Tweede aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken
De lidstaten van de Raad van Europa, die dit Protocol hebben ondertekend,
Gelet op hun verplichtingen uit hoofde van het Statuut van de Raad van Europa,
Verlangend een verdere bijdrage te leveren aan het waarborgen van mensenrechten, het handhaven van het recht en het ondersteunen van de democratische structuur van de samenleving,
Overwegend dat het wenselijk is daartoe hun afzonderlijke en collectieve vermogen om criminalteit aan te pakken, te versterken,
Vastbesloten bepaalde aspecten van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 20 april 1959 (hierna te noemen „het Verdrag”), alsmede het Aanvullend Protocol daarbij, gedaan te Straatsburg op 17 maart 1978, te verbeteren en aan te vullen,
Gelet op het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gedaan te Rome op 4 november 1950, alsmede het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, gedaan te Straatsburg op 28 januari 1981,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I
Artikel 1. Reikwijdte
Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959.
Artikel 2. Aanwezigheid van de autoriteiten van de verzoekende Partij
Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959.
Artikel 3. Tijdelijke overbrenging van gedetineerden naar het grondgebied van de verzoekende Partij
Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959.
Artikel 4. Wijze van communicatie
Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959.
Artikel 5. Kosten
Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959.
Artikel 6. Rechterlijke autoriteiten
Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959.
HOOFDSTUK II
Artikel 7. Uitgestelde uitvoering van verzoeken
De aangezochte Partij kan maatregelen naar aanleiding van een verzoek uitstellen indien dergelijke maatregelen schade zouden berokkenen aan onderzoeken, vervolgingen of daarmee verband houdende procedures van haar autoriteiten.
Voordat de aangezochte Partij de rechtshulp weigert of uitstelt, beoordeelt zij, in voorkomend geval na overleg met de verzoekende Partij, of het verzoek deels of op bepaalde door haar noodzakelijk geachte voorwaarden kan worden ingewilligd.
Indien het verzoek wordt uitgesteld wordt het uitstel met redenen omkleed. De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij eveneens in kennis van redenen waarom de uitvoering van het verzoek niet kan plaatsvinden of vermoedelijk aanzienlijk wordt vertraagd.
Artikel 8. Procedure
Onverminderd de bepalingen van artikel 3 van het Verdrag voldoet de aangezochte Staat wanneer in de verzoeken formaliteiten of procedures worden vermeld die krachtens het recht van de verzoekende Partij nodig zijn, zelfs wanneer zij de aangezochte Partij onbekend zijn, aan dergelijke verzoeken voor zover de verlangde maatregelen niet strijdig zijn met grondbeginselen van haar recht, tenzij in dit Protocol anders wordt bepaald.
Artikel 9. Verhoor per videoconferentie
Indien een persoon die zich op het grondgebied van een Partij bevindt door de rechterlijke autoriteiten van een andere Partij als getuige of deskundige dient te worden verhoord, kan laatstgenoemde Partij, indien het niet wenselijk of mogelijk is dat de te verhoren persoon in persoon op haar grondgebied verschijnt, verzoeken dat het verhoor plaatsvindt per videoconferentie zoals voorzien in het tweede tot en met het zevende lid.
De aangezochte Partij stemt in met het verhoor per videoconferentie voor zover het gebruik van videoconferentie niet strijdig is met fundamentele beginselen van haar recht en mits zij over de technische middelen voor het verhoor beschikt. Indien de aangezochte Partij niet over de technische middelen voor een videoconferentie beschikt, kunnen deze haar in onderlinge overeenstemming door de verzoekende Partij ter beschikking worden gesteld.
Verzoeken om een verhoor per videoconferentie bevatten, naast de in artikel 14 van het Verdrag genoemde gegevens, de redenen waarom het niet wenselijk of mogelijk is dat de getuige of deskundige in persoon verschijnt, de naam van de rechterlijke autoriteit en van de personen die het verhoor zullen afnemen.
De rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij dagvaardt de betrokkene volgens de wettelijke voorschriften van die Partij.
Met betrekking tot een verhoor per videoconferentie gelden de volgende regels:
- a. tijdens het verhoor is een rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij aanwezig, indien nodig bijgestaan door een tolk. Deze rechterlijke autoriteit is tevens verantwoordelijk voor de vaststelling van de identiteit van de te verhoren persoon en ziet er voorts op toe dat de fundamentele beginselen van het recht van de aangezochte Partij in acht worden genomen. Indien de rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij van oordeel is dat de fundamentele beginselen van het recht van die Partij tijdens het verhoor worden geschonden, treft zij onverwijld de nodige maatregelen opdat het verhoor met inachtneming van die beginselen wordt voortgezet;
- b. de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte Partij komen zonodig maatregelen overeen ter bescherming van de te verhoren persoon;
- c. het verhoor wordt rechtstreeks door of onder leiding van de rechterlijke autoriteit van de verzoekende Partij afgenomen in overeenstemming met het nationale recht van die Partij;
- d. op verzoek van de verzoekende Partij of van de te verhoren persoon draagt de aangezochte Partij er zorg voor dat de persoon die verhoord wordt zonodig wordt bijgestaan door een tolk;
- e. de te verhoren persoon kan een beroep doen op de verschoningsrechten die hij of zij zou hebben krachtens de wetgeving van de aangezochte Partij of de verzoekende Partij.
Onverminderd eventuele maatregelen die zijn overeengekomen ter bescherming van personen, stelt de rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij na afloop van het verhoor een proces-verbaal van het verhoor op, waarin de datum en de plaats van het verhoor, de identiteit van de verhoorde persoon, de identiteit en de hoedanigheid van alle andere personen die in de aangezochte Partij aan het verhoor hebben deelgenomen, eventuele eedafleggingen alsmede de technische omstandigheden waaronder het verhoor heeft plaatsgevonden, worden aangegeven. Dit document wordt door de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij.
Elke Partij treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ten aanzien van getuigen of deskundigen die in overeenstemming met dit artikel op haar grondgebied worden verhoord en die weigeren te voldoen aan de verplichting een verklaring af te leggen of die geen verklaring naar waarheid afleggen, haar nationale wetgeving van toepassing is alsof het een verhoor in een nationale procedure betrof.
De Partijen kunnen naar eigen oordeel, waar nodig en met instemming van hun bevoegde rechterlijke autoriteiten, de bepalingen van dit artikel eveneens toepassen op verhoor per videoconferentie van de persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld of van de verdachte. In dat geval zijn de beslissing om een videoconferentie te houden en de wijze van uitvoering ervan onderworpen aan een regeling tussen de betrokken Partijen, in overeenstemming met hun nationale recht en de ter zake doende internationale instrumenten. Verhoren waarbij de persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld of de verdachte betrokken is, worden alleen afgenomen met zijn of haar instemming.
Een Verdragsluitende Staat kan te allen tijde door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring verklaren geen gebruik te maken van de in het achtste lid geboden mogelijkheid de bepalingen van dit artikel eveneens toe te passen op verhoren per videoconferentie waarbij de persoon tegen wie strafvervolging is ingesteld of de verdachte betrokken is.
Artikel 10. Verhoor per telefoonconferentie
Indien een persoon die zich op het grondgebied van een Partij bevindt door de rechterlijke autoriteiten van een andere Partij als getuige of deskundige dient te worden verhoord, kan laatstgenoemde Partij, indien haar nationale wetgeving daarin voorziet, eerstgenoemde Partij om bijstand verzoeken teneinde het verhoor overeenkomstig het tweede tot en met het zesde lid per telefoonconferentie af te nemen.
Een verhoor per telefoonconferentie kan alleen met instemming van de getuige of deskundige plaatsvinden.
De aangezochte Partij stemt in met een verhoor per telefoonconferentie indien deze procedure niet strijdig is met de fundamentele beginselen van haar recht.
Verzoeken om verhoor per telefoonconferentie bevatten, naast de in artikel 14 van het Verdrag genoemde gegevens, de naam van de rechterlijke autoriteit en van de personen die het verhoor zullen afnemen, alsmede de vermelding dat de getuige of deskundige bereid is deel te nemen aan een verhoor per telefoonconferentie.
De praktische afspraken met betrekking tot het verhoor worden door de betrokken Partijen overeengekomen. Bij dergelijke afspraken verbindt de aangezochte Partij zich ertoe:
- a. de betrokken getuige of deskundige in kennis te stellen van plaats en tijdstip van het verhoor;
- b. te zorgen voor de vaststelling van de identiteit van de getuige of deskundige;
- c. vast te stellen dat de getuige of deskundige instemt met het verhoor per telefoonconferentie.
De aangezochte Partij kan haar instemming geheel of gedeeltelijk laten afhangen van de nakoming van het bepaalde in artikel 9, vijfde en zevende lid.
Artikel 11. Toezending van gegevens op eigen initiatief
Onverminderd hun eigen onderzoeken of procedures kunnen de bevoegde autoriteiten van een Partij zonder voorafgaand verzoek aan de bevoegde autoriteiten van een andere Partij gegevens toezenden die zijn verkregen binnen het kader van hun eigen onderzoek, wanneer zij van oordeel zijn dat de bekendmaking van deze gegevens de ontvangende Partij kan helpen bij het instellen of uitvoeren van onderzoeken of procedures, of zou kunnen leiden tot een verzoek door die Partij uit hoofde van het Verdrag of de Protocollen daarbij.
De Partij die de gegevens verstrekt kan overeenkomstig haar nationale recht voorwaarden verbinden aan het gebruik van die gegevens door de ontvangende Partij.
De ontvangende Partij is aan die voorwaarden gebonden.
Een Verdragsluitende Partij kan evenwel te allen tijde, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, verklaren dat zij zich het recht voorbehoudt niet te worden gebonden aan de door de verstrekkende Partij uit hoofde van het tweede lid opgelegde voorwaarden, tenzij zij een voorafgaande mededeling ontvangt betreffende de aard van de te verstrekken gegevens en instemt met de verzending daarvan.
Artikel 12. Teruggave
De aangezochte Partij kan, op verzoek van de verzoekende Partij en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, de voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen, ter beschikking stellen van de verzoekende Partij met het oog op de teruggave ervan aan de rechtmatige eigenaren.
Bij de toepassing van de artikelen 3 en 6 van het Verdrag kan de aangezochte Partij afstand doen van de voorwerpen hetzij vóór, hetzij na de overgave aan de verzoekende Partij, indien dit de teruggave van deze voorwerpen aan de rechtmatige eigenaar kan bevorderen. Rechten van derden te goeder trouw blijven onverlet.
In geval van afstand vóór de overgave van de voorwerpen aan de verzoekende Partij zal de aangezochte Partij geen zekerheidsrecht of enig ander verhaalsrecht krachtens de wettelijke bepalingen inzake belasting of douane doen gelden op die voorwerpen.
Afstand, als bedoeld in het tweede lid, laat het recht van de aangezochte Partij om belastingen of rechten van de rechtmatige eigenaar te eisen, onverlet.
Artikel 13. Tijdelijke overbrenging van gedetineerden naar de aangezochte Partij
Wanneer de bevoegde autoriteiten van de betrokken Partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, kan een Partij die heeft verzocht om een onderzoek waarvoor de aanwezigheid van een op zijn grondgebied gedetineerde persoon vereist is, deze persoon tijdelijk overbrengen naar het grondgebied van de Partij waar het onderzoek moet plaatsvinden.
De overeenkomst omvat de voorwaarden waaronder de betrokkene tijdelijk wordt overgebracht en de termijn waarbinnen hij naar het grondgebied van de verzoekende Partij moet worden teruggebracht.
Indien voor de overbrenging de instemming van de betrokkene vereist is, dient aan de aangezochte Partij onverwijld een verklaring van die instemming of een afschrift daarvan te worden verstrekt.
De overgebrachte persoon blijft op het grondgebied van de aangezochte Partij of, indien van toepassing, op het grondgebied van de Partij waarvoor om doortocht wordt verzocht in hechtenis, tenzij de Partij van waaruit de persoon werd overgebracht een verzoek tot zijn of haar invrijheidstelling indient.
De duur van de hechtenis op het grondgebied van de aangezochte Partij wordt in mindering gebracht op de duur van de vrijheidsbeneming die de betrokkene op het grondgebied van de verzoekende Partij moet of zal moeten ondergaan.
Artikel 11, tweede lid, en artikel 12 van het Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing.
Elke Partij kan te allen tijde door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring verklaren dat, alvorens overeenstemming in de zin van het eerste lid van dit artikel wordt bereikt, de in het derde lid bedoelde instemming vereist is of onder bepaalde, in de verklaring genoemde voorwaarden, vereist is.
Artikel 14. Persoonlijke verschijning van overgebrachte veroordeelde personen
De bepalingen van de artikelen 11 en 12 van het Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op personen die zich op het grondgebied van de aangezochte Partij in hechtenis bevinden, nadat zij zijn overgebracht om op het grondgebied van de verzoekende Partij een opgelegde straf te ondergaan, wanneer door de verzoekende Partij om hun persoonlijke verschijning wordt verzocht ten behoeve van de herziening van het vonnis.
Artikel 15. Taal van de uit te reiken gerechtelijke stukken en rechterlijke uitspraken
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk verzoek om uitreiking ingevolge artikel 7 van het Verdrag of artikel 3 van het Aanvullend Protocol daarbij.
Gerechtelijke stukken en rechterlijke uitspraken worden in alle gevallen verzonden in de taal of talen waarin zij zijn opgesteld.
Onverminderd de bepalingen van artikel 16 van het Verdrag wordt indien de autoriteit waarvan de stukken uitgaan weet of redenen heeft om aan te nemen dat de geadresseerde uitsluitend een andere taal begrijpt, bij de stukken een vertaling daarvan, althans van de essentie ervan, in die andere taal gevoegd.
Onverminderd de bepalingen van artikel 16 van het Verdrag worden gerechtelijke stukken en rechterlijke uitspraken ten behoeve van de autoriteiten van de aangezochte Partij, voorzien van een korte samenvatting van de inhoud, vertaald in de taal, of een van de talen, van die Partij.
Artikel 16. Uitreiking per post
De bevoegde rechterlijke autoriteiten van een Partij kunnen gerechtelijke stukken en rechterlijke uitspraken rechtstreeks per post toezenden aan personen die zich op het grondgebied van een andere Partij bevinden.
Bij gerechtelijke stukken en rechterlijke uitspraken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de in het rapport vermelde autoriteit inlichtingen kan inwinnen over zijn of haar rechten en plichten met betrekking tot de uitreiking van stukken. De bepalingen van artikel 15, derde lid, zijn op dat rapport van toepassing.
De bepalingen van de artikelen 8, 9 en 12 van het Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op de uitreiking per post.
De bepalingen van artikel 15, eerste, tweede en derde lid, zijn eveneens van toepassing op uitreiking per post.
Artikel 17. Grensoverschrijdende observaties
Ambtenaren van een van de Partijen die, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, in eigen land een persoon observeren die vermoedelijk heeft deelgenomen aan een strafbaar feit waarop uitlevering van toepassing kan zijn, of een persoon ten aanzien van wie ernstige vermoedens bestaan dat deze kan leiden tot de identificatie of lokalisering van de bovengenoemde persoon, zijn bevoegd hun observatie op het grondgebied van een andere Partij voort te zetten, wanneer laatstgenoemde Partij toestemming heeft gegeven voor grensoverschrijdende observatie op basis van een van tevoren ingediend verzoek om rechtshulp. De toestemming kan onder bijzondere voorwaarden worden verleend.
Desgevraagd dient de observatie te worden overgedragen aan de ambtenaren van de Partij op het grondgebied waarvan de observatie plaatsvindt.
Het verzoek om rechtshulp als bedoeld in het eerste lid dient te worden gezonden aan de door elk van de Partijen aangewezen autoriteit, die bevoegd is het verzoek om toestemming in te willigen of het door te zenden.
Wanneer wegens het bijzonder spoedeisende karakter geen voorafgaande toestemming van de andere Partij kan worden gevraagd, mogen de ambtenaren die de observatie uitvoeren binnen het kader van een strafrechtelijk onderzoek de observatie van een persoon ten aanzien van wie een vermoeden bestaat dat deze in het zesde lid bedoelde strafbare feiten heeft gepleegd, over de grens voortzetten, mits aan volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a. de autoriteiten van de in het vierde lid bedoelde Partij op het grondgebied waarvan de observatie wordt voortgezet, dienen nog tijdens de observatie onverwijld van de grensoverschrijding in kennis te worden gesteld;
- b. een verzoek om rechtshulp als bedoeld in het eerste lid, waarin tevens de redenen zijn aangegeven waarom zonder voorafgaande toestemming tot grensoverschrijding is overgegaan, dient zo spoedig mogelijk te worden ingediend.
De observatie dient te worden afgebroken zodra de Partij op het grondgebied waarvan de observatie plaatsvindt, na ontvangst van de onder a bedoelde kennisgeving of van het onder b bedoelde verzoek, daarom verzoekt, of indien de toestemming vijf uren na de grensoverschrijding niet is verkregen.
De observatie als bedoeld in het eerste en tweede lid mag slechts onder de volgende algemene voorwaarden worden uitgevoerd:
- a. De observerende ambtenaren zijn gebonden aan het bepaalde in dit artikel en aan het recht van de Partij op het grondgebied waarvan zij optreden; zij dienen de aanwijzingen van de plaatselijk verantwoordelijke autoriteiten op te volgen.
- b. Behoudens in de gevallen als bedoeld in het tweede lid dienen de ambtenaren tijdens de observatie te zijn voorzien van een document waaruit blijkt dat de toestemming is verleend.
- c. De observerende ambtenaren dienen te allen tijde in staat te zijn aan te tonen dat zij optreden in een officiële hoedanigheid.
- d. De observerende ambtenaren mogen tijdens de observatie hun dienstwapen dragen tenzij de aangezochte Partij anders heeft besloten; het gebruik ervan is uitsluitend in geval van noodweer toegestaan.
- e. Het binnentreden van woningen en het betreden van niet voor het publiek toegankelijke plaatsen is niet toegestaan.
- f. De observerende ambtenaren zijn niet bevoegd de geobserveerde persoon staande te houden en te ondervragen of aan te houden.
- g. Van elk optreden wordt verslag gedaan aan de autoriteiten van de Partij op het grondgebied waarvan de observatie plaatsvindt; de persoonlijke verschijning van de observerende ambtenaren kan worden verlangd.
- h. De autoriteiten van de Partij van het grondgebied waarvan de observerende ambtenaren afkomstig zijn, verlenen op verzoek van de autoriteiten van de Partij op het grondgebied waarvan werd opgetreden medewerking aan onderzoek na afloop van het optreden waaraan zij hebben deelgenomen, met inbegrip van gerechtelijke procedures.
Op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding vermelden de Partijen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring welke ambtenaren en autoriteiten zij benoemen voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel. Daarna mogen zij hun verklaring te allen tijde op dezelfde wijze wijzigen.
De Partijen kunnen bilateraal het toepassingsgebied van dit artikel uitbreiden en nadere regelingen ter uitvoering daarvan treffen.
De in het tweede lid bedoelde observatie mag uitsluitend plaatsvinden voor een van de volgende strafbare feiten:
- –. moord;
- –. doodslag;
- –. verkrachting;
- –. opzettelijke brandstichting;
- –. valsemunterij;
- –. gekwalificeerde diefstal en heling;
- –. afpersing;
- –. ontvoering en gijzeling;
- –. mensenhandel;
- –. sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
- –. vergrijpen tegen voorschriften aangaande vuurwapens en explosieven;
- –. het teweeg brengen van een ontploffing;
- –. illegaal vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen;
- –. vreemdelingensmokkel;
- –. seksueel misbruik van kinderen.
Artikel 18. Gecontroleerde aflevering
Elke Partij verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat op verzoek van een andere Partij gecontroleerde aflevering in het kader van strafrechtelijk onderzoeken naar strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering, op haar grondgebied kan worden toegestaan.
De beslissing over een gecontroleerde aflevering wordt voor elk geval afzonderlijk genomen door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij, met inachtneming van het nationale recht van die Partij.
Een gecontroleerde aflevering vindt plaats volgens de procedures van de aangezochte Partij. Het recht om te handelen en om het optreden te leiden en te controleren berust bij de bevoegde autoriteiten van die Partij.
Op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding vermelden de Partijen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring welke autoriteiten bevoegd zijn voor de toepassing van dit artikel. Daarna mogen zij hun verklaring te allen tijde op dezelfde wijze wijzigen.
Artikel 19. Infiltratie
De verzoekende en de aangezochte Partij kunnen overeenkomen elkaar rechtshulp te verlenen ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek dat wordt verricht door ambtenaren die onder een valse of fictieve identiteit optreden, hierna te noemen infiltratie.
Over het verzoek wordt in elk geval afzonderlijk beslist door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij, met inachtneming van haar nationale recht en procedures. De duur van de infiltratie, de nadere voorwaarden en juridische status van de betrokken ambtenaren tijdens de infiltratie worden door de betrokken Partijen overeengekomen, met inachtneming van hun nationale recht en procedures.
Infiltratie vindt plaats in overeenstemming met het nationale recht en de procedures van de Partij op het grondgebied waarvan de infiltratie wordt uitgevoerd. De betrokken Partijen werken samen bij de voorbereiding van en het toezicht op de infiltratie, alsook bij het treffen van regelingen met het oog op de veiligheid van de ambtenaren die onder een valse of fictieve identiteit optreden.
Op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding vermelden de Partijen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring welke autoriteiten bevoegd zijn voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel. Daarna mogen zij hun verklaring te allen tijde op dezelfde wijze wijzigen.
Artikel 20. Gemeenschappelijke onderzoeksteams
De bevoegde autoriteiten van twee of meer Partijen kunnen bij onderlinge overeenkomst een gemeenschappelijk onderzoeksteam instellen voor een bepaald doel en voor een beperkte periode, die in onderlinge overeenstemming kan worden verlengd, om strafrechtelijk onderzoek uit te voeren bij een of meer van de Partijen die het team instellen. De samenstelling van het team wordt in de overeenkomst vermeld. Een gemeenschappelijk onderzoeksteam kan in het bijzonder worden ingesteld wanneer:
- a. het onderzoek van een Partij naar strafbare feiten moeilijke en veeleisende opsporingen vergt die ook andere Partijen betreffen;
- b. verscheidene Partijen strafbare feiten onderzoeken die wegens de omstandigheden van de zaak een gecoördineerd en gezamenlijk optreden bij de betrokken Partijen vergen.
Een verzoek om instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam kan van elk van de betrokken Partijen uitgaan. Het team wordt ingesteld bij een van de Partijen waar het onderzoek naar verwachting zal worden uitgevoerd.
Verzoeken om instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam bevatten, naast de in artikel 14 van het Verdrag genoemde gegevens, ook voorstellen voor de samenstelling van het team.
Een gemeenschappelijk onderzoeksteam is onder de volgende algemene voorwaarden actief op het grondgebied van de Partijen die het team hebben ingesteld:
- a. De leider van het team is een vertegenwoordiger van de aan strafrechtelijke onderzoeken deelnemende bevoegde autoriteit van de Partij waar het team actief is. De leider van het team handelt binnen de grenzen van zijn of haar bevoegdheid krachtens het nationale recht;
- b. Het team treedt op in overeenstemming met het recht van de Partij waarin het actief is. De leden en gedetacheerde leden van het team verrichten hun taken onder leiding van de onder a bedoelde persoon, met inachtneming van de voorwaarden die door hun eigen autoriteiten zijn vastgelegd in de overeenkomst inzake de instelling van het team;
- c. de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt, treft de voor het functioneren van het team de noodzakelijke organisatorische voorzieningen.
In dit artikel worden leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam van de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt „leden” genoemd, terwijl leden van Partijen anders dan de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt „gedetacheerde leden” worden genoemd.
De gedetacheerde leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam hebben het recht aanwezig te zijn wanneer bij de Partij waar wordt opgetreden onderzoekshandelingen plaatsvinden. De leider van het team kan evenwel om bijzondere redenen en in overeenstemming met het recht van de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt, anders besluiten.
De gedetacheerde leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam kunnen, in overeenstemming met het recht van de Partij waar het team optreedt, door de leider van het team worden belast met de uitvoering van bepaalde onderzoekshandelingen, voorzover de bevoegde autoriteiten van de Partij waar wordt opgetreden en van de detacherende Partij dit hebben goedgekeurd.
Wanneer het gemeenschappelijk onderzoeksteam het noodzakelijk acht dat bij een van de Partijen die het team hebben ingesteld, onderzoekshandelingen plaatsvinden, kunnen de door die Partij bij het team gedetacheerde leden hun eigen bevoegde autoriteiten verzoeken die handelingen te verrichten. Die handelingen worden bij die Partij in overweging genomen onder de voorwaarden die van toepassing zouden zijn indien daarom in het kader van een nationaal onderzoek zou zijn verzocht.
Wanneer het gemeenschappelijk onderzoeksteam rechtshulp nodig heeft van een andere Partij dan de Partijen die het team hebben ingesteld, of van een derde staat, kan het verzoek om rechtshulp door de bevoegde autoriteiten van de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt, worden gericht aan de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken Staat, overeenkomstig de toepasselijke instrumenten of regelingen.
Een gedetacheerd lid van het gemeenschappelijk onderzoeksteam kan, in overeenstemming met zijn of haar nationale recht en binnen de grenzen van zijn of haar bevoegdheid, het team gegevens verstrekken die beschikbaar zijn bij de Partij die hem of haar heeft gedetacheerd ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek dat door het team wordt uitgevoerd.
Gegevens die een lid of gedetacheerd lid rechtmatig verkrijgt terwijl hij of zij deel uitmaakt van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en die niet op een andere wijze voor de bevoegde autoriteiten van de betrokken Partijen beschikbaar zijn, kunnen voor de volgende doeleinden worden gebruikt:
- a. voor het doel waarvoor het team is ingesteld;
- b. behoudens voorafgaande toestemming van de Partij waar de informatie vandaan komt, voor het opsporen, onderzoeken en vervolgen van andere strafbare feiten. Die toestemming kan alleen worden geweigerd in gevallen waarin dergelijk gebruik strafrechtelijk onderzoek bij de betrokken Partij in gevaar brengt of ten aanzien waarvan die Partij rechtshulp kan weigeren;
- c. ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, onverminderd het bepaalde onder b, indien vervolgens een strafrechtelijk onderzoek wordt geopend;
- d. voor andere doeleinden, voorzover dat tussen de Partijen die het team instellen wordt overeengekomen.
De bepalingen van dit artikel laten andere bestaande bepalingen of regelingen inzake de instelling of het functioneren van gemeenschappelijke onderzoeksteams onverlet.
Voor zover toegestaan krachtens het recht van de betrokken Partijen of de bepalingen van een tussen hen geldend rechtsinstrument, kan worden overeengekomen dat andere personen dan vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Partijen die het gemeenschappelijk onderzoeksteam instellen, deelnemen aan de activiteiten van het team. De rechten die uit hoofde van dit artikel aan de leden en de gedetacheerde leden van het team worden verleend, strekken zich niet uit tot die personen, tenzij uitdrukkelijk anders wordt vermeld in de overeenkomst.
Artikel 21. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren
Tijdens een optreden, bedoeld in de artikelen 17, 18, 19 of 20, worden de ambtenaren uit een andere Partij dan de Partij waar het optreden plaatsvindt, met ambtenaren van laatstbedoelde Partij gelijkgesteld, voor wat betreft de strafbare feiten die tegen of door hen mochten worden begaan, tenzij door de betrokken Partijen anders wordt overeengekomen.
Artikel 22. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren
Wanneer ambtenaren van een Partij overeenkomstig de artikelen 17, 18, 19 of 20 in een andere Partij optreden, is de eerstgenoemde Partij overeenkomstig het recht van de Partij op het grondgebied waarvan zij optreden aansprakelijk voor de schade die zij aldaar tijdens hun optreden veroorzaken.
De Partij op het grondgebied waarvan de in het eerste lid bedoelde schade wordt veroorzaakt, neemt op zich deze schade te vergoeden op de wijze waarop hij daartoe gehouden zou zijn,indien de schade haar eigen ambtenaren zou zijn toegebracht.
De Partij wier ambtenaren op het grondgebied van een andere Partij jegens enig persoon schade hebben veroorzaakt, betaalt deze laatste het volledige bedrag terug dat deze aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.
Onder voorbehoud van de uitoefening van haar rechten tegenover derden en met uitzondering van het bepaalde in het derde lid, ziet elke Partij, in het geval bedoeld in het eerste lid, ervan af het bedrag van de door haar geleden schade op een andere Partij te verhalen.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing, onder voorbehoud dat de Partijen niet anders zijn overeengekomen.
Artikel 23. Bescherming van getuigen
Wanneer een Partij krachtens het Verdrag of een van de Protocollen daarbij om rechtshulp verzoekt met betrekking tot een getuige die het gevaar loopt te worden geïntimideerd of die bescherming nodig heeft, streven de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en aangezochte Partij ernaar maatregelen overeen te komen voor de bescherming van de betrokken persoon, in overeenstemming met hun nationale recht.
Artikel 24. Voorlopige maatregelen
Op verzoek van de verzoekende Partij kan de aangezochte Partij, in overeenstemming met haar nationale recht, voorlopige maatregelen treffen met het oog op het veilig stellen van bewijs, het instandhouden van een bestaande situatie of het beschermen van bedreigde rechtmatige belangen.
De aangezochte Partij kan het verzoek ten dele inwilligen of daaraan bepaalde voorwaarden verbinden, in het bijzonder beperkingen wat betreft de duur van de getroffen maatregelen.
Artikel 25. Vertrouwelijkheid
De verzoekende Partij kan verlangen dat de aangezochte Partij het verzoek en de inhoud daarvan vertrouwelijk behandelt, voorzover nodig voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Partij niet aan het vereiste van vertrouwelijkheid kan voldoen, brengt zij de verzoekende Partij hiervan onverwijld op de hoogte.
Artikel 26. Gegevensbescherming
Persoonsgegevens die naar aanleiding van de uitvoering van een verzoek, ingediend ingevolge het Verdrag of een van de Protocollen daarbij, door de ene Partij aan de andere worden toegezonden, kunnen door de Partij aan welke deze gegevens zijn verstrekt uitsluitend worden gebruikt:
- a. ten behoeve van procedures waarop het Verdrag of een van de Protocollen daarbij van toepassing zijn, en
- b. ten behoeve van andere gerechtelijke en administratieve procedures die rechtstreeks verband houden met de onder a bedoelde procedures, en
- c. ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid.
Persoonsgegevens mogen evenwel voor elk ander doel worden gebruikt wanneer hiervoor voorafgaande toestemming is gegeven door hetzij de Partij door welke de gegevens zijn toegezonden, hetzij de persoon op wie de gegevens betrekking hebben.
Elke Partij kan weigeren persoonsgegevens te verstrekken die zijn verkregen als gevolg van de uitvoering van een verzoek ingediend ingevolge het Verdrag of een van de Protocollen daarbij, wanneer:
- –. deze gegevens uit hoofde van haar nationale wetgeving worden beschermd, en
- –. de Partij aan wie de gegevens moeten worden verstrekt niet gebonden wordt door het Verdrag tot de bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, gedaan te Straatsburg op 28 januari 1981, tenzij de laatstgenoemde Partij zich ertoe verplicht de gegevens zodanig te beschermen als door door de eerstgenoemde Partij wordt verlangd.
Elke Partij die persoonsgegevens verstrekt die zijn verkregen als gevolg van de uitvoering van een verzoek ingediend ingevolge het Verdrag of een van de Protocollen daarbij, kan van de Partij waaraan de gegevens zijn toegezonden, verlangen dat deze informatie verschaft over het gebruik dat van deze gegevens is gemaakt.
Elke Partij kan, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring verlangen dat, binnen het kader van procedures voor welke zij de verzending of het gebruik van persoonsgegevens in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag of een van de Protocollen daarbij had kunnen weigeren of beperken, verlangen dat persoonsgegevens die naar een andere Partij worden gezonden niet door de laatstgenoemde Partij worden gebruikt voor de in het eerste lid bedoelde doeleinden, tenzij zij hiervoor eerst haar instemming heeft verleend.
Artikel 27. Bestuurlijke autoriteiten
De Partijen kunnen te allen tijde, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring bepalen welke autoriteiten zij als bestuurlijke autoriteiten aanmerken in de zin van artikel 1, derde lid, van het Verdrag.
Artikel 28. Verhouding tot andere verdragen
De bepalingen van dit Protocol laten uitgebreidere regelingen in bilaterale of multilaterale overeenkomsten gesloten tussen de Partijen overeenkomstig artikel 26, derde lid, van het Verdrag onverlet.
Artikel 29. Minnelijke schikking
De Europese Commissie voor Strafrechtelijke Vraagstukken van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de interpretatie en toepassing van het Verdrag en de Protocollen daarbij en doet al het nodige ter vergemakkelijking van een minnelijke schikking van elke moeilijkheid die ten gevolge van de toepassing ervan mocht ontstaan.
HOOFDSTUK III
Artikel 30. Ondertekening en inwerkingtreding
Dit Protocol staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa die Partij zijn bij het Verdrag of het hebben ondertekend. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Een ondertekenaar kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren tenzij deze eerder of gelijktijdig het Verdrag heeft bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de nederlegging van de derde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Ten aanzien van iedere ondertekenende Staat die daarna zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring nederlegt, treedt het Protocol in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging.
Artikel 31. Toetreding
Iedere niet-lidstaat die tot het Verdrag is toegetreden, kan tot dit Protocol toetreden nadat het in werking is getreden.
Deze toetreding geschiedt door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van Raad van Europa van een akte van toetreding.
Ten aanzien van iedere toetredende Staat treedt het Protocol in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van toetreding.
Artikel 32. Territoriale toepassing
Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het grondgebied of de grondgebieden nader aanduiden waarop dit Protocol van toepassing zal zijn.
Iedere Staat kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepassing van dit Protocol uitbreiden tot elk ander in de verklaring nader aangeduid grondgebied. Ten aanzien van dat grondgebied treedt het Protocol in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.
Iedere krachtens de twee vorige leden gedane verklaring kan, wat betreft ieder in die verklaring aangewezen grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 33. Voorbehouden
De voorbehouden door een Partij gemaakt ten aanzien van een bepaling van het Verdrag of van het Protocol daarbij, zijn eveneens van toepassing op dit Protocol, tenzij die Partij bij de ondertekening, of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het tegendeel verklaart. Hetzelfde geldt voor een verklaring gedaan ten aanzien van of krachtens een bepaling van het Verdrag of van het Protocol daarbij.
Iedere Staat kan bij de ondertekening, of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt een of meerdere van de artikelen 16, 17, 18, 19 en 20 geheel of gedeeltelijk niet te aanvaarden. Geen ander voorbehoud is toegestaan.
Iedere Staat kan een voorbehoud dat hij heeft gemaakt overeenkomstig de voorgaande leden, geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, die van kracht wordt op de datum van ontvangst daarvan.
Een Partij die een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van een van de in het tweede lid genoemde artikelen van dit Protocol, kan de toepassing van dat artikel niet verlangen van een andere Partij. Zij kan echter indien haar voorbehoud gedeeltelijk of voorwaardelijk is, de toepassing van die bepaling verlangen voor zover zij haar zelf heeft aanvaard.
Artikel 34. Opzegging
Iedere Verdragsluitende Staat kan dit Protocol, wat haar betreft, opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Opzegging van het Verdrag heeft automatisch de opzegging van dit Protocol ten gevolge.
Artikel 35. Kennisgevingen
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft alle lidstaten van de Raad van Europa en iedere Staat die tot dit Protocol is toegetreden, kennis van:
- a. iedere ondertekening;
- b. de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
- c. iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig de artikelen 30 en 31;
- d. iedere andere akte, verklaring, kennisgeving of mededeling die betrekking heeft op dit Protocol.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Protocol.
DONE at Strasbourg, this 8th day of November 2001, in English and in French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe and to the non-member States which have acceded to the Convention.