Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

Type Verdrag
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Verdragsluitende Regeringen,

Verlangende uniforme beginselen en regels vast te stellen met betrekking tot de grenzen waartoe schepen op internationale reizen, gelet op de noodzaak van de beveiliging van mensenlevens en goederen op zee, mogen worden geladen;

Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Algemene verplichting krachtens het Verdrag
1.

De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlagen, die geacht worden een integrerend deel te vormen van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag sluit in zich een gelijktijdige verwijzing naar de Bijlagen.

2.

De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich alle maatregelen te nemen, die nodig kunnen zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Bij de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder:

Artikel 3. Algemene bepalingen
1.

Na de datum waarop dit Verdrag in werking treedt, mag geen schip waarop dit Verdrag van toepassing is, zee kiezen om een internationale reis te ondernemen, tenzij het overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag is onderzocht, van merken voorzien, alsmede voorzien van een Internationaal Certificaat van Uitwatering of, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, van een Internationaal Certificaat van Vrijstelling betreffende de Uitwatering.

2.

Geen bepaling van dit Verdrag verbiedt een Administratie een groter vrijboord voor te schrijven dan het overeenkomstig Bijlage I bepaalde minimumvrijboord.

Artikel 4. Toepasselijkheid
1.

Dit Verdrag is van toepassing op:

2.

Dit Verdrag is van toepassing op schepen die internationale reizen maken.

3.

Tenzij uitdrukkelijk anderszins bepaald, zijn de in Bijlage I vervatte voorschriften van toepassing op nieuwe schepen.

4.

Bestaande schepen die niet geheel voldoen aan de in Bijlage I vervatte Voorschriften of aan enig deel daarvan, dienen tenminste te voldoen aan de minder stringente overeenkomstige voorschriften die door de Administratie vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werden toegepast op schepen die internationale reizen maken; in geen geval mag worden geëist dat het vrijboord van deze schepen wordt vergroot. Ten einde het voordeel te kunnen genieten van een geringer vrijboord dan hetwelk voorheen werd voorgeschreven, dienen bestaande schepen aan alle vereisten van dit Verdrag te voldoen.

5.

De in Bijlage II vervatte Voorschriften zijn van toepassing op nieuwe en bestaande schepen waarop dit Verdrag van toepassing is.

Artikel 5. Uitzonderingen
1.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

2.

Geen der bepalingen van dit Verdrag is van toepassing op schepen die uitsluitend varen op:

Artikel 6. Vrijstellingen
1.

Schepen die internationale reizen maken tussen naburige havens van twee of meer Staten kunnen door de Administratie worden vrijgesteld van de bepalingen van dit Verdrag zolang zij deze reizen blijven maken, indien de Regeringen van de Staten waarin deze havens zijn gelegen ervan overtuigd zijn dat de beschutte aard van de route of de omstandigheden waaronder reizen tussen zodanige havens plaatshebben, de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag het onredelijk of praktisch niet wel uitvoerbaar maken de bepalingen van dit Verdrag toe te passen op schepen die zodanige reizen ondernemen.

2.

De Administratie kan elk schip waarin nieuwe voorzieningen zijn opgenomen, vrijstellen van die bepalingen van dit Verdrag waarvan de toepassing het onderzoek inzake de verbetering van deze nieuwe voorzieningen en de invoering ervan op schepen die internationale reizen maken ernstig zou kunnen belemmeren. Ieder zodanig schip dient evenwel te voldoen aan veiligheidseisen die naar het oordeel van de Administratie voldoende zijn met het oog op de dienst waarvoor het schip is bestemd en die zodanig zijn dat zij de algemene veiligheid van het schip verzekeren en aanvaardbaar zijn voor de Regeringen van de Staten die door het schip worden bezocht.

3.

De Administratie die krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel een vrijstelling toestaat, deelt aan de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (hierna te noemen de Organisatie) bijzonderheden omtrent deze vrijstelling en de beweegredenen daarvoor mede, welke inlichtingen door de Organisatie aan de Verdragsluitende Regeringen ter kennis worden gebracht.

4.

Een schip dat onder normale omstandigheden geen internationale reizen maakt, doch dat in bijzondere omstandigheden een enkele internationale reis dient te maken, kan door de Administratie van een of meer bepalingen van dit Verdrag worden vrijgesteld, mits het voldoet aan veiligheidseisen die naar het oordeel van die Administratie voldoende zijn voor de reis die door dat schip wordt ondernomen.

Artikel 7. Overmacht
1.

Een schip dat op het ogenblik van het vertrek voor een reis niet is onderworpen aan de bepalingen van dit Verdrag, mag niet wegens afwijking van de voorgenomen reis tengevolge van slecht weer of enige andere vorm van overmacht aan deze bepalingen worden onderworpen.

2.

Bij toepassing van de bepalingen van dit Verdrag houdt de Administratie behoorlijk rekening met elke afwijking van de route, of elke vertraging door een schip ondervonden, tengevolge van slecht weer of enige andere vorm van overmacht.

Artikel 8. Gelijkwaardige voorzieningen
1.

De Administratie kan toestaan dat een bepaald onderdeel, materiaal, instrument of toestel wordt aangebracht, of dat een bepaalde andere voorziening op een schip wordt getroffen, die niet door dit Verdrag wordt voorgeschreven, indien zij door beproeving daarvan of anderszins ervan overtuigd is dat zulk een onderdeel, materiaal, instrument of toestel of zulk een voorziening tenminste even doelmatig is als hetgeen is voorgeschreven door het Verdrag.

2.

De Administratie die hetzij een onderdeel, materiaal, instrument of toestel, hetzij een voorziening toestaat verschillend van hetgeen door dit Verdrag is voorgeschreven, doet aan de Organisatie gegevens daaromtrent, vergezeld van een verslag over uitgevoerde proefnemingen, toekomen voor kennisgeving aan de Verdragsluitende Regeringen.

Artikel 9. Goedkeuringen voor experimentele doeleinden
1.

Geen der bepalingen van dit Verdrag verbiedt een Administratie ten aanzien van een schip waarop dit Verdrag van toepassing is, bijzondere voorzieningen voor experimentele doeleinden goed te keuren.

2.

Een Administratie die een zodanige voorziening goedkeurt deelt aan de Organisatie bijzonderheden daaromtrent mede voor kennisgeving aan de Verdragsluitende Regeringen.

Artikel 10. Reparaties, veranderingen en wijzigingen
1.

Een schip dat reparaties, veranderingen of wijzigingen, alsmede de daarmede verband houdende aanpassingen, ondergaat, dient tenminste te blijven voldoen aan de eisen die voordien voor dat schip golden. Een bestaand schip dient in dat geval in de regel niet in geringere mate dan voordien te voldoen aan de eisen voor nieuwe schepen.

2.

Reparaties, veranderingen en wijzigingen van grote omvang, alsmede de daarmede verband houdende aanpassingen, dienen te voldoen aan de eisen voor een nieuw schip voor zover de Administratie zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar acht.

Artikel 11. Vaarzones en vaargebieden
1.

Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is moet voldoen aan de voorschriften die op dat schip in de vaarzones en vaargebieden omschreven in Bijlage II van toepassing zijn.

2.

Een haven liggende op de grens tussen twee vaarzones of vaargebieden wordt beschouwd als te liggen binnen de vaarzone of het vaargebied vanwaar het schip komt of waarheen het vertrekt.

Artikel 12. Onderdompeling
1.

Behoudens in de gevallen voorzien in de leden 2 en 3 van dit artikel, mogen de van toepassing zijnde uitwateringslijnen aan de zijden van het schip overeenkomende met het jaargetij en de vaarzone of het vaargebied waarin het schip zich bevindt op geen enkel tijdstip wanneer het schip uitvaart, tijdens de reis of bij aankomst zijn ondergedompeld.

2.

Wanneer een schip zich bevindt in zoetwater waarvan het soortelijk gewicht gelijk is aan één, mag de van toepassing zijnde uitwateringslijn zijn ondergedompeld tot op een diepte die overeenkomt met de correctie voor zoetwater aangegeven in het Internationale Certificaat van Uitwatering. Wanneer het soortelijk gewicht niet gelijk is aan één wordt een correctie toegepast evenredig aan het verschil tussen 1,025 en het werkelijk soortelijk gewicht.

3.

Wanneer een schip een haven verlaat, die aan een rivier of aan binnenwateren is gelegen, is het toegestaan zoveel dieper af te laden als overeenkomt met het gewicht van de brandstof en van alle andere stoffen verbruikt tussen de plaats van afvaart en de zee.

Artikel 13. Onderzoeken en het aanbrengen van merken

Het onderzoek en de inspectie van schepen en het aanbrengen van merken daarop worden met het oog op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit Verdrag en het verlenen van vrijstelling daarvan, verricht door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan evenwel onderzoeken en het aanbrengen van merken opdragen, hetzij aan speciaal voor dit doel benoemde toezicht houdende ambtenaren, hetzij aan door haar erkende organisaties. In elk geval waarborgt de betrokken Administratie zonder voorbehoud de volledigheid en de doeltreffendheid van onderzoeken en het aanbrengen van merken.

Artikel 14. Eerste onderzoek, hernieuwde onderzoeken en jaarlijkse onderzoeken
1.

Een schip wordt onderworpen aan de onderzoeken als hieronder aangegeven:

2.

De jaarlijkse onderzoeken bedoeld in het eerste lid, letter (c) van dit artikel worden aangetekend op de rugzijde van het Internationale Certificaat van Uitwatering of van het Internationale Certificaat van Vrijstelling betreffende de Uitwatering dat wordt afgegeven ten behoeve van een schip dat vrijstelling geniet krachtens artikel 6, tweede lid van dit Verdrag.

Artikel 15. Handhaving van de toestand na het onderzoek

Nadat een onderzoek van het schip krachtens artikel 14 is voltooid, mogen in de constructie, de uitrusting, de inrichting, het materiaal of de verbanddelen waarop het onderzoek betrekking heeft, geen veranderingen worden aangebracht dan na goedkeuring door de Administratie.

Artikel 16. Afgifte van certificaten
1.

Ten behoeve van ieder schip dat is onderzocht en waarop een merk is aangebracht overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag wordt een Internationaal Certificaat van Uitwatering afgegeven.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.