Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer (herzien)
De lidstaten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend,
Overwegend dat het doel van de Raad van Europa het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden is, teneinde de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te verwezenlijken;
Zich ervan bewust dat elke persoon de morele plicht heeft alle dieren te respecteren en voldoende rekening te houden met het feit dat zij kunnen lijden;
Geleid door de wens het welzijn van dieren tijdens het vervoer te waarborgen;
Ervan overtuigd dat international vervoer verenigbaar is met het welzijn van dieren, mits aan de eisen op het gebied van dierenwelzijn wordt voldaan;
Overwegend derhalve dat wanneer niet aan de eisen op het gebied van dierenwelzijn wordt voldaan, een alternatief voor het vervoer van levende dieren wordt geïmplementeerd;
Overwegend echter dat vanuit het oogpunt van dierenwelzijn de periode gedurende welke dieren, met inbegrip van dieren bestemd voor de slacht, worden vervoerd zo kort mogelijk dient te zijn;
Overwegend dat het in- en uitladen activiteiten zijn gedurende welke de grootste kans op verwondingen en stress aanwezig is;
Overwegend dat in dit opzicht vooruitgang kan worden geboekt door de aanneming van gemeenschappelijke bepalingen inzake het internationaal vervoer van dieren;
Zijn het volgende overeengekomen:
ALGEMENE BEGINSELEN
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Onder „internationaal vervoer’’ wordt verstaan elke verplaatsing van het ene land naar het andere, met uitzondering evenwel van reizen van minder dan 50 kilometer en verkeer tussen lidstaten van de Europese Gemeenschap.
Onder „bevoegde veearts’’ wordt verstaan een veearts die door de bevoegde autoriteit is benoemd.
Onder „persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer van de dieren’’ wordt verstaan de persoon die de algehele leiding heeft over de organisatie, uitvoering en voltooiing van de gehele reis, ongeacht of er taken zijn uitbesteed aan andere partijen gedurende het vervoer. Deze persoon is doorgaans de persoon die de planning opstelt, afspraken maakt met andere partijen en de voorwaarden vaststelt waaraan deze partijen dienen te voldoen.
Onder „persoon die verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren’’ wordt verstaan de persoon die rechtstreeks contact heeft met de dieren en verantwoordelijk is voor hun verzorging tijdens het vervoer. Deze persoon kan de begeleider of de bestuurder van een voertuig zijn indien deze dezelfde rol vervult.
Onder „container’’ wordt verstaan elke krat, box, houder of andere stijve constructie die voor het vervoer van dieren gebruikt wordt, geen eigen aandrijving heeft en geen (al dan niet afneembaar) onderdeel van een vervoermiddel is.
Onder „vervoerder’’ wordt verstaan een natuurlijke of rechtspersoon die dieren vervoert, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor derden.
Artikel 2. Soorten
Deze Overeenkomst is van toepassing op het internationaal vervoer van alle gewervelde dieren.
Met uitzondering van artikel 4, eerste lid, en artikel 9, eerste lid en tweede lid, onderdeel a en onderdeel c, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst niet van toepassing op:
- a. gevallen waarin een enkel dier begeleid wordt door de persoon die gedurende het vervoer voor dit dier verantwoordelijk is;
- b. het vervoer van gezelschapsdieren die hun eigenaar vergezellen mits dit niet voor commerciële doeleinden is.
Artikel 3. Toepassing van de Overeenkomst
Elke Partij past de bepalingen inzake het internationaal vervoer van dieren als vervat in deze Overeenkomst toe en is verantwoordelijk voor de doelmatige controle ervan en het doelmatig toezicht erop.
Elke Partij neemt de stappen die nodig zijn om een doelmatig opleidingsstelsel te waarborgen, daarbij rekening houdend met de bepalingen van deze Overeenkomst.
Elke Partij spant zich in de relevante bepalingen van deze Overeenkomst toe te passen op dieren die binnen haar grondgebied worden vervoerd.
De Partijen verlenen elkaar wederzijds bijstand bij de toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst, in het bijzonder door het uitwisselen van informatie, het bespreken van interpretatiekwesties en het melden van problemen.
Artikel 4. Belangrijkste beginselen van de Overeenkomst
Dieren worden vervoerd op een wijze die hun welzijn, met inbegrip hun gezondheid, waarborgt.
Voor zover mogelijk worden dieren zonder vertraging naar hun bestemming vervoerd.
Bij controlepunten wordt voorrang gegeven aan dierentransporten.
Dieren worden uitsluitend vastgehouden indien dit voor hun welzijn of ten behoeve van ziektebestrijding strikt noodzakelijk is. Indien dieren worden vastgehouden, worden passende maatregelen getroffen voor hun verzorging en, zo nodig, voor het uitladen en het onderbrengen van de dieren.
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om lijden van dieren te voorkomen of tot een minimum te beperken in gevallen waarin stakingen of andere onvoorziene omstandigheden de strikte toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst op haar grondgebied verhinderen. Zij zal zich hierbij laten leiden door de in deze Overeenkomst vervatte beginselen.
Deze Overeenkomst laat onverlet de implementatie van andere instrumenten inzake sanitaire en veterinaire controle.
Deze Overeenkomst laat de vrijheid van de Partijen onverlet strengere maatregelen voor de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer aan te nemen.
Artikel 5. Toelating van vervoerders
Elke Partij waarborgt dat vervoerders die dieren voor commerciële doeleinden vervoeren:
- a. op zodanige wijze geregistreerd zijn dat de bevoegde autoriteit hen snel kan identificeren indien niet aan de eisen van deze Overeenkomst wordt voldaan;
- b. vallen onder een vergunning die geldig is voor internationaal vervoer verleend door de bevoegde autoriteit van de Partij waarin de vervoerders gevestigd zijn.
Elke Partij waarborgt dat de vergunning wordt verleend aan vervoerders die het vervoer van dieren uitsluitend toevertrouwen aan personeel dat een goede opleiding heeft gekregen met betrekking tot de bepalingen van deze Overeenkomst.
Elke Partij waarborgt dat de bovengenoemde vergunning kan worden opgeschort of ingetrokken wanneer de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend ervan in kennis worden gesteld dat de vervoerder de bepalingen van deze Overeenkomst herhaaldelijk of in ernstige mate heeft geschonden.
Wanneer een Partij heeft geconstateerd dat een vervoerder die in een andere Partij bij deze Overeenkomst is geregistreerd een inbreuk op deze Overeenkomst heeft gepleegd, deelt de eerstgenoemde Partij de laatstgenoemde Partij de bijzonderheden van deze geconstateerde inbreuk mee.
ONTWERP EN CONSTRUCTIE
Artikel 6. Ontwerp en constructie
Vervoermiddelen, containers en bijbehorende voorzieningen dienen zo te zijn geconstrueerd en te worden onderhouden en bediend dat verwondingen en pijn worden voorkomen en dat de veiligheid van de dieren gedurende het vervoer gewaarborgd blijft.
Het vervoermiddel of de container dient zo te zijn ontworpen en geconstrueerd dat dieren over voldoende ruimte beschikken om in een natuurlijke houding te kunnen staan, met uitzondering van pluimvee anders dan eendagskuikens.
Het vervoermiddel of de container dient zo te zijn ontworpen en geconstrueerd dat het volgende gewaarborgd wordt:
- a. voldoende vrije ruimte boven de dieren wanneer zij in een natuurlijke houding staan om een effectieve luchtcirculatie mogelijk te maken;
- b. handhaving van de voor de vervoerde diersoort benodigde luchtkwaliteit en hoeveelheid lucht, met name wanneer de dieren worden vervoerd in een volledig afgesloten ruimte.
De vervoermiddelen, containers, voorzieningen enz. dienen sterk genoeg te zijn om het gewicht van de dieren te dragen, om te voorkomen dat de dieren ontsnappen of eruit vallen, om belasting als gevolg van beweging te kunnen weerstaan en om, wanneer noodzakelijk, schotten te kunnen bevatten die de dieren beschermen tegen de bewegingen van het vervoermiddel. De voorzieningen dienen zo te zijn ontworpen dat zij snel en gemakkelijk gehanteerd kunnen worden.
Schotten dienen een stijve constructie te hebben, sterk genoeg om bestand te zijn tegen het gewicht van dieren die er tegenaan worden gedrukt en zo te zijn ontworpen dat zij de luchtcirculatie niet belemmeren.
De vervoermiddelen of containers dienen zo te zijn geconstrueerd en te worden bediend dat zij de dieren beschermen tegen slechte weersomstandigheden en ongunstige weersveranderingen. Met name het buitendak direct boven de dieren dient de opname en geleiding van zonnewarmte tot een minimum te beperken.
Vervoermiddelen of containers dienen van een antislipvloer te zijn voorzien. Vloeren dienen zo te zijn ontworpen en geconstrueerd en te worden onderhouden dat ongemak, angst en verwondingen bij dieren worden voorkomen en het lekken van urine en fecaliën tot een minimum wordt beperkt. Voor het vervaardigen van de vloer dient te worden gekozen voor materialen die corrosie tot een minimum beperken.
Vervoermiddelen of containers dienen zo te zijn ontworpen en geconstrueerd dat het mogelijk is toegang tot de dieren te krijgen om hen te controleren en, indien nodig, te drenken, voederen en verzorgen.
Wanneer de dieren vastgebonden moeten worden, dient daarvoor geschikt materiaal in het vervoermiddel aanwezig te zijn.
Containers waarin dieren worden vervoerd dienen te zijn voorzien van duidelijke en goed zichtbare merktekens ter aanduiding van de aanwezigheid van levende dieren, alsmede van een teken ter aanduiding van de bovenzijde van de container.
Vervoermiddelen, containers en bijbehorende voorzieningen dienen zo te zijn ontworpen dat zij gemakkelijk schoongemaakt en ontsmet kunnen worden.
VOORBEREIDING OP HET VERVOER
Artikel 7. Planning
Voor elke reis wordt de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer van de dieren geïdentificeerd opdat gedurende elk moment van de reis informatie kan worden verkregen over de organisatie, uitvoering en voltooiing van het vervoer.
Wanneer de geplande reisduur voor het vervoer van eenhoevige huisdieren en huisdieren van de soorten runderen, schapen, geiten en varkens langer dan acht uur zal zijn, dient de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer een document op te stellen met daarin de voor de reis getroffen voorzieningen en met name de volgende bijzonderheden:
- a. identificatie van de vervoerder en het vervoermiddel;
- b. identificatie van de partij en begeleidende documenten (diersoort(en), aantal dieren, veterinaire certificaten);
- c. de plaats en het land van vertrek, overlaadplaatsen, plaatsen waar de dieren worden uitgeladen en rusten en de plaats en het land van bestemming.
De persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer waarborgt dat de geplande reis voldoet aan de regelgeving van respectievelijk de landen van vertrek, van doorvoer en van bestemming.
De persoon die verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren noteert onverwijld in het in het tweede lid genoemde document de tijden waarop en de plaatsen waar de vervoerde dieren tijdens de reis zijn gevoederd en gedrenkt en hebben gerust. Dit document wordt op verzoek aan de bevoegde autoriteit ter beschikking gesteld.
Dieren mogen alleen worden vervoerd indien de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer vooraf geschikte voorzieningen heeft getroffen om het welzijn van de dieren tijdens het vervoer te waarborgen. Waar van toepassing worden voorzieningen getroffen om de dieren te drenken, te voederen en te laten rusten alsmede om hen de eventueel noodzakelijke verzorging tijdens de reis en bij aankomst op de plaats van bestemming te geven; een daartoe strekkende kennisgeving wordt vooraf gedaan.
Teneinde vertragingen te voorkomen gaan diertransporten vergezeld van de juiste documentatie en wordt bij posten waar invoer- en doorvoerformaliteiten worden afgewikkeld de desbetreffende persoon zo vroeg mogelijk in kennis gesteld.
De persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer waarborgt dat de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de dieren tijdens het vervoer duidelijk is omschreven, vanaf het tijdstip van vertrek tot en met de aankomst op de bestemming, met inbegrip van in- en uitladen.
Artikel 8. Begeleiders
Teneinde de noodzakelijke verzorging van de dieren tijdens de gehele reis te waarborgen, dienen transporten te worden begeleid door een persoon die verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren. De bestuurder kan de taak van begeleider vervullen.
De begeleider heeft een specifieke en geschikte opleiding gehad of beschikt over daarmee gelijk te stellen praktijkervaring die hem/haar geschikt maakt voor het omgaan met en vervoeren en verzorgen van dieren, waaronder in noodgevallen.
In de volgende gevallen kan op de bepalingen van het eerste lid een uitzondering worden gemaakt:
- a. wanneer de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer van de dieren een vertegenwoordiger heeft belast met de verzorging van de dieren op daarvoor geschikte rust-, drenk- en voederplaatsen.
- b. wanneer de dieren worden vervoerd in containers die stevig bevestigd en voldoende geventileerd zijn en, wanneer noodzakelijk, voldoende water en voer bevatten, in dispensers die niet om kunnen vallen, voor een reis van tweemaal de verwachte reisduur.
Artikel 9. Geschiktheid voor vervoer
Dieren mogen alleen worden vervoerd indien zij geschikt zijn voor de beoogde reis.
Zieke of gewonde dieren worden niet geschikt geacht om te worden vervoerd. Deze bepaling is echter is niet van toepassing op:
- a. lichtgewonde of zieke dieren waarvan het vervoer geen bijkomend lijden veroorzaakt;
- b. dieren die vervoerd worden voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden goedgekeurd door de relevante bevoegde autoriteit, indien de ziekte of verwonding deel uitmaakt van het onderzoeksprogramma;
- c. het vervoer van dieren onder veterinair toezicht ten behoeve van of volgend op een spoedbehandeling.
Bijzondere voorzichtigheid dient in acht te worden genomen bij het vervoer van dieren die reeds geruime tijd drachtig zijn of recentelijk hebben geworpen en van zeer jonge dieren:
- –. drachtige zoogdieren mogen niet worden vervoerd gedurende een tijdvak voor de veronderstelde werpdatum dat ten minste gelijk is aan 10% van de draagtijd noch gedurende ten minste een week na de worp;
- –. zeer jonge zoogdieren mogen niet worden vervoerd voordat de navel volledig geheeld is.
Indien alle nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen kan, na raadpleging van een veearts en van geval tot geval bekeken, door de bevoegde autoriteit een uitzondering worden gemaakt voor geregistreerde merries met hun veulens bij hen die na het werpen naar de stal terugkeren.
Kalmerende middelen mogen alleen worden toegediend indien dat voor het welzijn van de dieren strikt noodzakelijk is en uitsluitend na raadpleging van een veearts, in overeenstemming met de nationale wetgeving.
Artikel 10. Inspectie/Certificaat
Voordat dieren worden ingeladen voor internationaal vervoer dienen zij te worden geïnspecteerd door een bevoegde veearts van het land waar de reis aanvangt, die zich ervan vergewist of de dieren geschikt zijn voor vervoer.
De bevoegde veearts geeft een certificaat af waarin de dieren worden geïdentificeerd, vermeld wordt dat zij geschikt zijn voor de beoogde reis en, wanneer mogelijk, het registratienummer wordt vermeld of, wanneer van toepassing, de naam of andere identificatiewijze van het vervoermiddel en het vervoerstype.
In bepaalde gevallen die door de betrokken Partijen worden overeengekomen, hoeven de bepalingen van dit artikel niet te worden toegepast.
Artikel 11. Rust, water en voer voorafgaande aan het inladen
Dieren dienen op de beoogde reis te worden voorbereid, gewend te zijn aan het gebruikte voer en in staat te zijn de water- en voederdispensers te gebruiken. Wanneer nodig worden de dieren gedrenkt en gevoederd en kunnen ze rusten.
Teneinde de stress die het vervoer met zich meebrengt te verminderen dient rekening te worden gehouden met de noodzaak bepaalde categorieën dieren, bijvoorbeeld wilde dieren, voor aanvang van de voorgenomen reis te laten wennen aan de vervoerswijze.
Het mengen van dieren die niet samen zijn opgefokt of niet aan elkaar gewend zijn, dient zo veel mogelijk te worden voorkomen.
IN- EN UITLADEN
Artikel 12. Beginselen
Dieren dienen zo te worden in- en uitgeladen dat zij geen verwondingen kunnen oplopen of pijn lijden.
Dieren dienen zo te worden ingeladen dat voldaan wordt aan de vereisten inzake ruimte (vloeroppervlakte en hoogte) en afscheidingen, in overeenstemming met artikel 17.
Dieren dienen zo kort mogelijk voor de afreis uit de plaats van vertrek te worden ingeladen.
De dieren dienen zo snel mogelijk na aankomst op de plaats van bestemming te worden uitgeladen, voldoende te worden gedrenkt en, indien nodig, voer en rust te krijgen.
Artikel 13. Uitrusting en procedures
In- en uitladen vindt plaats met gebruikmaking van een deugdelijk ontworpen en geconstrueerde laadbrug, lift of laadperron, uitgezonderd wanneer dieren in speciaal daarvoor geconstrueerde containers worden in- en uitgeladen. Met de hand optillen is toegestaan indien de dieren klein genoeg zijn en is zelfs wenselijk bij jonge dieren die mogelijk moeite hebben met het lopen over een laadbrug. Alle inlaad- en uitlaadfaciliteiten dienen voor hun doel geschikt en stabiel te zijn en goed onderhouden te worden.
Alle laadbruggen en oppervlakken waarop dieren lopen, dienen zo ontworpen te zijn en onderhouden te worden dat uitglijden wordt voorkomen en hun hellingshoek dient zo klein mogelijk te zijn. Wanneer de hellingshoek groter is dan 10° dient er een systeem te zijn aangebracht, bijvoorbeeld dwarslatten, dat waarborgt dat de dieren probleemloos en zonder risico naar boven of beneden kunnen lopen. Indien nodig dienen zijhekken te worden aangebracht.
Tijdens het inladen dient de binnenruimte van het vervoermiddel goed verlicht te zijn zodat de dieren kunnen zien waar ze lopen, rekening houdend met de specifieke behoeften van de soorten.
Dieren dienen uitsluitend te worden ingeladen in een vervoermiddel dat grondig is gereinigd en, wanneer van toepassing, ontsmet.
Goederen die in hetzelfde vervoermiddel als de dieren worden vervoerd, dienen zo te worden geplaatst dat zij geen verwondingen, pijn of angst bij de dieren veroorzaken.
Wanneer met dieren geladen containers op elkaar worden geplaatst in het vervoermiddel, dienen de nodige voorzorgsmaatregelen te worden getroffen om te voorkomen dat urine en fecaliën op de dieren eronder vallen.
Artikel 14. Omgang
De dieren dienen op een kalme en rustige wijze te worden behandeld om onrust en opwinding tot een minimum te beperken en hen te beschermen tegen onnodige pijn, angst en verwondingen.
Voorkomen dient te worden dat dieren tijdens het in- en uitladen worden blootgesteld aan lawaai, kwellingen en een onnodig ruwe behandeling. Dieren mogen niet geslagen worden, noch mag er druk worden uitgeoefend op lichaamsdelen die zeer gevoelig zijn. In het bijzonder mogen de staarten van dieren niet worden samengedrukt, verdraaid of gebroken en mogen zij niet bij hun oogkassen vastgegrepen worden. Dieren mogen niet worden gestompt of getrapt.
De dieren zelf mogen niet met mechanische middelen worden opgehangen, noch worden opgetild of voortgetrokken aan de kop, oren, hoorns, poten, staart, vacht of het gewei, of op een andere pijnlijke wijze.
Instrumenten die bedoeld zijn om dieren te leiden mogen uitsluitend voor dat doel worden gebruikt. Het gebruik van instrumenten waarmee elektrische schokken worden toegediend, dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Deze instrumenten mogen in elk geval alleen worden gebruikt voor volwassen runderen en volwassen varkens die weigeren zich te verplaatsen, en uitsluitend op voorwaarde dat de dieren vóór zich ruimte hebben om zich voort te bewegen. De schokken mogen niet langer duren dan één seconde, moeten voldoende worden gespreid en mogen uitsluitend op de spieren van de achterpoten worden toegediend. Wanneer de dieren niet reageren, mogen de schokken niet herhaaldelijk worden toegediend.
Personen die met dieren omgaan mogen geen gebruik maken van prikstokken of andere puntige voorwerpen. Stokken of andere voorwerpen die bedoeld zijn om dieren te leiden mogen uitsluitend op het lichaam van het dier worden gebruikt indien daarmee geen verwondingen of pijn worden veroorzaakt.
Artikel 15. Afscheiding
Dieren dienen gescheiden van elkaar te worden vervoerd wanneer gemengd vervoer tot verwondingen of pijn zou kunnen leiden. Dit is met name van toepassing op:
- a. dieren van verschillende soorten;
- b. dieren die elkaar vijandig gezind zijn;
- c. dieren die qua grootte of leeftijd aanzienlijk van elkaar verschillen;
- d. niet-gecastreerde volwassen mannelijke dieren;
- e. vastgebonden en niet vastgebonden dieren.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de dieren zijn opgefokt in bij elkaar passende groepen of aan elkaar gewend zijn geraakt, indien scheiding tot angst leidt of indien vrouwelijke dieren door van hen afhankelijke jongen worden vergezeld.
VERVOER
Artikel 16. Vloeren en strooisel
De vloeren van de vervoermiddelen of containers dienen zo onderhouden te worden dat het gevaar van uitglijden en lekken van urine en fecaliën tot een minimum beperkt wordt. De vloeren van de vervoermiddelen of containers dienen bedekt te zijn met geschikt strooisel dat urine en fecaliën absorbeert en waarop de dieren kunnen rusten, tenzij hierin op een andere wijze kan worden voorzien die ten minste dezelfde voordelen biedt.
Artikel 17. Beschikbare ruimte (vloeroppervlakte en hoogte)
Dieren dienen over voldoende ruimte te beschikken om in een natuurlijke houding rechtop te staan in het vervoermiddel of de container. De dieren dienen over de ruimte te beschikken om allemaal gelijktijdig te kunnen liggen, tenzij het technisch protocol of de bijzondere voorwaarden voor de bescherming van de dieren anderszins vereisen.
In een technisch protocol, opgesteld in overeenstemming met artikel 34 van deze Overeenkomst, wordt de minimale ruimte vastgelegd waarover de dieren dienen te beschikken.
Om verwondingen als gevolg van excessieve bewegingen te voorkomen, dient gebruik te worden gemaakt van schotten om grote groepen dieren te scheiden of een hok onder te verdelen waarin zich minder dieren bevinden dan de normale capaciteit toestaat, waardoor deze dieren te veel ruimte zouden hebben.
Schotten moeten zijn afgestemd op de grootte en de soort van de dieren en dienen zo geplaatst, vastgezet en onderhouden te worden dat verwondingen of pijn bij de dieren worden voorkomen.
Artikel 18. Vastbinden van dieren
Wanneer de dieren vastgebonden worden, moet het daarvoor gebruikte touw, halster of ander materiaal zo sterk zijn dat het onder normale vervoersomstandigheden niet kan breken en lang genoeg zijn om de dieren, indien nodig, de gelegenheid te geven te gaan liggen, te eten en te drinken. Voorts dient dit materiaal zo ontworpen te zijn dat ieder risico van wurging of verwonding wordt voorkomen. De dieren mogen niet aan de hoorns, geweien, poten of neusringen worden vastgebonden en zij mogen evenmin met hun poten samengebonden worden vervoerd. De dieren mogen uitsluitend worden vastgebonden met middelen die snel kunnen worden losgemaakt.
Artikel 19. Ventilatie en temperatuur
Er dient voor voldoende ventilatie te worden gezorgd zodat volledig aan de behoeften van de dieren wordt voldaan, met name rekening houdend met het aantal en de soort van de te vervoeren dieren en de verwachte weersomstandigheden tijdens de reis.
Containers moeten zodanig worden gestuwd dat de ventilatie niet wordt belemmerd.
Wanneer dieren vervoerd moeten worden onder slechte omstandigheden wat betreft temperatuur en vochtigheid, dienen passende voorzieningen getroffen te worden om hun welzijn te waarborgen.
Artikel 20. Water, voer en rust
Tijdens het vervoer moeten de dieren met passende tussenpozen gedrenkt en gevoederd worden en de gelegenheid krijgen om te rusten, op een wijze die bij hun soort en leeftijd past.
In een technisch protocol, opgesteld in overeenstemming met artikel 34 van deze Overeenkomst, worden de maximale reistijden, de minimale tussenpozen voor drenken en voederen en de minimale rusttijden vastgelegd.
Water en voer moeten van goede kwaliteit zijn en de dieren zo worden aangeboden dat het risico van vervuiling tot een minimum beperkt is.
Artikel 21. Zogende dieren
Zogende dieren die niet door hun jongen worden vergezeld, mogen niet gedurende lange periodes worden vervoerd. Indien dit echter onvermijdelijk is, dienen zij kort voor het inladen te worden gemolken alsmede tijdens de reis met tussenpozen van ten hoogste twaalf uur.
Artikel 22. Verlichting
Het vervoermiddel dient uitgerust te zijn met voldoende verlichting, vast of draagbaar, om een algemene controle van de dieren en, indien nodig, een controle tijdens het vervoer mogelijk te maken en om de dieren tijdens het vervoer te kunnen drenken en voederen.
Artikel 23. Containers
Tijdens het vervoer en de verplaatsing dienen de containers steeds rechtop te blijven en dienen heftige schokken en stoten zo veel mogelijk te worden vermeden.
De containers dienen te worden vastgezet teneinde te voorkomen dat ze door de bewegingen van het vervoermiddel gaan schuiven.
Artikel 24. Verzorging tijdens het vervoer
De persoon die verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren dient van elke gelegenheid gebruik te maken om de dieren te controleren en, indien nodig, passende verzorging te geven.
Artikel 25. Verzorging bij spoedgevallen en ongelukken tijdens het vervoer
Dieren die ziek worden of gewond raken tijdens het vervoer dienen zo spoedig mogelijk eerste hulp te krijgen; indien nodig krijgen zij een passende diergeneeskundige behandeling of worden zij afgemaakt op een wijze die geen bijkomend lijden veroorzaakt.
BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 26. Bijzondere bepalingen voor het vervoer per spoor
Elke wagon die wordt gebruikt voor het vervoeren van dieren dient te zijn voorzien van een merkteken ter aanduiding van de aanwezigheid van levende dieren. Tenzij de dieren in containers worden vervoerd, dienen de binnenwanden van de wagon van een geschikt materiaal zijn, volledig glad te zijn en van ringen of staven te zijn voorzien waaraan de dieren kunnen worden vastgebonden en die op een passende hoogte zijn aangebracht.
Eenhoevigen dienen, wanneer zij niet in individuele boxen worden vervoerd, hetzij langs dezelfde wand hetzij met de koppen naar elkaar toe te worden vastgemaakt. Veulens en niet-afgerichte dieren mogen echter niet worden vastgebonden.
Grote dieren dienen zo in de wagons te worden geladen dat de begeleider tussen hen door kan lopen.
Bij het samenstellen van treinen en bij elke andere verplaatsing van de wagons dienen de nodige voorzorgsmaatregelen te worden getroffen om heftig schokken van de wagons waarin zich dieren bevinden, te voorkomen.
Er dient van elke gelegenheid gebruik te worden gemaakt om de dieren te controleren, zoals voorzien in artikel 24 van deze Overeenkomst, telkens wanneer de trein stopt of de weersomstandigheden veranderen.
Artikel 27. Bijzondere bepalingen voor het vervoer over de weg
Voertuigen waarin dieren worden vervoerd dienen te zijn voorzien van duidelijke en goed zichtbare merktekens ter aanduiding van de aanwezigheid van levende dieren.
Bestuurders van de voertuigen dienen gelijkmatig op te trekken, te remmen en van richting te veranderen.
De voertuigen dienen te zijn voorzien van een passende uitrusting voor in- en uitladen die voldoet aan de in artikel 13 van deze Overeenkomst gestelde eisen.
Er dient van elke gelegenheid gebruik te worden gemaakt om de dieren te controleren, zoals voorzien in artikel 24 van deze Overeenkomst, telkens wanneer het voertuig stopt of de weersomstandigheden veranderen.
Artikel 28. Bijzondere bepalingen voor het vervoer over water (uitgezonderd roll-on-roll-offschepen)
Teneinde te waarborgen dat aan de eisen inzake het welzijn van de vervoerde dieren wordt voldaan dient de bevoegde autoriteit van het land waar het laden plaatsvindt het volgende te inspecteren alvorens inladen wordt toegestaan:
- a. speciaal gebouwde veeschepen of daartoe omgebouwde schepen;
- b. voorzieningen op andere schepen waarop de dieren zullen worden vervoerd.
Er dient een alarm te zijn geïnstalleerd voor het uitvallen van de stroomvoorziening van de geforceerde ventilatie.
Er dient een tweede voedingsbron te zijn geïnstalleerd, gescheiden van de hoofdvoedingsbron, teneinde ervoor te zorgen dat de juiste geforceerde ventilatie gehandhaafd blijft.
De dieren mogen niet op open dekken worden vervoerd, behalve in containers of andere voorzieningen die voldoende beschutting bieden tegen zeewater.
Wanneer de dieren het schip op en af moeten lopen, dienen er tussen de kade en de dekken van het schip waar de dieren worden ondergebracht geschikte loopbruggen, hellingbruggen en looppaden te zijn aangebracht.
Het in of uit veeschepen laden van dieren dient onder toezicht van een bevoegde veearts plaats te vinden.
De dierenverblijven, hellingbruggen en looppaden dienen bij het in- en uitladen voldoende verlicht te zijn opdat de dieren kunnen zien waar ze lopen, rekening houdend met de specifieke behoeften van de soorten.
Alle hokken, stallen en containers dienen direct toegankelijk te zijn voor zowel de dieren als hun begeleiders.
Looppaden voor de dieren dienen geschikt te zijn voor de te vervoeren soorten; zij mogen met name geen scherpe randen of hoeken hebben en dienen zo min mogelijk uitsteeksels te hebben.
Alle delen van het schip waar de dieren zijn ondergebracht, dienen te zijn uitgerust met voorzieningen die een effectieve waterafvoer waarborgen en dienen in een goede hygiënische staat te worden gehouden.
Het schip dient te zijn voorzien van schoon drinkwater, gezond voer en geschikt strooisel, in hoeveelheden die toereikend zijn voor de behoeften van de dieren, rekening houdend met de duur van de zeereis.
Reservevoorraden water en, in het geval van lange reizen, voer en strooisel voor de dieren dienen te worden meegenomen voor het geval van onvoorziene vertragingen.
Voorraden voer en strooisel dienen zo te worden opgeslagen dat zij droog blijven en beschut zijn tegen zee- en weersinvloeden. De opslag van voer en strooisel mag geen belemmering vormen voor de ventilatie, verlichting en waterafvoer of de doorgang op looppaden.
Er dient te zijn voorzien in apparatuur voor drenken en voederen die past bij het aantal en de grootte en soort van de dieren.
Er dienen voorzieningen te zijn getroffen voor het afzonderen van dieren die tijdens de reis ziek worden of gewond raken.
In noodgevallen dient het mogelijk te zijn een dier af te maken in overeenstemming met de bepalingen als vervat in artikel 25 van deze Overeenkomst. Er dient daartoe een voor de diersoort geschikt instrument om te doden voorhanden te zijn.
Artikel 29. Bijzondere bepalingen voor het vervoer in wegvoertuigen of treinwagons op roll-on-roll-offschepen
Wanneer dieren in wegvoertuigen of treinwagons aan boord van roll-on-roll-offschepen worden vervoerd, met name op de gesloten dekken, dienen speciale maatregelen te zijn getroffen om ervoor te zorgen dat tijdens de gehele duur van de reis voldoende ventilatie aanwezig is voor de dieren. Wegvoertuigen en treinwagons dienen zo gestuwd te zijn dat de dieren optimaal profiteren van de ventilatie door de luchtkokers.
De persoon die verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren dient toegang tot de dieren te hebben om hen te kunnen controleren en, indien nodig, tijdens de reis te verzorgen, drenken en voederen.
Wegvoertuigen, treinwagons en containers dienen over een voldoende aantal adequaat ontworpen, geplaatste en onderhouden voorzieningen te beschikken waarmee zij stevig aan het schip kunnen worden bevestigd. Wegvoertuigen, treinwagons en containers dienen voor aanvang van de zeereis aan het schip te worden bevestigd teneinde te voorkomen dat zij door de bewegingen van het schip gaan schuiven.
Wegvoertuigen en treinwagons waarin dieren worden vervoerd, mogen uitsluitend op een open dek worden vervoerd op een plaats waar zij afdoende beschut zijn tegen zeewater, rekening houdend met de beschutting die het wegvoertuig of de treinwagon zelf biedt.
Er dient een alarm te zijn geïnstalleerd voor het uitvallen van de stroomvoorziening van de geforceerde ventilatie van het schip. Er dient een adequate tweede voedingsbron te zijn geïnstalleerd teneinde ervoor te zorgen dat de juiste geforceerde ventilatie gehandhaafd blijft.
Er dienen voorzieningen te zijn getroffen om de dieren van vers drinkwater en voer te voorzien in geval van onvoorziene vertraging of indien anderszins noodzakelijk.
In noodgevallen, indien het vervoer langer dan twee uur in beslag neemt, dient het mogelijk te zijn een dier af te maken in overeenstemming met de in artikel 25 van deze Overeenkomst vervatte bepalingen. Er dient daartoe een voor de diersoort geschikt instrument om te doden voorhanden te zijn.
Artikel 30. Bijzondere bepalingen voor het vervoer door de lucht
Dieren mogen alleen worden vervoerd onder omstandigheden waarin het mogelijk is de luchtkwaliteit, temperatuur en luchtdruk gedurende de hele reis op het juiste niveau te handhaven.
De gezagvoerder dient op de hoogte te worden gesteld van de soort en locatie van en het aantal levende dieren aan boord van het luchtvaartuig, alsmede van eventueel te treffen maatregelen. De gezagvoerder dient zo spoedig mogelijk op de hoogte te worden gesteld wanneer zich onregelmatigheden voordoen met betrekking tot dieren die in toegankelijke vrachtruimen worden vervoerd.
De dieren dienen zo kort mogelijk voor het geplande vertrek van het luchtvaartuig te worden ingeladen.
Geneesmiddelen mogen uitsluitend worden gebruikt indien er zich een specifiek probleem voordoet en dienen te worden toegediend door een veearts of een andere bevoegde persoon die geïnstrueerd is in het gebruik van de geneesmiddelen. De gezagvoerder dient zo spoedig mogelijk op de hoogte te worden gesteld van tijdens de vlucht toegediende geneesmiddelen.
In noodgevallen en indien een begeleider toegang tot de dieren heeft, in overeenstemming met artikel 25 van deze Overeenkomst, dient er een voor de diersoort(en) geschikt kalmerings- en/of euthanasiemiddel voorhanden te zijn dat alleen met instemming van de gezagvoerder mag worden gebruikt.
Voor vertrek dient de begeleider op de hoogte te worden gesteld van de communicatieprocedure tijdens de vlucht; hij dient op doelmatige wijze met de bemanning te kunnen communiceren.
MULTILATERAAL OVERLEG
Artikel 31. Multilateraal overleg
Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst en daarna om de vijf jaar, of frequenter indien de meerderheid van de Partijen daarom verzoekt, plegen de Partijen multilateraal overleg binnen de Raad van Europa.
Dit overleg vindt plaats tijdens vergaderingen bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Elke Partij heeft het recht een of meer vertegenwoordigers te benoemen om aan het overleg deel te nemen. De Partijen dienen ten minste een maand voor iedere vergadering de naam van hun vertegenwoordiger(s) mede te delen aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Elke Partij heeft het recht een stem uit te brengen. Elke Staat die Partij is bij deze Overeenkomst heeft een stem.
Met betrekking tot kwesties die binnen haar bevoegdheid vallen oefent de Europese Gemeenschap, na Partij bij de Overeenkomst te zijn geworden, haar stemrecht uit en brengt een aantal stemmen uit dat gelijk is aan het aantal van haar lidstaten die Partij zijn bij de Overeenkomst; de Europese Gemeenschap oefent haar stemrecht niet uit indien de betrokken lidstaten hun eigen stemrecht uitoefenen en omgekeerd.
De Partijen kunnen het advies van deskundigen inwinnen. Zij kunnen, uit eigen beweging of op verzoek van de betrokken organisatie, elke internationale of nationale, gouvernementele of niet-gouvernementele organisatie die over technische kwalificaties beschikt op de onder deze Overeenkomst vallende gebieden, uitnodigen zich bij hun overleg of een deel daarvan door een waarnemer te laten vertegenwoordigen. Het besluit dergelijke deskundigen of organisaties uit te nodigen wordt genomen met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen.
Na elk overleg doen de Partijen het Comité van de Raad van Ministers van de Raad van Europa een verslag toekomen inzake het overleg en inzake de werking van de Overeenkomst.
Met inachtneming van de bepalingen van deze Overeenkomst stellen de Partijen het reglement van orde voor het overleg vast.
Artikel 32. Functie van het multilateraal overleg
Binnen het kader van het multilateraal overleg, zijn de Partijen verantwoordelijk voor het volgen van de uitvoering van deze Overeenkomst. In het bijzonder kunnen zij:
- a. technische protocollen bij deze Overeenkomst opstellen in overeenstemming met de bepalingen van artikel 34;
- b. eventueel noodzakelijke wijzigingen van deze Overeenkomst voorstellen en wijzigingen die zijn voorgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 35 bestuderen;
- c. op verzoek van een of meer Partijen vragen betreffende de uitlegging van deze Overeenkomst bestuderen;
- d. aanbevelingen doen aan het Comité van Ministers inzake Staten die uitgenodigd kunnen worden tot deze Overeenkomst toe te treden.
TECHNISCHE PROTOCOLLEN
Artikel 33. Doel
De Partijen nemen technische protocollen bij deze Overeenkomst aan inzake beschikbare ruimte (artikel 17) en water, voer en rust (artikel 20). Zij kunnen tevens andere technische protocollen aannemen met het oog op de vastlegging van technische normen voor de implementatie van de in deze Overeenkomst vervatte bepalingen.
Artikel 34. Aanneming en inwerkingtreding
Een technisch protocol wordt aangenomen met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen en vervolgens ter goedkeuring naar het Comité van Ministers gezonden. Zodra de tekst is goedgekeurd wordt deze ter aanvaarding naar de Partijen gezonden.
Een technisch protocol treedt voor de Partijen die het hebben aanvaard, in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum waarop drie Partijen, met inbegrip van ten minste twee lidstaten van de Raad van Europa, de Secretaris-Generaal in kennis hebben gesteld van hun aanvaarding van het protocol. Met betrekking tot elke Partij die nadien het protocol aanvaardt, wordt het protocol van kracht op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum waarop die Partij de Secretaris-Generaal in kennis heeft gesteld van haar aanvaarding.
Ten behoeve van het opstellen van technische protocollen volgen de Partijen de ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek en nieuwe methoden voor het vervoer van dieren.
Artikel 35. Wijzigingen
Iedere wijziging van een technisch protocol bij deze Overeenkomst die wordt voorgesteld door een Partij of door het Comité van Ministers wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en door hem of haar gezonden naar de lidstaten van de Raad van Europa, naar de Europese Gemeenschap en naar iedere staat die geen lid is van de Raad en die is toegetreden of is uitgenodigd toe te treden tot de Overeenkomst overeenkomstig de bepalingen van artikel 38.
Wijzigingen die zijn voorgesteld overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid worden, na het verstrijken van een tijdvak van ten minste zes maanden na de datum van verzending door de Secretaris-Generaal, besproken tijdens een multilateraal overleg, waar zij kunnen worden aangenomen door een meerderheid van twee derde van de Partijen. De aangenomen tekst wordt naar de Partijen gezonden.
Op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van achttien maanden na de aanneming tijdens het multilateraal overleg, tenzij meer dan een derde van de Partijen bezwaren kenbaar heeft gemaakt, wordt elke wijziging van kracht voor de Partijen die geen bezwaren kenbaar hebben gemaakt.
BESLECHTING VAN GESCHILLEN
Artikel 36. Beslechting van geschillen
Indien er een geschil bestaat betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst, plegen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Partijen met elkaar overleg. Elke Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis van de namen en adressen van haar bevoegde autoriteiten.
Indien het geschil niet op deze wijze kan worden beslecht, wordt het, op verzoek van een van de partijen bij het geschil, voorgelegd aan een scheidsgerecht. Elke partij wijst een scheidsman aan en de beide scheidslieden wijzen een voorzitter aan. Indien een van beide partijen bij het geschil niet binnen drie maanden na het verzoek om arbitrage een scheidsman heeft aangewezen, wordt de scheidsman op verzoek van de andere partij bij het geschil aangewezen door de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Indien laatstgenoemde onderdaan is van een van de partijen bij het geschil, geschiedt de aanwijzing van de scheidsman door de Vice-President van het Hof, of, indien de Vice-President onderdaan is van een van de bij het geschil betrokken partijen, door het lid van het Hof dat de hoogste anciënniteit heeft en geen onderdaan is van een bij het geschil betrokken partij. Dezelfde procedure wordt gevolgd indien de scheidslieden geen overeenstemming kunnen bereiken over het aanwijzen van de voorzitter.
Indien er een geschil bestaat tussen twee Partijen waarvan er een lidstaat van de Europese Gemeenschap, zelf ook Partij zijnde, is, richt de andere Partij het verzoek om arbitrage zowel aan de lidstaat als aan de Gemeenschap; beide stellen de andere Partij er gezamenlijk van in kennis, binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek, of de lidstaat of de Gemeenschap, dan wel de lidstaat en de Gemeenschap gezamenlijk, partij zijn bij het geschil. Bij ontbreken van een dergelijke kennisgeving binnen de genoemde termijn, worden de lidstaat en de Gemeenschap geacht een en dezelfde partij bij het geschil te zijn voor de toepassing van de bepalingen betreffende de instelling en de procedure van het scheidsgerecht. Hetzelfde is van toepassing wanneer de lidstaat en de Gemeenschap zich gezamenlijk partij stellen bij het geschil.
Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast. Beslissingen worden genomen met meerderheid van stemmen. De uitspraak, die gebaseerd is op deze Overeenkomst, is onherroepelijk.
De procedure voor de beslechting van geschillen is niet van toepassing op geschillen die betrekking hebben op kwesties die binnen de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap vallen of op de afbakening van de reikwijdte van die bevoegdheid tussen de Partijen die lid zijn van de Europese Gemeenschap of tussen dergelijke leden en de Gemeenschap.
SLOTBEPALINGEN
Artikel 37. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring
Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa en de Europese Gemeenschap. De Overeenkomst dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Geen Staat die Partij is bij de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer, opengesteld voor ondertekening te Parijs op 13 december 1968, mag zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring nederleggen tenzij hij de genoemde Overeenkomst reeds heeft opgezegd of tegelijkertijd opzegt.
Deze Overeenkomst treedt in werking zes maanden na de datum waarop vier Staten hun instemming door deze Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht in overeenstemming met de bepalingen van de voorgaande leden.
Wanneer, bij toepassing van de voorgaande twee leden, de opzegging van de Overeenkomst van 13 december 1968 niet tegelijkertijd van kracht zou worden met de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kan een Overeenkomstsluitende Staat of de Europese Gemeenschap, bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, verklaren dat hij of zij de Overeenkomst van 13 december 1968 blijft toepassen tot de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
Voor elke lidstaat of de Europese Gemeenschap die nadien zijn of haar instemming door deze Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt deze in werking zes maanden na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Artikel 38. Toetreding van niet-lidstaten
Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa elke andere staat die geen lid is van de Raad uitnodigen toe te treden tot deze Overeenkomst, bij een door de meerderheid als voorzien in artikel 20 onder letter d van het Statuut van de Raad van Europa genomen besluit en met de unanieme instemming van de vertegenwoordigers van de Overeenkomstsluitende Staten die recht hebben op een zetel in het Comité.
Ten aanzien van elke toetredende Staat treedt de Overeenkomst in werking zes maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 39. Territoriale bepaling
Elke Staat of de Europese Gemeenschap kan, op het tijdstip van de ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop deze Overeenkomst van toepassing is nader aanduiden.
Elke Staat of de Europese Gemeenschap kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepassing van deze Overeenkomst uitbreiden tot elk ander in de verklaring nader aangeduid gebied. Ten aanzien van een dergelijk gebied treedt deze Overeenkomst in werking zes maanden na de datum van ontvangst van een dergelijke verklaring door de Secretaris-Generaal.
Elke verklaring die wordt gedaan uit hoofde van de twee voorgaande leden kan, met betrekking tot elk grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. Deze intrekking wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 40. Opzegging
Elke Partij kan deze Overeenkomst te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Deze opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 41. Kennisgevingen
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de lidstaten van de Raad van Europa, de Europese Gemeenschap en elke andere Staat die is toegetreden of is uitgenodigd toe te treden tot deze Overeenkomst, kennis van:
- a. elke ondertekening;
- b. de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
- c. elke datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst in overeenstemming met de artikelen 37 en 38;
- d. elke andere akte, kennisgeving of mededeling met betrekking tot deze Overeenkomst. Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
DONE at Chisinau, this 6th day of November 2003 in English and French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe, to the European Community and to any State invited to accede to this Convention.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)