Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning

Type Verdrag
Publication 2011-04-22
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Overwegend de plicht van Staten uit hoofde van het Handvest van de Verenigde Naties het universele respect voor, en de eerbiediging van, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen,

Gelet op de Universele verklaring van de rechten van de mens,

In herinnering roepend het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de overige relevante internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten, humanitair recht en het internationaal strafrecht,

Voorts in herinnering roepend de Verklaring inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, op 18 december 1992 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij resolutie 47/133,

Doordrongen van het buitengewoon ernstige karakter van gedwongen verdwijning, wat een misdrijf vormt en, onder bepaalde omstandigheden omschreven in het internationale recht,een misdrijf tegen de menselijkheid vormt,

Vastbesloten gedwongen verdwijningen te voorkomen en straffeloosheid in het geval van gedwongen verdwijningen te bestrijden,

Overwegend het recht van alle personen niet te worden blootgesteld aan gedwongen verdwijningn en het recht van slachtoffers op gerechtigheid en schadeloosstelling,

Het recht van elk slachtoffer bevestigend op het kennen van de waarheid omtrent de omstandigheden van een gedwongen verdwijning en het lot van de verdwenen persoon en het recht op de vrijheid hiertoe inlichtingen in te winnen, te ontvangen en te verstrekken,

Zijn de volgende artikelen overeengekomen:

DEEL I

Artikel 1
1.

Niemand wordt blootgesteld aan gedwongen verdwijning.

2.

Geen enkele uitzonderlijke omstandigheid, hetzij oorlog of de dreiging van oorlog, binnenlandse politieke instabiliteit of elke andere algemene noodtoestand mag worden gebruikt ter rechtvaardiging van gedwongen verdwijningen.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt als „gedwongen verdwijning” aangemerkt de arrestatie, gevangenhouding, ontvoering of elke andere vorm van vrijheidsontneming door vertegenwoordigers van de Staat of door personen of groepen personen die optreden met de machtiging of steun van of bewilliging door de Staat, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of door verhulling van het feit zelf of van de verblijfplaats van de verdwenen persoon, waardoor deze buiten de bescherming van de wet geplaatst wordt.

Artikel 3

Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen om de in artikel 2 omschreven handelingen van personen of groepen personen die optreden zonder de machtiging of steun van of bewilliging door de Staat te onderzoeken en de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen.

Artikel 4

Elke Staat die Partij is neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat gedwongen verdwijning een strafbaar feit vormt krachtens zijn strafrecht.

Artikel 5

De wijdverbreide of systematische praktijk van gedwongen verdwijning vormt een misdrijf tegen de menselijkheid zoals omschreven in het toepasselijke internationale recht en dienen bestraft te worden zoals voorzien in het toepasselijke internationale recht.

Artikel 6
1.

Elke Staat die Partij is neemt de noodzakelijke maatregelen om ten minste strafrechtelijk aansprakelijk te stellen:

2.

Geen enkel bevel of geen enkele instructie van het openbaar gezag, hetzij burgerlijk, hetzij militair of anderszins, mag worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het misdrijf van gedwongen verdwijning.

Artikel 7
1.

Elke Staat die Partij is stelt passende straffen op voor het misdrijf van gedwongen verdwijning die rekening houden met de buitengewone ernst van dit misdrijf.

2.

Elke Staat die Partij is:

Artikel 8

Onverminderd artikel 5

Artikel 9
1.

Elke Staat die Partij is neemt de noodzakelijke maatregelen om zijn bevoegdheid tot het uitoefenen van rechtsmacht te vestigen inzake het misdrijf van gedwongen verdwijning:

2.

Elke Staat die Partij is neemt tevens de noodzakelijke maatregelen om zijn bevoegdheid tot het uitoefenen van rechtsmacht te vestigen inzake het misdrijf van gedwongen verdwijning indien de vermoedelijke pleger zich op een grondgebied onder zijn rechtsmacht bevindt, tenzij de Staat hem of haar in overeenstemming met zijn internationale verplichtingen uitlevert of overlevert aan een andere staat of overlevert aan een internationaal straftribunaal waarvan hij de rechtsmacht heeft erkend.

3.

Dit Verdrag sluit geen aanvullende rechtsmacht in strafzaken uit die wordt uitgeoefend in overeenstemming met het nationale recht.

Artikel 10
1.

Na zich er door bestudering van de hem ter beschikking staande inlichtingen van te hebben vergewist dat de omstandigheden zulks vereisen, neemt de Staat die Partij is op wiens grondgebied een persoon aanwezig is die wordt verdacht van het plegen van het misdrijf van gedwongen verdwijning, hem of haar in hechtenis of treft hij de overige wettelijke maatregelen die noodzakelijk zijn om zijn of haar aanwezigheid te waarborgen. De hechtenis en andere wettelijke maatregelen geschieden zoals voorzien in de wetgeving van die Staat die Partij is, maar mogen niet langer voortduren dan noodzakelijk om de aanwezigheid van de persoon bij de strafrechtelijke, overleverings- of uitleveringsprocedures te waarborgen.

2.

Een Staat die Partij is die de in het eerste lid van dit artikel bedoelde maatregelen heeft genomen, stelt onverwijld een gerechtelijk vooronderzoek of opsporingsonderzoek in voor het vaststellen van de feiten. Hij stelt de in artikel 9, eerste lid, bedoelde Staten die Partij zijn in kennis van de maatregelen die hij uit hoofde van het eerste lid van dit artikel heeft genomen, waaronder de hechtenis en de omstandigheden die deze rechtvaardigen en van de bevindingen uit het gerechtelijk vooronderzoek of het opsporingsonderzoek, en vermeldt daarbij of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

3.

Een persoon die uit hoofde van het eerste lid van dit artikel in hechtenis is genomen mag onverwijld contact opnemen met de dichtstbijzijnde bevoegde vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij of zij onderdaan is, of, indien hij of zij staatloos is, met de vertegenwoordiger van de Staat waar hij of zij gewoonlijk verblijft.

Artikel 11
1.

De Staat die Partij is op het grondgebied waarvan een persoon die wordt verdacht van het plegen van het misdrijf van gedwongen verdwijning wordt aangetroffen, levert deze persoon over aan zijn bevoegde autoriteiten voor strafrechtelijke vervolging, indien hij deze persoon niet uitlevert of overlevert aan een andere Staat in overeenstemming met zijn internationale verplichtingen of hem of haar niet overlevert aan een internationaal straftribunaal waarvan hij de rechtsmacht heeft erkend.

2.

Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in het geval van elk misdrijf met een ernstig karakter krachtens de wetgeving van die Staat die Partij is. In de gevallen bedoeld in artikel 9, tweede lid, mogen de normen voor het voor vervolging en veroordeling vereiste bewijs in geen geval minder stringent zijn dan die welke van toepassing zijn in de gevallen bedoeld in artikel 9, eerste lid.

3.

Eenieder tegen wie strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld in verband met het misdrijf van gedwongen verdwijning wordt het recht op een eerlijke behandeling in alle fasen van de procedure verzekerd. Eenieder die terechtstaat wegens het misdrijf van gedwongen verdwijning krijgt een eerlijk proces voor een bevoegd, onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Artikel 12
1.

Elke Staat die Partij is waarborgt dat eenieder die meent dat een persoon het slachtoffer is geworden van gedwongen verdwijning, het recht heeft de feiten te melden aan de bevoegde autoriteiten, die de melding onverwijld en onpartijdig bestuderen en waar nodig, onverwijld een grondig en onpartijdig onderzoek instellen. Waar nodig worden passende maatregelen genomen om te waarborgen dat degene die aangifte heeft gedaan, getuigen, familieleden van de verdwenen persoon en hun raadsman, alsmede personen die betrokken zijn bij het onderzoek beschermd worden tegen slechte behandeling of intimidatie naar aanleiding van de aangifte of het verschaffen van bewijs.

2.

Indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een persoon het slachtoffer is geworden van gedwongen verdwijning, stellen de in het eerste lid van dit artikel bedoelde autoriteiten een onderzoek in, ook wanneer er geen formele aangifte is gedaan.

3.

Elke Staat die Partij is waarborgt dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde autoriteiten:

4.

Elke Staat die Partij is neemt de noodzakelijke maatregelen om handelingen die de uitvoering van een onderzoek belemmeren te voorkomen en te bestraffen. De Staat die Partij is waarborgt in het bijzonder dat personen die verdacht worden van het plegen van het misdrijf van gedwongen verdwijning niet de gelegenheid krijgen de voortgang van een onderzoek te beïnvloeden door bedreiging of intimidatie van of represailles tegen degene die aangifte heeft gedaan, getuigen, familieleden van de verdwenen persoon of hun raadsman of tegen personen die betrokken zijn bij het onderzoek.

Artikel 13
1.

Ten behoeve van uitlevering tussen Staten die Partij zijn wordt het misdrijf van gedwongen verdwijning niet aangemerkt als een politiek delict of als een met een politiek delict samenhangend strafbaar feit of als een strafbaar feit ingegeven door politieke motieven.

Bijgevolg mag een verzoek om uitlevering wegens een dergelijk strafbaar feit niet uitsluitend op deze gronden worden afgewezen.

2.

Voordat dit Verdrag in werking treedt, wordt het misdrijf van gedwongen verdwijning in alle tussen de Staten die Partij zijn bestaande uitleveringsverdragen geacht te zijn opgenomen als een uitleveringsdelict.

3.

De Staten die Partij zijn verplichten zich ertoe het misdrijf van gedwongen verdwijning op te nemen als een uitleveringsdelict in ieder uitleveringsverdrag dat vervolgens tussen hen zal worden gesloten.

4.

Indien een Staat die Partij is die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat die Partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft, kan hij dit Verdrag beschouwen als de vereiste rechtsgrondslag voor uitlevering wegens het misdrijf van gedwongen verdwijning.

5.

Staten die Partij zijn die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag erkennen onderling het misdrijf van gedwongen verdwijning als een uitleveringsdelict.

6.

Uitlevering is in alle gevallen onderworpen aan de voorwaarden voorzien in de wetgeving van de aangezochte Staat die Partij is of in toepasselijke uitleveringsverdragen, met inbegrip van, met name, voorwaarden met betrekking tot de straf die minimaal vereist is voor uitlevering en de gronden waarop de aangezochte Staat die Partij is uitlevering kan weigeren of er bepaalde voorwaarden aan kan verbinden.

7.

Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering zou inhouden indien de aangezochte Staat die Partij is ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek om uitlevering is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst, politieke overtuiging of vanwege het feit dat hij behoort tot een bepaalde sociale groep of dat inwilliging van het verzoek die persoon om een van deze redenen zou kunnen benadelen.

Artikel 14
1.

De Staten die Partij zijn verlenen elkaar de ruimst mogelijke wederzijdse rechtshulp in verband met strafrechtelijke procedures die zijn ingesteld ter zake van het misdrijf van gedwongen verdwijning, met inbegrip van het verschaffen van alle bewijsmateriaal waarover zij beschikken en dat noodzakelijk is voor de procedures.

2.

Op deze wederzijdse rechtshulp zijn de voorwaarden van toepassing voorzien in de nationale wetgeving van de aangezochte Staat die Partij is of in de van toepassing zijnde verdragen inzake wederzijdse rechtshulp, met inbegrip van, in het bijzonder, de voorwaarden met betrekking tot de gronden waarop de aangezochte Staat die Partij is kan weigeren wederzijdse rechtshulp te verlenen of er voorwaarden aan kan verbinden.

Artikel 15

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.