Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur

Type Verdrag
Publication 2001-11-03
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Aangenomen te Londen op 16 november 1945 en gewijzigd door de Algemene Conferentie tijdens haar tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, twaalfde, vijftiende, zeventiende, negentiende, twintigste, eenentwintigste, vierentwintigste, vijfentwintigste, zesentwintigste, zevenentwintigste, achtentwintigste, negenentwintigste en eenendertigste zitting.

De Regeringen van de Staten die Partij zijn bij dit Statuut verklaren uit naam van hun volken:

Dat aangezien oorlogen hun oorsprong vinden in de menselijke geest, ook de verdedigingswerken van de vrede in de menselijke geest moeten worden opgebouwd;

Dat in de geschiedenis van de mensheid de onbekendheid met elkaars levensgewoonten een voortdurende bron is geweest van achterdocht en wantrouwen tussen de volken, waardoor hun geschillen al te vaak tot oorlog hebben geleid;

Dat de grote en verschrikkelijke oorlog die nu ten einde is mogelijk werd gemaakt door de ontkenning van de democratische beginselen van waardigheid, gelijkheid en wederzijds respect van mensen en door de verspreiding, in de plaats daarvan en met uitbuiting van onwetendheid en vooroordeel, van de leer van de ongelijkheid van mensen en rassen;

Dat de ruime verspreiding van cultuur en de opvoeding van de mensheid tot gerechtigheid, vrijheid en vrede onontbeerlijk zijn voor de menselijke waardigheid en een heilige plicht zijn, die alle volken moeten vervullen in een geest van onderlinge hulp en zorg;

Dat een vrede die uitsluitend berust op de politieke en economische afspraken tussen regeringen niet de eenstemmige, duurzame en waarachtige steun van de volken voor zich zou kunnen winnen en dat de vrede derhalve, wil zij behouden blijven, gegrondvest moet worden op het intellectuele en morele saamhorigheidsgevoel van de mensheid.

Om deze redenen zijn de Staten die Partij zijn bij dit Statuut, gelovend in volledige en gelijke kansen op onderwijs voor iedereen, in het onbelemmerd nastreven van de objectieve waarheid en in de vrije uitwisseling van gedachten en kennis, overeengekomen en vastbesloten, de middelen van contact tussen hun volken te ontwikkelen en te vermeerderen en deze middelen te laten dienen tot wederzijds begrip en tot een waarachtiger en vollediger kennis van elkaars leven.

In overeenstemming hiermee richten zij bij dezen de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur op, teneinde door middel van contact tussen de volken op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur het streven naar internationale vrede en het algemeen welzijn van de mensheid, waarvoor de Verenigde Naties werd opgericht en dat haar Handvest verkondigt, te bevorderen.

De Engelse tekst van het Statuut is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1946 (G)/336. De vertaling is gepubliceerd in Stb. 1947 (H)/62. Het Statuut wordt voorlopig toegepast per 15 november 1946, zie Stb. 1947 (H)/62. Het Statuut is in werking getreden op 1 januari 1947, zie Trb. 1960/131. Het Statuut is gewijzigd volgens Trb. 1960/131, Trb. 1968/56, Trb. 1973/143 en Trb. 1977/176.

Artikel I. Doelstellingen en taak
1.

De Organisatie heeft ten doel bij te dragen aan de vrede en veiligheid door de samenwerking van de volken door middel van onderwijs, wetenschap en cultuur te bevorderen, teneinde overal ter wereld de eerbied te bevorderen voor de rechtvaardigheid, de rechtsstaat en de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die door het Handvest van de Verenigde Naties worden bevestigd voor alle volken, zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst.

2.

Daartoe zal de Organisatie:

3.

Teneinde de onafhankelijkheid, integriteit en vruchtbare diversiteit van beschavingen en onderwijsstelsels van de Lidstaten van de Organisatie te handhaven, is het de Organisatie verboden tussenbeide te komen in aangelegenheden die wezenlijk onder de nationale rechtsmacht van een staat vallen.

Artikel II. Lidmaatschap
1.

Lidmaatschap van de Verenigde Naties geeft recht op het lidmaatschap van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

2.

Met inachtneming van de bepalingen van de overeenkomstig artikel X van dit Statuut goedgekeurde Overeenkomst tussen deze Organisatie en de Verenigde Naties, kunnen Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties op aanbeveling van de Uitvoerende Raad worden toegelaten tot het lidmaatschap van de Organisatie bij besluit van de Algemene Conferentie, genomen met een meerderheid van twee derden van de stemmen.

3.

Gebieden of groepen van gebieden die niet hun eigen internationale betrekkingen behartigen, kunnen worden toegelaten als Geassocieerd Lid van de Organisatie bij besluit van de Algemene Conferentie, genomen met een meerderheid van twee derden van de aanwezige en hun stem uitbrengende leden, wanneer het Lid dat of enige andere autoriteit die voor hun internationale betrekkingen verantwoordelijk is, ten behoeve van dergelijke gebieden of groepen van gebieden een daartoe strekkend verzoek doet. Aard en omvang van de rechten en verplichtingen van de Geassocieerde Leden worden door de Algemene Conferentie vastgesteld.

4.

Leden van de Organisatie die zijn geschorst in de uitoefening van de rechten en voorrechten verbonden aan het lidmaatschap van de Verenigde Naties worden, op verzoek van de laatstgenoemde, geschorst in de uitoefening van de rechten en voorrechten van deze Organisatie.

5.

Leden van de Organisatie houden automatisch op lid te zijn, wanneer zij worden uitgestoten als Lid van de Organisatie der Verenigde Naties.

6.

Elke Lidstaat of Geassocieerd Lid van de Organisatie kan zijn lidmaatschap opzeggen door kennisgeving aan de Directeur-Generaal. Een dergelijke kennisgeving wordt van kracht op 31 december van het jaar volgend op dat waarin de kennisgeving is geschied. Deze uittreding laat de financiële verplichtingen die jegens de Organisatie bestaan op de datum waarop de opzegging van kracht wordt onverlet. Kennisgeving van opzegging door een Geassocieerd Lid zal uit zijn naam worden gedaan door het Lid dat of de andere autoriteit die verantwoordelijk is voor de internationale betrekkingen van dat Geassocieerde Lid.

7.

Elke Lidstaat heeft het recht een Permanente Afgevaardigde voor de Organisatie te benoemen.

8.

De Permanente Afgevaardigde van de Lidstaat overlegt zijn geloofsbrieven aan de Directeur-Generaal van de Organisatie en oefent officieel zijn functie uit vanaf de dag waarop hij zijn geloofsbrieven overlegt.

Artikel III. Organen

De Organisatie omvat een Algemene Conferentie, een Uitvoerende Raad en een Secretariaat.

Artikel IV. De Algemene Conferentie
1.

De Algemene Conferentie bestaat uit de vertegenwoordigers van de Lidstaten van de Organisatie. De Regering van iedere Lidstaat benoemt niet meer dan vijf afgevaardigden, die worden gekozen na overleg met de Nationale Commissie, indien deze bestaat, of met instellingen op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur.

2.

De Algemene Conferentie bepaalt het beleid en de hoofdlijnen van de werkzaamheden van de Organisatie. Zij neemt besluiten over de programma’s die haar door de Uitvoerende Raad worden voorgelegd.

3.

De Algemene Conferentie zal, wanneer zij dit wenselijk en in overeenstemming met de door haar te geven richtlijnen acht, internationale conferenties van Staten bijeenroepen inzake onderwijs, de exacte wetenschappen, de geesteswetenschappen en de verspreiding van kennis. Overeenkomstig deze richtlijnen kunnen door de Algemene Conferentie of de Uitvoerende Raad voorts non-gouvernementele conferenties over dezelfde onderwerpen bijeen worden geroepen.

4.

Bij het aanvaarden van voorstellen die aan de Lidstaten worden voorgelegd, maakt de Algemene Conferentie onderscheid tussen aan de Lidstaten gedane aanbevelingen en hun ter bekrachtiging voorgelegde internationale overeenkomsten. In het eerste geval is een eenvoudige meerderheid van stemmen voldoende; in het laatste geval is een meerderheid van twee derden vereist. Elke Lidstaat legt de aanbevelingen of overeenkomsten binnen een jaar nadat de zitting van de Algemene Conferentie waarop zij werden aangenomen is gesloten voor aan zijn bevoegde organen.

5.

Met inachtneming van artikel V, lid 6, onder c, brengt de Algemene Conferentie aan de Verenigde Naties advies uit over de aan wetenschap, cultuur en onderwijs gerelateerde aspecten van de vraagstukken die voor de Verenigde Naties van belang zijn, in overeenstemming met de voorwaarden en de werkwijze die de bevoegde autoriteiten van beide organisaties overeenkomen.

6.

De Algemene Conferentie ontvangt en bestudeert de door de Lidstaten aan de Organisatie toegezonden rapporten inzake de maatregelen die zij hebben genomen naar aanleiding van de in het vierde lid van dit artikel bedoelde aanbevelingen en overeenkomsten, of indien zij daartoe besluit, analytische samenvattingen van deze rapporten.

7.

De Algemene Conferentie kiest de leden van de Uitvoerende Raad en benoemt, op voordracht van de Uitvoerende Raad, de Directeur-Generaal.

10.

De Algemene Conferentie stelt haar eigen reglement van orde vast. Zij kiest tijdens iedere zitting een voorzitter en andere functionarissen.

11.

De Algemene Conferentie stelt bijzondere en technische commissies in en andere subsidiaire organen die nodig kunnen zijn voor haar doeleinden.

12.

De Algemene Conferentie treft maatregelen ten behoeve van de openbaarheid van haar zittingen overeenkomstig de door haar vast te stellen voorschriften.

13.

De Algemene Conferentie kan, op aanbeveling van de Uitvoerende Raad, en met inachtneming van de bepalingen van haar reglement van orde, met een meerderheid van tweederden besluiten om vertegenwoordigers van internationale organisaties, met name die welke in artikel XI, lid 4 worden bedoeld, uit te nodigen als waarnemers bij bepaalde zittingen van de Algemene Conferentie of van haar commissies.

14.

Indien de Uitvoerende Raad regelingen inzake overleg met non-gouvernementele of semi-gouvernementele organisaties, als bedoeld in artikel XI, lid 4, heeft goedgekeurd, worden die organisaties uitgenodigd waarnemers te zenden naar de zittingen van de Algemene Conferentie en van haar commissies.

Artikel V. Uitvoerende Raad
3.

Bij de verkiezing van de Leden voor de Uitvoerende Raad, houdt de Algemene Conferentie rekening met de verscheidenheid van culturen en een gelijkmatige geografische spreiding.

5.

Indien een Lid van de Uitvoerende Raad uit het lidmaatschap van de organisatie opzegt, eindigt diens zittingstermijn op de dag waarop de opzegging van kracht wordt.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.