Verdrag betreffende de arbeidsvoorwaarden van Rijnvarenden
De Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat,
Besloten hebbende een Verdrag te sluiten betreffende de arbeidsvoorwaarden van Rijnvarenden en hiertoe hun gevolmachtigden benoemd hebbende, wier volmachten in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden,
Hebben de volgende bepalingen aangenomen:
TITEL I. Werkingssfeer van het Verdrag
Artikel 1
Dit Verdrag is van toepassing aan boord van alle schepen, welke gebruikt worden om met handelsdoeleinden goederen te vervoeren en welke toegelaten zijn tot de vaart op de Rijn krachtens artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim op 17 October 1868, met inachtneming van de later in die acte aangebrachte wijzigingen.
Dit Verdrag is niet van toepassing aan boord van de volgende schepen:
- a). schepen, welke uitsluitend of bijna uitsluitend in de havens worden gebruikt;
- b). schepen met een laadvermogen van minder dan 15 ton, met uitzondering van sleepboten;
- c). zeilschepen;
- d). passagiersschepen, welke niet meer dan 5 ton goederen vervoeren;
- e). zeeschepen;
- f). vissersschepen;
- g). schepen, als bedoeld in lid 1 van dit artikel gedurende een reis, waarbij in het geheel niet op de Rijn wordt gevaren.
Artikel 2
Behoudens de hierna genoemde uitzonderingen, heeft dit Verdrag betrekking op elk lid van de bemanning van schepen aan boord waarvan dit Verdrag van toepassing is, alsmede op de kapitein of schipper, indien deze in loondienst werkzaam is.
Deze personen worden hierna aangeduid als „Rijnvarenden”.
Artikel 3
De titels IV, V, VIII en IX van dit Verdrag zijn niet van toepassing op Rijnvarenden, die zijn:
- a). eigenaren, genoemd in het certificaat van onderzoek van het schip, aan boord waarvan zij werkzaam zijn;
- b). de bloedverwanten van de eigenaar van het schip, aan boord waarvan zij werkzaam zijn, t.w. de echtgenote en de kinderen, kleinkinderen, vader, moeder, grootouders, alsmede hun echtgenoten en aanverwanten in dezelfde graad, voor zover niet in loondienst werkzaam zijnde.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder eigenaar verstaan elke Rijnvarende, die tenminste een vierde deel van het schip bezit of die enig deel als erfgenaam bezit.
Artikel 4
De titels V, VII, VIII en IX van dit Verdrag zijn niet van toepassing aan boord van schepen, welke gedurende het grootste gedeelte van de reis andere waterwegen dan de Rijn bevaren en de Rijn slechts bij het begin of aan het einde van hun reis gebruiken.
Voorzover de collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de bemanningen der in lid 1 van dit artikel bedoelde schepen uitzonderingen bevatten, die in artikel 8 van dit Verdrag niet zijn genoemd, zullen deze uitzonderingen van toepassing zijn.
Artikel 5
Niets in dit Verdrag zal geacht worden inbreuk te maken op enige wettelijke bepaling, enig gebruik of enige overeenkomst tussen werkgevers en werknemers, welke aan boord van schepen, ingeschreven in het gebied van een van de Verdragsluitende Staten gunstiger arbeidsvoorwaarden aan de werknemers verzekert dan die in dit Verdrag bepaald.
TITEL II. Samenstelling van de bemanningen
Artikel 6
De bemanningen van schepen, aan boord waarvan dit Verdrag van toepassing is, moeten voldoende zijn om:
- a). de veiligheid van de vaart te verzekeren;
- b). uitvoering te geven aan het bepaalde in dit Verdrag.
TITEL III. Nachtrust tijdens de vaart
Artikel 7
Tijdens de vaart hebben de Rijnvarenden recht op een nachtrust, welke niet korter is dan:
- a). 12 uren gedurende de maanden November, December, Januari en Februari;
- b). 10 uren gedurende de andere maanden.
De nachtrust, voorgeschreven in het voorgaande lid, moet gelegen zijn tussen 6 uur des namiddags en 8 uur des voormiddags.
Bij landelijke collectieve arbeidsovereenkomst of bij nationale wetgeving kan worden voorzien, dat de nachtrust, vastgesteld in het eerste lid van dit artikel, wordt vervangen door een dagelijkse rusttijd van dezelfde duur, waarvan echter ten minste zeven achtereenvolgende uren moeten vallen tussen 8 uur des namiddags en 6 uur des voormiddags.
Artikel 8
In afwijking van het bepaalde in artikel 7 van dit Verdrag kan de nachtrust verkort worden:
- a). met ten hoogste 2 uren, wanneer aan bederf onderhevige goederen worden vervoerd;
- b). ter voorkoming van bederf van goederen, doch slechts wanneer deze goederen worden vervoerd aan boord van schepen, welke afzonderlijk gesleept worden of aan boord van schepen met mechanische beweegkracht;
- c). met de tijd, nodig voor het schutten, of met ten hoogste 2 uren voor het binnenvaren of aankomen in Belgische en Zeeuwse tijhavens, alsmede in de haven van Dordrecht, komende van België of van Zeeland;
- d). ingeval van ongeval of hulpverlening, overstroming, storm of plotseling ijsgevaar;
- e). op de dag van aankomst in de haven van eindbestemming, op voorwaarde dat de arbeid van de mannen aan boord op die dag niet wordt voortgezet na 10 uur des namiddags;
- f). ingeval tijdens de reis blijkt, dat de aansluiting met een zeeschip zou kunnen worden gemist;
- g). tijdens de reis boven Koblenz, ingeval van onvoorziene en snelle val van het water en voor ten hoogste één nacht, ten einde het lichten te vermijden.
TITEL IV. Arbeidsduur in de Haven en op de plaatsen waar de schepen geladen en gelost worden
Artikel 9
Wanneer een schip zich in de haven of op enige andere laad-of losplaats bevindt, is de arbeidsduur van de Rijnvarenden, die aan boord van dit schip zijn, dezelfde als die, welke door de plaatselijke regelingen is voorgeschreven.
De normale arbeidsduur mag echter 48 uren per week en 8 uren per dag niet overschrijden, behoudens de in de plaatselijke regelingen voorziene afwijkingen.
Artikel 10
Wanneer een schip in de loop van dezelfde dag vaart en zijn lading laadt of lost, mag de totale arbeidsduur van de Rijnvarenden 12 uren niet overschrijden, behalve wanneer het de in artikel 13 voorziene uren betreft.
Wanneer een schip in de loop van dezelfde dag vaart en zijn lading gedurende meer dan 8 uren in een of meer havens laadt of lost, worden de laad- en losuren boven de 8 uren als overwerk beschouwd, met dien verstande, dat de totale arbeidsduur op die dag 12 uren niet mag overschrijden.
Het oponthoud in een of meer tussenhavens, dat in totaal minder dan 4 uren op dezelfde dag bedraagt, wordt als vaartijd beschouwd.
TITEL V. Overuren
Artikel 11
Wanneer de nachtrust, bepaald in artikel 7, lid 1, verkort wordt door toepassing van het bepaalde in artikel 8, worden de uren, waarmede de nachtrust aldus verkort wordt, als overuren beschouwd, waarover de betrokken Rijnvarenden recht hebben op een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, lid 1.
Artikel 12
De uren, waarop gewerkt is en die de in de leden 1 en 2 van artikel 9 aangegeven grenzen te boven gaan, worden geacht overuren te zijn, waarover de Rijnvarenden recht hebben op een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 14.
Artikel 13
Wanneer een schip zich in de haven of op enige andere laad- of losplaats bevindt, worden de uren, waarop gewerkt is, tussen 7 uur des namiddags en 6 uur des voormiddags, alsmede die op Zondagen en op de feestdagen, genoemd in artikel 115 of in de collectieve arbeidsovereenkomsten geldend voor de betrokken Rijnvarenden, als overuren beschouwd, waarover de betrokken Rijnvarenden recht hebben op een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 14.
Artikel 14
Het tarief of de tarieven voor de vergoeding voor de overuren zijn die, welke bij de nationale wettelijke regelingen zijn voorgeschreven of bij collectieve arbeidsovereenkomst zijn vastgesteld.
De collectieve arbeidsovereenkomsten kunnen, in plaats van een betaling in geld, voorzien in een vergoeding, welke bestaat in een overeenkomstige vrijstelling van dienst en van aanwezigheid aan boord.
TITEL VI. Feestdagen
Artikel 15
Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 8 onder b), d) en f), is een Rijnvarende, in de loop van een jaar, niet gehouden te werken op minstens zeven feestdagen, welke door elke Verdragsluitende Staat moeten worden vastgesteld naar keuze uit de volgende acht dagen: Nieuwjaarsdag, eerste en tweede Paasdag, 1 Mei, eerste en tweede Pinksterdag en eerste en tweede Kerstdag.
De uren, waarop gewerkt is op die dagen, worden als overuren beschouwd, waarover de betrokken Rijnvarenden recht hebben op een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 14.
Het bepaalde in lid 1 van dit artikel is niet van toepassing, van 1 Mei tot en met 30 September, op passagiersschepen, welke ten hoogste 100 ton goederen vervoeren en welke een geregelde dienst onderhouden.
TITEL VII. Wekelijkse rustdag
Artikel 16
Een Rijnvarende moet gemiddeld voor elke 6 werkdagen een rustdag genieten, welke verleend moet worden binnen een termijn van ten hoogste 3 maanden.
Onder rustdag wordt verstaan een rustperiode van ten minste 24 achtereenvolgende uren, verleend onmiddellijk na de nachtrust.
Onder de wekelijkse rustdagen moeten voorzover mogelijk 26 Zondagen per jaar zijn.
Artikel 17
Indien de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd, worden de wekelijkse rustdagen verleend gedurende de opzeggingstermijn van de arbeidsovereenkomst.
TITEL VIII. Jaarlijkse vacantie met behoud van loon
Artikel 18
De Rijnvarenden hebben recht op een jaarlijkse vacantie met behoud van loon van ten minste één werkdag per maand ononderbroken dienst in dezelfde onderneming tot een beloop van 12 werkdagen per jaar. Deze vacantie is slechts opeisbaar na zes maanden dienst.
Wanneer de vacantie, waarop de Rijnvarende recht heeft, zes dagen of meer bedraagt, moeten ten minste zes vacantiedagen achtereenvolgend worden verleend.
Artikel 19
De Rijnvarenden, die alvorens zes maanden dienst te hebben verricht hun betrekking op rechtmatige wijze beëindigen of wie ontslag wordt verleend zonder dat er sprake is van grove schuld hunnerzijds, hebben recht op één werkdag vacantie met behoud van loon voor elke maand dienst, welke zij hebben verricht.
Artikel 20
Als jaarlijkse vacantiedagen met behoud van loon worden niet beschouwd:
- a). onderbrekingen van de dienst wegens ziekte of ongeval;
- b). de tijd doorgebracht in verplichte militaire dienst;
- c). de reisdagen naar en van de woonplaats, indien de jaarlijkse vacantie, op verzoek van de werkgever, niet achtereenvolgend wordt genomen.
Artikel 21
Een Rijnvarende, die zijn jaarlijkse vacantie met behoud van loon neemt, heeft recht op zijn gebruikelijke beloning tijdens de duur van zijn vacantie.
De overeenkomstig het voorgaande lid te betalen gebruikelijke beloning wordt berekend op de bij nationale wettelijke regeling voorgeschreven of bij collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde wijze.
TITEL IX. Bijzondere toelagen
Artikel 22
De voor bewakingsdoeleinden aan boord gebleven Rijnvarenden hebben behalve op het compenserende verlof, waarop zij uit dien hoofde aanspraak kunnen maken, recht op een bijzondere vergoeding indien deze wachtdienst verricht wordt op een der feestdagen, aangegeven in artikel 15 of in collectieve arbeidsovereenkomsten, van toepassing op deze Rijnvarenden.
Artikel 23
Gedurende de maanden Juni tot en met September ontvangt het machinekamerpersoneel van stoomschepen een passende hittetoeslag.
TITEL X. Uitlegging van het Verdrag
Artikel 24
Elk geschil, dat ontstaat tussen twee of meer der Verdragsluitende Staten, betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, zal door rechtstreekse onderhandelingen tussen de daarbij betrokken regeringen worden opgelost.
Indien het geschil niet op deze wijze kan worden opgelost binnen een termijn van drie maanden, te rekenen van het begin der onderhandelingen af, zal het aan een permanent scheidsrechterlijk orgaan, waarin een door elk der Verdragsluitende Staten aangewezen lid zitting heeft, worden voorgelegd. Dit scheidsrechterlijk orgaan zal binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum waarop dit Verdrag in werking treedt, worden ingesteld; het zal zijn eigen procedure vaststellen.
De beslissingen van het scheidsrechterlijk orgaan zullen in overeenstemming met de grondbeginselen en de geest van dit Verdrag worden genomen. Zij zullen bindend zijn.
TITEL XI. Toepassing van het Verdrag
Artikel 25
In elke Verdragsluitende Staat en aan boord van elk schip waarop dit Verdrag van toepassing is en dat toebehoort aan rederijen of aan particulieren, die hun hoofdkantoor op het grondgebied van de betrokken Staat hebben, zal aan dit Verdrag door alle passendemaatregelen en in het bijzonder door middel van collectieve arbeidsovereenkomsten, uitvoering worden gegeven. Indien een particulier geen hoofdkantoor bezit op het grondgebied van de betrokken Staat, wordt voor de toepassing van dit Verdrag zijn woonplaats als zodanig beschouwd.
Elke Verdragsluitende Staat mag de toepassing van dit Verdrag controleren binnen zijn grondgebied en zonder onderscheid van vlag of nationaliteit aan boord van alle schepen waarop dit Verdrag van toepassing is.
Indien er op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat door de autoriteiten van die Staat aan boord van een schip, dat aan een in een andere Verdragsluitende Staat gevestigde rederij of particulier toebehoort, een overtreding van het bepaalde in dit Verdrag wordt vastgesteld, zullen de autoriteiten, die de overtreding vaststelden, daarvan onmiddellijk kennis geven aan de bevoegde autoriteiten van de andere Staat, die passende maatregelen moeten nemen.
Elke Verdragsluitende Staat kan met een andere Verdragsluitende Staat bijzondere regelingen treffen, ten einde de bemiddeling van de autoriteiten van die Staat te verkrijgen voor de vaststelling of het onderzoek van overtredingen aan boord van een schip, dat zich op het grondgebied van die Staat bevindt en in de eerstbedoelde Staat thuisbehoort. Deze bijzondere regelingen kunnen bepalen, dat de betrokken autoriteiten zullen optreden in een of meer der volgende gevallen:
- a). wanneer een verzoek wordt gedaan door de Staat, waar het schip thuisbehoort;
- b). wanneer een verzoek wordt gedaan door een Rijnvarende aan boord van het betrokken schip of door een werknemersorganisatie;
- c). wanneer een verzoek wordt gedaan door een werkgever of door een organisatie van werkgevers.
De regering van een Verdragsluitende Staat, die geen Rijnoeverstaat is en op wiens grondgebied een rederij of een particulier gevestigd is, die op het grondgebied van een Rijnoeverstaat of van België over een bijkantoor beschikt, kan regelingen treffen met de regering van die Staat, opdat deze gedeeltelijk of geheel in de plaats van de eerstgenoemde Staat zou kunnen treden voor de controle op de naleving van dit Verdrag.
Artikel 26
Tenzij bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij individuele arbeidsovereenkomst anders is bepaald, gelden ten aanzien van geschillen, gerezen tussen werkgevers en Rijnvarenden, ongeacht de nationaliteit van de Rijnvarende, de navolgende regelingen:
- a).
- (i). Indien de werkgever een rederij of reder is, die haar, onderscheidenlijk zijn hoofdkantoor in een Rijnoeverstaat of in België heeft, zal het geschil worden onderworpen aan de beslissing van het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Staat, op wiens grondgebied zich dat hoofdkantoor bevindt.
- (ii). Indien de werkgever een rederij of reder is, die haar, onderscheidenlijk zijn hoofdkantoor heeft in een der Verdragsluitende Staten die niet is een Rijnoeverstaat of België, doch een bijkantoor heeft op het grondgebied van een dezer Staten, kan het geschil op geldige wijze worden onderworpen aan de beslissing van het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Staat, waar dat bijkantoor is gevestigd.
- b). Wanneer de werkgever een eigenaar is, die zijn schip zelf exploiteert en die niet beschikt over een hoofdkantoor of bijkantoor op het grondgebied van de Staat wiens onderdaan hij is en die Partij is bij dit Verdrag, zal het geschil worden onderworpen aan de beslissing van het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Staat, op wiens grondgebied deze eigenaar zijn woonplaats heeft en indien hij geen woonplaats heeft op het grondgebied van een der Verdragsluitende Staten, zal het geschil worden onderworpen aan de beslissing van het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Staat wiens onderdaan hij is.
TITEL XII. Driedelige commissies en Jaarrapporten
Artikel 27
- (i). Een driedelige commissie wordt ingesteld, waarin voor elke Verdragsluitende Staat twee regeringsvertegenwoordigers, een vertegenwoordiger van de betrokken werkgevers en een vertegenwoordiger van de Rijnvarenden zitting hebben. Het Internationaal Arbeidsbureau neemt deel aan de werkzaamheden van de driedelige commissie.
- (ii). De niet-regeringsvertegenwoordigers worden benoemd door de regeringen in overeenstemming met de meest representatieve vakorganisaties, onderscheidenlijk van de werkgevers en van de Rijnvarenden, op wie dit Verdrag van toepassing is.
Elke Verdragsluitende Staat stelt een jaarrapport op betreffende de toepassing van het Verdrag binnen zijn grondgebied en legt dit ter onderzoek aan de driedelige commissie voor.
De driedelige commissie stelt jaarlijks een rapport op bevattende haar opmerkingen omtrent de rapporten van de regeringen. Het rapport van de driedelige commissie zal worden gezonden aan elk der Verdragsluitende regeringen, aan het Internationaal Arbeidsbureau en aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
Het Secretariaat-Generaal van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart belast zich met het secretariaat van de driedelige commissie.
De driedelige commissie zal haar reglement vaststellen.
TITEL XIII. Slotbepalingen
Artikel 28
De ondertekening van dit Verdrag staat open voor de Staten, welke vertegenwoordigd zijn in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. Het zal aan bekrachtiging worden onderworpen.
Artikel 29
Elke bekrachtigingsoorkonde van dit Verdrag zal worden neergelegd bij de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, die deze zal inschrijven en de ontvangst zal mededelen aan de Staten, genoemd in artikel 28.
Artikel 30
Dit Verdrag zal in werking treden op de eerste dag van de derde maand, volgende op die, waarin de laatste bekrachtigingsoorkonde van alle Verdragsluitende Rijnoever staten en België zal zijn neergelegd. Voor elk der overige Staten, vertegenwoordigd in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zal het in werking treden de eerste dag van de derde maand, volgende op die, waarin hij zijn bekrachtigingsoorkonde heeft neergelegd.
Artikel 31
Dit Verdrag wordt gesloten voor de duur van drie jaar. Het zal daarna van jaar tot jaar stilzwijgend verlengd worden, behoudens het recht van elke Verdragsluitende Staat het Verdrag op te zeggen dóór kennisgeving aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau. De opzegging wordt van kracht een jaar na ontvangst van de kennisgeving.
Indien de opzegging wordt gedaan door een der Verdragsluitende Rijnoeverstaten of België, zal het Verdrag ophouden van toepassing te zijn op alle andere partijen van de datum af, waarop de opzegging van kracht wordt.
Artikel 32
De Franse tekst van dit Verdrag is de authentieke tekst en zal van de ondertekening van de Verdragsluitende Partijen worden voorzien en worden neergelegd in de archieven van het Internationaal Arbeidsbureau.
Zodra dit Verdrag van kracht is geworden, zal een gewaarmerkt afschrift daarvan, overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau ter registratie worden toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal eveneens een gewaarmerkt afschrift zenden aan elk der Rijnoeverstaten en België, aan de andere landen vertegenwoordigd in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart en aan deze Commissie.
Officiële vertalingen in het Engels, het Duits en het Nederlands zullen worden opgesteld door het Internationaal Arbeidsbureau en worden toegezonden aan de betrokken landen.
Artikel 33
Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties, zal de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van elke bekrachtiging en elke opzegging, welke te zijner kennis zijn gebracht, ter registratie mededeling doen.
EN FOI DE QUOI les soussignés, ayant déposé leurs pleins pouvoirs respectifs, ont signé le présent Accord.
Fait à Genève, le 21 mai 1954, en deux exemplaires originaux en français.