Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
De Verdragsluitende Regeringen,
Verlangende uniforme beginselen en regels vast te stellen met betrekking tot de grenzen waartoe schepen op internationale reizen, gelet op de noodzaak van de beveiliging van mensenlevens en goederen op zee, mogen worden geladen;
Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Algemene verplichting krachtens het Verdrag
De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlagen, die geacht worden een integrerend deel te vormen van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag sluit in zich een gelijktijdige verwijzing naar de Bijlagen.
De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich alle maatregelen te nemen, die nodig kunnen zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Bij de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder:
-
- „Voorschriften”: de Voorschriften opgenomen in de bijlagen behorende bij dit Verdrag.
-
- „Administratie”: de Regering van de Staat wiens vlag het schip voert.
-
- „Goedgekeurd”: goedgekeurd door de Administratie.
-
- „Internationale reis”: een zeereis van een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven, gelegen buiten dat land of omgekeerd. Te dien einde wordt elk gebied voor welks internationale betrekkingen een Verdragsluitende Regering verantwoordelijk is of waarover de Verenigde Naties als gezagsorgaan het beheer uitoefenen als een afzonderlijk land beschouwd.
-
- „Vissersvaartuig”: een schip gebruikt voor het vangen van vis, walvissen, zeehonden, walrussen of andere levende rijkdommen van de zee.
-
- „Nieuw schip”: een schip waarvan de kiel is gelegd, of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt, op of na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor iedere Verdragsluitende Regering.
-
- „Bestaand schip”: een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „Lengte”: 96 procent van de totale lengte op een waterlijn op 85 percent van de kleinste holte naar de mal gemeten van de bovenzijde van de kiel of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is. Wanneer de voorstevencontour boven de lastlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de mal concaaf van vorm is, moet worden aangenomen dat het voorlijk gelegen eindpunt van de lengte en de voorzijde van de voorsteven samenvallen met de verticale projectie van het meest achterlijk gelegen punt van de voorstevencontour (boven die lastlijn) op die lastlijn. Bij schepen welke met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte wordt gemeten, evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen.
-
- „Verjaardatum”: de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het desbetreffende certificaat.
Artikel 3. Algemene bepalingen
Na de datum waarop dit Verdrag in werking treedt, mag geen schip waarop dit Verdrag van toepassing is, zee kiezen om een internationale reis te ondernemen, tenzij het overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag is onderzocht, van merken voorzien, alsmede voorzien van een Internationaal Certificaat van Uitwatering of, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, van een Internationaal Certificaat van Vrijstelling betreffende de Uitwatering.
Geen bepaling van dit Verdrag verbiedt een Administratie een groter vrijboord voor te schrijven dan het overeenkomstig Bijlage I bepaalde minimumvrijboord.
Artikel 4. Toepasselijkheid
Dit Verdrag is van toepassing op:
- a. schepen die zijn geregistreerd in landen waarvan de Regering een Verdragsluitende Regering is;
- b. schepen die zijn geregistreerd in gebieden waarop dit Verdrag krachtens artikel 32 eveneens van toepassing is;
- c. ongeregistreerde schepen die de vlag voeren van een Staat waarvan de Regering een Verdragsluitende Regering is.
Dit Verdrag is van toepassing op schepen die internationale reizen maken.
Tenzij uitdrukkelijk anderszins bepaald, zijn de in Bijlage I vervatte voorschriften van toepassing op nieuwe schepen.
Bestaande schepen die niet geheel voldoen aan de in Bijlage I vervatte Voorschriften of aan enig deel daarvan, dienen tenminste te voldoen aan de minder stringente overeenkomstige voorschriften die door de Administratie vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werden toegepast op schepen die internationale reizen maken; in geen geval mag worden geëist dat het vrijboord van deze schepen wordt vergroot. Ten einde het voordeel te kunnen genieten van een geringer vrijboord dan hetwelk voorheen werd voorgeschreven, dienen bestaande schepen aan alle vereisten van dit Verdrag te voldoen.
De in Bijlage II vervatte Voorschriften zijn van toepassing op nieuwe en bestaande schepen waarop dit Verdrag van toepassing is.
Artikel 5. Uitzonderingen
Dit Verdrag is niet van toepassing op:
- a. oorlogsschepen;
- b. nieuwe schepen met een lengte van minder dan 24 m (79 voet);
- c. bestaande schepen met een bruto inhoud van minder dan 150 ton;
- d. pleziervaartuigen die niet voor handelsdoeleinden worden gebruikt;
- e. vissersvaartuigen.
Geen der bepalingen van dit Verdrag is van toepassing op schepen die uitsluitend varen op:
- a. de Grote Meren van Noord-Amerika en de rivier de St. Laurens niet verder oostelijk dan de loxodroom getrokken van Cap des Rosiers naar West Point op het eiland Anticosti en aan de noordzijde van het eiland Anticosti tot de meridiaan van 63° Westerlengte;
- b. de Kaspische Zee;
- c. de Rio de la Plata en de rivieren Parana en Uruguay niet verder oostelijk dan tot de loxodroom getrokken van Punta Rasa (Cabo San Antonio) in Argentinië naar Punta del Este in Uruguay.
Artikel 6. Vrijstellingen
Schepen die internationale reizen maken tussen naburige havens van twee of meer Staten kunnen door de Administratie worden vrijgesteld van de bepalingen van dit Verdrag zolang zij deze reizen blijven maken, indien de Regeringen van de Staten waarin deze havens zijn gelegen ervan overtuigd zijn dat de beschutte aard van de route of de omstandigheden waaronder reizen tussen zodanige havens plaatshebben, de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag het onredelijk of praktisch niet wel uitvoerbaar maken de bepalingen van dit Verdrag toe te passen op schepen die zodanige reizen ondernemen.
De Administratie kan elk schip waarin nieuwe voorzieningen zijn opgenomen, vrijstellen van die bepalingen van dit Verdrag waarvan de toepassing het onderzoek inzake de verbetering van deze nieuwe voorzieningen en de invoering ervan op schepen die internationale reizen maken ernstig zou kunnen belemmeren. Ieder zodanig schip dient evenwel te voldoen aan veiligheidseisen die naar het oordeel van de Administratie voldoende zijn met het oog op de dienst waarvoor het schip is bestemd en die zodanig zijn dat zij de algemene veiligheid van het schip verzekeren en aanvaardbaar zijn voor de Regeringen van de Staten die door het schip worden bezocht.
De Administratie die krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel een vrijstelling toestaat, deelt aan de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (hierna te noemen de Organisatie) bijzonderheden omtrent deze vrijstelling en de beweegredenen daarvoor mede, welke inlichtingen door de Organisatie aan de Verdragsluitende Regeringen ter kennis worden gebracht.
Een schip dat onder normale omstandigheden geen internationale reizen maakt, doch dat in bijzondere omstandigheden een enkele internationale reis dient te maken, kan door de Administratie van een of meer bepalingen van dit Verdrag worden vrijgesteld, mits het voldoet aan veiligheidseisen die naar het oordeel van die Administratie voldoende zijn voor de reis die door dat schip wordt ondernomen.
Artikel 7. Overmacht
Een schip dat op het ogenblik van het vertrek voor een reis niet is onderworpen aan de bepalingen van dit Verdrag, mag niet wegens afwijking van de voorgenomen reis tengevolge van slecht weer of enige andere vorm van overmacht aan deze bepalingen worden onderworpen.
Bij toepassing van de bepalingen van dit Verdrag houdt de Administratie behoorlijk rekening met elke afwijking van de route, of elke vertraging door een schip ondervonden, tengevolge van slecht weer of enige andere vorm van overmacht.
Artikel 8. Gelijkwaardige voorzieningen
De Administratie kan toestaan dat een bepaald onderdeel, materiaal, instrument of toestel wordt aangebracht, of dat een bepaalde andere voorziening op een schip wordt getroffen, die niet door dit Verdrag wordt voorgeschreven, indien zij door beproeving daarvan of anderszins ervan overtuigd is dat zulk een onderdeel, materiaal, instrument of toestel of zulk een voorziening tenminste even doelmatig is als hetgeen is voorgeschreven door het Verdrag.
De Administratie die hetzij een onderdeel, materiaal, instrument of toestel, hetzij een voorziening toestaat verschillend van hetgeen door dit Verdrag is voorgeschreven, doet aan de Organisatie gegevens daaromtrent, vergezeld van een verslag over uitgevoerde proefnemingen, toekomen voor kennisgeving aan de Verdragsluitende Regeringen.
Artikel 9. Goedkeuringen voor experimentele doeleinden
Geen der bepalingen van dit Verdrag verbiedt een Administratie ten aanzien van een schip waarop dit Verdrag van toepassing is, bijzondere voorzieningen voor experimentele doeleinden goed te keuren.
Een Administratie die een zodanige voorziening goedkeurt deelt aan de Organisatie bijzonderheden daaromtrent mede voor kennisgeving aan de Verdragsluitende Regeringen.
Artikel 10. Reparaties, veranderingen en wijzigingen
Een schip dat reparaties, veranderingen of wijzigingen, alsmede de daarmede verband houdende aanpassingen, ondergaat, dient tenminste te blijven voldoen aan de eisen die voordien voor dat schip golden. Een bestaand schip dient in dat geval in de regel niet in geringere mate dan voordien te voldoen aan de eisen voor nieuwe schepen.
Reparaties, veranderingen en wijzigingen van grote omvang, alsmede de daarmede verband houdende aanpassingen, dienen te voldoen aan de eisen voor een nieuw schip voor zover de Administratie zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar acht.
Artikel 11. Vaarzones en vaargebieden
Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is moet voldoen aan de voorschriften die op dat schip in de vaarzones en vaargebieden omschreven in Bijlage II van toepassing zijn.
Een haven liggende op de grens tussen twee vaarzones of vaargebieden wordt beschouwd als te liggen binnen de vaarzone of het vaargebied vanwaar het schip komt of waarheen het vertrekt.
Artikel 12. Onderdompeling
Behoudens in de gevallen voorzien in de leden 2 en 3 van dit artikel, mogen de van toepassing zijnde uitwateringslijnen aan de zijden van het schip overeenkomende met het jaargetij en de vaarzone of het vaargebied waarin het schip zich bevindt op geen enkel tijdstip wanneer het schip uitvaart, tijdens de reis of bij aankomst zijn ondergedompeld.
Wanneer een schip zich bevindt in zoetwater waarvan het soortelijk gewicht gelijk is aan één, mag de van toepassing zijnde uitwateringslijn zijn ondergedompeld tot op een diepte die overeenkomt met de correctie voor zoetwater aangegeven in het Internationale Certificaat van Uitwatering. Wanneer het soortelijk gewicht niet gelijk is aan één wordt een correctie toegepast evenredig aan het verschil tussen 1,025 en het werkelijk soortelijk gewicht.
Wanneer een schip een haven verlaat, die aan een rivier of aan binnenwateren is gelegen, is het toegestaan zoveel dieper af te laden als overeenkomt met het gewicht van de brandstof en van alle andere stoffen verbruikt tussen de plaats van afvaart en de zee.
Artikel 13. Onderzoeken en het aanbrengen van merken
Het onderzoek en de inspectie van schepen en het aanbrengen van merken daarop worden met het oog op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit Verdrag en het verlenen van vrijstelling daarvan, verricht door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan evenwel onderzoeken en het aanbrengen van merken opdragen, hetzij aan speciaal voor dit doel benoemde toezicht houdende ambtenaren, hetzij aan door haar erkende organisaties. In elk geval waarborgt de betrokken Administratie zonder voorbehoud de volledigheid en de doeltreffendheid van onderzoeken en het aanbrengen van merken.
Artikel 14. Eerste onderzoek, hernieuwde onderzoeken en jaarlijkse onderzoeken
Een schip wordt onderworpen aan de onderzoeken als hieronder aangegeven:
- a). Een eerste onderzoek vóór het schip in dienst wordt gesteld, hetwelk dient in te houden een volledige inspectie van zijn constructie en uitrusting voor zover hieraan door dit Verdrag eisen worden gesteld. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat wordt gewaarborgd dat de inrichting, het materiaal en de verbanddelen ten volle voldoen aan de eisen van dit Verdrag.
- b). Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer artikel 19, tweede, vijfde, zesde en zevende lid van toepassing zijn, dat zodanig dient te zijn dat wordt gewaarborgd dat de constructie, de uitrusting, de inrichting, het materiaal en de verbanddelen ten volle voldoen aan de eisen van dit Verdrag.
- c). Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, ten einde vast te stellen dat
- (i). geen veranderingen in de romp of in de bovenbouw zijn aangebracht, die van invloed zijn op de berekeningen tot vaststelling van de plaats van de uitwateringslijn;
- (ii). de onderdelen en middelen voor de bescherming van openingen, de verschansing of het relingwerk, de waterloospoorten en de toegangen tot de verblijven van de bemanning in deugdelijke staat zijn gehouden;
- (iii). de diepgangsmerken juist en op onwisbare wijze zijn aangebracht;
- (iv). de in voorschrift 10 vereiste inlichtingen zijn verstrekt.
De jaarlijkse onderzoeken bedoeld in het eerste lid, letter (c) van dit artikel worden aangetekend op de rugzijde van het Internationale Certificaat van Uitwatering of van het Internationale Certificaat van Vrijstelling betreffende de Uitwatering dat wordt afgegeven ten behoeve van een schip dat vrijstelling geniet krachtens artikel 6, tweede lid van dit Verdrag.
Artikel 15. Handhaving van de toestand na het onderzoek
Nadat een onderzoek van het schip krachtens artikel 14 is voltooid, mogen in de constructie, de uitrusting, de inrichting, het materiaal of de verbanddelen waarop het onderzoek betrekking heeft, geen veranderingen worden aangebracht dan na goedkeuring door de Administratie.
Artikel 16. Afgifte van certificaten
Ten behoeve van ieder schip dat is onderzocht en waarop een merk is aangebracht overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag wordt een Internationaal Certificaat van Uitwatering afgegeven.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.