Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, 2004

Type Verdrag
Publication 2025-10-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De partijen bij dit Verdrag,

In herinnering roepend artikel 196, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS), dat bepaalt „Staten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit het gebruik van onder hun rechtsmacht of toezicht staande technologieën, of de opzettelijke of onbedoelde introductie van uitheemse of nieuwe soorten in een bepaald deel van het mariene milieu, die daarin aanmerkelijke en schadelijke veranderingen kan teweegbrengen”,

Gelet op de doelstellingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) van 1992 en het feit dat de verplaatsing en binnenkomst van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen via het ballastwater van schepen het behoud en duurzaam gebruik van de biodiversiteit bedreigt alsmede besluit IV/5 in 1998 van de Conferentie van de Partijen (COP 4) bij het CBD inzake het behoud en duurzaam gebruik van mariene en kustgebonden ecosystemen, alsmede besluit VI/23 in 2002 van de Conferentie van de Partijen (COP 6) bij het CBD inzake uitheemse soorten die bedreigend zijn voor ecosystemen, habitats of soorten, met inbegrip van een leidraad met betrekking tot invasieve soorten,

Voorts gelet op het feit dat de Conferentie van de Verenigde Naties inzake Milieu en Ontwikkeling (UNCED) de Internationale Maritieme Organisatie (de Organisatie) in 1992 heeft verzocht de aanneming te overwegen van passende regels voor het lozen van ballastwater,

Indachtig de voorzorgsbenadering vervat in beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en waarnaar verwezen wordt in resolutie MEPC.67(37), op 15 september 1995 aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie,

Voorts indachtig de oproep in paragraaf 34, onderdeel b, van het plan van aanpak van de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling van 2002 tot actie op alle niveaus teneinde maatregelen op te stellen om de invasieve uitheemse soorten in ballastwater aan te pakken,

Zich ervan bewust dat het ongecontroleerd lozen van ballastwater en sedimenten door schepen heeft geleid tot de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen hetgeen schade veroorzaakt aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen en hulpbronnen,

Erkennend het belang dat de Organisatie aan deze kwestie hecht door middel van resoluties A. 774(18) in 1993 en A.868(20) in 1997 van de Assemblee die zijn aangenomen ten behoeve van de aanpak van de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen.

Voorts erkennend dat verschillende staten individueel maatregelen hebben getroffen teneinde de gevaren van de introductie van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen via schepen die hun havens binnenlopen te voorkomen, te beperken en uiteindelijk uit te bannen en tevens dat deze kwestie die wereldwijd een bron van zorg vormt, maatregelen vergt op grond van wereldwijd toepasselijke voorschriften tezamen met richtlijnen voor de doeltreffende implementatie en uniforme interpretatie,

Geleid door de wens de ontwikkeling van veiliger en doeltreffender mogelijkheden voor het beheer van ballastwater voort te zetten hetgeen zal leiden tot verdere voorkoming, beperking en uiteindelijk de uitbanning van de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen,

Vastbesloten de gevaren voor het milieu, de gezondheid van de mens, goederen en hulpbronnen die voortvloeien uit de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen te voorkomen, te beperken en uiteindelijk uit te bannen door middel van controle en beheer van het ballastwater en de sedimenten van schepen, alsmede de ongewenste neveneffecten van die controle te vermijden en ontwikkelingen in de kennis en technologie op dat gebied aan te moedigen,

Overwegende dat deze doelstellingen het best kunnen worden verwezenlijkt door het sluiten van een internationaal verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder:

Artikel 2. Algemene verplichtingen
1.

De Partijen verplichten zich de bepalingen van dit Verdrag en de Bijlage erbij volledig uit te voeren teneinde de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen te voorkomen, te beperken en uiteindelijk uit te bannen door middel van controle en beheer van het ballastwater en de sedimenten van schepen.

2.

De Bijlage vormt een integraal onderdeel van dit Verdrag. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, vormt een verwijzing naar dit Verdrag tevens een verwijzing naar de Bijlage.

3.

Niets in dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beletsel voor een Partij individueel of tezamen met andere Partijen stringentere maatregelen te treffen met betrekking tot de voorkoming, beperking of uitbanning van de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen door middel van het in overeenstemming met het internationale recht controleren en beheren van het ballastwater en de sedimenten van schepen.

4.

De Partijen streven ernaar samen te werken ten behoeve van de doeltreffende uitvoering, naleving en handhaving van dit Verdrag.

5.

De Partijen verplichten zich de voortzetting van de ontwikkeling van ballastwaterbeheer en de normen ervoor aan te moedigen teneinde de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen te voorkomen, te beperken en uiteindelijk uit te bannen door middel van controle en beheer van het ballastwater en de sedimenten van schepen.

6.

De Partijen die maatregelen treffen uit hoofde van dit Verdrag streven ernaar geen schade te veroorzaken aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen op hun eigen grondgebied noch op dat van andere Staten.

7.

De Partijen dienen te waarborgen dat met de ballastwaterbeheerpraktijken die worden gehanteerd teneinde te voldoen aan dit Verdrag niet meer schade wordt veroorzaakt aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen op hun eigen grondgebied of op dat van andere Staten dan ermee voorkomen wordt.

8.

De Partijen moedigen schepen die gerechtigd zijn hun vlag te voeren en waarop dit Verdrag van toepassing is aan voor zover praktisch uitvoerbaar te voorkomen dat zij ballastwater innemen met mogelijk schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen of sedimenten die dergelijke organismen kunnen bevatten, en bevorderen de adequate uitvoering van door de Organisatie opgestelde aanbevelingen.

9.

De Partijen streven naar samenwerking onder auspiciën van de Organisatie teneinde bedreigingen aan en risico's voor gevoelige, kwetsbare of bedreigde mariene ecosystemen en de biodiversiteit in gebieden buiten de grenzen van hun nationale rechtsmacht met betrekking tot ballastwaterbeheer aan te pakken.

Artikel 3. Toepassing
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald in dit Verdrag, is dit Verdrag van toepassing op:

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

3.

Ten aanzien van schepen van Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, passen de Partijen de vereisten van dit Verdrag waar nodig toe teneinde te waarborgen dat dergelijke schepen niet gunstiger behandeld worden.

Artikel 4. Controle op de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen via het ballastwater en de sedimenten van schepen
1.

Elke Partij verlangt dat de schepen waarop dit Verdrag van toepassing is en die gerechtigd zijn haar vlag te voeren of die onder haar gezag varen, voldoen aan de vereisten vervat in dit Verdrag, met inbegrip van de toepasselijke normen en vereisten in de Bijlage en neemt doeltreffende maatregelen om te waarborgen dat die schepen voldoen aan die vereisten.

2.

Elke Partij ontwikkelt in overeenstemming met haar omstandigheden en mogelijkheden nationaal beleid, nationale strategieën of programma's voor ballastwaterbeheer in de havens en wateren onder haar rechtsmacht die beantwoorden aan en bevorderlijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel 5. Ontvangstinrichtingen voor sedimenten
1.

Rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen verplicht elke Partij zich te waarborgen dat in de door die Partij aangewezen havens en laad- en losplaatsen waar ballasttanks worden gereinigd of hersteld adequate voorzieningen zijn voor de ontvangst van sedimenten. Deze ontvangstinrichtingen fungeren zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen en voorzien in de veilige afvoer van dergelijke sedimenten op een wijze die niet ten koste gaat van of schade toebrengt aan het milieu, de gezondheid van de mens, of goederen of hulpbronnen op haar grondgebied of dat van andere Staten.

2.

Elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Partijen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van het eerste lid ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.

Artikel 6. Wetenschappelijk en technisch onderzoek en monitoring
1.

De Partijen streven ernaar, individueel of gezamenlijk:

Dit onderzoek en deze monitoring dienen mede te omvatten het observeren, meten, bemonsteren, beoordelen en analyseren van de doeltreffendheid en nadelige gevolgen van elke technologie of methodiek alsmede de eventuele nadelige gevolgen veroorzaakt door dergelijke organismen en ziektekiemen waarvan is vastgesteld dat zij zijn verplaatst via het ballastwater van schepen.

2.

Elke Partij bevordert, ten behoeve van de doelstellingen van dit Verdrag de beschikbaarheid van relevante informatie voor andere Partijen die erom verzoeken inzake

Artikel 7. Onderzoek en certificatie
1.

Elke Partij waarborgt dat in geval van schepen die onder haar vlag varen of onder haar gezag varen en onderzocht en gecertificeerd dienen te worden, zulks geschiedt in overeenstemming met de voorschriften in de Bijlage.

2.

Een Partij die maatregelen uitvoert uit hoofde van artikel 2, derde lid, en onderdeel C van de Bijlage, verlangt geen aanvullend onderzoek en aanvullende certificatie van een schip van een andere Partij, noch is de Administratie van het schip verplicht de door een andere Partij opgelegde aanvullende maatregelen te onderzoeken en te certificeren. Het verifiëren van dergelijke aanvullende maatregelen behoort tot de verantwoordelijkheid van de Partij die dergelijke maatregelen implementeert en mag niet leiden tot onnodige vertraging voor het schip.

Artikel 8. Overtredingen
1.

Elke overtreding van de vereisten in dit Verdrag is verboden en sancties dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het recht van de Administratie van het betrokken schip, ongeacht waar de overtreding plaatsvindt. Indien de Administratie in kennis wordt gesteld van een dergelijke overtreding, onderzoekt zij de zaak en kan zij de Partij die de kennisgeving heeft gedaan verzoeken aanvullend bewijs te verschaffen van de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste een dergelijke rechtsvervolging in overeenkomstig haar eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen. Indien de Administratie binnen 1 jaar na ontvangst van de informatie geen maatregelen heeft getroffen, stelt zij de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd daarvan in kennis.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.