Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972
De verdragsluitende partijen bij dit Protocol,
Benadrukkende de noodzaak het mariene milieu te beschermen en een duurzaam gebruik en het behoud van de mariene bronnen te bevorderen;
Gelet in dit verband op hetgeen is bereikt binnen het kader van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972, en in het bijzonder op de ontwikkeling naar een benadering die is gebaseerd op voorzorg en voorkoming;
Voorts gelet op de bijdrage in dit verband van aanvullende regionale en nationale instrumenten die gericht zijn op de bescherming van het mariene milieu en die rekening houden met de specifieke omstandigheden en behoeften van de desbetreffende regio’s en Staten;
Opnieuw bevestigend de waarde van een mondiale aanpak van deze zaken en met name het belang van voortdurende samenwerking en medewerking tussen de verdragsluitende partijen bij de implementatie van het Verdrag en het Protocol;
Erkennende dat het wenselijk kan zijn op nationaal of regionaal niveau strengere maatregelen aan te nemen met betrekking tot de voorkoming en beëindiging van verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakt door het storten in zee dan die welke zijn voorzien in internationale verdragen of andere overeenkomsten met mondiale reikwijdte;
Rekening houdend met de desbetreffende internationale overeenkomsten en acties, met name het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982, de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en Agenda 21;
Eveneens erkennende de belangen en capaciteiten van in ontwikkeling zijnde Staten en met name van kleine eilandstaten die in ontwikkeling zijn;
Ervan overtuigd dat verdere internationale maatregelen ter voorkoming, vermindering en waar praktisch uitvoerbaar ter beëindiging van verontreiniging van de zee veroorzaakt door storten onverwijld kunnen en moeten worden genomen teneinde het mariene milieu te beschermen en te behouden, en de menselijke activiteiten zodanig te beheren dat het mariene ecosysteem het rechtmatig gebruik van de zee kan blijven dragen en kan blijven voorzien in de behoeften van de huidige en toekomstige generaties;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol:
-
- wordt onder „Verdrag” verstaan het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972, zoals gewijzigd;
-
- wordt onder „Organisatie” verstaan de Internationale Maritieme Organisatie;
-
- wordt onder „Secretaris-Generaal” verstaan de Secretaris-Generaal van de Organisatie;
- 4.
- .1. wordt onder „storten” verstaan:
- .1. het zich opzettelijk ontdoen in zee van afval of andere stoffen vanaf schepen, vanuit luchtvaartuigen, vanaf platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee;
- .2. het zich opzettelijk ontdoen in zee van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee;
- .3. het opslaan van afval of andere stoffen in de zeebodem en de ondergrond daarvan afkomstig van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee; en
- .4. het achterlaten of ter plaatse kantelen van platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, met als enig doel het zich opzettelijk ontdoen hiervan;
- .2. wordt onder „storten” niet verstaan:
- .1. het zich op zee ontdoen van afval of andere stoffen verbonden met of afkomstig uit de normale exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee en van hun uitrusting, waaronder niet begrepen zijn afval of andere stoffen die worden vervoerd door of overgeladen op schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, gebruikt om zich van deze stoffen te ontdoen, of stoffen die afkomstig zijn van de verwerking van dergelijk afval of andere stoffen aan boord van deze schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken;
- .2. het plaatsen van stoffen met een ander oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen, mits zulks niet strijdig is met het doel van dit Protocol; en
- .3. onverminderd het bepaalde in het vierde lid, sub 1, onder 4, het achterlaten in zee van stoffen (bijvoorbeeld kabels, pijpleidingen en voorzieningen voor zee-onderzoek) geplaatst met een ander oogmerk dan zich hiervan enkel en alleen te ontdoen;
- .3. het zich ontdoen of het opslaan van afval of andere stoffen, onmiddellijk of middellijk afkomstig van de exploratie, de ontginning en de verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden, valt niet onder de bepalingen van dit Protocol;
- 5.
- .1. wordt onder „verbranding op zee” verstaan de verbranding aan boord van een schip, platform of ander kunstmatig bouwwerk in zee van afval of andere stoffen met het oogmerk zich hiervan opzettelijk te ontdoen door middel van thermische vernietiging;
- .2. wordt onder „verbranding op zee” niet verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, platform, of ander kunstmatig bouwwerk in zee, indien dit afval of deze andere stoffen voortkomen uit de normale exploitatie van dat schip, platform of kunstmatig bouwwerk in zee;
-
- wordt onder „schepen en luchtvaartuigen” verstaan (lucht)vaartuigen, die zich op het water, in het water of door de lucht voortbewegen, ongeacht van welk type zij zijn. Hieronder worden mede verstaan luchtkussenvaartuigen en drijvende toestellen, al dan niet met eigen voortstuwingsmiddelen;
-
- wordt onder „zee” verstaan alle mariene wateren met uitzondering van de binnenwateren van de Staten, alsmede de zeebodem en de ondergrond daarvan; de onder de zeebodem gelegen gewelven die uitsluitend vanaf het land bereikbaar zijn vallen niet onder deze begripsomschrijving;
-
- wordt onder „afval of andere stoffen” verstaan materialen en substanties, ongeacht hun aard, vorm of omschrijving;
-
- wordt onder „vergunning” verstaan de toestemming die van tevoren wordt verleend overeenkomstig de desbetreffende maatregelen aangenomen ingevolge artikel 4, eerste lid, onder 2, of artikel 8, tweede lid;
-
- wordt onder „verontreiniging” verstaan het direct of indirect door menselijke activiteit in zee brengen van afval of andere stoffen hetgeen leidt of kan leiden tot nadelige gevolgen zoals schade aan de levende rijkdommen en de mariene ecosystemen, gevaar voor de gezondheid van de mens, belemmering van de activiteiten op zee, met inbegrip van de visvangst en ander rechtmatig gebruik van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater in verband met het gebruik ervan en vermindering van de recreatieve waarde.
Artikel 2. Doelstellingen
De verdragsluitende partijen beschermen en behouden, zowel afzonderlijk als collectief, het mariene milieu tegen alle bronnen van verontreiniging en nemen doeltreffende maatregelen, naar gelang van hun wetenschappelijke, technische en economische capaciteiten, om de verontreiniging veroorzaakt door het storten in zee of verbranden op zee van afval of andere stoffen te voorkomen, te verminderen en waar praktisch uitvoerbaar te beëindigen. Indien nodig stemmen zij hun beleid ter zake op elkaar af.
Artikel 3. Algemene verplichtingen
Bij het ten uitvoer brengen van dit Protocol passen de verdragsluitende partijen een voorzorgsbenadering toe met betrekking tot de bescherming van het milieu tegen het storten van afval of andere stoffen, waarbij gepaste preventieve maatregelen worden genomen, wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat afval of andere stoffen die in het mariene milieu worden gebracht mogelijk schade kunnen veroorzaken, zelfs wanneer er geen afdoende bewijs is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het inbrengen van afval of andere stoffen en de gevolgen hiervan.
Rekening houdend met de benadering dat de vervuiler in beginsel de kosten van de verontreiniging dient te dragen, zet elke verdragsluitende partij zich in om praktijken te bevorderen waarbij degene die toestemming heeft gegeven over te gaan tot het storten in of verbranden op zee de kosten draagt die gemoeid zijn met het voldoen aan de vereisten voor de voorkoming en beheersing van verontreiniging die gelden voor de toegestane activiteiten, naar behoren rekening houdend met het openbaar belang.
Bij de uitvoering van de bepalingen van dit Protocol handelen de verdragsluitende partijen zodanig dat zij niet de schade of mogelijke schade, rechtstreeks of niet-rechtstreeks, van een deel van het milieu naar een ander deel verplaatsen of een vorm van verontreiniging vervangen door een andere vorm.
Geen enkele bepaling van dit Protocol mag zodanig worden geïnterpreteerd dat de verdragsluitende partijen worden belet, afzonderlijk of gezamenlijk, strengere maatregelen in overeenstemming met het internationale recht te nemen met betrekking tot de voorkoming, vermindering en waar praktisch uitvoerbaar de beëindiging van verontreiniging.
Artikel 4. Het storten van afval of andere stoffen
- .1. De verdragsluitende partijen verbieden het storten van afval of andere stoffen, met uitzondering van die welke worden genoemd in Bijlage 1.
- .2. Voor het storten van afval of andere stoffen genoemd in Bijlage 1 is een vergunning vereist. De verdragsluitende partijen nemen administratieve of wettelijke maatregelen aan om ervoor zorg te dragen dat de verlening van vergunningen en de bijbehorende vergunningsvoorwaarden in overeenstemming zijn met de bepalingen van Bijlage 2. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de mogelijkheden storten te voorkomen en in plaats daarvan alternatieven te benutten die uit milieu-oogpunt de voorkeur genieten.
Geen enkele bepaling van dit Protocol mag worden geïnterpreteerd als beletsel voor een verdragsluitende partij om, wat haar betreft, het storten van afval of andere stoffen die in Bijlage 1 zijn genoemd te verbieden. De desbetreffende verdragsluitende partij stelt de Organisatie in kennis van dergelijke verbodsmaatregelen.
Artikel 5. Verbranding op zee
De verdragsluitende partijen verbieden de verbranding op zee van afval of andere stoffen.
Artikel 6. Uitvoer van afval of andere stoffen
De verdragsluitende partijen staan de uitvoer van afval of andere stoffen naar andere landen voor het storten in of verbranden op zee niet toe.
Niettegenstaande het eerste lid kan de uitvoer van kooldioxidestromen met als doel zich hiervan te ontdoen in overeenstemming met bijlage 1 plaatsvinden, op voorwaarde dat er een overeenkomst of regeling tussen de betrokken landen is. Een dergelijke overeenkomst of regeling omvat:
- 2.1. de bevestiging en toewijzing van verantwoordelijkheden voor het verstrekken van vergunningen tussen de uitvoerende en ontvangende landen, in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol en andere toepasselijk internationaal recht; en
- 2.2. in het geval van uitvoer naar niet-verdragsluitende partijen, bepalingen die minimaal gelijk zijn aan die in dit Protocol, met inbegrip van bepalingen inzake de afgifte van vergunningen en vergunningsvoorwaarden voor het voldoen aan de bepalingen van bijlage 2, teneinde te waarborgen dat de overeenkomst of regeling niet afwijkt van de verplichtingen van de verdragsluitende partijen uit hoofde van dit Protocol om het mariene milieu te beschermen en te behouden.
Een verdragsluitende partij die een dergelijke overeenkomst sluit of regeling aangaat brengt deze ter kennis van de Organisatie.
Artikel 7. Binnenwateren
Onverminderd alle overige bepalingen van dit Protocol heeft dit Protocol alleen betrekking op de binnenwateren voor zover wordt bepaald in de leden 2 en 3.
Elke verdragsluitende partij kiest naar eigen oordeel hetzij voor toepassing van de bepalingen van dit Protocol, hetzij voor aanneming van andere doeltreffende maatregelen met betrekking tot vergunningen en regulering om controle uit te oefenen op de activiteit van het zich opzettelijk ontdoen van afval of andere stoffen in mariene binnenwateren ingeval een dergelijke activiteit in de zin van artikel 1, indien deze op zee zou geschieden, „storten” of „verbranding op zee” zou inhouden.
Elke verdragsluitende partij dient de Organisatie inlichtingen te verschaffen betreffende de wetgeving en de institutionele mechanismen met betrekking tot de uitvoering, de naleving en de handhaving van de bepalingen in mariene binnenwateren. De verdragsluitende partijen dienen zich tevens tot het uiterste in te spannen om op vrijwillige basis overzichten te leveren inzake het type en de aard van de in de mariene binnenwateren gestorte materialen.
Artikel 8. Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 4, eerste lid, en artikel 5, is niet van toepassing wanneer het noodzakelijk is voor de veiligheid van mensenlevens of voor de veiligheid van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee in geval van overmacht ten gevolge van noodweer of in alle andere gevallen waarin mensenlevens in gevaar zijn of een ernstige bedreiging bestaat voor schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, mits het ernaar uitziet dat het storten in of verbranden op zee de enige oplossing is om de dreiging af te wenden en hierdoor naar alle waarschijnlijkheid de minste schade wordt veroorzaakt. Het storten of verbranden moet dan zodanig geschieden dat de gevaren voor het menselijk leven en voor de in zee voorkomende flora en fauna tot een minimum beperkt blijven. De Organisatie dient onverwijld van het storten of verbranden in kennis te worden gesteld.
Een verdragsluitende partij mag, in afwijking van artikel 4, eerste lid, en artikel 5, een vergunning verlenen in noodgevallen die voor de menselijke gezondheid, veiligheid of voor het mariene milieu onaanvaardbare risico’s met zich brengen en waarvoor geen andere geschikte oplossing mogelijk is. Alvorens hiertoe over te gaan, raadpleegt de verdragsluitende partij ieder ander land of alle andere landen die erbij betrokken zouden kunnen zijn, alsmede de Organisatie die, na de andere verdragsluitende partijen en de daarvoor in aanmerking komende bevoegde internationale organisaties te hebben geraadpleegd, overeenkomstig artikel 18, zesde lid, de verdragsluitende partij zo spoedig mogelijk aanbevelingen doen omtrent de te volgen werkwijzen die het meest geschikt zijn. De verdragsluitende partij volgt deze aanbevelingen zoveel mogelijk op, binnen de tijd waarin de nodige maatregelen moeten worden genomen, en rekening houdend met de algemene verplichting het veroorzaken van schade aan het mariene milieu te vermijden; zij stelt de Organisatie in kennis van de door haar genomen maatregelen. De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe elkaar in dergelijke situaties onderling bijstand te verlenen.
Iedere verdragsluitende partij kan bij de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Protocol, of daarna, van haar in het tweede lid bedoelde rechten afzien.
Artikel 9. Verlening van vergunningen en verslaglegging
Iedere verdragsluitende partij wijst één of meer autoriteiten aan die bevoegd zijn tot:
- .1. het verlenen van vergunningen in overeenstemming met dit Protocol;
- .2. het bijhouden van lijsten, waarop de aard en de hoeveelheden van alle afval of andere stoffen waarvoor stortingsvergunningen zijn verleend, en voor zover praktisch uitvoerbaar de daadwerkelijk gestorte hoeveelheden, alsmede de plaats, de datum en de wijze van storten worden vermeld; en
- .3. het afzonderlijk of in samenwerking met andere verdragsluitende partijen en de bevoegde internationale organisaties verrichten van controlemetingen betreffende de toestand van de zee ten behoeve van de uitvoering van dit Protocol.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.