Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
De Partijen bij het Verdrag,
Geleid door de wens de beveiliging van schepen in het algemeen en de beveiliging van vissersvaartuigen in het bijzonder te bevorderen,
Indachtig de voortreffelijke bijdrage van de Internationale Verdragen voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee alsmede van de Internationale Verdragen betreffende de Uitwatering van Schepen tot het bevorderen van de veiligheid van schepen,
Erkennend dat vissersvaartuigen zijn vrijgesteld van vrijwel alle dwingende bepalingen van genoemde Internationale Verdragen,
Derhalve geleid door de wens in onderlinge overeenstemming eenvormige beginselen en voorschriften vast te stellen betreffende de constructie en uitrusting van vissersvaartuigen dienende tot de beveiliging van zodanige vaartuigen en hun bemanningen,
Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag
De Partijen zullen uitvoering geven aan de bepalingen van dit Verdrag, en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel vormt van dit Verdrag. Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, houdt een verwijzing naar het Verdrag terzelfder tijd een verwijzing naar de Bijlage in.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Bij de toepassing van het Verdrag wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder:
- (a). „Partij”: een Staat waarvoor het Verdrag in werking is getreden.
- (b). „Vissersvaartuig” of „vaartuig”: elk vaartuig dat gebruikt wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis, walvissen, zeehonden, walrussen of andere levende rijkdommen van de zee.
- (c). „Organisatie”: de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie.
- (d). „Secretaris-Generaal”: de Secretaris-Generaal van de Organisatie.
- (e). „Administratie”: de Regering van de Staat wiens vlag het vaartuig gerechtigd is te voeren.
Artikel 3. Toepassing
Het Verdrag is van toepassing op zeegaande vissersvaartuigen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een Staat die Partij is.
Artikel 4. Afgifte van certificaten en Controle
(1). Behoudens de bepalingen van het tweede lid wordt een overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag onder gezag van een Partij afgegeven certificaat door de andere Partijen erkend en voor alle doeleinden die bij dit Verdrag zijn geregeld, geacht dezelfde geldigheid te bezitten als een certificaat dat zij zelf hebben afgegeven.
(2). Elk vaartuig dat een certificaat heeft, afgegeven op grond van de Voorschriften 7 of 8, is in de havens van andere Partijen onderworpen aan controle door bevoegde ambtenaren van deze Partijen, voor zover deze controle erop gericht is zekerheid te verkrijgen dat er een geldig certificaat aan boord is. Een zodanig certificaat wordt aanvaard, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de toestand van het vaartuig of van zijn uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van dat certificaat. In dat geval of indien er geen geldig certificaat aanwezig is, stelt de controlerende ambtenaar de consul of, bij diens afwezigheid, de diplomatieke vertegenwoordiger van de Partij wier vlag het vaartuig gerechtigd is te voeren terstond in kennis van alle omstandigheden waaromtrent corrigerende maatregelen door die Partij noodzakelijk worden geacht en worden de feiten aan de Organisatie gerapporteerd. De controlerende ambtenaar moet zodanige stappen ondernemen dat het zeker is dat het vaartuig niet zal vertrekken voordat het zonder gevaar voor vaartuig of opvarenden zee kan kiezen.
Artikel 5. Overmacht
(1). Een vaartuig dat bij de aanvang van een reis niet is onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag of dat niet verplicht is een certificaat aan boord te hebben overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, zal hieraan ook niet worden onderworpen tengevolge van enige afwijking van zijn voorgenomen route die te wijten is aan slecht weer of aan enige andere vorm van overmacht.
(2). Personen die aan boord van een vaartuig zijn door overmacht of tengevolge van de verplichtingen schipbreukelingen of andere personen te vervoeren, mogen niet in aanmerking worden genomen bij de vraag of het vaartuig voldoet aan de bepalingen van het Verdrag.
Artikel 6. Verstrekking van inlichtingen
(1). De Partijen zenden aan de Organisatie:
- (a). de tekst van de terzake van de verschillende onderwerpen binnen de werkingssfeer van het Verdrag uitgevaardigde wetten, besluiten, beschikkingen, voorschriften en andere akten;
- (b). een lijst van niet-gouvernementele organisaties die gemachtigd zijn namens hen op te treden in aangelegenheden betreffende ontwerp, constructie en uitrusting van vaartuigen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag;
- (c). een voldoende aantal exemplaren van de certificaten die overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag door hen worden afgegeven.
(2). De Organisatie stelt alle Partijen in kennis van de ontvangst van elke mededeling die op grond van het eerste lid, letter (a), is gedaan en geeft hun kennis van alle inlichtingen die haar op grond van het eerste lid, letters (b) en (c) zijn verstrekt.
Artikel 7. Ongevallen aan vissersvaartuigen overkomen
(1). Elke Partij stelt een onderzoek in naar elk ongeval dat haar vaartuigen waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn, mocht overkomen, wanneer zij van oordeel is dat een zodanig onderzoek kan bijdragen tot het doen overwegen welke wijzigingen in het Verdrag wenselijk zouden kunnen zijn.
(2). Elke Partij verstrekt de Organisatie, ter kennisgeving aan alle Partijen, inlichtingen betreffende de resultaten van een zodanig onderzoek. Rapporten of aanbevelingen van de Organisatie die gebaseerd zijn op dergelijke inlichtingen, mogen niet de identiteit of nationaliteit van de betrokken vaartuigen onthullen, of op enigerlei wijze een vaartuig of een persoon verantwoordelijk stellen of de verantwoordelijkheid daarvan veronderstellen.
Artikel 8. Andere verdragen en interpretatie
Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties over het Zeerecht, bijeengeroepen ingevolge Resolutie 2750 (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige en toekomstige aanspraken en juridische opvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van kuststaten en vlaggestaten.
Artikel 9. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
(1). Het Verdrag blijft open voor ondertekening op het Hoofdkantoor van de Organisatie van 1 oktober 1977 tot 30 juni 1978 en blijft daarna open voor toetreding. Alle Staten kunnen partij bij dit Verdrag worden door:
- (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (c). toetreding.
(2). Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door de nederlegging van een hiertoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.
(3). De Secretaris-Generaal doet alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden mededeling van iedere ondertekening of van de nederlegging van iedere nieuwe akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, alsmede van de datum van nederlegging daarvan.
Artikel 10. Inwerkingtreding
(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten, waarvan de gezamenlijke vissers vloten niet minder dan vijftig percent van de wereldvloot van vissersvaartuigen met een lengte van vierentwintig meter en meer vormen, dit hetzij hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, hetzij overeenkomstig artikel 9 de vereiste akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd.
(2). De Organisatie stelt de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden in kennis van de datum van inwerkingtreding.
(3). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag hebben nedergelegd nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding is voldaan, doch vóór de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag, dan wel drie maanden na de datum van nederlegging van de akte, indien deze datum later valt.
(4). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop het Verdrag in werking is getreden, treedt het Verdrag in werking drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.
(5). Na de datum waarop is voldaan aan alle in artikel 11 genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag, zoals gewijzigd.
Artikel 11. Wijzigingen
(1). Het Verdrag kan worden gewijzigd door middel van een van de twee der in dit artikel genoemde procedures.
(2). Wijzigingen na bestudering binnen de Organisatie:
- (a). Elke door een Partij voorgestelde wijziging wordt ingediend bij de Secretaris-Generaal, die deze ten minste zes maanden vóór de behandeling ervan verspreidt onder alle Leden van de Organisatie en alle Partijen.
- (b). Elke aldus voorgestelde en verspreide wijziging wordt voor behandeling voorgelegd aan de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie.
- (c). Partijen, ongeacht of zij Lid zijn van de Organisatie, zijn gerechtigd deel te nemen aan de besprekingen van de Maritieme Veiligheidscommissie voor de bestudering en aanneming van wijzigingen.
- (d). Wijzigingen worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de Maritieme Veiligheidscommissie, die is uitgebreid zoals bepaald in letter (c) (hierna te noemen „de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie”), op voorwaarde dat ten minste een derde van de Partijen aanwezig is op het tijdstip van stemming.
- (e). Overeenkomstig het bepaalde in letter (d) aangenomen wijzigingen worden door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht van alle Partijen.
- (f).
- (i). Een wijziging van een artikel of van de Voorschriften 1 alsmede 3 tot en met 11 wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop zij is aanvaard door twee derde van de Partijen.
- (ii). Een wijziging van de Bijlage, behalve van de Voorschriften 1 alsmede 3 tot en met 11, wordt geacht te zijn aanvaard: Indien evenwel binnen de aangegeven periode hetzij meer dan een derde van de Partijen, hetzij Partijen waarvan de gezamenlijke vissersvloot niet minder dan vijftig percent vormt van het aantal vissersvaartuigen met een lengte van vierentwintig meter en meer van alle Partijen, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij bezwaar hebben tegen de wijziging, wordt deze wijziging geacht niet te zijn aanvaard.
- (aa). na afloop van twee jaar van de datum waarop zij ter kennis van de Partijen is gebracht ten einde aanvaarding te verkrijgen; of
- (bb). aan het einde van een andere periode, die niet korter mag zijn dan een jaar, indien zulks is bepaald op het tijdstip van aanneming ervan met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de uitgebreide Maritieme Veiligbeidscommissie.
- (iii). Een wijziging van een Aanhangsel van de Bijlage wordt geacht te zijn aanvaard aan het einde van een op het tijdstip van aanneming door de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie te bepalen periode, die niet korter mag zijn dan tien maanden, tenzij binnen deze periode bij de Organisatie bezwaar is aangetekend door niet minder dan een derde van de Partijen of door Partijen waarvan de gezamenlijke vissersvloot niet minder dan vijftig percent vormt van het aantal visservaartuigen met een lengte van vierentwintig meter en meer van alle Partijen.
- (g).
- (i). Een wijziging van een artikel of van de Voorschriften 1 alsmede 3 tot en met 11 treedt in werking ten aanzien van die Partijen die haar hebben aanvaard, zes maanden na de datum waarop zij geacht wordt te zijn aanvaard, en ten aanzien van iedere Partij die haar na die datum aanvaardt, zes maanden na de datum van aanvaarding door die Partij,
- (ii). Een wijziging van de Bijlage, behalve van de Voorschriften 1 alsmede 3 tot en met 11 en van een Aanhangsel van de Bijlage treedt in werking ten aanzien van alle Partijen, behalve die welke bezwaar tegen de wijziging hebben gemaakt krachtens het bepaalde in letter (f) (ii) en (iii) en die deze bezwaren niet hebben ingetrokken, zes maanden na de datum waarop zij wordt geacht te zijn aanvaard. Vóór de datum die is vastgesteld voor de inwerkingtreding kan elke Partij de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij zich onthoudt van het geven van uitvoering aan deze wijziging voor een periode van niet langer dan een jaar te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding ervan, of voor een langere periode, vast te stellen met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie op het tijdstip van aanneming van de wijziging.
(3). Wijziging door een Conferentie:
- (a). Op verzoek van een Partij waarmede door ten minste een derde van de Partijen wordt ingestemd, wordt door de Organisatie een Conferentie van Partijen bijeengeroepen ten einde wijzigingen van dit Verdrag te bestuderen.
- (b). Iedere door een zodanige Conferentie met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen aangenomen wijziging wordt door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht van alle Partijen ten einde aanvaarding te verkrijgen.
- (c). Tenzij de Conferentie anders besluit, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard en treedt zij in werking overeenkomstig de procedures aangegeven in het tweede lid, onderscheidenlijk de letters (f) en (g), met dien verstande dat de verwijzingen daarin naar de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie worden verstaan als verwijzingen naar de Conferentie.
(4). Iedere Partij die heeft geweigerd de wijziging van de Bijlage te aanvaarden, wordt geacht geen Partij te zijn wat de toepassing van die wijziging betreft.
(5). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is een wijziging van het Verdrag, die betrekking heeft op de constructie van een vaartuig, alleen van toepassing op vaartuigen waarvan op of na de datum waarop die wijziging in werking treedt:
- (a). de kiel is gelegd; of
- (b). een aanvang is gemaakt met werkzaamheden die gelijkgesteld kunnen worden met de bouw van een bepaald vaartuig; of
- (c). een aanvang is gemaakt met de montage die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte hoeveelheid van alle bouwmaterialen omvat, al naar gelang welke hoeveelheid de kleinste is.
(6). Elke verklaring van aanvaarding van of van bezwaar tegen een wijziging, of elke kennisgeving gedaan krachtens het bepaalde in het tweede lid, letter (g) (ii), wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal, die alle Partijen in kennis stelt van een zodanige kennisgeving en van de datum van ontvangst ervan.
(7). De Secretaris-Generaal stelt alle Partijen in kennis van wijzigingen die in werking treden, alsmede van de datum waarop elke wijziging in werking treedt.
Artikel 12. Opzegging
(1). Een Partij kan het Verdrag na verloop van vijf jaar na de datum waarop het voor die Partij in werking is getreden, te allen tijde opzeggen.
(2). Opzegging geschiedt door middel van schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal, die alle andere Partijen van de ontvangst van zodanige kennisgevingen van de datum van ontvangst op de hoogte stelt.
(3). Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal of na verloop van een langere periode die in de kennisgeving kan worden aangegeven.
Artikel 13. Nederlegging en registratie
(1). Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten die het hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden.
(2). Zodra dit Verdrag in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voor registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.
Artikel 14. Talen
Het Verdrag is opgesteld in een enkel exemplaar in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Er zullen officiële vertalingen worden vervaardigd in de Arabische, de Duitse en de Italiaanse taal, welke vertalingen worden nedergelegd bij het ondertekende origineel.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE VOORZIENINGEN
Voorschrift 1. Toepassing
- (1). De voorzieningen van deze Bijlage zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op nieuwe vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, met inbegrip van vaartuigen waarop de vangst tevens wordt verwerkt.
- (2). De voorzieningen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op vaartuigen die uitsluitend worden gebruikt:
- (a). voor sport of recreatie;
- (b). voor de verwerking van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
- (c). voor wetenschappelijk onderzoek en opleiding; of
- (d). als vrachtschepen voor het vervoer van vis.
Voorschrift 2. Omschrijvingen
- (1). Onder „nieuw vaartuig” wordt verstaan een visservaartuig waarvoor, op of na de datum waarop het Verdrag in werking treedt:
- (a). het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing wordt gegund; of
- (b). het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór de datum waarop het Verdrag in werking treedt, en dat drie jaar of meer na de datum van deze inwerkingtreding wordt opgeleverd; of waarvoor
- (c). bij gebreke van een bouwcontract:
- (i). de kiel is gelegd; of
- (ii). een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig; of
- (iii). een aanvang is gemaakt met de samenbouw die ten minste 50 ton of één procent van de geschatte totale hoeveelheid constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden beslissend is.
- (2). Onder „bestaand vaartuig” wordt verstaan een visservaartuig dat geen nieuw vaartuig is.
- (3). „Goedgekeurd” betekent goedgekeurd door de Administratie.
- (4). Onder „bemanning” wordt verstaan de kapitein en alle personen die, in welke hoedanigheid dan ook, dienst doen of te werk gesteld zijn aan boord van een vaartuig ten behoeve van de exploitatie van dat vaartuig.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.