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Gemeenschap, totdat het Verenigd Koninkrijk of Ierland (al naargelang van het geval) Albanië ervan in kennis stelt dat het Verenigd Koninkrijk of Ierland is gebonden als deel van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland dat aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig het Protocol betreffende de positie van Denemarken dat aan die verdragen is gehecht;

Wijzend op de top van Zagreb, waarop werd opgeroepen tot verdere consolidatie van de betrekkingen tussen de landen die deel uitmaken van het stabilisatie- en associatieproces en de Europese Unie, alsmede tot intensievere samenwerking in de regio;

Eraan herinnerend dat de top van Thessaloniki het stabilisatie- en associatieproces heeft bevestigd als het beleidskader voor de betrekkingen van de Europese Unie met de landen op de Westelijke Balkan en dat die landen naargelang van hun individuele voortgang en prestaties met betrekking tot de hervormingen uitzicht hebben op toetreding tot de Europese Unie;

Wijzend op het Memorandum van Overeenstemming inzake handelsbevordering en liberalisering, dat op 27 juni 2001 is ondertekend in Brussel en waarbij Albanië zich, samen met andere landen in de regio, ertoe heeft verbonden onderhandelingen te voeren over een netwerk van bilaterale vrijhandelsovereenkomsten, ter versterking van het vermogen van de regio om investeringen aan te trekken en om de vooruitzichten op integratie van de regio in de wereldeconomie te verbeteren;

Wijzend op de bereidheid van de Europese Unie om Albanië zo volledig mogelijk te integreren in de politieke en economische hoofdstroom van Europa, en op de status van het land als een potentiële kandidaat voor het lidmaatschap van de Europese Unie op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het voldoen aan de door de Europese Raad in juni 1993 gedefinieerde criteria, onder voorbehoud van de succesvolle tenuitvoerlegging van deze overeenkomst, met name wat betreft regionale samenwerking,

Zijn het volgende overeengekomen1)[Red: De oorspronkelijke Bijlagen bij de Overeenkomst en de Protocollen liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en zijn te vinden op http://eur-lex/europa.eu/nl/index.htm.]:

Artikel 1
1.

Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Albanië anderzijds.

2.

Deze associatie heeft ten doel:

TITEL I. GRONDBEGINSELEN

Artikel 2

De eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten, zoals vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en gedefinieerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de Slotakte van Helsinki en het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa, de eerbiediging van de internationale rechtsbeginselen, de rechtsstaat alsook de beginselen van de markteconomie, zoals beschreven in het document van de CVSE-conferentie van Bonn inzake economische samenwerking, liggen ten grondslag aan het interne en externe beleid van de partijen en zijn essentiële elementen van deze overeenkomst.

Artikel 3

Internationale en regionale vrede en stabiliteit en de ontwikkeling van betrekkingen van goed nabuurschap staan centraal in het stabilisatie- en associatieproces, als bedoeld in de conclusies van de Raad van de Europese Unie van 21 juni 1999. De sluiting en de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst geschieden in het kader van de conclusies van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1997, en zijn gebaseerd op de afzonderlijke verdiensten van Albanië.

Artikel 4

Albanië verbindt zich ertoe voort te gaan op de weg naar samenwerking en bevordering van de betrekkingen van goed nabuurschap met de overige landen van de regio, wat mede inhoudt dat een passend niveau van wederzijdse concessies op het gebied van het verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten wordt ingesteld en dat projecten van wederzijds belang worden ontwikkeld, met name inzake de bestrijding van georganiseerde misdaad, corruptie, witwassen van geld, illegale migratie en smokkel, met name van mensen en drugs. Deze verbintenis is van fundamenteel belang voor de ontwikkeling van de betrekkingen en de samenwerking tussen de partijen en draagt bij tot de regionale stabiliteit.

Artikel 5

De partijen bevestigen nogmaals het belang dat zij hechten aan de bestrijding van terrorisme en de nakoming van internationale verplichtingen op dit gebied.

Artikel 6

De associatie wordt geleidelijk ingevoerd; zij wordt volledig tot stand gebracht in een overgangsperiode van maximaal 10 jaar, die in twee fasen uiteenvalt.

Die twee fasen zijn niet van toepassing op titel IV, waarvoor in die titel een specifiek tijdsschema is vastgesteld.

De opsplitsing in twee op elkaar volgende fasen is bedoeld om de toepassing van de overeenkomst tussentijds grondig te kunnen toetsen. Op het gebied van harmonisatie van de wetgeving en rechtshandhaving moet de aandacht van Albanië tijdens de eerste fase vooral uitgaan naar de fundamentele elementen van het acquis, waarvoor specifieke criteria worden geformuleerd, zoals beschreven in titel VI.

De bij artikel 116 opgerichte Stabilisatie- en associatieraad onderzoekt op gezette tijden de toepassing van deze overeenkomst en de verwezenlijking door Albanië van de juridische, bestuurlijke, institutionele en economische hervormingen, in het licht van de preambule en in overeenstemming met de algemene principes van deze overeenkomst.

De eerste fase begint wanneer de overeenkomst in werking treedt. In de loop van het vijfde jaar beoordeelt de Stabilisatie- en associatieraad de door Albanië geboekte vooruitgang en besluit of die vooruitgang voldoende is om over te gaan naar de tweede fase op weg naar volledige associatie. De Stabilisatie- en associatieraad beslist ook over eventuele specifieke bepalingen die noodzakelijk worden geacht voor de tweede fase.

Artikel 7

Deze overeenkomst moet volledig verenigbaar zijn met de relevante WTO-bepalingen, met name artikel XXIV van de GATT 1994 en artikel V van de GATS, en moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.

TITEL II. POLITIEKE DIALOOG

Artikel 8
1.

In het kader van deze overeenkomst wordt de politieke dialoog tussen de partijen verder ontwikkeld. Deze dialoog begeleidt en consolideert de toenadering tussen de Europese Unie en Albanië en draagt bij tot de totstandbrenging van nauwe solidariteitsbanden en nieuwe vormen van samenwerking tussen de partijen.

2.

De politieke dialoog moet met name bijdragen tot het bevorderen van:

3.

De partijen zijn van mening dat de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel overheids- als niet-overheidsactoren, een van de ernstigste bedreigingen van de internationale stabiliteit en veiligheid vormt. De partijen komen derhalve overeen samen te werken en een bijdrage te leveren aan de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen, door de volledige naleving en de uitvoering op nationaal niveau van de verbintenissen die zij zijn aangegaan in het kader van de internationale verdragen en overeenkomsten op het gebied van ontwapening en non-proliferatie, alsmede van hun andere internationale verplichtingen op dat gebied. De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element is van deze overeenkomst, en deel uitmaakt van de politieke dialoog die deze elementen begeleidt en consolideert.

De partijen komen bovendien overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen:

De politieke dialoog hierover kan op regionale basis plaatsvinden.

Artikel 9
1.

De politieke dialoog vindt plaats binnen de Stabilisatie- en associatieraad, die de algemene verantwoordelijkheid draagt voor alle aangelegenheden die de partijen hem voorleggen.

2.

Op verzoek van de partijen kan de politieke dialoog ook de volgende vormen aannemen:

Artikel 10

Op parlementair niveau vindt de politieke dialoog plaats in het kader van het bij artikel 122 ingestelde Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité.

Artikel 11

De politieke dialoog kan plaatsvinden in multilateraal verband, of als regionale dialoog waarbij andere landen in de regio betrokken zijn.

TITEL III. REGIONALE SAMENWERKING

Artikel 12

In overeenstemming met zijn verbintenis op het gebied van internationale en regionale vrede en stabiliteit en de ontwikkeling van betrekkingen van goed nabuurschap, moet Albanië de regionale samenwerking actief steunen. Ook kan de Gemeenschap, via haar programma’s voor technische bijstand, projecten steunen met een regionale of grensoverschrijdende dimensie.

Telkens wanneer Albanië voornemens is de samenwerking met een van de in de artikelen 13, 14 en 15 genoemde landen te intensiveren, stelt het de Gemeenschap en haar lidstaten daarvan in kennis en voert het overleg met hen overeenkomstig de bepalingen van titel X.

Albanië moet bestaande bilaterale overeenkomsten met partners in de regio herzien, dan wel nieuwe overeenkomsten sluiten, om ervoor te zorgen dat deze verenigbaar zijn met de beginselen die worden genoemd in het Memorandum van Overeenstemming inzake handelsbevordering en liberalisering, dat op 27 juni 2001 in Brussel is ondertekend.

Artikel 13. Samenwerking met andere landen die een Stabilisatie- en associatieovereenkomst hebben gesloten

Na de ondertekening van deze overeenkomst opent Albanië met de landen die reeds een Stabilisatie- en associatieovereenkomst hebben ondertekend, onderhandelingen over de sluiting van bilaterale overeenkomsten inzake regionale samenwerking, waarvan het doel is de samenwerking tussen de betrokken landen uit te breiden.

De hoofdelementen van dergelijke overeenkomsten zijn:

Deze overeenkomsten zullen in voorkomend geval bepalingen omvatten met betrekking tot de oprichting van de nodige institutionele mechanismen.

Deze overeenkomsten worden gesloten binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. De bereidheid van Albanië om deze overeenkomsten te sluiten is een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen Albanië en de Europese Unie.

Albanië opent vergelijkbare onderhandelingen met de resterende landen van de regio, zodra deze landen een Stabilisatie- en associatieovereenkomst hebben gesloten.

Artikel 14. Samenwerking met andere bij het stabilisatie- en associatieproces betrokken landen

Albanië streeft naar regionale samenwerking met de andere bij het stabilisatie- en associatieproces betrokken landen op sommige of alle onder deze overeenkomst vallende samenwerkingsgebieden, met name die van wederzijds belang. Deze samenwerking moet verenigbaar zijn met de beginselen en doelstellingen van deze overeenkomst.

Artikel 15. Samenwerking met landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie
1.

Albanië kan met elk land dat kandidaat is voor toetreding tot de Europese Unie de samenwerking versterken en een overeenkomst sluiten voor regionale samenwerking op elk van de onder deze overeenkomst vallende samenwerkingsterreinen. Een dergelijke overeenkomst moet de bilaterale betrekkingen tussen Albanië en dat land geleidelijk afstemmen op het relevante onderdeel van de betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten en dat land.

2.

Albanië moet onderhandelingen openen met Turkije om op een tot wederzijds voordeel strekkende basis een overeenkomst te sluiten, waarbij een vrijhandelszone tussen beide partijen wordt ingesteld overeenkomstig artikel XXIV van de GATT, alsmede het onderling opzetten en verlenen van diensten wordt geliberaliseerd op een niveau dat gelijkwaardig is aan dat van deze overeenkomst, volgens artikel V van de GATS.

Deze onderhandelingen moeten zo snel mogelijk worden geopend om een dergelijke overeenkomst voor het einde van de in artikel 16, lid 1, genoemde overgangsperiode te kunnen sluiten.

TITEL IV. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

Artikel 16
1.

De Gemeenschap en Albanië brengen in de loop van een overgangsperiode van ten hoogste zes jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst geleidelijk een vrijhandelszone tot stand overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst, de GATT 1994 en de WTO. Daarbij houden zij rekening met de hieronder vermelde specifieke eisen.

2.

In het handelsverkeer tussen de twee partijen worden de goederen ingedeeld overeenkomstig de gecombineerde nomenclatuur.

3.

Het basisrecht waarop de in de overeenkomst vastgestelde opeenvolgende verlagingen worden toegepast, is voor elk product het recht dat erga omnes daadwerkelijk wordt toegepast op de dag voorafgaand aan de datum van ondertekening van de overeenkomst.

4.

De verlaagde rechten die door Albanië moeten worden toegepast en die overeenkomstig de in deze overeenkomst vastgestelde regels moeten worden berekend, worden volgens gebruikelijke rekenkundige principes afgerond op hele getallen. Daarom moeten alle cijfers met 50 of minder achter de komma naar beneden worden afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal en alle cijfers met meer dan 50 achter de komma naar boven worden afgerond tot het dichtstbijzijnde hele getal.

5.

Indien na de ondertekening van deze overeenkomst tariefverlagingen op erga-omnesgrondslag worden toegepast, in het bijzonder verlagingen die voortvloeien uit de tariefonderhandelingen in de WTO, komen deze verlaagde rechten vanaf de datum waarop de verlagingen toepassing vinden in de plaats van de in lid 3 bedoelde basisrechten.

6.

De Gemeenschap en Albanië stellen elkaar in kennis van hun respectieve basisrechten.

HOOFDSTUK I. INDUSTRIEPRODUCTEN

Artikel 17
1.

Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Albanië, vermeld in de hoofdstukken 25 tot en met 97 van de gecombineerde nomenclatuur, met uitzondering van de producten genoemd in bijlage 1, punt I, onder ii), van de Overeenkomst inzake de landbouw (GATT 1994).

2.

De handel tussen de partijen in producten die onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vallen, geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van dat Verdrag.

Artikel 18
1.

De douanerechten die van toepassing zijn bij invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit Albanië, worden bij de inwerkingtreding van de overeenkomst afgeschaft.

2.

De kwantitatieve beperkingen bij invoer in de Gemeenschap en de maatregelen van gelijke werking worden voor de producten van oorsprong uit Albanië opgeheven op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 19
1.

De douanerechten die van toepassing zijn bij invoer in Albanië van producten van oorsprong uit de Gemeenschap, andere dan de in bijlage I genoemde, worden bij de inwerkingtreding van de overeenkomst afgeschaft.

2.

De douanerechten die van toepassing zijn bij de invoer in Albanië van de producten van oorsprong uit de Gemeenschap, vermeld in bijlage I, worden geleidelijk verlaagd volgens onderstaand tijdschema:

3.

De kwantitatieve beperkingen bij invoer in Albanië van producten van oorsprong uit de Gemeenschap en maatregelen van gelijke werking worden bij de inwerkingtreding van de overeenkomst afgeschaft.

Artikel 20

De Gemeenschap en Albanië schaffen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst in hun onderlinge handelsverkeer alle heffingen van gelijke werking als douanerechten bij invoer af.

Artikel 21
1.

Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst schaffen de Gemeenschap en Albanië alle douanerechten bij uitvoer en heffingen van gelijke werking af.

2.

De Gemeenschap en Albanië schaffen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst alle kwantitatieve beperkingen bij de uitvoer en alle maatregelen van gelijke werking af.

Artikel 22

Albanië verklaart zich bereid zijn douanerechten in het handelsverkeer met de Gemeenschap sneller te verlagen dan in artikel 19 bepaald, indien de algemene economische situatie in dat land en de situatie in de betrokken sector van de economie zulks mogelijk maken.

De Stabilisatie- en associatieraad analyseert de situatie dienaangaande en doet daarover aanbevelingen.

Artikel 23

Protocol 1 bevat de regeling voor ijzer- en staalproducten die onder hoofdstuk 72 en 73 van de gecombineerde nomenclatuur vallen.

HOOFDSTUK II. LANDBOUW EN VISSERIJ

Artikel 24. Definities
1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de handel in landbouw- en visserijproducten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Albanië.

2.

Met „landbouw- en visserijproducten” worden de producten bedoeld die vermeld zijn in de hoofdstukken 1 tot en met 24 van de gecombineerde nomenclatuur en in bijlage 1, punt 1, onder ii), bij de Overeenkomst inzake de landbouw (GATT 1994).

3.

Deze definitie omvat ook vis en visserijproducten die vallen onder hoofdstuk 3, posten 1604 en 1605, en onderverdelingen 0511 91, 2301 20 00 en 1902 20 10.

Artikel 25

Protocol 2 bevat de handelsregeling voor de daarin genoemde verwerkte landbouwproducten.

Artikel 26
1.

Met ingang van de inwerkingtreding van deze overeenkomst schaft de Gemeenschap alle kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking af die van toepassing zijn op de invoer van landbouw- en visserijproducten van oorsprong uit Albanië.

2.

Met ingang van de inwerkingtreding van deze overeenkomst schaft Albanië alle kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking af die van toepassing zijn op de invoer van landbouw- en visserijproducten van oorsprong uit de Gemeenschap.

Artikel 27. Landbouwproducten
1.

Met ingang van de inwerkingtreding van deze overeenkomst schaft de Gemeenschap alle douanerechten en heffingen van gelijke werking af die van toepassing zijn op de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit Albanië, andere dan die van de posten 0102, 0201, 0202, 1701, 1702 en 2204 van de gecombineerde nomenclatuur.

Voor de producten die vallen onder hoofdstukken 7 en 8 van de gecombineerde nomenclatuur, waarvoor het gemeenschappelijk douanetarief in een „ad valorem” douanerecht en een specifiek douanerecht voorziet, is de afschaffing uitsluitend op het „ad valorem”-deel van de douanerechten van toepassing.

2.

Met ingang van de inwerkingtreding van deze overeenkomst verleent de Gemeenschap rechtenvrije toegang aan invoer in de Gemeenschap voor producten van de posten 1701 en 1702 van de gecombineerde nomenclatuur van oorsprong uit Albanië, binnen de grenzen van de jaarlijkse tariefcontingenten van 1000 ton.

3.

Met ingang van de inwerkingtreding van de overeenkomst moet Albanië:

4.

In protocol 3 is de regeling neergelegd die van toepassing is op de daarin genoemde wijn en gedistilleerde dranken.

Artikel 28. Visserijproducten
1.

Met ingang van de inwerkingtreding van deze overeenkomst schaft de Gemeenschap alle douanerechten op vis en visserijproducten van oorsprong uit Albanië, andere dan die vermeld in bijlage III, af. Op de in bijlage III vermelde producten zijn de daarin opgenomen bepalingen van toepassing.

2.

Zodra deze overeenkomst in werking treedt, past Albanië geen douanerechten of heffingen van gelijke werking meer toe op vis en visserijproducten van oorsprong uit de Gemeenschap.

Artikel 29

Rekening houdend met de omvang van het handelsverkeer in landbouw- en visserijproducten tussen de partijen, de bijzondere gevoeligheden van die producten, de regels van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid van de Gemeenschap en het landbouw- en visserijbeleid van Albanië, de rol van landbouw en visserij in de Albanese economie en de gevolgen van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de WTO, onderzoeken de Gemeenschap en Albanië binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in de Stabilisatie- en associatieraad per product, systematisch en op basis van passende wederkerigheid, de mogelijkheden om elkaar verdere concessies te verlenen teneinde de handel in landbouw- en visserijproducten verder te liberaliseren.

Artikel 30

De bepalingen van dit hoofdstuk vormen in geen geval een belemmering voor de eenzijdige toepassing van gunstiger maatregelen door een van de partijen.

Artikel 31

Onverminderd de andere bepalingen van deze overeenkomst, en met name die van de artikelen 38 en 43, plegen beide partijen, indien, wegens de bijzondere gevoeligheid van de markten voor landbouw- en visserijproducten, de invoer van producten van oorsprong uit een partij waarvoor de concessies uit hoofde van de artikelen 25, 27 en 28 zijn verleend, ernstige problemen veroorzaakt op de markt of voor de binnenlandse regulerende mechanismen van de andere partij, zo spoedig mogelijk overleg om een passende oplossing te vinden voor het probleem. In afwachting van deze oplossing kan de betrokken partij de passende maatregelen nemen die zij noodzakelijk acht.

HOOFDSTUK III. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 32

Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk of in de protocollen 1, 2 of 3 zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op de handel tussen de partijen in alle producten.

Artikel 33. Standstill
1.

Zodra deze overeenkomst in werking treedt, mogen in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Albanië geen nieuwe douanerechten bij invoer of bij uitvoer of heffingen van gelijke werking worden ingesteld, noch mogen de rechten of heffingen die reeds van toepassing zijn, worden verhoogd.

2.

Zodra deze overeenkomst in werking treedt, worden in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Albanië geen nieuwe kwantitatieve beperkingen bij invoer of bij uitvoer of maatregelen van gelijke werking ingesteld, noch worden reeds bestaande beperkingen restrictiever gemaakt.

3.

Onverminderd de overeenkomstig artikel 26 verleende concessies vormen de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel in geen enkel opzicht een beletsel voor de voortzetting van het landbouwbeleid van Albanië en van de Gemeenschap, noch voor het nemen van enige maatregel in het kader van dit beleid, voorzover de invoerregeling in de bijlagen II en III daardoor niet wordt beïnvloed.

Artikel 34. Verbod op fiscale discriminatie
1.

Beide partijen onthouden zich van alle binnenlandse maatregelen of praktijken van fiscale aard die, direct of indirect, discrimineren tussen de producten van de ene partij en soortgelijke producten van oorsprong uit het grondgebied van de andere partij, en schaffen dergelijke bestaande maatregelen of praktijken af.

2.

De teruggave van binnenlandse indirecte belastingen voor producten die naar het grondgebied van een van de partijen worden uitgevoerd, mag niet hoger zijn dan de daarop geheven indirecte belastingen.

Artikel 35

De bepalingen betreffende de afschaffing van de douanerechten bij invoer zijn eveneens van toepassing op douanerechten van fiscale aard.

Artikel 36. Douane-unies, vrijhandelszones, regelingen voor grensverkeer
1.

De overeenkomst vormt geen beletsel voor de handhaving of de oprichting van douane-unies, vrijhandelszones of regelingen voor grensverkeer, mits de in deze overeenkomst neergelegde handelsakkoorden daardoor niet worden gewijzigd.

2.

Gedurende de in artikel 19 vermelde overgangsperioden mag deze overeenkomst geen invloed hebben op de tenuitvoerlegging van de specifieke preferentiële regelingen voor het goederenverkeer die ofwel zijn vastgelegd in grensovereenkomsten die eerder zijn gesloten tussen een of meer lidstaten en Albanië, ofwel voortvloeien uit de in titel III gespecificeerde bilaterale overeenkomsten die door Albanië zijn gesloten ter bevordering van de regionale handel.

3.

De partijen plegen in de Stabilisatie- en associatieraad overleg over de in de leden 1 en 2 beschreven overeenkomsten en, desgewenst, over andere belangrijke onderwerpen in verband met hun respectieve handelspolitiek ten aanzien van derde landen. Een dergelijk overleg vindt met name plaats bij de toetreding van een derde land tot de Gemeenschap, teneinde rekening te kunnen houden met de onderlinge belangen van de Gemeenschap en Albanië als omschreven in deze overeenkomst.

Artikel 37. Dumping en subsidiëring
1.

De bepalingen in deze overeenkomst beletten de partijen niet handelsbeschermingsmaatregelen overeenkomstig lid 2 en artikel 38 te treffen.

2.

Indien een der partijen constateert dat in het handelsverkeer met de andere partij dumping plaatsvindt en/of tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies worden gegeven, kan de eerstgenoemde partij passende maatregelen nemen tegen deze praktijk op grond van de WTO-overeenkomst betreffende de tenuitvoerlegging van artikel VI van de GATT 1994, de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, en haar eigen wetgeving terzake.

Artikel 38. Algemene vrijwaringsclausule
1.

De bepalingen van artikel XIX van de GATT 1994 en van de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen zijn van toepassing in de betrekkingen tussen de partijen.

2.

Wanneer een product uit een van de partijen in de andere partij wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden dat zij:

kan de invoerende partij passende maatregelen nemen overeenkomstig de voorwaarden en procedures van dit artikel.

3.

Bilaterale vrijwaringsmaatregelen die gericht zijn tegen invoer uit de andere partij mogen niet meer inhouden dat wat nodig is om de gerezen moeilijkheden te compenseren, en bestaan normaliter uit de opschorting van de verdere verlaging van een heffing of recht krachtens deze overeenkomst voor het betrokken product of een verhoging daarvan voor dat product tot een maximum dat overeenkomt met het meestbegunstigingsrecht voor dat product. Dergelijke maatregelen bevatten duidelijke elementen die uiterlijk aan het einde van de vastgestelde periode geleidelijk leiden tot de intrekking ervan, en mogen niet voor een periode langer dan één jaar worden genomen. In zeer uitzonderlijke omstandigheden mogen maatregelen worden genomen voor een totale maximumtermijn van drie jaar. Ten aanzien van de invoer van een product waartegen reeds eerder vrijwaringsmaatregelen zijn genomen, mogen gedurende een periode van ten minste drie jaar na het verstrijken van deze maatregelen niet opnieuw bilaterale vrijwaringsmaatregelen worden genomen.

4.

In de in dit artikel genoemde gevallen verstrekt de Gemeenschap of Albanië, vóór de in dit artikel bedoelde maatregelen worden genomen of, in de gevallen waarop het bepaalde in lid 5, onder b, van toepassing is, zo spoedig mogelijk, de Stabilisatie- en associatieraad alle relevante informatie teneinde een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden.

5.

Voor de tenuitvoerlegging van het bovenstaande gelden de volgende bepalingen:

6.

Wanneer de Gemeenschap of Albanië de invoer van producten die de in dit artikel bedoelde moeilijkheden kunnen doen rijzen aan een administratieve procedure onderwerpen die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de tendens van de handelsstromen, stelt de betrokken partij de andere partij daarvan in kennis.

Artikel 39. Tekortclausule
1.

Wanneer naleving van de bepalingen van deze titel leidt tot:

2.

Bij de keuze van deze maatregelen wordt prioriteit gegeven aan die welke de werking van de bij deze overeenkomst vastgestelde regelingen het minst verstoren. Dergelijke maatregelen mogen niet worden toegepast op een wijze die in gelijke omstandigheden willekeurige of onrechtvaardige discriminatie of een verkapte beperking van het handelsverkeer zou inhouden, en moeten worden opgeheven zodra de omstandigheden verdere handhaving niet meer rechtvaardigen.

3.

De Gemeenschap of Albanië verstrekt, alvorens de in lid 1 bedoelde maatregelen te nemen, of in de gevallen waarin lid 4 van toepassing is, zo spoedig mogelijk, de Stabilisatie- en associatieraad alle relevante informatie om de raad in staat te stellen een voor beide partijen aanvaardbare oplossing voor het probleem te vinden. De partijen kunnen in de Stabilisatie- en associatieraad besluiten tot maatregelen die nodig zijn om de moeilijkheden te beëindigen. Indien dertig dagen nadat de zaak aan de Stabilisatie- en associatieraad is voorgelegd geen overeenstemming is bereikt, kan de exporterende partij uit hoofde van dit artikel maatregelen toepassen ten aanzien van de uitvoer van het betrokken product.

4.

Wanneer uitzonderlijke en kritieke omstandigheden die onmiddellijk maatregelen vereisen, voorafgaande kennisgeving of voorafgaand onderzoek onmogelijk maken, kan de betrokken partij, hetzij de Gemeenschap, hetzij Albanië, om het probleem op te lossen onmiddellijk voorzorgsmaatregelen nemen, op voorwaarde dat zij de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis stelt.

5.

Alle krachtens dit artikel genomen maatregelen worden de Stabilisatie- en associatieraad onmiddellijk ter kennis gebracht en worden in die raad op gezette tijden aan een onderzoek onderworpen, in het bijzonder om een tijdschema vast te stellen voor de afschaffing ervan zodra de omstandigheden dat toelaten.

Artikel 40. Staatsmonopolies

Albanië past alle staatsmonopolies van commerciële aard geleidelijk aan, zodat er uiterlijk aan het einde van het vierde jaar na inwerkingtreding van deze overeenkomst geen sprake meer is van discriminatie tussen onderdanen van de lidstaten en van Albanië ten aanzien van de omstandigheden waaronder goederen worden verworven en op de markt gebracht. De Stabilisatie- en associatieraad wordt in kennis gesteld van de maatregelen die daartoe worden genomen.

Artikel 41

Behalve indien anders bepaald in deze overeenkomst, zijn de oorsprongsregels voor de toepassing van deze overeenkomst in protocol 4 vastgesteld.

Artikel 42. Toegestane beperkingen

Deze overeenkomst vormt geen beletsel voor verbodsbepalingen of beperkingen ten aanzien van invoer, uitvoer of doorvoer die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde en de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, de bescherming van het nationale artistieke, historische en archeologische erfgoed, of de bescherming van de intellectuele, industriële en commerciële eigendom, of regels betreffende goud en zilver. Dergelijke verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de partijen vormen.

Artikel 43
1.

De partijen komen overeen dat administratieve samenwerking essentieel is voor de uitvoering van en controle op de preferentiële behandeling die op grond van deze titel wordt verleend en benadrukken zich te zullen inzetten om onregelmatigheden en fraude in douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

2.

Wanneer een partij op basis van objectieve informatie tot de conclusie is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich uit hoofde van deze titel onregelmatigheden of gevallen van fraude hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de preferentiële regeling ten aanzien van de betrokken producten overeenkomstig dit artikel tijdelijk opschorten.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder niet verlenen van administratieve medewerking verstaan:

4.

Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

5.

Tegelijk met de kennisgeving aan het Stabilisatie- en associatiecomité overeenkomstig lid 4, onder a, moet de betrokken partij in haar officiële publicatieblad een kennisgeving voor importeurs publiceren. De voor de importeurs bestemde kennisgeving moet voor het betrokken product aangeven dat op basis van objectieve informatie is geconcludeerd dat geen administratieve samenwerking is verleend en/of dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude.

Artikel 44

Indien de bevoegde autoriteiten zich hebben vergist in het juiste beheer van de preferentiële uitvoerregeling, en met name in de toepassing van de bepalingen van protocol 4 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en administratieve samenwerking, mag de partij die te maken krijgt met eventuele consequenties in de vorm van invoerrechten, de Stabilisatie- en associatieraad verzoeken de mogelijkheden van de goedkeuring van passende maatregelen te onderzoeken om de situatie op te lossen.

Artikel 45

De toepassing van deze overeenkomst laat de toepassing van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht op de Canarische Eilanden onverlet.

TITEL V. VERKEER VAN WERKNEMERS, VESTIGING, VERLENEN VAN DIENSTEN EN BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER

HOOFDSTUK I. VERKEER VAN WERKNEMERS

Artikel 46
1.

Met inachtneming van de in elke lidstaat geldende voorwaarden en modaliteiten:

2.

Albanië verleent, volgens de in dat land geldende voorwaarden en modaliteiten, aan werknemers die onderdaan zijn van een lidstaat en die legaal op zijn grondgebied werkzaam zijn, alsmede aan hun echtgenoot en kinderen die daar legaal verblijven, de in lid 1 vermelde behandeling.

Artikel 47
1.

Rekening houdend met de arbeidsmarktsituatie in de lidstaten, hun wetgeving en de voorschriften die in de lidstaten gelden op het gebied van de mobiliteit van werknemers:

2.

De Stabilisatie- en associatieraad onderzoekt of andere verbeteringen, zoals bijvoorbeeld toegang tot beroepsopleiding, overeenkomstig de in de lidstaten geldende regels en procedures en met inachtneming van de arbeidsmarktsituatie in de lidstaten en de Gemeenschap tot stand kunnen worden gebracht.

Artikel 48
1.

Er worden regels vastgesteld voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels die van toepassing zijn op legaal op het grondgebied van een lidstaat werkzame werknemers die onderdaan van Albanië zijn en hun legaal daar verblijvende gezinsleden. Hiertoe worden bij een besluit van de Stabilisatie- en associatieraad, dat alle rechten en verplichtingen uit hoofde van bilaterale overeenkomsten onverlet laat indien deze in een gunstiger behandeling voorzien, de volgende bepalingen ingevoerd:

2.

Albanië kent aan legaal op zijn grondgebied tewerkgestelde werknemers die onderdaan van een lidstaat zijn en aan hun aldaar legaal verblijvende gezinsleden een soortgelijke behandeling toe als die welke in het tweede en derde streepje van lid 1 wordt omschreven.

HOOFDSTUK II. VESTIGING

Artikel 49

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Artikel 50
1.

Albanië moet het op zijn grondgebied opzetten van werkzaamheden door vennootschappen en onderdanen uit de Gemeenschap vergemakkelijken. Daartoe verleent dat land vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst:

2.

De partijen voeren geen nieuwe wettelijke regelingen of maatregelen in die discriminerend zijn ten aanzien van de vestiging van communautaire of Albanese vennootschappen op hun grondgebied of ten aanzien van de werkzaamheden van op hun grondgebied gevestigde communautaire of Albanese vennootschappen in vergelijking tot de eigen vennootschappen.

3.

De Gemeenschap en haar lidstaten verlenen vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst:

4.

Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst stelt de Stabilisatie- en associatieraad de voorwaarden vast voor de uitbreiding van bovenstaande bepalingen tot de vestiging van onderdanen van beide partijen die economische activiteiten anders dan in loondienst wensen uit te oefenen.

5.

Onverminderd het bepaalde in dit artikel:

Artikel 51
1.

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 50 en uitgezonderd de in bijlage IV omschreven financiële diensten kan elke partij de vestiging en de werkzaamheden van vennootschappen en onderdanen op haar grondgebied regelen, voor zover deze regelingen niet discriminerend zijn voor vennootschappen en onderdanen van de andere partij in vergelijking met de eigen vennootschappen en onderdanen.

2.

Ten aanzien van financiële diensten vormt geen van de bepalingen van deze overeenkomst voor een partij een beletsel om prudentiële maatregelen te treffen, zoals om investeerders, depositohouders, verzekeringsnemers of personen jegens wie een fiduciaire verplichting is aangegaan, te beschermen, of om de integriteit en stabiliteit van het financiële systeem te waarborgen. Dergelijke maatregelen mogen door een partij niet worden aangewend om zich aan de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te onttrekken.

3.

Geen der bepalingen van deze overeenkomst mag op zodanige wijze worden geïnterpreteerd dat zij een partij verplicht tot het verstrekken van informatie betreffende de zaken en de boekhouding van individuele cliënten, dan wel vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit is van overheidsinstanties.

Artikel 52
1.

Onverminderd de multilaterale overeenkomst voor een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte (ECAA), is het bepaalde in dit hoofdstuk niet van toepassing op het luchtvervoer, de binnenvaart en cabotage in het zeevervoer.

2.

De Stabilisatie- en associatieraad kan aanbevelingen doen voor verbetering van de voorwaarden voor vestiging en voor het uitoefenen van activiteiten op de in lid 1 vermelde gebieden.

Artikel 53
1.

Het bepaalde in de artikelen 50 en 51 vormt geen beletsel voor de toepassing door een partij, met betrekking tot de vestiging en uitoefening van activiteiten op haar grondgebied van filialen van vennootschappen van een andere partij die op het grondgebied van de eerste partij geen rechtspersoonlijkheid bezitten, van bijzondere regels die gerechtvaardigd zijn op grond van juridische of technische verschillen tussen bedoelde filialen en filialen van vennootschappen die op het grondgebied van de eerste partij rechtspersoonlijkheid bezitten, of, wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen.

2.

Het verschil in behandeling blijft beperkt tot hetgeen als gevolg van dergelijke juridische of technische verschillen strikt noodzakelijk is of, wat financiële diensten betreft, tot hetgeen om prudentiële redenen noodzakelijk is.

Artikel 54

Teneinde de toegang tot en de uitoefening van gereglementeerde activiteiten in het kader van vrije beroepen in Albanië respectievelijk de Gemeenschap voor onderdanen van de Gemeenschap respectievelijk Albanese onderdanen te vergemakkelijken, onderzoekt de Stabilisatie- en associatieraad welke maatregelen moeten worden getroffen met het oog op de onderlinge erkenning van diploma’s. De raad kan daartoe alle noodzakelijke maatregelen nemen.

Artikel 55
1.

Een op het grondgebied van Albanië respectievelijk de Gemeenschap gevestigde communautaire respectievelijk Albanese vennootschap heeft het recht, met inachtneming van de wetgeving van het gastland van vestiging, op het grondgebied van Albanië respectievelijk de Gemeenschap werknemers die onderdaan zijn van een lidstaat van de Gemeenschap respectievelijk van Albanië in dienst te nemen of deze door een van haar dochterondernemingen of filialen in dienst te laten nemen, mits dergelijke werknemers een sleutelpositie in de zin van lid 2 van dit artikel bekleden en zij uitsluitend een dienstverband hebben met vennootschappen, dochterondernemingen of filialen. De geldigheidsduur van de verblijfs- en werkvergunningen van deze werknemers is beperkt tot de periode waarin zij als zodanig werkzaam zijn.

2.

Werknemers met een sleutelpositie die in dienst zijn van bovengenoemde vennootschappen, hierna „organisaties” genoemd, zijn „binnen de organisatie overgeplaatste personen” als omschreven onder c, van de hierna volgende categorieën, met dien verstande dat de organisatie een rechtspersoon moet zijn en de betrokkenen gedurende ten minste het onmiddellijk aan de overplaatsing voorafgaande jaar in dienst waren van deze organisatie of daarin partners (doch geen aandeelhouders met een meerderheidsbelang) waren:

3.

De toegang tot en het tijdelijk verblijf op het grondgebied van de Gemeenschap respectievelijk Albanië van Albanese onderdanen respectievelijk onderdanen van de Gemeenschap moet worden toegestaan aan vertegenwoordigers van vennootschappen met een hogere leidinggevende functie binnen een vennootschap als gedefinieerd in lid 2, onder a, die belast zijn met het opzetten van een dochteronderneming of filiaal in de Gemeenschap van een Albanese vennootschap, respectievelijk een dochteronderneming of filiaal in Albanië van een vennootschap uit de Gemeenschap, mits:

Artikel 56

Albanië kan in de eerste vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten aanzien van de vestiging van vennootschappen en onderdanen van de Gemeenschap maatregelen invoeren die van de bepalingen van dit hoofdstuk afwijken, indien bepaalde industrieën:

Dergelijke maatregelen:

Na het verstrijken van het vijfde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst mogen dergelijke maatregelen door Albanië uitsluitend met toestemming van de Stabilisatie- en associatieraad en onder door deze raad vastgestelde voorwaarden worden ingevoerd of gehandhaafd.

HOOFDSTUK III. HET VERLENEN VAN DIENSTEN

Artikel 57
1.

De partijen verbinden zich ertoe overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen de nodige stappen te ondernemen om geleidelijk het verrichten van diensten mogelijk te maken door vennootschappen en onderdanen van de Gemeenschap en Albanese vennootschappen en onderdanen die zijn gevestigd op het grondgebied van een andere partij dan die van de persoon voor wie de diensten worden verricht.

2.

Naarmate de in lid 1 bedoelde liberalisering tot stand komt, staan de partijen de tijdelijke verplaatsing toe van natuurlijke personen die de dienst verlenen of als werknemer voor de dienstverlener een sleutelpositie bekleden als omschreven in artikel 55, lid 2, met inbegrip van natuurlijke personen die vertegenwoordigers zijn van een vennootschap of onderdaan van de Gemeenschap of Albanië en die tijdelijk toegang wensen te krijgen voor onderhandelingen over de verkoop van diensten of voor het aangaan van overeenkomsten over de verkoop van diensten namens de dienstverlener, voor zover deze vertegenwoordigers niet zelf betrokken zijn bij de openbare directe verkoop of bij de eigenlijke dienstverlening.

3.

Vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst neemt de Stabilisatie- en associatieraad de nodige maatregelen om het bepaalde in lid 1 geleidelijk ten uitvoer te leggen. Hierbij wordt rekening gehouden met de vorderingen die de partijen maken bij de onderlinge aanpassing van hun wetgeving.

Artikel 58
1.

De partijen treffen geen maatregelen en ondernemen geen acties die de voorwaarden voor het verrichten van diensten door communautaire en Albanese vennootschappen of onderdanen die gevestigd zijn op het grondgebied van een andere partij dan die van de persoon voor wie de diensten worden verricht, aanmerkelijk restrictiever maken ten opzichte van de situatie op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

2.

Indien een partij van mening is dat maatregelen die door de andere partij na de inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn genomen, tot een situatie leiden die ten aanzien van het verrichten van diensten aanmerkelijk restrictiever is dan op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, kan eerstgenoemde partij de andere partij om overleg verzoeken.

Artikel 59

Ten aanzien van vervoersdiensten tussen de Gemeenschap en Albanië zijn de volgende bepalingen van toepassing:

1.

Wat het vervoer over land betreft stelt protocol 5 de regels vast die van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de partijen teneinde te voorzien in onbeperkt transitoverkeer over de weg door Albanië en de gehele Gemeenschap, de effectieve toepassing van het verbod op discriminatie en de geleidelijke aanpassing van de Albanese vervoerswetgeving aan die van de Gemeenschap.

2.

Op het gebied van internationaal zeevervoer verbinden de partijen zich ertoe het beginsel van onbeperkte toegang tot de markt en het verkeer op commerciële basis toe te passen en de internationale en Europese verplichtingen op het gebied van veiligheid, beveiliging en milieunormen na te komen.

De partijen bevestigen een omgeving van vrije concurrentie na te streven als een essentieel aspect van internationaal zeevervoer.

3.

De partijen verbinden zich ertoe bij de toepassing van de beginselen van lid 2:

4.

Met het oog op een gecoördineerde ontwikkeling en geleidelijke liberalisering van het vervoer tussen de partijen in overeenstemming met hun respectieve handelsbehoeften moeten de voorwaarden betreffende de wederzijdse toegang tot elkaars markten voor het luchtvervoer worden vastgelegd in een speciale overeenkomst, waarover de partijen zullen onderhandelen.

5.

De partijen nemen voor het sluiten van de in lid 4 bedoelde overeenkomst geen maatregelen die meer beperkingen of discriminatie tot gevolg hebben dan de situatie op de dag die voorafgaat aan de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst.

6.

Albanië past zijn wetgeving, met inbegrip van zijn administratieve, technische en andere voorschriften, geleidelijk aan aan de communautaire wetgeving op het gebied van het lucht-, zee- en landvervoer, zoals die op enig ogenblik van kracht is, voor zover dit dienstig is voor de liberalisering en wederzijdse toegang tot de markten van de partijen, en het verkeer van reizigers en goederen vergemakkelijkt.

7.

De Stabilisatie- en associatieraad onderzoekt, met inachtneming van de stand van zaken betreffende de gezamenlijke verwezenlijking van de doelstellingen van dit hoofdstuk, de wijze waarop de voor het verbeteren van de vrijheid van dienstverrichting in het luchtvervoer en het landvervoer noodzakelijke voorwaarden tot stand kunnen worden gebracht.

HOOFDSTUK IV. BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER

Artikel 60

De partijen verbinden zich ertoe, overeenkomstig artikel VIII van de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds, machtiging te verlenen tot alle betalingen en overboekingen in vrij convertibele valuta op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen de Gemeenschap en Albanië.

Artikel 61
1.

Met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans garanderen de partijen vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst het vrije verkeer van kapitaal dat verband houdt met directe investeringen in ondernemingen die in overeenstemming met de wetten van het gastland zijn opgericht, en met investeringen in overeenstemming met hoofdstuk II van titel V, alsook de liquidatie of de repatriëring van die investeringen en van alle opbrengsten daarvan.

2.

Met betrekking tot verrichtingen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans waarborgen de partijen het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot kredieten die verband houden met handelstransacties of het verrichten van diensten waarbij een ingezetene van een der partijen betrokken is, alsmede met financiële leningen en kredieten met een looptijd van meer dan een jaar.

Vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst staat Albanië, door volledige en snelle gebruikmaking van zijn bestaande wetgevingskader en procedures, de verwerving van onroerend goed door onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie toe, met uitzondering van de beperkingen die zijn vastgesteld in de Albanese lijst van specifieke verbintenissen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS). Binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst past Albanië zijn wetgeving inzake de verwerving van onroerend goed door onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie geleidelijk aan om te garanderen dat zij niet minder gunstig worden behandeld dan Albanese onderdanen. Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst onderzoekt de Stabilisatie- en associatieraad de voorwaarden voor de geleidelijke afschaffing van dergelijke beperkingen.

De partijen waarborgen voorts vanaf het vijfde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst het vrije verkeer van kapitaal in verband met beleggingen en financiële leningen en kredieten met een looptijd van minder dan een jaar.

3.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 stellen de partijen geen nieuwe beperkingen in op het kapitaalverkeer en de lopende betalingen tussen ingezetenen van de Gemeenschap en van Albanië, en brengen zij in de bestaande regelingen geen verdere restricties aan.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 60 en in dit artikel mogen de Gemeenschap en Albanië in uitzonderlijke gevallen, wanneer het kapitaalverkeer tussen de Gemeenschap en Albanië ernstige moeilijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de werking van het wisselkoersbeleid of het monetaire beleid in de Gemeenschap of Albanië, vrijwaringsmaatregelen nemen ten aanzien van het kapitaalverkeer tussen de Gemeenschap en Albanië voor een periode van ten hoogste één jaar, indien dergelijke maatregelen absoluut noodzakelijk zijn.

5.

Geen van bovenstaande bepalingen mag worden uitgelegd als een beperking van het recht van de economische subjecten van de partijen op een gunstiger behandeling, waarin kan zijn voorzien in bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten waarbij de partijen bij deze overeenkomst betrokken zijn.

6.

De partijen plegen overleg teneinde het kapitaalverkeer tussen de Gemeenschap en Albanië te vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.

Artikel 62
1.

Gedurende de eerste drie jaren volgend op de inwerkingtreding van de overeenkomst nemen de partijen maatregelen om de voorwaarden tot stand te brengen voor verdere geleidelijke toepassing van de communautaire regelgeving betreffende het vrije verkeer van kapitaal.

2.

Aan het einde van het derde jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst gaat de Stabilisatie- en associatieraad na op welke wijze de communautaire regelgeving betreffende het kapitaalverkeer volledig kan worden toegepast.

HOOFDSTUK V. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 63
1.

De bepalingen van deze titel zijn van toepassing onder voorbehoud van de beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.

2.

Zij zijn niet van toepassing op, zelfs incidentele, activiteiten op het grondgebied van beide partijen die verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag.

Artikel 64

Voor de toepassing van deze titel belet geen enkele bepaling van deze overeenkomst de partijen hun wetten en voorschriften betreffende toelating en verblijf, werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden, vestiging van natuurlijke personen en het verrichten van diensten toe te passen, mits zij ze niet toepassen op een manier die de voor een partij uit een specifieke bepaling van de overeenkomst voortvloeiende voordelen tenietdoet of beperkt. Deze bepaling laat de toepassing van artikel 63 onverlet.

Artikel 65

Vennootschappen die gezamenlijk door Albanese en communautaire vennootschappen of onderdanen worden bestuurd en hun exclusieve eigendom zijn, komen eveneens in aanmerking voor de bepalingen van deze titel.

Artikel 66
1.

De overeenkomstig de bepalingen van deze titel toegekende meestbegunstigingsbehandeling is niet van toepassing op de belastingvoordelen waarin de partijen voorzien of in de toekomst zullen voorzien in het kader van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing of andere fiscale regelingen.

2.

Geen van de bepalingen van deze titel kan worden uitgelegd als een beletsel voor de vaststelling of tenuitvoerlegging door de partijen van maatregelen ter voorkoming van belastingvlucht of belastingontduiking overeenkomstig de belastingvoorschriften van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing en andere fiscale regelingen of de nationale fiscale wetgeving.

3.

Niets in deze titel kan worden uitgelegd als een beletsel voor de lidstaten of Albanië om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun fiscaal recht een onderscheid te maken tussen belastingplichtigen die zich niet in identieke situaties bevinden, in het bijzonder met betrekking tot hun woonplaats.

Artikel 67
1.

De partijen spannen zich waar mogelijk in om het opleggen van beperkende maatregelen te vermijden, waaronder maatregelen met betrekking tot de invoer om met de betalingsbalans verband houdende redenen. Indien dergelijke maatregelen worden genomen, verstrekt de partij die ze heeft genomen de andere partij zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing ervan.

2.

Indien zich met betrekking tot de betalingsbalans van één of meer lidstaten of van Albanië ernstige moeilijkheden voordoen of hiervoor gevaar bestaat, kan de Gemeenschap of Albanië, al naar gelang van het geval, in overeenstemming met de in de WTO-overeenkomst bepaalde voorwaarden beperkende maatregelen treffen, met inbegrip van maatregelen met betrekking tot de invoer, die van beperkte duur moeten zijn en niet verder mogen reiken dan wat noodzakelijk is om de situatie van de betalingsbalans recht te trekken. De Gemeenschap of, in voorkomend geval, Albanië stelt de andere partij daarvan onverwijld in kennis.

3.

De beperkende maatregelen mogen geen betrekking hebben op overmakingen in verband met investeringen, met name de repatriëring van geïnvesteerde of geherinvesteerde bedragen en van daaruit voortvloeiende inkomsten van ongeacht welke aard.

Artikel 68

De bepalingen van deze titel worden geleidelijk aangepast, met name in het licht van de eisen die in artikel V van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) worden gesteld.

Artikel 69

De bepalingen van deze overeenkomst doen geen afbreuk aan de toepassing door elke partij van alle maatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat door haar getroffen maatregelen ten aanzien van de toegang van derde landen tot haar markt worden ontdoken via de bepalingen van deze overeenkomst.

TITEL VI. HARMONISATIE VAN WETGEVING, RECHTSHANDHAVING EN MEDEDINGINGSREGELS

Artikel 70
1.

De partijen erkennen het belang van de aanpassing van de bestaande wetgeving van Albanië aan die van de Gemeenschap en van de doeltreffende toepassing daarvan. Albanië streeft ernaar zijn huidige en toekomstige wetgeving geleidelijk in overeenstemming te brengen met het acquis van de Gemeenschap. Albanië ziet erop toe dat de bestaande en toekomstige wetgeving naar behoren ten uitvoer wordt gelegd en nageleefd.

2.

Deze aanpassing begint bij de inwerkingtreding van de overeenkomst en wordt in de loop van de overgangsperiode die is vastgesteld in artikel 6 geleidelijk uitgebreid tot alle in de overeenkomst genoemde onderdelen van het acquis van de Gemeenschap.

3.

Gedurende de in artikel 6 vastgestelde eerste fase richt de aanpassing zich op fundamentele elementen van het acquis betreffende de interne markt, alsmede op andere belangrijke gebieden, zoals concurrentie, intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten, openbare aanbestedingen, normen en certificering, financiële diensten, land- en zeevervoer – met speciale nadruk op de veiligheid, milieunormen, en sociale aspecten – vennootschapsrecht, boekhouding, consumentenbescherming, gegevensbescherming, gezondheid en veiligheid op het werk en gelijke kansen. Gedurende de tweede fase richt Albanië zich op de resterende delen van het acquis.

De aanpassing vindt plaats op basis van een programma waarover de Commissie van de Europese Gemeenschappen en Albanië overeenstemming moeten bereiken.

4.

Albanië stelt tevens, in overeenstemming met de Commissie van de Europese Gemeenschappen, de voorwaarden vast voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van de aanpassing van de wetgeving en de te treffen rechtshandhavingsmaatregelen.

Artikel 71. Bepalingen betreffende de concurrentie en andere economische aspecten
1.

Onverenigbaar met de goede werking van deze overeenkomst zijn, voorzover de handel tussen de Gemeenschap en Albanië daardoor ongunstig kan worden beïnvloed:

2.

Alle handelwijzen die met dit artikel in strijd zijn, worden beoordeeld aan de hand van de criteria die voortvloeien uit de toepassing van de mededingingsregels die van toepassing zijn in de Gemeenschap, met name de artikelen 81, 82, 86 en 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de besluiten die ter interpretatie hiervan door de instellingen van de Gemeenschap zijn vastgesteld.

3.

De partijen zien erop toe dat een overheidsinstantie die onafhankelijk kan optreden, de nodige bevoegdheden krijgt voor de volledige toepassing van lid 1, onder i) en ii), ten aanzien van particuliere en overheidsondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere rechten zijn verleend.

4.

Binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst stelt Albanië een overheidsinstantie in die onafhankelijk kan optreden en die de bevoegdheden krijgt die noodzakelijk zijn voor de volledige toepassing van lid 1, onder iii). Deze instantie beschikt onder meer over de bevoegdheid toestemming te verlenen voor steunregelingen van de overheid en individuele steunmaatregelen, overeenkomstig lid 2, alsmede de bevoegdheid terugbetaling van onwettig verleende overheidssteun te vorderen.

5.

Elke partij draagt zorg voor transparantie ten aanzien van de overheidssteun, met name door de andere partij een jaarverslag of een gelijkwaardig rapport te doen toekomen, waarbij de methodologie en de presentatie worden gevolgd van het overzicht van de overheidssteun dat door de Gemeenschap wordt opgesteld. Op verzoek van een van de partijen verstrekt de andere partij informatie over bepaalde afzonderlijke steunmaatregelen van de overheid.

6.

Albanië stelt een volledig overzicht op van de steunregelingen die vóór de oprichting van de instantie bedoeld in lid 4 zijn ingesteld, en past deze steunregelingen binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst aan volgens de criteria bedoeld in lid 2.

7.

Voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, onder iii), komen de partijen overeen dat gedurende de eerste tien jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst alle door Albanië toegekende overheidssteun wordt beoordeeld met inachtneming van het feit dat Albanië wordt beschouwd als een regio overeenkomend met de in artikel 87, lid 3, onder a, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde streken van de Gemeenschap.

Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst verstrekt Albanië de Commissie van de Europese Gemeenschappen de BBP-cijfers per hoofd van de bevolking, geharmoniseerd op NUTS II-niveau. De in lid 4 bedoelde instantie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen zullen dan gezamenlijk evalueren welke regio’s van Albanië voor overheidssteun in aanmerking komen, alsmede hoeveel de maximale steun voor die regio’s mag bedragen, teneinde op basis van de desbetreffende communautaire richtsnoeren het regionale steunoverzicht op te stellen.

8.

Met betrekking tot de producten vermeld in hoofdstuk II van titel IV:

9.

Indien een der partijen van mening is dat een bepaalde praktijk onverenigbaar is met lid 1, kan zij, na overleg in de Stabilisatie- en associatieraad, of 30 werkdagen na het verzoek om dergelijk overleg, passende maatregelen nemen.

Niets in dit artikel vormt een beletsel of een hindernis voor het nemen van antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen door de partijen overeenkomstig de desbetreffende artikelen van de GATT 1994 en de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, of hun interne wetgeving op dit gebied.

Artikel 72. Overheidsondernemingen

Uiterlijk aan het einde van het derde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst past Albanië op overheidsondernemingen en ondernemingen waaraan speciale of exclusieve rechten zijn toegekend, de beginselen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap toe, en dan met name artikel 86.

De speciale rechten van overheidsondernemingen tijdens de in artikel 6 omschreven overgangsperiode omvatten niet de mogelijkheid tot instelling van kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking op de invoer in Albanië van goederen van oorsprong uit de Gemeenschap.

Artikel 73. Intellectuele, industriële en commerciële eigendom
1.

Overeenkomstig de bepalingen van dit artikel en bijlage V bevestigen de partijen het belang dat zij hechten aan een adequate en efficiënte bescherming van intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten.

2.

Albanië treft alle noodzakelijke maatregelen om te garanderen dat uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst de bescherming van de intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten op een niveau is dat overeenkomt met het niveau in de Gemeenschap, met inbegrip van effectieve middelen om deze rechten af te dwingen.

3.

Albanië verbindt zich ertoe binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst toe te treden tot de in bijlage V, punt 1, bedoelde multilaterale overeenkomsten inzake intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten. De Stabilisatie- en associatieraad kan besluiten Albanië te verplichten toe te treden tot specifieke multilaterale overeenkomsten op dit terrein.

4.

Indien zich op het gebied van intellectuele, industriële en commerciële eigendom problemen voordoen die de handelsvoorwaarden ongunstig beïnvloeden, dan worden zij, op verzoek van een der partijen, onverwijld aan de Stabilisatie- en associatieraad voorgelegd om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.

Artikel 74. Overheidsopdrachten
1.

De partijen beschouwen het openstellen van de aanbesteding van overheidsopdrachten op basis van non-discriminatie en wederkerigheid, vooral in het kader van de WTO, als een na te streven doel.

2.

Albanese vennootschappen krijgen, ongeacht of zij in de Gemeenschap zijn gevestigd, vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst toegang tot aanbestedingsprocedures in de Gemeenschap overeenkomstig de daarvoor in de Gemeenschap geldende regelingen en krijgen daarbij een behandeling die niet minder gunstig is dan de aan vennootschappen van de Gemeenschap verleende behandeling.

Zodra de regering van Albanië de wetgeving heeft goedgekeurd waarbij de communautaire regels op dit terrein worden ingevoerd, zullen bovenstaande bepalingen ook van toepassing zijn op contracten in de nutssector. De Gemeenschap onderzoekt op gezette tijden of Albanië deze wetgeving daadwerkelijk heeft ingevoerd.

3.

Vennootschappen uit de Gemeenschap die niet in Albanië zijn gevestigd, krijgen uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst toegang tot aanbestedingsprocedures in Albanië overeenkomstig de Albanese wet inzake overheidsopdrachten, en krijgen daarbij een behandeling die niet minder gunstig is dan de aan Albanese vennootschappen verleende behandeling.

4.

De Stabilisatie- en associatieraad onderzoekt op gezette tijden de mogelijkheid voor Albanië om alle vennootschappen van de Gemeenschap toegang te verlenen tot aanbestedingsprocedures in Albanië.

Vennootschappen uit de Gemeenschap die overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van titel V in Albanië zijn gevestigd, krijgen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst toegang tot aanbestedingsprocedures, en krijgen daarbij een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die aan Albanese vennootschappen wordt verleend.

5.

Op de vestiging, de activiteiten en de verlening van diensten tussen de Gemeenschap en Albanië, alsmede de werkgelegenheid en het verkeer van werknemers in verband met de uitvoering van overheidsopdrachten zijn de artikelen 46 tot en met 69 van toepassing.

Artikel 75. Normalisatie, metrologie, accreditering en conformiteitsbeoordeling
1.

Albanië neemt de nodige maatregelen om de wetgeving geleidelijk in overeenstemming te brengen met de technische regelgeving van de Gemeenschap en de Europese procedures voor normalisatie, metrologie, accreditering en conformiteitsbeoordeling.

2.

De partijen beginnen daartoe in een vroeg stadium met:

Artikel 76. Consumentenbescherming

De partijen werken samen om de normen voor de bescherming van de consument in Albanië aan te passen aan die in de Gemeenschap. Een effectieve consumentenbescherming is noodzakelijk voor een goed functionerende markteconomie, en deze bescherming is afhankelijk van de ontwikkeling van administratieve infrastructuren voor markttoezicht en wetshandhaving.

Daartoe en ter behartiging van hun gemeenschappelijke belangen stimuleren de partijen:

Artikel 77. Arbeidsomstandigheden en gelijke kansen

Albanië moet zijn wetgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden geleidelijk aanpassen aan die van de Gemeenschap, met name op de gebieden gezondheid en veiligheid op het werk en gelijke kansen.

TITEL VII. JUSTITIE, VRIJHEID EN VEILIGHEID

HOOFDSTUK I

Artikel 78. Institutionele versterking en de rechtsstaat

Bij de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken schenken de partijen bijzondere aandacht aan de consolidering van de rechtsstaat en institutionele versterking op alle niveaus, bij de overheid in het algemeen en bij de rechtshandhaving en het justitiële apparaat in het bijzonder. De samenwerking is met name gericht op de versterking van de onafhankelijkheid van het justitiële apparaat en de verbetering van de doeltreffendheid daarvan, de verbetering van het functioneren van de politie en andere rechtshandhavingsinstanties, het voorzien in adequate opleiding en bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad.

Artikel 79. Bescherming van persoonsgegevens

Zodra deze overeenkomst in werking is getreden, past Albanië zijn wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens aan de Gemeenschapswetgeving en internationale wetgeving op het gebied van privacy aan. Albanië richt onafhankelijke toezichthoudende organen op die over voldoende financiële en personele middelen beschikken om efficiënt te kunnen toezien op de naleving van de wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens. De partijen zullen samenwerken om dit doel te bereiken.

HOOFDSTUK II. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN HET VERKEER VAN PERSONEN

Artikel 80. Visa, grensbeheer, asiel en migratie

De partijen werken samen op het gebied van visa, grenscontrole, asiel en migratie en zetten een kader op voor deze samenwerking, ook op regionaal niveau, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met en optimaal geprofiteerd wordt van bestaande initiatieven op dit vlak.

De samenwerking op de in de eerste alinea genoemde gebieden is gebaseerd op wederzijds overleg en nauwe coördinatie van de activiteiten van de partijen en omvat tevens technische en administratieve bijstand bij:

De samenwerking is vooral gericht op:

Artikel 81. Preventie van en controle op illegale immigratie en overname
1.

De partijen werken samen met oog op de preventie en controle van illegale immigratie. Daartoe spreken de partijen af dat Albanië en de lidstaten op verzoek en zonder verdere formaliteiten de volgende categorieën personen overnemen:

2.

De lidstaten van de Europese Unie en Albanië verstrekken hun onderdanen passende identiteitsdocumenten en verlenen hun toegang tot de administratieve faciliteiten die daartoe vereist zijn.

3.

Specifieke procedures in verband met de overname van elkaars onderdanen, onderdanen van derde landen en staatlozen worden vastgesteld in het kader van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, die op 14 april 2005 is ondertekend.

4.

Albanië belooft overnameovereenkomsten te sluiten met de andere landen van het stabilisatie- en associatieproces en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat alle in dit artikel genoemde overnameovereenkomsten flexibel en snel worden uitgevoerd.

5.

De Stabilisatie- en associatieraad onderzoekt welke andere gezamenlijke inspanningen kunnen worden geleverd met het oog op de preventie en controle van illegale immigratie, met inbegrip van mensenhandel en illegale migratienetwerken.

HOOFDSTUK III. SAMENWERKING INZAKE DE BESTRIJDING VAN HET WITWASSEN VAN GELD, DE FINANCIERING VAN TERRORISME EN DRUGS EN TERRORISME

Artikel 82. Witwassen van geld en financiering van terrorisme
1.

De partijen werken nauw samen om te voorkomen dat hun financiële systemen worden gebruikt voor het witwassen van de opbrengsten uit criminele activiteiten in het algemeen en drugsmisdrijven in het bijzonder, alsmede voor de financiering van terrorisme.

2.

De samenwerking op dit gebied omvat administratieve en technische bijstand met het oog op de tenuitvoerlegging van voorschriften en het efficiënt functioneren van passende normen en mechanismen ter voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn aangenomen door de Gemeenschap en internationale fora op dit gebied, in het bijzonder de Financial Action Task Force (FATF).

Artikel 83. Samenwerking op het gebied van drugs
1.

Binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden werken de partijen samen met het oog op een evenwichtige en geïntegreerde aanpak van drugsvraagstukken. Het beleid en de activiteiten ter bestrijding van drugs zijn gericht op het terugdringen van het aanbod van, de handel in en de vraag naar illegale drugs, en een effectievere controle op precursoren.

2.

De partijen komen overeen welke samenwerkingsmethoden nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken. De activiteiten worden gebaseerd op gezamenlijk overeengekomen principes in overeenstemming met het drugsbestrijdingsbeleid van de EU.

Artikel 84. Bestrijding van terrorisme

Overeenkomstig de internationale verdragen waarbij zij partij zijn en hun eigen wet- en regelgeving, komen de partijen overeen samen te werken aan de voorkoming en bestrijding van terroristische daden en de financiering daarvan, met name wat betreft grensoverschrijdende activiteiten:

HOOFDSTUK IV. SAMENWERKING OP STRAFRECHTELIJK GEBIED

Artikel 85. Voorkoming en bestrijding van georganiseerde misdaad en andere illegale activiteiten

De partijen werken samen aan de voorkoming en bestrijding van al dan niet georganiseerde criminele en illegale activiteiten, zoals:

Regionale samenwerking en de naleving van internationaal erkende normen op het gebied van de bestrijding van georganiseerde misdaad worden bevorderd.

TITEL VIII. SAMENWERKINGSBELEID

Artikel 86. Algemene bepalingen inzake samenwerkingsbeleid
1.

De Gemeenschap en Albanië werken nauw samen om de ontwikkeling en het groeipotentieel van Albanië te bevorderen. Die samenwerking versterkt de bestaande economische banden op een zo breed mogelijke basis, ten voordele van beide partijen.

2.

Het beleid en de andere maatregelen zijn gericht op de duurzame economische en sociale ontwikkeling van Albanië. Daarbij dient ervoor te worden gezorgd dat de milieuaspecten vanaf het begin volledig in het beleid worden geïntegreerd, en moet rekening worden gehouden met een harmonieuze sociale ontwikkeling.

3.

Het samenwerkingsbeleid moet in een regionaal samenwerkingskader worden geïntegreerd. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan maatregelen die de samenwerking tussen Albanië en zijn buurlanden, waaronder lidstaten, bevorderen en aldus bijdragen tot de regionale stabiliteit. De Stabilisatie- en associatieraad kan aangeven welk van de hierna omschreven samenwerkingsterreinen prioriteit heeft, alsmede binnen de verschillende terreinen prioriteiten aangeven.

Artikel 87. Economisch beleid en handelspolitiek
1.

De Gemeenschap en Albanië vergemakkelijken het proces van economische hervormingen door middel van samenwerking die beoogt het inzicht in de basiselementen van hun respectieve economieën en het formuleren en uitvoeren van economisch beleid in een markteconomie te verbeteren.

2.

Op verzoek van de Albanese autoriteiten kan de Gemeenschap Albanië bijstand verlenen ter ondersteuning van de inspanningen van Albanië om een functionerende markteconomie tot stand te brengen en zijn beleid geleidelijk aan te passen aan het op stabiliteit gerichte beleid in het kader van de Economische en Monetaire Unie.

3.

De samenwerking is tevens gericht op de versterking van de rechtsstaat op zakelijk gebied door middel van een stabiel en niet-discriminerend wetgevingskader voor de handel.

4.

Samenwerking op dit gebied omvat ook informele uitwisseling van informatie over de beginselen en de werking van de Europese Economische en Monetaire Unie.

Artikel 88. Statistische samenwerking

De samenwerking tussen de partijen is in eerste instantie gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het acquis van de Gemeenschap op het gebied van de statistiek. De statistische samenwerking is met name gericht op de ontwikkeling van een efficiënt en duurzaam statistisch stelsel dat in staat is de vergelijkbare, betrouwbare, objectieve en nauwkeurige gegevens te leveren die nodig zijn om het overgangs- en hervormingsproces in Albanië te plannen en te controleren. Ook moet de statistische samenwerking het bureau voor de statistiek van Albanië in staat stellen beter te voldoen aan de behoeften van nationale en internationale afnemers (overheid en particuliere sector). Het statistisch stelsel moet de fundamentele beginselen van de statistiek die door de Verenigde Naties zijn uitgevaardigd, de Europese praktijkcode voor statistieken en de bepalingen van de Europese statistiekwetgeving eerbiedigen en zich ontwikkelen in de richting van het acquis.

Artikel 89. Bank- en verzekeringswezen en andere financiële diensten

De samenwerking tussen de partijen is gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het communautair acquis voor bank- en verzekeringswezen en financiële diensten. De partijen werken samen om een passend kader tot stand te brengen en verder te ontwikkelen voor het stimuleren van het bank- en verzekeringswezen en de sector financiële diensten in Albanië.

Artikel 90. Samenwerking op het gebied van audit en financiële controle

De samenwerking tussen de partijen is gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het communautair acquis op het gebied van interne controle van de overheidsfinanciën (PIFC) en externe boekhoudkundige controle. De partijen werken met name samen aan de ontwikkeling van efficiënte systemen voor PIFC en externe boekhoudkundige controle in Albanië overeenkomstig internationaal erkende normen en methoden en de op Europees niveau overeengekomen beste praktijken.

Artikel 91. Stimulering en bescherming van investeringen

De samenwerking tussen de partijen, binnen de reikwijdte van hun respectieve bevoegdheden, op het gebied van de bevordering en bescherming van investeringen is erop gericht een gunstig klimaat te creëren voor binnenlandse en buitenlandse particuliere investeringen, die van essentieel belang zijn voor de economische en industriële revitalisering van Albanië.

Artikel 92. Industriële samenwerking
1.

De samenwerking is hoofdzakelijk gericht op de bevordering van de modernisering en herstructurering van de Albanese industrie en afzonderlijke sectoren, alsmede op industriële samenwerking tussen ondernemingen, met het doel de particuliere sector zodanig te versterken dat de bescherming van het milieu wordt gewaarborgd.

2.

Samenwerkingsinitiatieven op het gebied van de industrie dienen een afspiegeling te zijn van prioriteiten die door de partijen zijn vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met de regionale aspecten van industriële ontwikkeling en worden, zo nodig, transnationale partnerschappen gestimuleerd. De initiatieven dienen in het bijzonder te zijn gericht op het creëren van een passend kader voor het bedrijfsleven, beter management, stimulering van markten, transparantie van de markt en het ondernemingsklimaat.

3.

In het kader van de samenwerking wordt ook op passende wijze rekening gehouden met het communautair acquis op het gebied van industriebeleid.

Artikel 93. Midden- en kleinbedrijf

De samenwerking tussen de partijen is gericht op de ontwikkeling en versterking van het particuliere midden- en kleinbedrijf (MKB), waarbij rekening wordt gehouden met de prioritaire gebieden in verband met het communautair acquis op het gebied van het MKB en met de beginselen die zijn vastgelegd in het Europees Handvest voor kleine ondernemingen.

Artikel 94. Toerisme
1.

De samenwerking tussen de partijen op het gebied van toerisme is voornamelijk gericht op de intensivering van de informatiestroom over toerisme (via internationale netwerken, databanken, enz.) en de overdracht van knowhow (door middel van opleiding, uitwisseling en seminars). In het kader van de samenwerking wordt op passende wijze rekening gehouden met het communautair acquis in verband met deze sector.

2.

De samenwerking kan in een regionaal samenwerkingskader worden geïntegreerd.

Artikel 95. De landbouw en de agro-industriële sector

De samenwerking tussen de partijen is primair gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het communautair acquis op landbouwgebied. De samenwerking is gericht op de modernisering en herstructurering van de Albanese landbouw en levensmiddelensector en op de ondersteuning van de geleidelijke aanpassing van de Albanese wetgeving en praktijk aan de communautaire regels en normen.

Artikel 96. Visserij

De partijen onderzoeken de mogelijkheid om in de visserijsector gebieden van wederzijds belang aan te wijzen waarop samenwerking voor elk van hen voordeel zou opleveren. In het kader van de samenwerking wordt op passende wijze rekening gehouden met het communautair acquis op visserijgebied, waaronder de naleving van internationale verplichtingen betreffende regels van de internationale en de regionale visserijorganisaties inzake het beheer en de instandhouding van visbestanden.

Artikel 97. Douane
1.

De samenwerking tussen de partijen op dit gebied is erop gericht de naleving te waarborgen van de op handelsgebied in te voeren bepalingen en het douanesysteem van Albanië aan te passen aan dat van de Gemeenschap, teneinde zo de weg vrij te maken voor de in het kader van deze overeenkomst geplande liberaliseringsmaatregelen en de geleidelijke aanpassing van de Albanese douanewetgeving aan het acquis.

2.

In het kader van de samenwerking wordt op passende wijze rekening gehouden met het communautair acquis op douanegebied.

3.

In protocol 6 zijn de regels inzake wederzijdse administratieve bijstand tussen partijen op het gebied van douane vastgesteld.

Artikel 98. Fiscale bepalingen
1.

De door de partijen tot stand te brengen samenwerking op belastinggebied omvat maatregelen die gericht zijn op de verdere hervorming van het belastingstelsel en de herstructurering van de belastingdienst, teneinde de efficiëntie van de belastinginning te verbeteren en belastingfraude te bestrijden.

2.

In het kader van de samenwerking wordt op passende wijze rekening gehouden met de prioritaire gebieden met betrekking tot het communautair acquis op fiscaal gebied en de bestrijding van schadelijke belastingconcurrentie. In dit verband erkennen de partijen het belang van de verbetering van de transparantie en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten van de Europese Unie en Albanië, om de handhaving van maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking of –ontduiking te vergemakkelijken. Bovendien consulteren de partijen elkaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, met het oog op de uitbanning van schadelijke belastingconcurrentie tussen de lidstaten van de Europese Unie en Albanië, teneinde te komen tot gelijke voorwaarden op het gebied van belastingheffing op ondernemingen.

Artikel 99. Samenwerking op sociaal gebied
1.

De samenwerking tussen de partijen is gericht op de vergemakkelijking van de hervorming van het Albanese werkgelegenheidsbeleid in het kader van versterkte economische hervorming en integratie. De samenwerking is ook gericht op de ondersteuning van de aanpassing van het Albanese stelsel van sociale zekerheid aan de nieuwe economische en sociale vereisten, en betreft eveneens de aanpassing van de Albanese wetgeving inzake arbeidsvoorwaarden en gelijke kansen voor vrouwen, alsmede de verbetering van het beschermingsniveau voor de gezondheid en veiligheid van werknemers, waarbij het bestaande beschermingsniveau in de Gemeenschap maatstaf is.

2.

In het kader van de samenwerking wordt rekening gehouden met de prioritaire terreinen in verband met het communautair acquis op dit gebied.

Artikel 100. Onderwijs en opleiding
1.

De partijen werken samen om het peil van het algemene onderwijs en van beroepsonderwijs en –opleiding, alsmede van het jongerenbeleid en jongerenwerk in Albanië te verhogen. De verwezenlijking van de doelstellingen van de Verklaring van Bologna is een prioriteit voor het hoger onderwijs.

2.

De partijen streven er ook naar dat iedereen in Albanië gelijke toegang heeft tot alle onderwijsniveaus, zonder onderscheid naar sekse, huidskleur, etnische oorsprong of religie.

3.

De relevante communautaire programma’s en instrumenten dragen bij tot de verbetering van de onderwijs- en opleidingsstructuren en -activiteiten in Albanië.

4.

In het kader van de samenwerking wordt rekening gehouden met de prioritaire terreinen in verband met het communautair acquis op dit gebied.

Artikel 101. Samenwerking op cultureel gebied

De partijen verbinden zich ertoe de samenwerking op cultureel gebied te bevorderen. Deze samenwerking beoogt onder meer het wederzijds begrip en het wederzijds respect voor personen, gemeenschappen en volkeren te doen toenemen. De partijen verbinden zich er eveneens toe om samen te werken om de culturele diversiteit te bevorderen, met name in het kader van het UNESCO-verdrag inzake de bescherming en bevordering van de diversiteit van culturele uitingen.

Artikel 102. Samenwerking op audiovisueel gebied
1.

De partijen werken samen ter bevordering van de audiovisuele industrie in Europa en stimuleren coproducties voor film en televisie.

2.

De samenwerking kan programma’s en faciliteiten omvatten voor de opleiding van journalisten en andere mensen die werkzaam zijn in de media, alsmede technische bijstand voor publieke en particuliere media, zodat hun onafhankelijkheid, hun professionaliteit en hun contacten met Europese media worden versterkt.

3.

Albanië stemt zijn beleid inzake de regulering van de inhoudelijke aspecten van grensoverschrijdende televisie af op dat van de Gemeenschap en past zijn wetgeving aan het communautair acquis aan. Albanië besteedt daarbij bijzondere aandacht aan vraagstukken in verband met de verwerving van intellectuele-eigendomsrechten voor satelliet- of kabeluitzendingen en uitzendingen via terrestrische frequenties.

Artikel 103. Informatiemaatschappij
1.

De samenwerking tussen de partijen is in eerste instantie gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het communautair acquis op het gebied van de informatiemaatschappij. In het kader van de samenwerking wordt voornamelijk steun verleend voor de geleidelijke aanpassing van het beleid en de wetgeving van Albanië in deze sector aan het beleid en de wetgeving van de Gemeenschap.

2.

De partijen werken tevens samen met het oog op de verdere ontwikkeling van de informatiemaatschappij in Albanië. Algemene doelstellingen zijn de voorbereiding van de maatschappij als geheel op het digitale tijdperk, het aantrekken van investeringen en het zorgen voor de interoperabiliteit van netwerken en diensten.

Artikel 104. Netwerken en diensten voor elektronische communicatie
1.

De samenwerking is in eerste instantie gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het communautair acquis op dit gebied.

2.

De partijen moeten met name de samenwerking op het gebied van elektronische-communicatienetwerken en aanverwante diensten versterken, waarbij het uiteindelijke doel is dat Albanië het communautaire acquis op deze gebieden één jaar na inwerkingtreding van deze overeenkomst overneemt.

Artikel 105. Informatie en communicatie

De Gemeenschap en Albanië nemen de nodige maatregelen om de onderlinge uitwisseling van informatie te stimuleren. Prioriteit krijgen programma’s die het bredere publiek basisinformatie over de Gemeenschap verstrekken en de professionele kringen in Albanië voorzien van meer gespecialiseerde informatie.

Artikel 106. Vervoer
1.

De samenwerking tussen de partijen is gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het communautair acquis op het gebied van vervoer.

2.

De samenwerking kan met name worden gericht op de herstructurering en modernisering van de Albanese vervoerssystemen, de verbetering van het vrij verkeer van reizigers en goederen, de verbetering van de toegang tot de vervoersmarkt en -voorzieningen, met inbegrip van havens en luchthavens, de ondersteuning van de ontwikkeling van multimodale infrastructuurvoorzieningen in verband met de voornaamste trans-Europese netwerken, met name ter versterking van regionale verbindingen, de opstelling van exploitatienormen die vergelijkbaar zijn met die in de Gemeenschap en de ontwikkeling in Albanië van een vervoerssysteem dat compatibel is met dat in de Gemeenschap en daarop aansluit, alsmede een betere bescherming van het milieu in de context van het vervoer.

Artikel 107. Energie

De samenwerking is gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het communautair acquis op het gebied van energie, eventueel met inbegrip van aspecten van nucleaire veiligheid. De samenwerking is gebaseerd op de beginselen van de markteconomie en het ondertekende regionale Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap en gericht op de geleidelijke integratie van Albanië in de Europese energiemarkten.

Artikel 108. Milieu
1.

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking bij de essentiële taak om de achteruitgang van het milieu te bestrijden om de ecologische duurzaamheid te bevorderen.

2.

De samenwerking is voornamelijk gericht op prioritaire gebieden die verband houden met het communautair acquis op milieugebied.

Artikel 109. Samenwerking op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling
1.

De partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van civiel wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling, met wederzijds voordeel als uitgangspunt en rekening houdende met de beschikbaarheid van hulpmiddelen en adequate toegang tot elkaars programma’s, waarbij erop wordt toegezien dat intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten goed worden beschermd.

2.

In het kader van de samenwerking wordt rekening gehouden met de prioritaire terreinen in verband met het communautair acquis op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling.

3.

De samenwerking wordt tot stand gebracht volgens specifieke regelingen waarover moet worden onderhandeld en die overeenkomstig door elke partij goed te keuren procedures worden gesloten.

Artikel 110. Regionale en plaatselijke ontwikkeling
1.

De partijen zetten zich in voor de versterking van de regionale en plaatselijke ontwikkelingssamenwerking, teneinde bij te dragen tot de economische ontwikkeling en de vermindering van regionale verschillen. Specifieke aandacht wordt geschonken aan grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking.

2.

In het kader van de samenwerking wordt rekening gehouden met de prioritaire terreinen in verband met het communautair acquis op het gebied van regionale ontwikkeling.

Artikel 111. Openbaar bestuur
1.

De samenwerking is erop gericht dat de ontwikkeling van efficiënt en verantwoordelijk openbaar bestuur in Albanië wordt gegarandeerd, zodat met name ondersteuning wordt verleend aan de invoering van de rechtsstaat, het juist functioneren van de staatsinstellingen ten behoeve van de Albanese bevolking in het algemeen en de vlotte ontwikkeling van de verhoudingen tussen de Europese Unie en Albanië.

2.

De samenwerking is voornamelijk gericht op institutionele opbouw, waaronder de ontwikkeling en uitvoering van transparante en eerlijke wervings- en selectieprocedures, personeelsbeheer en loopbaanontwikkeling voor ambtenaren, permanente educatie, de bevordering van ethisch openbaar bestuur, en e-overheid. De samenwerking heeft betrekking op zowel de centrale als de plaatselijke overheden.

TITEL IX. FINANCIËLE SAMENWERKING

Artikel 112

Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en in overeenstemming met de artikelen 3, 113 en 115 komt Albanië in aanmerking voor financiële steun van de Gemeenschap in de vorm van subsidies en leningen, waaronder leningen van de Europese Investeringsbank. De steun van de Gemeenschap blijft gebonden aan de naleving van de beginselen en de voorwaarden die zijn vastgesteld in de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 29 april 1997, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van het jaarlijks onderzoek van de landen van het stabilisatie- en associatieproces, en van andere conclusies van de Raad, met name ten aanzien van de naleving van het aanpassingsprogramma. De steun aan Albanië wordt afgestemd op de geconstateerde behoeften, de geselecteerde prioriteiten, het vermogen tot opneming en terugbetaling en de maatregelen die worden getroffen om de economie te hervormen en te herstructureren.

Artikel 113

De financiële bijstand in de vorm van subsidies wordt gedekt door operationele maatregelen die bij een verordening van de Raad worden ingesteld, binnen een indicatief meerjarenkader dat door de Gemeenschap na overleg met Albanië wordt opgesteld. De financiële bijstand kan betrekking hebben op alle samenwerkingsterreinen, waarbij met name aandacht wordt besteed aan justitie, vrijheid en veiligheid, aan harmonisatie van wetgeving en aan economische ontwikkeling.

Artikel 114

In het geval van bijzondere noodzaak kan de Gemeenschap op verzoek van Albanië, in overleg met de internationale financiële instellingen, onderzoeken of bij wijze van uitzondering macrofinanciële bijstand kan worden verleend, op bepaalde voorwaarden en met inachtneming van de beschikbaarheid van alle financiële middelen. Deze bijstand wordt dan vrijgegeven op bepaalde voorwaarden, die in het kader van een door Albanië en het IMF overeen te komen programma worden vastgesteld.

Artikel 115

Met het oog op optimale benutting van de beschikbare middelen zien de partijen erop toe dat de bijdragen van de Gemeenschap worden verstrekt in nauwe coördinatie met andere financieringsbronnen, zoals lidstaten, andere landen en internationale financiële instellingen.

Daartoe wisselen de partijen regelmatig informatie uit over alle bronnen van bijstand.

TITEL X. INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 116

Er wordt een Stabilisatie- en associatieraad opgericht, die toezicht houdt op de toepassing en de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst. De Stabilisatie- en associatieraad komt op passend niveau bijeen met regelmatige tussenpozen en wanneer de omstandigheden dat vereisen, en behandelt dan alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van de overeenkomst voordoen, en alle andere, bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.

Artikel 117
1.

De Stabilisatie- en associatieraad bestaat uit enerzijds leden van de Raad van de Europese Unie en leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en anderzijds leden van de regering van Albanië.

2.

De Stabilisatie- en associatieraad stelt zijn eigen reglement van orde vast.

3.

De leden van de Stabilisatie- en associatieraad mogen zich laten vertegenwoordigen overeenkomstig de daartoe in het reglement van orde vast te leggen voorwaarden.

4.

De Stabilisatie- en associatieraad wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschap en een vertegenwoordiger van Albanië, overeenkomstig de in het reglement van orde vast te leggen bepalingen.

5.

De Europese Investeringsbank neemt, voor aangelegenheden die onder haar bevoegdheid vallen, als waarnemer deel aan de werkzaamheden van de Stabilisatie- en associatieraad.

Artikel 118

Om de doelstellingen van de overeenkomst te bereiken, krijgt de Stabilisatie- en associatieraad de bevoegdheid besluiten te nemen binnen de toepassingssfeer van deze overeenkomst voor de in de overeenkomst vermelde gevallen. De besluiten van de Stabilisatie- en associatieraad zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. De Stabilisatie- en associatieraad mag ook passende aanbevelingen doen. De besluiten en aanbevelingen van de raad worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de partijen.

Artikel 119

De partijen leggen geschillen die verband houden met de toepassing of de interpretatie van deze overeenkomst voor aan de Stabilisatie- en associatieraad. De Stabilisatie- en associatieraad kan een dergelijk geschil door middel van een bindend besluit beslechten.

Artikel 120
1.

De Stabilisatie- en associatieraad wordt bij de vervulling van zijn taken bijgestaan door een Stabilisatie- en associatiecomité, bestaande uit enerzijds vertegenwoordigers van de Raad van de Europese Unie en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en anderzijds vertegenwoordigers van Albanië.

2.

In zijn reglement van orde bepaalt de Stabilisatie- en associatieraad de taken van het Stabilisatie- en associatiecomité, waaronder de voorbereiding van de vergaderingen van de Stabilisatie- en associatieraad, en stelt hij de werkwijze van dit comité vast.

3.

De Stabilisatie- en associatieraad mag bevoegdheden aan het Stabilisatie- en associatiecomité delegeren. In dat geval neemt het Stabilisatie- en associatiecomité zijn besluiten volgens de voorwaarden van artikel 118.

4.

De Stabilisatie- en associatieraad kan tot de oprichting besluiten van andere speciale comités of lichamen die hem bij de uitvoering van zijn taken kunnen bijstaan. In zijn reglement van orde legt de Stabilisatie- en associatieraad de samenstelling van deze comités of lichamen vast en bepaalt hij hun taken en werkwijze.

Artikel 121

Het Stabilisatie- en associatiecomité kan subcomités oprichten.

Voor het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst zet het Stabilisatie- en associatiecomité de nodige subcomités op voor de adequate uitvoering van de overeenkomst. Wanneer het Stabilisatie- en associatiecomité besluit subcomités op te zetten en hun taakomschrijving vast te stellen, houdt het terdege rekening met het belang van de juiste afhandeling van met migratie samenhangende problemen, met name ten aanzien van de uitvoering van de artikelen 80 en 81 van deze overeenkomst en het toezicht op het EU-actieplan voor Albanië en de omliggende regio.

Artikel 122

Er wordt een Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité opgericht. Dit dient als forum waar leden van het Albanese parlement en het Europees Parlement elkaar kunnen ontmoeten en van gedachten kunnen wisselen. Dat comité komt met door hemzelf te bepalen tussenpozen bijeen.

Het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité bestaat uit enerzijds leden van het Europees Parlement en anderzijds leden van het Albanese parlement.

Het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité stelt zijn reglement van orde vast.

Het Parlementair Stabilisatie- en associatiecomité wordt beurtelings voorgezeten door het Europees Parlement en het Albanese parlement, overeenkomstig de in het reglement van orde neer te leggen bepalingen.

Artikel 123

Binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst beijvert elk van beide partijen zich om ervoor te zorgen dat natuurlijke personen en rechtspersonen van de andere partij, zonder discriminatie ten opzichte van haar eigen onderdanen, toegang krijgen tot de ter zake bevoegde gerechtelijke instanties en administratieve lichamen van de partijen, ter verdediging van hun individuele rechten en hun eigendomsrechten.

Artikel 124

Niets in deze overeenkomst belet een partij maatregelen te nemen:

Artikel 125
1.

Op de door de overeenkomst bestreken terreinen en onverminderd eventueel daarin neergelegde bijzondere bepalingen mogen:

2.

Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de partijen om de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen op belastingplichtigen die niet in een identieke situatie verkeren ten aanzien van hun woonplaats.

Artikel 126
1.

De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens de overeenkomst te voldoen. Zij zien erop toe dat de in de overeenkomst aangegeven doelstellingen worden bereikt.

2.

Indien een van de partijen van mening is dat de andere partij een verplichting die uit de overeenkomst voortvloeit niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Alvorens dit te doen, behalve in bijzonder dringende gevallen, verstrekt zij de Stabilisatie- en associatieraad alle ter zake doende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, om een voor de partijen aanvaardbare oplossing te vinden.

3.

Bij de keuze van de maatregelen moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die het functioneren van de overeenkomst het minst verstoren. Deze maatregelen worden onmiddellijk ter kennis van de Stabilisatie- en associatieraad gebracht en worden op verzoek van de andere partij in de Stabilisatie- en associatieraad besproken.

Artikel 127

De partijen komen overeen op verzoek van elk van de partijen onmiddellijk overleg te plegen via passende kanalen om kwesties met betrekking tot de interpretatie of tenuitvoerlegging van deze overeenkomst en andere relevante aspecten van de betrekkingen tussen de partijen te bespreken.

De bepalingen van dit artikel hebben geen invloed op en gelden onverminderd de artikelen 31, 37, 38, 39 en 43.

Artikel 128

Zolang onder deze overeenkomst geen gelijkwaardige rechten zijn verworven voor personen en ondernemers, doet de overeenkomst geen afbreuk aan de rechten die hun worden verleend bij bestaande overeenkomsten tussen een of meer lidstaten, enerzijds, en Albanië, anderzijds.

Artikel 129

De bijlagen I tot en met V en de protocollen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst.

De op 22 november 2004 ondertekende Kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Albanië aan communautaire programma’s, en de bijlage daarbij vormen een integrerend onderdeel van deze overeenkomst. De in artikel 8 van die kaderovereenkomst bedoelde evaluatie wordt door de Stabilisatie- en associatieraad uitgevoerd; de raad heeft de bevoegdheid de kaderovereenkomst zo nodig te wijzigen.

Artikel 130

Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

Elk van beide partijen kan deze overeenkomst opzeggen door de andere partij van deze opzegging in kennis te stellen. De overeenkomst verstrijkt zes maanden na de datum van die kennisgeving.

Artikel 131

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „partijen” verstaan de Gemeenschap, of haar lidstaten, of de Gemeenschap en haar lidstaten, in overeenstemming met hun respectieve bevoegdheden, enerzijds, en Albanië, anderzijds.

Artikel 132

Deze overeenkomst is enerzijds van toepassing op het grondgebied waarop de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en anderzijds op het grondgebied van Albanië.

Artikel 133

De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie is de depositaris van deze overeenkomst.

Artikel 134

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud in alle officiële talen van de partijen, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 135

Deze overeenkomst wordt door de partijen volgens hun eigen procedures geratificeerd of goedgekeurd. De akten van ratificatie of goedkeuring worden neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie. Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de laatste akte van ratificatie of van goedkeuring is neergelegd.

Artikel 136. Interimovereenkomst

De partijen komen overeen dat, indien in afwachting van de voltooiing van de procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst, de bepalingen van sommige gedeelten van deze overeenkomst, met name die inzake het vrije verkeer van goederen, alsmede de relevante bepalingen inzake vervoer, door middel van een interimovereenkomst tussen de Gemeenschap en Albanië ten uitvoer worden gelegd, voor de toepassing van titel IV, van de artikelen 40, 71, 72, 73 en 74 van deze overeenkomst en van de protocollen 1, 2, 3, 4 en 6 alsmede de relevante bepalingen van protocol 5, onder de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst wordt verstaan de datum van inwerkingtreding van de interimovereenkomst, voor wat betreft de verplichtingen die in deze artikelen en protocollen zijn opgenomen.

Artikel 137

Bij inwerkingtreding vervangt deze overeenkomst de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake handel en commerciële en economische samenwerking, die op 11 mei 1992 te Brussel werd ondertekend. Door de uitvoering van die overeenkomst tot stand gekomen rechten, verplichtingen of rechtsposities van de partijen worden hierdoor niet aangetast.

Artikel 1

Dit protocol is van toepassing op de producten die zijn vermeld in de hoofdstukken 72 en 73 van de gecombineerde nomenclatuur. Het is eveneens van toepassing op andere onder deze hoofdstukken vallende eindproducten van ijzer en staal die in de toekomst uit Albanië van oorsprong kunnen zijn.

Artikel 2

Douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op ijzer- en staalproducten van oorsprong uit Albanië worden bij de inwerkingtreding van de overeenkomst afgeschaft.

Artikel 3
1.

Bij de inwerkingtreding van de overeenkomst worden douanerechten die in Albanië van toepassing zijn op ijzer- en staalproducten van oorsprong uit de Gemeenschap waarnaar wordt verwezen in artikel 19 van de overeenkomst en die zijn opgenomen in bijlage I bij deze overeenkomst geleidelijk verlaagd volgens het in die bijlage vastgestelde tijdschema.

2.

Bij de inwerkingtreding van de overeenkomst worden douanerechten die in Albanië van toepassing zijn op alle andere ijzer- en staalproducten van oorsprong uit de Gemeenschap afgeschaft.

Artikel 4
1.

De kwantitatieve beperkingen op de invoer in de Gemeenschap van ijzer- en staalproducten van oorsprong uit Albanië en maatregelen van gelijke werking worden op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst opgeheven.

2.

De kwantitatieve beperkingen op de invoer in Albanië van ijzer- en staalproducten van oorsprong uit de Gemeenschap en maatregelen van gelijke werking worden op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst opgeheven.

Artikel 5
1.

In verband met artikel 71 van de overeenkomst erkennen de partijen dat het noodzakelijk en urgent is dat elke partij terstond maatregelen neemt om eventuele structurele zwakheden van haar ijzer- en staalsector te verhelpen ter waarborging van het algemene concurrentievermogen van haar industrie. Albanië stelt daarom binnen drie jaar een herstructurerings- en omschakelingsprogramma voor haar ijzer- en staalindustrie op om ervoor te zorgen dat deze industrie op normale marktvoorwaarden kan voortbestaan. De Gemeenschap zal Albanië op verzoek technische bijstand verlenen om dit doel te bereiken.

2.

In verband met artikel 71 van de overeenkomst worden voorts alle praktijken die strijdig zijn met dit artikel beoordeeld op grond van specifieke criteria die voortvloeien uit de toepassing van de wetgeving van de Gemeenschap inzake overheidssteun, met inbegrip van de afgeleide wetgeving, en van bijzondere voorschriften inzake het toezicht op overheidssteun die na het vervallen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op de ijzer- en staalsector van toepassing zijn.

3.

Voor de toepassing van lid 1, onder iii), van artikel 71 van de overeenkomst op ijzer- en staalproducten, erkent de Gemeenschap dat Albanië gedurende vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst bij wijze van uitzondering overheidssteun voor herstructureringsdoeleinden mag verlenen, mits:

4.

Elke partij ziet toe op volledige transparantie bij de tenuitvoerlegging van het noodzakelijke herstructurerings- en omschakelingsprogramma door de andere partij voortdurend volledig in te lichten, waarbij met name gegevens worden medegedeeld over het herstructureringsplan en de bedragen, de intensiteit en het doel van de overheidssteun die op grond van de leden 2 en 3 wordt verleend.

5.

De Stabilisatie- en Associatieraad houdt toezicht op de naleving van de leden 1 tot en met 4.

6.

Indien een partij van oordeel is dat een praktijk van de andere partij met dit artikel in strijd is, en indien die praktijk nadelig is of dreigt te zijn voor de belangen van de eerste partij of indien de binnenlandse industrie van die partij aanmerkelijke schade ondervindt of dreigt te ondervinden, kan deze partij de nodige maatregelen nemen na raadpleging van de in artikel 7 genoemde contactgroep of dertig werkdagen nadat om deze raadpleging is verzocht.

Artikel 6

De artikelen 20, 21 en 22 van de overeenkomst zijn van toepassing op de handel in ijzer- en staalproducten tussen de partijen.

Artikel 7

De partijen komen overeen dat overeenkomstig artikel 120, lid 4, van de overeenkomst een contactgroep zal worden opgericht, die als taak heeft de tenuitvoerlegging van dit protocol te volgen en te evalueren.

Artikel 1
1.

De Gemeenschap en Albanië passen op verwerkte landbouwproducten de in respectievelijk bijlage I en de bijlagen II(a), II(b), II(c) en II(d) vermelde rechten toe in overeenstemming met de daarin vermelde voorwaarden, ongeacht of er sprake is van beperkingen door middel van tariefcontingenten.

2.

De Stabilisatie- en associatieraad beslist inzake:

Artikel 2

De overeenkomstig artikel 1 toegepaste rechten kunnen bij besluit van de Stabilisatie- en associatieraad worden verlaagd:

De onder het eerste streepje bedoelde verlagingen worden berekend op het deel van het recht, aangemerkt als landbouwelement, dat overeenstemt met de landbouwproducten die daadwerkelijk bij de vervaardiging van de bedoelde verwerkte landbouwproducten zijn gebruikt en in mindering zijn gebracht op de voor die basislandbouwproducten geldende rechten.

Artikel 3

De Gemeenschap en Albanië stellen elkaar in kennis van de administratieve regelingen die zijn vastgesteld voor de onder dit protocol vallende producten. Deze regelingen dienen een gelijke behandeling van alle betrokken partijen te waarborgen en dienen zo eenvoudig en soepel mogelijk te zijn.

Artikel 1

Het Protocol omvat de volgende onderdelen:

Artikel 2

Deze overeenkomsten zijn van toepassing voor wijnen die vallen onder code 22.04, gedistilleerde dranken die vallen onder code 22.08 en gearomatiseerde wijnen die vallen onder code 22.05 van het op 14 juni1983 in Brussel ondertekende Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codificering van goederen.

Deze overeenkomsten hebben betrekking op de volgende producten:

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

TITEL II. DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel 2. Algemene voorwaarden
1.

Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd van oorsprong te zijn uit de Gemeenschap:

2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit Albanië:

Artikel 3. Cumulatie in de Gemeenschap
1.

Onverminderd artikel 2, lid 1, worden producten als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien zij aldaar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit Albanië, de Gemeenschap of een land of gebied dat deelneemt in het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie2)Zoals bepaald in de conclusies van de Raad Algemene Zaken in april 1997 en in de mededeling van de Commissie van mei 1999 over het stabilisatie- en associatieproces in de landen van Zuidoost-Europa. of van materialen van oorsprong uit Turkije waarop Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 19953)Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 geldt voor producten andere dan landbouwproducten zoals omschreven in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije en andere dan kolen- en staalproducten zoals omschreven in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Republiek Turkije betreffende de handel in producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing is. van toepassing is, mits deze materialen in de Gemeenschap bewerkingen hebben ondergaan die ingrijpender zijn dan die bedoeld in artikel 7. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

2.

Indien de in de Gemeenschap verrichte be- of verwerkingen niet ingrijpender zijn dan de in artikel 7 bedoelde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product enkel als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde groter is dan die van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere in lid 1 bedoelde landen en gebieden. Is dit niet het geval, dan wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land dat de hoogste waarde vertegenwoordigt van de bij de vervaardiging in de Gemeenschap gebruikte materialen van oorsprong.

3.

De producten van oorsprong uit een van de in lid 1 genoemde landen en gebieden die in de Gemeenschap geen enkele be- of verwerking ondergaan, behouden hun oorsprong wanneer zij naar een van deze landen en gebieden worden uitgevoerd.

4.

De cumulatie waarin dit artikel voorziet, kan slechts worden toegepast indien:

De Gemeenschap zal Albanië door tussenkomst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nadere bijzonderheden verstrekken over de overeenkomsten en de daarin opgenomen oorsprongsregels die met de andere in lid 1 genoemde landen en gebieden worden toegepast. De cumulatie geldt niet voor de in bijlage V vermelde producten.

Artikel 4. Cumulatie in Albanië
1.

Onverminderd artikel 2, lid 2, worden producten als van oorsprong uit Albanië beschouwd indien zij aldaar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit de Gemeenschap, Albanië of een land of gebied dat deelneemt in het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie4)Zoals bepaald in de conclusies van de Raad Algemene Zaken in april 1997 en in de mededeling van de Commissie van mei 1999 over het stabilisatie- en associatieproces in de landen van Zuidoost-Europa. of van materialen van oorsprong uit Turkije waarop Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 19955)Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 geldt voor producten andere dan landbouwproducten zoals omschreven in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije en andere dan kolen- en staalproducten zoals omschreven in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Republiek Turkije betreffende de handel in producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing is. van toepassing is, mits deze materialen in de Gemeenschap bewerkingen hebben ondergaan die ingrijpender zijn dan die bedoeld in artikel 7. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

2.

Indien de in Albanië verrichte be- of verwerkingen nit6)[Red: hier wordt „niet” bedoeld.] ingrijpender zijn dan de in artikel 7 bedoelde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product enkel als van oorsprong uit Albanië beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde groter is dan die van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere in lid 1 bedoelde landen en gebieden. Is dit niet het geval dan wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land waar de meeste waarde is toegevoegd aan de bij de vervaardiging in Albanië gebruikte materialen van oorsprong.

3.

De producten van oorsprong uit een van de in lid 1 genoemde landen en gebieden die in Albanië geen enkele be- of verwerking ondergaan, behouden hun oorsprong wanneer zij naar een van deze landen en gebieden worden uitgevoerd.

4.

De cumulatie waarin dit artikel voorziet, kan slechts worden toegepast indien:

De cumulatie waarin dit artikel voorziet, is van toepassing met ingang van de datum die is aangegeven in de kennisgeving in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Albanië zal de Gemeenschap door tussenkomst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nadere gegevens verstrekken over de overeenkomsten, met inbegrip van de datums van inwerkingtreding, en de daarin opgenomen oorsprongsregels, die met de andere in lid 1 genoemde landen en gebieden worden toegepast.

De cumulatie geldt niet voor de in bijlage V vermelde producten.

Artikel 5. Geheel en al verkregen producten
1.

Als geheel en al in de Gemeenschap of Albanië verkregen worden beschouwd:

2.

De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

Artikel 6. Toereikende be- of verwerking
1.

Voor de toepassing van artikel 2 worden producten die niet geheel en al verkregen zijn, geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan indien aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II is voldaan.

Die voorwaarden geven voor alle onder de overeenkomst vallende producten aan welke be- of verwerkingen niet van oorsprong zijnde materialen moeten ondergaan om het karakter van product van oorsprong te verkrijgen, en zijn slechts op die materialen van toepassing. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de voorwaarden in die lijst voor dat product heeft voldaan, als materiaal gebruikt wordt bij de vervaardiging van een ander product, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het wordt verwerkt daarvoor niet gelden. Er wordt dan geen rekening gehouden met niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan zijn gebruikt.

2.

In afwijking van lid 1 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die, volgens de voorwaarden in de lijst, bij de vervaardiging van een product niet mogen worden gebruikt, toch worden gebruikt, indien:

Dit lid is niet van toepassing op de producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerde systeem zijn ingedeeld.

3.

De leden 1 en 2 zijn van toepassing onder voorbehoud van artikel 7.

Artikel 7. Ontoereikende be- of verwerking
1.

Onverminderd lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen beschouwd als ontoereikend om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 6 is voldaan:

2.

Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan ontoereikend zijn in de zin van lid 1 worden alle be- of verwerkingen die dit product in de Gemeenschap of in Albanië heeft ondergaan tezamen genomen.

Artikel 8. Determinerende eenheid
1.

De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol is het product dat volgens de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd. Hieruit volgt:

2.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 9. Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn inbegrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel en de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 10. Stellen en assortimenten

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 procent van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 11. Neutrale elementen

Om te bepalen of een product van oorsprong is, is het niet noodzakelijk de oorsprong na te gaan van bij de vervaardiging gebruikte:

TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 12. Territorialiteitsbeginsel
1.

Aan de in titel II genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprong moet zonder onderbreking in de Gemeenschap of in Albanië voldaan, behoudens de artikelen 3 en 4, en lid 3 van dit artikel.

2.

Behoudens de artikelen 3 en 4 worden producten van oorsprong die uit de Gemeenschap of Albanië een ander land worden uitgevoerd en vervolgens opnieuw worden ingevoerd, als niet van oorsprong beschouwd, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

3.

Een buiten de Gemeenschap of Albanië verrichte be- of verwerking van uit de Gemeenschap of Albanië uitgevoerde en later wederingevoerde materialen ontneemt niet het karakter van product van oorsprong overeenkomstig het bepaalde in titel II indien:

4.

Voor de toepassing van lid 3 is het bepaalde in titel II betreffende het verlenen van de oorsprong niet van toepassing op buiten de Gemeenschap of Albanië verrichte be- of verwerkingen. Wanneer evenwel, in de lijst van bijlage II, voor de vaststelling van de oorsprong van het eindproduct een regel is opgenomen die een maximumwaarde geeft voor alle gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen, mag de totale waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die in het gebied van de betrokken partij worden verwerkt en de totale buiten de Gemeenschap of Albanië overeenkomstig dit artikel toegevoegde waarde het vermelde percentage niet overschrijden.

5.

Voor de toepassing van het bepaalde in de leden 3 en 4 wordt onder „totale toegevoegde waarde” verstaan alle buiten de Gemeenschap of Albanië gemaakte kosten, met inbegrip van de waarde van de aldaar toegevoegde materialen.

6.

De leden 3 en 4 zijn niet van toepassing op producten die niet aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II voldoen of die slechts kunnen worden aangemerkt als toereikend te zijn be- of verwerkt door toepassing van de algemene tolerantieregel van artikel 6, lid 2.

7.

Het bepaalde in de leden 3 en 4 is niet van toepassing op producten van de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerde systeem.

8.

De buiten de Gemeenschap of Albanië verrichte be- of verwerkingen als bedoeld in dit artikel vinden plaats in het kader van de regeling passieve veredeling of een soortgelijke regeling.

Artikel 13. Rechtstreeks vervoer
1.

De bij deze overeenkomst vastgestelde preferentiële regeling is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks tussen de Gemeenschap en Albanië over het grondgebied van een in de artikelen 3 en 4 genoemd ander land of gebied zijn vervoerd. Goederen die één enkele zending vormen, kunnen via een ander grondgebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, voor zover zij in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Producten van oorsprong mogen per pijpleiding via een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap of van Albanië worden vervoerd.

2.

Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douane van het land van invoer:

Artikel 14. Tentoonstellingen
1.

De overeenkomst is van toepassing op producten van oorsprong die naar een tentoonstelling in een ander dan de in de artikelen 3 en 4 genoemde landen en gebieden zijn verzonden en die na de tentoonstelling zijn verkocht en in de Gemeenschap of in Albanië worden ingevoerd, mits ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

2.

Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel V afgegeven of opgesteld en op de normale wijze bij de douane van het land van invoer ingediend. Op dit bewijs zijn de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Indien nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden verlangd ten aanzien van de aard van de producten en de voorwaarden waarop zij waren tentoongesteld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht zijn gebleven.

TITEL III. VERVOER OVER DE WEG

Artikel 15. Verbod op de teruggave of vrijstelling van douanerechten
1.

Niet van oorsprong zijnde materialen die gebruikt zijn bij de vervaardiging van producten van oorsprong uit de Gemeenschap, Albanië of een van de andere in de artikelen 3 en 4 genoemde landen of gebieden waarvoor overeenkomstig titel V een bewijs van oorsprong is afgegeven of opgesteld, komen in de Gemeenschap of in Albanië niet in aanmerking voor teruggave of vrijstelling van douanerechten in welke vorm dan ook.

2.

Het verbod in lid 1 is van toepassing op elke regeling voor terugbetaling of algehele of gedeeltelijke vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking die in de Gemeenschap of in Albanië van toepassing is op materialen die bij de vervaardiging zijn gebruikt, indien een dergelijke terugbetaling of vrijstelling uitdrukkelijk of feitelijk wordt toegekend indien de producten die uit genoemde materialen zijn verkregen worden uitgevoerd, doch niet van toepassing is indien deze producten voor binnenlands gebruik zijn bestemd.

3.

De exporteur van producten die door een bewijs van oorsprong zijn gedekt, dient op verzoek van de douaneautoriteiten steeds bereid te zijn alle stukken over te leggen waaruit blijkt dat geen teruggave of vrijstelling van rechten is verkregen ten aanzien van de bij de vervaardiging van de betrokken producten gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn en dat alle douanerechten en heffingen van gelijke werking die op deze materialen van toepassing zijn, inderdaad zijn betaald.

4.

De leden 1, 2 en 3 zijn ook van toepassing op de verpakking in de zin van artikel 8, lid 2, op accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen in de zin van artikel 9 en op artikelen die deel uitmaken van een stel of assortiment in de zin van artikel 10, wanneer dergelijke artikelen niet van oorsprong zijn.

5.

De leden 1 tot en met 4 zijn uitsluitend van toepassing op materialen van de soort waarop de overeenkomst van toepassing is. Zij doen geen afbreuk aan het systeem van restituties bij de uitvoer van landbouwproducten overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst.

TITEL V. BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 16. Algemene voorwaarden
1.

Deze overeenkomst is van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die in Albanië worden ingevoerd en op producten van oorsprong uit Albanië die in de Gemeenschap worden ingevoerd, op vertoon van:

2.

In afwijking van lid 1 vallen producten van oorsprong in de zin van dit protocol in de in artikel 27 bedoelde gevallen onder de toepassing van de overeenkomst zonder dat een van de hierboven genoemde documenten behoeft te worden overgelegd.

Artikel 17. Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douane van het land van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.

2.

Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in. Modellen van beide formulieren zijn in bijlage III opgenomen. Deze formulieren worden ingevuld in een van de talen waarin deze overeenkomst is opgesteld overeenkomstig het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de formulieren met de hand worden ingevuld, dient dit met inkt en in blokletters te gebeuren. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak en er mogen geen regels worden opengelaten. Indien dit vak niet geheel is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en wordt het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.

3.

De exporteur die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoekt, dient op verzoek van de douane van het land van uitvoer waar dit certificaat wordt afgegeven, steeds de nodige documenten over te leggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van een lidstaat van de Gemeenschap of van Albanië en de producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de Gemeenschap, Albanië en van de andere in de artikelen 3 en 4 genoemde landen of gebieden, en aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

5.

De met de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 belaste douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om te controleren of de producten daadwerkelijk van oorsprong zijn, en gaan na of aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. Zij zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. In het bijzonder gaan zij na of de voor de omschrijving van de goederen bestemde ruimte op zodanige wijze is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen onmogelijk zijn.

6.

De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.

7.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douane afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd.

Artikel 18. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

In afwijking van artikel 17, lid 7, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft worden afgegeven, indien

2.

Met het oog op de toepassing van lid 1 dient de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer te vermelden van de producten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

3.

Vóór de douane tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaat, dient zij te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

4.

Op een achteraf afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in de Engelse taal de volgende aantekening aangebracht: „ISSUED RETROSPECTIVELY”.

5.

De in lid 4 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 19. Afgifte van een duplicaat van een EUR.1-certificaat
1.

In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan de exporteur de douaneautoriteiten die dit certificaat hadden afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

2.

Op het aldus afgegeven duplicaat wordt in de Engelse taal de volgende aantekening aangebracht: „DUPLICATE”.

3.

De in lid 2 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4.

Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, geldt vanaf die datum.

Artikel 20. Afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in de Gemeenschap of in Albanië onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong door een of meer EUR.1-certificaten worden vervangen bij verzending van deze producten of een gedeelte daarvan naar een andere plaats in de Gemeenschap of in Albanië. Dit certificaat wordt of deze certificaten worden afgegeven door het douanekantoor dat op de producten toezicht houdt.

Artikel 21. Gescheiden boekhouding
1.

Wanneer het met aanzienlijke kosten of moeilijkheden gepaard gaat om afzonderlijke voorraden aan te houden van identieke en onderling verwisselbare materialen die van oorsprong en die niet van oorsprong zijn, kunnen de douaneautoriteiten, op schriftelijk verzoek van de betrokkene, toestaan dat voor het beheer van deze voorraden de methode van de gescheiden boekhouding wordt gebruikt.

2.

Deze gescheiden boekhouding moet kunnen garanderen dat voor een bepaalde referentieperiode eenzelfde aantal producten „van oorsprong” wordt verkregen als verkregen zou zijn indien de voorraden fysiek waren gescheiden.

3.

De douaneautoriteiten kunnen vergunning verlenen voor het gebruik van deze methode op de door hen wenselijk geachte voorwaarden.

4.

Deze methode wordt geregistreerd en toegepast op basis van de algemene boekhoudbeginselen die van toepassing zijn in het land waar het product is vervaardigd.

5.

Het bedrijf dat deze vergunning heeft verkregen kan bewijzen van de oorsprong afgeven of aanvragen, al naar gelang van het geval, voor de hoeveelheid producten die als van oorsprong kunnen worden beschouwd. De vergunninghouder verstrekt op verzoek van de douaneautoriteiten een verklaring over de wijze waarop de hoeveelheden zijn beheerd.

6.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning en kunnen deze steeds intrekken wanneer de vergunninghouder deze niet correct gebruikt of niet aan een van de andere in dit protocol omschreven voorwaarden voldoet.

Artikel 22. Het opstellen van een factuurverklaring
1.

De in artikel 16, lid 1, onder b), genoemde factuurverklaring kan worden opgesteld door:

2.

Een factuurverklaring kan worden opgesteld indien de producten kunnen worden beschouwd als van oorsprong uit de Gemeenschap, uit Albanië of uit een van de in de artikelen 3 en 4 genoemde landen of gebieden, en tevens aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen.

3.

De exporteur die de factuurverklaring opstelt, moet op verzoek van de douane van het land van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

Deze factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage IV is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen talenversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. De factuurverklaring kan ook met de hand, met inkt en in blokletters, worden opgesteld.

5.

De factuurverklaring wordt door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 23 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douane een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle factuurverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt, alsof hij deze eigenhandig had ondertekend.

6.

Een factuurverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft of later, maar moet uiterlijk twee jaar na de invoer van de producten waarop zij betrekking heeft in het land van invoer worden aangeboden.

Artikel 23. Toegelaten exporteurs
1.

De douane van het land van uitvoer kan exporteurs, hierna „toegelaten exporteurs” genoemd, die veelvuldig producten verzenden waarop deze overeenkomst van toepassing is, vergunning verlenen factuurverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken producten. Om voor een dergelijke vergunning in aanmerking te komen, moet de exporteur naar het oordeel van de douane de nodige waarborgen bieden met betrekking tot de controle op de oorsprong van de producten en de naleving van alle andere voorwaarden van dit protocol.

2.

De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van door hen noodzakelijk geachte voorwaarden.

3.

De douane kent de toegelaten exporteur een nummer toe, dat op de factuurverklaringen moet worden vermeld.

4.

De douane houdt toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

5.

De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet meer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet, of de vergunning oneigenlijk gebruikt.

Artikel 24. Geldigheid van bewijzen van oorsprong
1.

Een bewijs van oorsprong is vier maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. Het moet binnen deze periode worden ingediend bij de douane van het land van invoer.

2.

Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douane van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden.

3.

In andere gevallen van verlate indiening kan de douane van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij haar zijn aangebracht.

Artikel 25. Overlegging van bewijzen van oorsprong

Bewijzen van oorsprong worden bij de douane van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze autoriteiten kunnen om een vertaling van dit bewijs vragen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van de overeenkomst voldoen.

Artikel 26. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a) voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, vallende onder de afdelingen XVI en XVII of de posten 7308 en 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.

Artikel 27. Vrijstelling van bewijs van oorsprong
1.

Goederen die in kleine zendingen door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, voor zover aan zulke goederen ieder handelskarakter vreemd is en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van dit protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22/CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2.

Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is, wordt beschouwd de invoer van incidentele aard van goederen die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de geadresseerde, de reiziger of de leden van hun gezin, mits noch de aard, noch de hoeveelheid van de goederen op commerciële doeleinden wijzen.

3.

Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 EUR voor kleine zendingen of 1 200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 28. Bewijsstukken

De in artikel 17, lid 3, en artikel 22, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten die door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een factuurverklaring worden gedekt, producten van oorsprong zijn uit de Gemeenschap, Albanië of een van de andere in de artikelen 3 en 4 genoemde landen of gebieden en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

Artikel 29. Bewaring van de bewijzen van oorsprong en de andere bewijsstukken
1.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, dienen de in artikel 17, lid 3, bedoelde documenten ten minste drie jaar te bewaren.

2.

Exporteurs die een factuurverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze factuurverklaring en van de in artikel 22, lid 3, bedoelde documenten gedurende een periode van ten minste drie jaar.

3.

De douane van het land van uitvoer die een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgeeft, bewaart het in artikel 17, lid 2, bedoelde aanvraagformulier ten minste drie jaar.

4.

De douane van het land van invoer bewaart de certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 en factuurverklaringen die bij haar werden ingediend gedurende ten minste drie jaar.

Artikel 30. Verschillen en vormfouten
1.

Geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en de gegevens op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor worden ingediend, maken het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de factuurverklaring niet automatisch ongeldig, indien blijkt dat het document wel degelijk met de aangebrachte goederen overeenstemt.

2.

Kennelijke vormfouten, zoals typefouten, op het bewijs van oorsprong leiden niet tot weigering van dit document indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 31. Bedragen in euro
1.

Voor de toepassing van artikel 22, lid 1, onder b), en artikel 27, lid 3, wordt, wanneer de producten gefactureerd zijn in een andere valuta dan de euro, de tegenwaarde van de in euro uitgedrukte bedragen in de nationale valuta van de lidstaten van de Gemeenschap, van Albanië of van een van de andere landen of gebieden bedoeld in de artikelen 3 en 4, jaarlijks door elk van de betrokken landen vastgesteld.

2.

Artikel 22, lid 1, onder b), en artikel 27, lid 3, zijn van toepassing op zendingen op basis van de valuta waarin de factuur is opgesteld overeenkomstig het bedrag dat door het betrokken land is vastgesteld.

3.

De in een bepaalde nationale valuta te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die valuta van de in euro uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober. De tegenwaarde wordt de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor 15 oktober meegedeeld en is van toepassing vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar. De Commissie van de Europese Gemeenschappen stelt alle betrokken landen in kennis van de desbetreffende tegenwaarden.

4.

Een land mag het bedrag dat het resultaat is van de omrekening in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag naar boven of beneden afronden. Het afgeronde bedrag mag niet meer dan 5 procent afwijken van het door omrekening verkregen bedrag. Een land kan de tegenwaarde in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag ongewijzigd handhaven, indien bij de omrekening van dit bedrag, ten tijde van de in lid 3 bedoelde jaarlijkse aanpassing, vóór afronding, een stijging van minder 15 procent van die tegenwaarde wordt verkregen. De tegenwaarde in nationale valuta kan ongewijzigd blijven, indien de omrekening tot een daling van de tegenwaarde leid.

5.

De in euro uitgedrukte bedragen worden door het Stabilisatie- en associatiecomité op verzoek van de Gemeenschap of Albanië herzien. Bij deze herziening onderzoek het comité of het wenselijk is de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan te dien einde besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.

TITEL VI. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 32. Wederzijdse bijstand
1.

De douaneautoriteiten van de lidstaten van de Gemeenschap en van Albanië doen elkaar via de Commissie afdrukken toekomen van de stempels die in hun douanekantoren worden gebruikt bij de afgifte van EUR.1-certificaten, alsmede de adressen van de douanediensten die belast zijn met de controle van deze certificaten en de factuurverklaringen.

2.

Met het oog op de correcte toepassing van dit protocol verlenen de Gemeenschap en Albanië elkaar via de bevoegde douane-instanties bijstand bij de controle op de echtheid van EUR.1-certificaten en factuurverklaringen en de juistheid van de daarop vermelde gegevens.

Artikel 33. Controle van de bewijzen van oorsprong
1.

Bewijzen van oorsprong worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd, alsmede wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

2.

Met het oog op de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 de factuur, indien deze werd voorgelegd, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, in voorkomend geval onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze aanvraag om controle alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

3.

De controle wordt verricht door de douane van het land van uitvoer. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

4.

Indien de douane van het land van invoer besluit de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, doet zij de importeur het voorstel de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

5.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douanedienst die de controle heeft aangevraagd. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit de Gemeenschap, Albanië of een van de andere in de artikelen 3 en 4 genoemde landen of gebieden beschouwd kunnen worden en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

6.

Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kent de aanvragende douanedienst de preferentiële behandeling niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.

Artikel 34. Geschillenregeling

Geschillen ten aanzien van de in artikel 33 bedoelde controles die niet onderling geregeld kunnen worden tussen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die deze hebben moeten uitvoeren, en problemen in verband met de interpretatie van dit protocol worden aan het Stabilisatie- en associatiecomité voorgelegd.

In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de beslechting van geschillen tussen een importeur en de douane van het land van invoer.

Artikel 35. Sancties

Sancties worden getroffen tegen ieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel goederen onder de preferentiële regeling te doen vallen.

Artikel 36. Vrije zones
1.

De Gemeenschap en Albanië nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van oorsprong worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een vrije zone op hun grondgebied verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.

2.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 geven de bevoegde autoriteiten, wanneer producten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Albanië die onder dekking van een bewijs van oorsprong in een vrije zone zijn ingevoerd, een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 af, mits deze be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit protocol.

TITEL VII. CEUTA EN MELILLA

Artikel 37. Toepassing van het protocol
1.

De in artikel 2 gebruikte term „Gemeenschap” heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla.

2.

Producten van oorsprong uit Albanië die in Ceuta of Melilla worden ingevoerd, vallen in elk opzicht onder dezelfde douaneregeling als de regeling die op grond van Protocol nr. 2 bij de Akte van Toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Republiek Portugal tot de Europese Gemeenschappen van toepassing is op producten van oorsprong uit het douanegebied van de Gemeenschap. Albanië past op onder de overeenkomst vallende producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla dezelfde regeling toe als op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die uit de Gemeenschap worden ingevoerd.

3.

Bij toepassing van lid 2 op producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla is dit protocol van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de bijzondere voorwaarden van artikel 38.

Artikel 38. Bijzondere voorwaarden
1.

Mits zij rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, worden beschouwd als:

2.

Ceuta en Melilla worden als één grondgebied beschouwd.

3.

De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermeldt „Albanië” en „Ceuta en Melilla” in vak 2 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of op de factuurverklaring. Voor producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla wordt dit bovendien vermeld in vak 4 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of op de factuurverklaring.

4.

De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van dit protocol in Ceuta en Melilla.

TITEL VIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 39. Wijzigingen van het protocol

De Stabilisatie- en associatieraad kan besluiten bepalingen van dit protocol te wijzigen.

Artikel 1. Doel

Het doel van dit protocol is de samenwerking tussen de partijen inzake het vervoer over land, in het bijzonder het transitoverkeer, te bevorderen en in dat verband toe te zien op gecoördineerde ontwikkeling van het vervoer door en via de grondgebieden van de partijen, door middel van de volledige en coherente toepassing van alle bepalingen van dit protocol.

Artikel 2. Toepassingsgebied
1.

De samenwerking heeft betrekking op het vervoer over land, met name het wegvervoer, het spoorvervoer en het gecombineerde vervoer, alsmede de desbetreffende infrastructuur.

2.

In dit verband omvat het toepassingsgebied van dit protocol in het bijzonder:

Artikel 3. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

TITEL I. INFRASTRUCTUUR

Artikel 4. Algemene bepaling

De partijen komen overeen maatregelen voor de ontwikkeling van een multimodale vervoersinfrastructuur te nemen en die op elkaar af te stemmen, als een wezenlijk middel om de problemen op te lossen die zich voordoen in het goederenvervoer door Albanië, met name op de pan-Europese corridor VIII, de noord-zuidas en de verbindingen met het Adriatisch/Ionisch pan-Europees vervoersgebied.

Artikel 5. Planning

De ontwikkeling van een multimodaal regionaal vervoersnetwerk op het grondgebied van Albanië dat aan de behoeften van Albanië en van Zuidoost-Europa voldoet en de belangrijkste weg- en spoorwegverbindingen, binnenwateren, binnenhavens, havens, luchthavens en andere relevante knooppunten van het netwerk omvat, is voor de Gemeenschap en voor Albanië van bijzonder belang. Dit netwerk is gedefinieerd in een memorandum van overeenstemming inzake de ontwikkeling van een vervoerskerninfrastructuurnetwerk voor Zuidoost-Europa, dat in juni 2004 door de ministers van de regio en de Europese Commissie is ondertekend. Verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het netwerk en de keuze van prioriteiten is een stuurcomité dat uit vertegenwoordigers van elk van de ondertekenaars bestaat.

Artikel 6. Financiële aspecten
1.

De Gemeenschap kan, in het kader van artikel [112] van de overeenkomst, financieel bijdragen aan de uitvoering van de noodzakelijke in artikel 5 van dit Protocol bedoelde infrastructuurwerken. Zij kan deze bijdrage verstrekken in de vorm van kredieten van de Europese Investeringsbank, en op elke andere wijze waarop zij nog meer middelen kan vrijmaken.

2.

Om de werkzaamheden te bespoedigen, zal de Commissie zoveel mogelijk trachten het gebruik van andere aanvullende middelen te bevorderen, zoals investeringen van lidstaten van de Gemeenschap op bilaterale basis of met gebruikmaking van openbare of particuliere middelen.

TITEL II. VERVOER PER SPOOR EN GECOMBINEERD VERVOER

Artikel 7. Algemene bepaling

De partijen nemen de nodige maatregelen voor de ontwikkeling en de bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerde vervoer en stemmen deze op elkaar af, met als doel een groot deel van het vervoer van en naar en het transitoverkeer door Albanië in de toekomst op milieuvriendelijker wijze te doen plaatsvinden.

Artikel 8. Bijzondere aspecten met betrekking tot de infrastructuur

In het kader van de modernisering van de Albanese spoorwegen dient het nodige te worden gedaan om het systeem aan het gecombineerde vervoer aan te passen, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling of aanleg van terminals, de afmetingen van de tunnels en de capaciteit, waarvoor aanzienlijke investeringen vereist zijn.

Artikel 9. Ondersteunende maatregelen

De partijen nemen alle nodige maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling van gecombineerd vervoer. Deze maatregelen hebben ten doel:

Artikel 10. Rol van de spoorwegen

In het licht van de verdeling van de bevoegdheden tussen de staat en de spoorwegen doen de partijen hun spoorwegmaatschappijen de aanbeveling om voor zowel het personen- als het goederenvervoer:

TITEL III. VERVOER OVER DE WEG

Artikel 11. Algemene bepalingen
1.

Wat de toegang tot elkaars vervoersmarkt betreft, komen de partijen overeen in het beginstadium, onverminderd lid 2, de regeling te handhaven die voortvloeit uit bilaterale overeenkomsten of andere internationale bilaterale verdragen die tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Albanië zijn gesloten of, bij het ontbreken van dergelijke overeenkomsten of verdragen, uit de feitelijke situatie in 1991. In afwachting van de sluiting van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en Albanië over de toegang tot de wegvervoersmarkt, zoals bedoeld in artikel 12, en over wegenbelasting, zoals bedoeld in artikel 13, lid 2, werkt Albanië echter samen met de lidstaten om deze bilaterale overeenkomsten of verdragen aan te passen aan dit protocol.

2.

De partijen komen overeen met ingang van de datum waarop de overeenkomst in werking treedt, het communautaire transitoverkeer onbeperkt toegang te verlenen tot Albanië en het Albanese transitoverkeer onbeperkt toegang te verlenen tot de Gemeenschap.

3.

Indien als gevolg van de krachtens lid 2 verleende rechten het door vervoerders uit de Gemeenschap uitgevoerde transitoverkeer over de weg zodanig toeneemt dat daardoor ernstige schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de wegeninfrastructuur en/of de doorstroming van het verkeer op de in artikel 5 bedoelde verbindingen, en zich onder deze zelfde omstandigheden problemen voordoen op het grondgebied van de Gemeenschap in de nabijheid van de grenzen met Albanië, wordt de kwestie voorgelegd aan de Stabilisatie- en associatieraad overeenkomstig artikel [118] van de overeenkomst. De partijen kunnen voorstellen doen voor uitzonderlijke tijdelijke, niet-discriminerende maatregelen die noodzakelijk zijn om deze schade te verminderen of te beperken.

4.

Indien de Europese Gemeenschap voorschriften vaststelt om de verontreiniging door in de Europese Unie geregistreerde vrachtwagens te verminderen en de verkeersveiligheid te vergroten, is een gelijksoortige regeling van toepassing op in Albanië geregistreerde vrachtwagens die op het grondgebied van de Gemeenschap aan het verkeer wensen deel te nemen. De Stabilisatie- en associatieraad beslist over de noodzakelijke modaliteiten.

5.

De partijen onthouden zich van alle eenzijdige maatregelen of handelingen die tot discriminatie tussen vervoerders of voertuigen van de Gemeenschap en vervoerders of voertuigen van Albanië zouden kunnen leiden. Zij nemen alle dienstige maatregelen om het wegvervoer naar of in transito over het grondgebied van de andere partij te vergemakkelijken.

Artikel 12. Markttoegang

De partijen verbinden zich bij voorrang ertoe samen te werken om, behoudens hun interne voorschriften, te streven naar:

Artikel 13. Belastingen, tol en andere heffingen
1.

De partijen erkennen dat belastingen, tol en andere heffingen ten laste van de wegvoertuigen van beide partijen vrij moeten zijn van discriminatie.

2.

De partijen openen onderhandelingen om zo snel mogelijk tot een overeenkomst te komen inzake wegenbelasting, op basis van de regels die de Gemeenschap op dit gebied heeft vastgesteld. De overeenkomst is met name gericht op vrije doorstroming van het grensoverschrijdende verkeer, geleidelijke opheffing van de verschillen tussen de wegenbelastingstelsels van de partijen en het voorkomen van concurrentievervalsing ten gevolge van deze verschillen.

3.

In afwachting van de resultaten van de in lid 2 bedoelde onderhandelingen nemen de partijen de discriminatie weg tussen vrachtvervoerders uit de Gemeenschap en uit Albanië bij de toepassing van belastingen en heffingen op het verkeer en/of het bezit van vrachtwagens en van alle speciale belastingen en heffingen op het vervoer over het grondgebied van de partijen. Albanië verbindt zich ertoe de Commissie van de Europese Gemeenschappen desgevraagd het bedrag aan belastingen, tol en andere heffingen die het toepast mede te delen, alsmede de methode die voor de berekening daarvan wordt toegepast.

4.

Tot de in lid 2 en artikel 12 bedoelde overeenkomsten zijn gesloten, kunnen na de inwerkingtreding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst voorgestelde wijzigingen van fiscale heffingen, tolheffing en andere heffingen op het communautaire transitoverkeer door Albanië, alsmede van de systemen voor de inning ervan, slechts na overleg worden ingevoerd.

Artikel 14. Afmetingen en gewichten
1.

Albanië aanvaardt dat wegvoertuigen die beantwoorden aan de communautaire normen voor afmetingen en gewichten vrij en zonder beperking terzake aan het verkeer op de in artikel 5 bedoelde wegen mogen deelnemen. Tot zes maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomst wordt op wegvoertuigen die niet aan de huidige normen van Albanië voldoen een speciale niet-discriminerende heffing toegepast, die evenredig is met de schade die door de hogere asdruk wordt veroorzaakt.

2.

Albanië streeft ernaar zijn huidige regelgeving en normen voor de wegenbouw uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst te harmoniseren met de wetgeving die in de Gemeenschap geldt, en neemt vergaande maatregelen ter verbetering van de in artikel 5 bedoelde bestaande wegen, zodat deze binnen de voorgestelde termijn voldoen aan deze nieuwe regelgeving en normen, een en ander in overeenstemming met zijn financiële mogelijkheden.

Artikel 15. Milieu
1.

Met het oog op de bescherming van het milieu streven de partijen ernaar normen voor de uitstoot van gassen en deeltjes en voor het geluidsniveau van vrachtwagens in te voeren die een hoog niveau van bescherming bieden.

2.

Teneinde de industrie duidelijke aanwijzingen te verschaffen en coördinatie bij onderzoek, planning en productie te bevorderen, dienen afwijkende nationale normen op dit gebied te worden vermeden. Voertuigen die voldoen aan de normen die zijn vastgesteld bij internationale overeenkomsten die tevens betrekking hebben op het milieu, mogen zonder verdere beperkingen aan het verkeer op het grondgebied van de partijen deelnemen.

3.

Bij de invoering van nieuwe normen plegen de partijen overleg teneinde bovengenoemde doelstellingen te bereiken.

Artikel 16. Sociale aspecten
1.

Albanië harmoniseert zijn wetgeving inzake de opleiding van vrachtwagenbestuurders, met name wat het vervoer van gevaarlijke stoffen betreft, met de normen van de Gemeenschap.

2.

Albanië, dat partij is bij de Europese overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR), en de Gemeenschap coördineren zo nauw mogelijk hun beleid inzake rijtijden, onderbrekingen en rustperioden van de bestuurders en de samenstelling van de bemanning, in overeenstemming met de toekomstige ontwikkeling van de sociale wetgeving op dit gebied.

3.

De partijen werken samen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de sociale wetgeving op het gebied van het wegvervoer.

4.

De partijen zien toe op de gelijkwaardigheid van hun respectieve wetgeving met betrekking tot de toegang tot het beroep van wegvervoerder, zulks met het oog op wederzijdse erkenning.

Artikel 17. Bepalingen betreffende het verkeer
1.

De partijen wisselen hun ervaringen uit en streven ernaar hun wetgeving te harmoniseren teneinde een betere doorstroming van het verkeer tijdens spitsperioden (weekeinden, feestdagen en het vakantieseizoen) te bewerkstelligen.

2.

In het algemeen bevorderen de partijen de invoering, ontwikkeling en coördinatie van een informatiesysteem voor het wegverkeer.

3.

Zij streven naar harmonisatie van hun wetgeving betreffende het vervoer van aan bederf onderhevige goederen, levende dieren en gevaarlijke stoffen.

4.

De partijen streven tevens naar harmonisatie van de technische hulpverlening aan bestuurders, de verspreiding van belangrijke verkeersinformatie en andere voor het toerisme nuttige zaken, en eerste hulp bij ongelukken, inclusief ambulancediensten.

Artikel 18. Verkeersveiligheid
1.

Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst harmoniseert Albanië zijn wetgeving inzake verkeersveiligheid, met name ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen, met die van de Gemeenschap.

2.

Albanië, als partij bij de Europese Overeenkomst betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, en de Gemeenschap coördineren hun beleid inzake het vervoer van gevaarlijke goederen zo nauw mogelijk.

3.

De partijen werken samen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving inzake verkeersveiligheid, met name wat betreft rijbewijzen en maatregelen om verkeersongevallen terug te dringen.

TITEL IV. VEREENVOUDIGING VAN FORMALITEITEN

Artikel 19. Vereenvoudiging van formaliteiten
1.

De partijen komen overeen het goederenvervoer per spoor en over de weg, zowel bilateraal als in transito, te vereenvoudigen.

2.

De partijen komen overeen onderhandelingen te openen met het oog op sluiting van een overeenkomst betreffende vereenvoudiging van de controles en formaliteiten in het goederenvervoer.

3.

De partijen komen overeen waar nodig verdere vereenvoudigingsmaatregelen aan te moedigen en hiertoe gezamenlijk actie te ondernemen.

TITEL V. SLOTBEPALINGEN

Artikel 20. Verruiming van het toepassingsgebied

Indien één van de partijen bij de toepassing van dit protocol tot de conclusie komt dat andere maatregelen, die niet onder het toepassingsgebied van dit protocol vallen, in het belang van een gecoördineerd Europees vervoersbeleid zijn en met name het probleem van het transitoverkeer kunnen helpen oplossen, dan legt zij de andere partij voorstellen voor zulke maatregelen voor.

Artikel 21. Uitvoering
1.

De samenwerking tussen de partijen vindt plaats in het kader van een speciaal subcomité, dat overeenkomstig artikel 121 van de overeenkomst zal worden opgericht.

2.

De taken van dit subcomité zijn in het bijzonder:

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepassingsgebied
1.

De partijen verlenen elkaar bijstand, op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden, en op de wijze en op de voorwaarden als in dit Protocol vastgesteld, om ervoor te zorgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, in het bijzonder bij de preventie, de opsporing en het onderzoek van handelingen in strijd met deze wetgeving.

2.

De bijstand in douanezaken waarin dit protocol voorziet, geldt voor elke administratieve autoriteit van de partijen die bevoegd is voor de toepassing van dit protocol. Deze bijstand doet geen afbreuk aan de regels betreffende de wederzijdse bijstand in strafzaken en geldt niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke autoriteit worden uitgeoefend, tenzij die autoriteit instemt met de mededeling van die informatie.

3.

Dit protocol heeft geen betrekking op bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes.

Artikel 3. Bijstand op verzoek
1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, maatregelen om ervoor te zorgen dat toezicht wordt gehouden op:

Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wet- en regelgeving, ongevraagd bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:

Artikel 5. Toezending van documenten/Kennisgeving van besluiten

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, alle maatregelen die nodig zijn voor:

die van de verzoekende autoriteit uitgaan en onder het toepassingsgebied van dit protocol vallen, aan een geadresseerde die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijft of gevestigd is.

Verzoeken om de toezending van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
1.

Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan en gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

2.

De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

3.

De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis is niet van toepassing op documenten die bij het in lid 1 bedoelde verzoek zijn gevoegd.

4.

Indien een verzoek niet in de juiste vorm wordt gedaan, kan om correctie of aanvulling worden verzocht. Er kunnen echter reeds voorzorgsmaatregelen worden genomen.

Artikel 7. Behandeling van verzoeken
1.

De aangezochte autoriteit behandelt verzoeken om bijstand, binnen de grenzen van haar bevoegdheden en met de middelen waarover zij beschikt, alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde partij handelt, door reeds beschikbare informatie te verstrekken en het nodige onderzoek te verrichten of te doen verrichten. Deze bepaling is tevens van toepassing op instanties waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorzendt indien deze autoriteit niet zelfstandig kan handelen.

2.

Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wet- en regelgeving van de aangezochte partij.

3.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen met instemming van de andere partij en op de door deze gestelde voorwaarden, in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken instantie als bedoeld in lid 1, gegevens verzamelen over handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of kunnen zijn en die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft.

4.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen, met instemming van de andere betrokken partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8. Vorm waarin de informatie dient te worden verstrekt
1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit schriftelijk mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte kopieën of andere stukken.

2.

Deze informatie kan met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking worden verstrekt.

3.

Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte kopieën niet toereikend zijn. Deze originelen worden zo spoedig mogelijk geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:

2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek, een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of de bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moet het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan terstond aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10. Uitwisseling van informatie en geheimhouding
1.

Alle informatie die ter uitvoering van dit protocol in welke vorm dan ook wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is slechts voor beperkte verspreiding bestemd, afhankelijk van de regelgeving van elke partij. De verstrekte gegevens worden als een ambtsgeheim beschouwd en beschermd overeenkomstig de regelgeving van de partij die ze heeft ontvangen en de desbetreffende bepalingen die op EG-autoriteiten van toepassing zijn.

2.

Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de partij die deze ontvangt zich ertoe verbindt deze op een wijze te beschermen die ten minste gelijkwaardig is met de wijze waarop de partij die deze gegevens heeft verstrekt deze beschermt. Te dien einde stellen de partijen elkaar in kennis van hun voorschriften ter zake met inbegrip van, in voorkomend geval, de wettelijke bepalingen van de lidstaten van de Gemeenschap.

3.

Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke en administratieve procedures in verband met handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving wordt geacht voor de doeleinden van dit protocol te geschieden. De partijen kunnen daarom bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van informatie die op grond van dit protocol is verkregen en documenten waarin op grond van dit protocol inzage is gegeven. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of inzage heeft gegeven in de documenten wordt van een dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.

De verkregen informatie mag uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden van dit protocol. Indien een partij dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij vooraf om de schriftelijke toestemming te verzoeken van de instantie die de informatie heeft verstrekt. Dergelijke informatie mag uitsluitend op de door deze instantie vastgestelde voorwaarden worden gebruikt.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd, om binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op aangelegenheden waarop dit protocol van toepassing is en daarbij de voor deze procedures noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of gewaarmerkte kopieën over te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid de betrokken ambtenaar zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die ter uitvoering van dit protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging
1.

De douaneautoriteiten van Albanië, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds, zien toe op de tenuitvoerlegging van dit protocol. Zij stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de voorschriften op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

2.

De partijen plegen overleg over en stellen elkaar in kennis van alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit protocol worden vastgesteld.

Artikel 14. Andere overeenkomsten
1.

Rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en van haar lidstaten, geldt voor de bepalingen van dit protocol het volgende:

2.

In afwijking van lid 1 hebben de bepalingen van dit protocol voorrang op de bepalingen in bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten en Albanië zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van laatstgenoemde overeenkomsten met die van dit protocol strijdig zijn.

3.

In geval van problemen in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen overleg om deze op te lossen in het bij artikel 120 van de associatieovereenkomst ingestelde Stabilisatie- en Associatiecomité.

GEDAAN te Luxemburg, de twaalfde juni tweeduizend zes.

Artikel 1. Toepasselijke regels van oorsprong
1.

Voor de toepassing van deze overeenkomst zijn aanhangsel I en de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels1)PbEU L 54 van 26.2.2013, blz. 4. („de conventie”), van toepassing.

2.

Alle verwijzingen naar de „desbetreffende overeenkomst” in aanhangsel I en in de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels gelden als verwijzingen naar deze overeenkomst.

Artikel 2. Geschillenregeling
1.

Indien er een geschil ontstaat in verband met de controleprocedures in artikel 32 van aanhangsel I van de conventie dat niet kan worden opgelost door de douaneautoriteit die de controle heeft aangevraagd en de douaneautoriteit die die controle moet uitvoeren, wordt het aan de Stabilisatie- en Associatieraad voorgelegd.

2.

In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.

Artikel 3. Wijzigingen van het protocol

De Stabilisatie- en Associatieraad kan besluiten bepalingen van dit protocol te wijzigen.

Artikel 4. Opzegging van de conventie
1.

Indien ofwel de Europese Unie ofwel Albanië de depositaris van de conventie schriftelijk te kennen geeft de conventie op grond van artikel 9 van de conventie, te willen opzeggen, onderhandelen de Europese Unie en Albanië onmiddellijk over oorsprongsregels voor de toepassing van deze overeenkomst.

2.

Tot de inwerkingtreding van deze nieuw overeengekomen oorsprongsregels blijven op deze overeenkomst de op het moment van opzegging geldende oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie van toepassing. Vanaf de opzegging worden de oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie echter zo uitgelegd dat zij uitsluitend bilaterale cumulatie tussen de Europese Unie en Albanië toestaan.

Artikel 5. Overgangsbepalingen – cumulatie

Niettegenstaande artikel 16, lid 5, en artikel 21, lid 3, van aanhangsel I van de conventie, mag het bewijs van oorsprong een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring zijn indien bij de cumulatie alleen EVA-landen, de Faeröer, de Europese Unie, Turkije en de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces zijn betrokken.

Artikel 1. Doel

Het doel van dit protocol is de samenwerking tussen de partijen inzake het vervoer over land, in het bijzonder het transitoverkeer, te bevorderen en in dat verband toe te zien op gecoördineerde ontwikkeling van het vervoer door en via de grondgebieden van de partijen, door middel van de volledige en coherente toepassing van alle bepalingen van dit protocol.

Artikel 2. Toepassingsgebied
1.

De samenwerking heeft betrekking op het vervoer over land, met name het wegvervoer, het spoorvervoer en het gecombineerde vervoer, alsmede de desbetreffende infrastructuur.

2.

In dit verband omvat het toepassingsgebied van dit protocol in het bijzonder:

Artikel 3. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

TITEL I. INFRASTRUCTUUR

Artikel 4. Algemene bepaling

De partijen komen overeen maatregelen voor de ontwikkeling van een multimodale vervoersinfrastructuur te nemen en die op elkaar af te stemmen, als een wezenlijk middel om de problemen op te lossen die zich voordoen in het goederenvervoer door Albanië, met name op de pan-Europese corridor VIII, de noord-zuidas en de verbindingen met het Adriatisch/Ionisch pan-Europees vervoersgebied.

Artikel 5. Planning

De ontwikkeling van een multimodaal regionaal vervoersnetwerk op het grondgebied van Albanië dat aan de behoeften van Albanië en van Zuidoost-Europa voldoet en de belangrijkste weg- en spoorwegverbindingen, binnenwateren, binnenhavens, havens, luchthavens en andere relevante knooppunten van het netwerk omvat, is voor de Gemeenschap en voor Albanië van bijzonder belang. Dit netwerk is gedefinieerd in een memorandum van overeenstemming inzake de ontwikkeling van een vervoerskerninfrastructuurnetwerk voor Zuidoost-Europa, dat in juni 2004 door de ministers van de regio en de Europese Commissie is ondertekend. Verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het netwerk en de keuze van prioriteiten is een stuurcomité dat uit vertegenwoordigers van elk van de ondertekenaars bestaat.

Artikel 6. Financiële aspecten
1.

De Gemeenschap kan, in het kader van artikel [112] van de overeenkomst, financieel bijdragen aan de uitvoering van de noodzakelijke in artikel 5 van dit Protocol bedoelde infrastructuurwerken. Zij kan deze bijdrage verstrekken in de vorm van kredieten van de Europese Investeringsbank, en op elke andere wijze waarop zij nog meer middelen kan vrijmaken.

2.

Om de werkzaamheden te bespoedigen, zal de Commissie zoveel mogelijk trachten het gebruik van andere aanvullende middelen te bevorderen, zoals investeringen van lidstaten van de Gemeenschap op bilaterale basis of met gebruikmaking van openbare of particuliere middelen.

TITEL II. VERVOER PER SPOOR EN GECOMBINEERD VERVOER

Artikel 7. Algemene bepaling

De partijen nemen de nodige maatregelen voor de ontwikkeling en de bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerde vervoer en stemmen deze op elkaar af, met als doel een groot deel van het vervoer van en naar en het transitoverkeer door Albanië in de toekomst op milieuvriendelijker wijze te doen plaatsvinden.

Artikel 8. Bijzondere aspecten met betrekking tot de infrastructuur

In het kader van de modernisering van de Albanese spoorwegen dient het nodige te worden gedaan om het systeem aan het gecombineerde vervoer aan te passen, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling of aanleg van terminals, de afmetingen van de tunnels en de capaciteit, waarvoor aanzienlijke investeringen vereist zijn.

Artikel 9. Ondersteunende maatregelen

De partijen nemen alle nodige maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling van gecombineerd vervoer. Deze maatregelen hebben ten doel:

Artikel 10. Rol van de spoorwegen

In het licht van de verdeling van de bevoegdheden tussen de staat en de spoorwegen doen de partijen hun spoorwegmaatschappijen de aanbeveling om voor zowel het personen- als het goederenvervoer:

Artikel 11. Algemene bepalingen
1.

Wat de toegang tot elkaars vervoersmarkt betreft, komen de partijen overeen in het beginstadium, onverminderd lid 2, de regeling te handhaven die voortvloeit uit bilaterale overeenkomsten of andere internationale bilaterale verdragen die tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Albanië zijn gesloten of, bij het ontbreken van dergelijke overeenkomsten of verdragen, uit de feitelijke situatie in 1991. In afwachting van de sluiting van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en Albanië over de toegang tot de wegvervoersmarkt, zoals bedoeld in artikel 12, en over wegenbelasting, zoals bedoeld in artikel 13, lid 2, werkt Albanië echter samen met de lidstaten om deze bilaterale overeenkomsten of verdragen aan te passen aan dit protocol.

2.

De partijen komen overeen met ingang van de datum waarop de overeenkomst in werking treedt, het communautaire transitoverkeer onbeperkt toegang te verlenen tot Albanië en het Albanese transitoverkeer onbeperkt toegang te verlenen tot de Gemeenschap.

3.

Indien als gevolg van de krachtens lid 2 verleende rechten het door vervoerders uit de Gemeenschap uitgevoerde transitoverkeer over de weg zodanig toeneemt dat daardoor ernstige schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de wegeninfrastructuur en/of de doorstroming van het verkeer op de in artikel 5 bedoelde verbindingen, en zich onder deze zelfde omstandigheden problemen voordoen op het grondgebied van de Gemeenschap in de nabijheid van de grenzen met Albanië, wordt de kwestie voorgelegd aan de Stabilisatie- en associatieraad overeenkomstig artikel [118] van de overeenkomst. De partijen kunnen voorstellen doen voor uitzonderlijke tijdelijke, niet-discriminerende maatregelen die noodzakelijk zijn om deze schade te verminderen of te beperken.

4.

Indien de Europese Gemeenschap voorschriften vaststelt om de verontreiniging door in de Europese Unie geregistreerde vrachtwagens te verminderen en de verkeersveiligheid te vergroten, is een gelijksoortige regeling van toepassing op in Albanië geregistreerde vrachtwagens die op het grondgebied van de Gemeenschap aan het verkeer wensen deel te nemen. De Stabilisatie- en associatieraad beslist over de noodzakelijke modaliteiten.

5.

De partijen onthouden zich van alle eenzijdige maatregelen of handelingen die tot discriminatie tussen vervoerders of voertuigen van de Gemeenschap en vervoerders of voertuigen van Albanië zouden kunnen leiden. Zij nemen alle dienstige maatregelen om het wegvervoer naar of in transito over het grondgebied van de andere partij te vergemakkelijken.

Artikel 12. Markttoegang

De partijen verbinden zich bij voorrang ertoe samen te werken om, behoudens hun interne voorschriften, te streven naar:

Artikel 13. Belastingen, tol en andere heffingen
1.

De partijen erkennen dat belastingen, tol en andere heffingen ten laste van de wegvoertuigen van beide partijen vrij moeten zijn van discriminatie.

2.

De partijen openen onderhandelingen om zo snel mogelijk tot een overeenkomst te komen inzake wegenbelasting, op basis van de regels die de Gemeenschap op dit gebied heeft vastgesteld. De overeenkomst is met name gericht op vrije doorstroming van het grensoverschrijdende verkeer, geleidelijke opheffing van de verschillen tussen de wegenbelastingstelsels van de partijen en het voorkomen van concurrentievervalsing ten gevolge van deze verschillen.

3.

In afwachting van de resultaten van de in lid 2 bedoelde onderhandelingen nemen de partijen de discriminatie weg tussen vrachtvervoerders uit de Gemeenschap en uit Albanië bij de toepassing van belastingen en heffingen op het verkeer en/of het bezit van vrachtwagens en van alle speciale belastingen en heffingen op het vervoer over het grondgebied van de partijen. Albanië verbindt zich ertoe de Commissie van de Europese Gemeenschappen desgevraagd het bedrag aan belastingen, tol en andere heffingen die het toepast mede te delen, alsmede de methode die voor de berekening daarvan wordt toegepast.

4.

Tot de in lid 2 en artikel 12 bedoelde overeenkomsten zijn gesloten, kunnen na de inwerkingtreding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst voorgestelde wijzigingen van fiscale heffingen, tolheffing en andere heffingen op het communautaire transitoverkeer door Albanië, alsmede van de systemen voor de inning ervan, slechts na overleg worden ingevoerd.

Artikel 14. Afmetingen en gewichten
1.

Albanië aanvaardt dat wegvoertuigen die beantwoorden aan de communautaire normen voor afmetingen en gewichten vrij en zonder beperking terzake aan het verkeer op de in artikel 5 bedoelde wegen mogen deelnemen. Tot zes maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomst wordt op wegvoertuigen die niet aan de huidige normen van Albanië voldoen een speciale niet-discriminerende heffing toegepast, die evenredig is met de schade die door de hogere asdruk wordt veroorzaakt.

2.

Albanië streeft ernaar zijn huidige regelgeving en normen voor de wegenbouw uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst te harmoniseren met de wetgeving die in de Gemeenschap geldt, en neemt vergaande maatregelen ter verbetering van de in artikel 5 bedoelde bestaande wegen, zodat deze binnen de voorgestelde termijn voldoen aan deze nieuwe regelgeving en normen, een en ander in overeenstemming met zijn financiële mogelijkheden.

Artikel 15. Milieu
1.

Met het oog op de bescherming van het milieu streven de partijen ernaar normen voor de uitstoot van gassen en deeltjes en voor het geluidsniveau van vrachtwagens in te voeren die een hoog niveau van bescherming bieden.

2.

Teneinde de industrie duidelijke aanwijzingen te verschaffen en coördinatie bij onderzoek, planning en productie te bevorderen, dienen afwijkende nationale normen op dit gebied te worden vermeden. Voertuigen die voldoen aan de normen die zijn vastgesteld bij internationale overeenkomsten die tevens betrekking hebben op het milieu, mogen zonder verdere beperkingen aan het verkeer op het grondgebied van de partijen deelnemen.

3.

Bij de invoering van nieuwe normen plegen de partijen overleg teneinde bovengenoemde doelstellingen te bereiken.

Artikel 16. Sociale aspecten
1.

Albanië harmoniseert zijn wetgeving inzake de opleiding van vrachtwagenbestuurders, met name wat het vervoer van gevaarlijke stoffen betreft, met de normen van de Gemeenschap.

2.

Albanië, dat partij is bij de Europese overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR), en de Gemeenschap coördineren zo nauw mogelijk hun beleid inzake rijtijden, onderbrekingen en rustperioden van de bestuurders en de samenstelling van de bemanning, in overeenstemming met de toekomstige ontwikkeling van de sociale wetgeving op dit gebied.

3.

De partijen werken samen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de sociale wetgeving op het gebied van het wegvervoer.

4.

De partijen zien toe op de gelijkwaardigheid van hun respectieve wetgeving met betrekking tot de toegang tot het beroep van wegvervoerder, zulks met het oog op wederzijdse erkenning.

Artikel 17. Bepalingen betreffende het verkeer
1.

De partijen wisselen hun ervaringen uit en streven ernaar hun wetgeving te harmoniseren teneinde een betere doorstroming van het verkeer tijdens spitsperioden (weekeinden, feestdagen en het vakantieseizoen) te bewerkstelligen.

2.

In het algemeen bevorderen de partijen de invoering, ontwikkeling en coördinatie van een informatiesysteem voor het wegverkeer.

3.

Zij streven naar harmonisatie van hun wetgeving betreffende het vervoer van aan bederf onderhevige goederen, levende dieren en gevaarlijke stoffen.

4.

De partijen streven tevens naar harmonisatie van de technische hulpverlening aan bestuurders, de verspreiding van belangrijke verkeersinformatie en andere voor het toerisme nuttige zaken, en eerste hulp bij ongelukken, inclusief ambulancediensten.

Artikel 18. Verkeersveiligheid
1.

Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst harmoniseert Albanië zijn wetgeving inzake verkeersveiligheid, met name ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen, met die van de Gemeenschap.

2.

Albanië, als partij bij de Europese Overeenkomst betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, en de Gemeenschap coördineren hun beleid inzake het vervoer van gevaarlijke goederen zo nauw mogelijk.

3.

De partijen werken samen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving inzake verkeersveiligheid, met name wat betreft rijbewijzen en maatregelen om verkeersongevallen terug te dringen.

TITEL IV. VEREENVOUDIGING VAN FORMALITEITEN

Artikel 19. Vereenvoudiging van formaliteiten
1.

De partijen komen overeen het goederenvervoer per spoor en over de weg, zowel bilateraal als in transito, te vereenvoudigen.

2.

De partijen komen overeen onderhandelingen te openen met het oog op sluiting van een overeenkomst betreffende vereenvoudiging van de controles en formaliteiten in het goederenvervoer.

3.

De partijen komen overeen waar nodig verdere vereenvoudigingsmaatregelen aan te moedigen en hiertoe gezamenlijk actie te ondernemen.

TITEL V. SLOTBEPALINGEN

Artikel 20. Verruiming van het toepassingsgebied

Indien één van de partijen bij de toepassing van dit protocol tot de conclusie komt dat andere maatregelen, die niet onder het toepassingsgebied van dit protocol vallen, in het belang van een gecoördineerd Europees vervoersbeleid zijn en met name het probleem van het transitoverkeer kunnen helpen oplossen, dan legt zij de andere partij voorstellen voor zulke maatregelen voor.

Artikel 21. Uitvoering
1.

De samenwerking tussen de partijen vindt plaats in het kader van een speciaal subcomité, dat overeenkomstig artikel 121 van de overeenkomst zal worden opgericht.

2.

De taken van dit subcomité zijn in het bijzonder:

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepassingsgebied
1.

De partijen verlenen elkaar bijstand, op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden, en op de wijze en op de voorwaarden als in dit Protocol vastgesteld, om ervoor te zorgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, in het bijzonder bij de preventie, de opsporing en het onderzoek van handelingen in strijd met deze wetgeving.

2.

De bijstand in douanezaken waarin dit protocol voorziet, geldt voor elke administratieve autoriteit van de partijen die bevoegd is voor de toepassing van dit protocol. Deze bijstand doet geen afbreuk aan de regels betreffende de wederzijdse bijstand in strafzaken en geldt niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke autoriteit worden uitgeoefend, tenzij die autoriteit instemt met de mededeling van die informatie.

3.

Dit protocol heeft geen betrekking op bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes.

Artikel 3. Bijstand op verzoek
1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, maatregelen om ervoor te zorgen dat toezicht wordt gehouden op:

Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wet- en regelgeving, ongevraagd bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:

Artikel 5. Toezending van documenten/Kennisgeving van besluiten

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, alle maatregelen die nodig zijn voor:

die van de verzoekende autoriteit uitgaan en onder het toepassingsgebied van dit protocol vallen, aan een geadresseerde die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijft of gevestigd is.

Verzoeken om de toezending van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
1.

Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan en gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

2.

De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

3.

De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis is niet van toepassing op documenten die bij het in lid 1 bedoelde verzoek zijn gevoegd.

4.

Indien een verzoek niet in de juiste vorm wordt gedaan, kan om correctie of aanvulling worden verzocht. Er kunnen echter reeds voorzorgsmaatregelen worden genomen.

Artikel 7. Behandeling van verzoeken
1.

De aangezochte autoriteit behandelt verzoeken om bijstand, binnen de grenzen van haar bevoegdheden en met de middelen waarover zij beschikt, alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde partij handelt, door reeds beschikbare informatie te verstrekken en het nodige onderzoek te verrichten of te doen verrichten. Deze bepaling is tevens van toepassing op instanties waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorzendt indien deze autoriteit niet zelfstandig kan handelen.

2.

Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wet- en regelgeving van de aangezochte partij.

3.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen met instemming van de andere partij en op de door deze gestelde voorwaarden, in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken instantie als bedoeld in lid 1, gegevens verzamelen over handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of kunnen zijn en die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft.

4.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen, met instemming van de andere betrokken partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8. Vorm waarin de informatie dient te worden verstrekt
1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit schriftelijk mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte kopieën of andere stukken.

2.

Deze informatie kan met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking worden verstrekt.

3.

Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte kopieën niet toereikend zijn. Deze originelen worden zo spoedig mogelijk geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:

2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek, een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of de bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moet het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan terstond aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10. Uitwisseling van informatie en geheimhouding
1.

Alle informatie die ter uitvoering van dit protocol in welke vorm dan ook wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is slechts voor beperkte verspreiding bestemd, afhankelijk van de regelgeving van elke partij. De verstrekte gegevens worden als een ambtsgeheim beschouwd en beschermd overeenkomstig de regelgeving van de partij die ze heeft ontvangen en de desbetreffende bepalingen die op EG-autoriteiten van toepassing zijn.

2.

Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de partij die deze ontvangt zich ertoe verbindt deze op een wijze te beschermen die ten minste gelijkwaardig is met de wijze waarop de partij die deze gegevens heeft verstrekt deze beschermt. Te dien einde stellen de partijen elkaar in kennis van hun voorschriften ter zake met inbegrip van, in voorkomend geval, de wettelijke bepalingen van de lidstaten van de Gemeenschap.

3.

Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke en administratieve procedures in verband met handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving wordt geacht voor de doeleinden van dit protocol te geschieden. De partijen kunnen daarom bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van informatie die op grond van dit protocol is verkregen en documenten waarin op grond van dit protocol inzage is gegeven. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of inzage heeft gegeven in de documenten wordt van een dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.

De verkregen informatie mag uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden van dit protocol. Indien een partij dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij vooraf om de schriftelijke toestemming te verzoeken van de instantie die de informatie heeft verstrekt. Dergelijke informatie mag uitsluitend op de door deze instantie vastgestelde voorwaarden worden gebruikt.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd, om binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op aangelegenheden waarop dit protocol van toepassing is en daarbij de voor deze procedures noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of gewaarmerkte kopieën over te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid de betrokken ambtenaar zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die ter uitvoering van dit protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging
1.

De douaneautoriteiten van Albanië, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds, zien toe op de tenuitvoerlegging van dit protocol. Zij stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de voorschriften op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

2.

De partijen plegen overleg over en stellen elkaar in kennis van alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit protocol worden vastgesteld.

Artikel 14. Andere overeenkomsten
1.

Rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en van haar lidstaten, geldt voor de bepalingen van dit protocol het volgende:

2.

In afwijking van lid 1 hebben de bepalingen van dit protocol voorrang op de bepalingen in bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten en Albanië zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van laatstgenoemde overeenkomsten met die van dit protocol strijdig zijn.

3.

In geval van problemen in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen overleg om deze op te lossen in het bij artikel 120 van de associatieovereenkomst ingestelde Stabilisatie- en Associatiecomité.

GEDAAN te Luxemburg, de twaalfde juni tweeduizend zes.