Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en
de Regering van de Staat Israël,
De wens koesterende een Overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST
Artikel 1. Nalatenschappen waarop de Overeenkomst van toepassing is
Deze Overeenkomst is van toepassing op nalatenschappen van overledenen wier woonplaats bij hun overlijden in een van de Staten of in beide Staten was.
Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is
Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten.
Als belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht worden beschouwd alle belastingen die ter zake van overlijden worden geheven in de vorm van belasting over de nalatenschap in zijn geheel, van belasting over verkrijgingen krachtens erfrecht, van rechten van overgang, of van belastingen over schenkingen „mortis causa”.
De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:
- a). voor Nederland:
- -. het recht van successie,
- -. het recht van overgang bij overlijden;
- b). voor Israël:
- -. de belasting van nalatenschappen en
- -. het recht van overgang bij overlijden.
Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht, mede.
HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
In deze Overeenkomst:
- a). betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of Israël, tenzij het zinsverband anders vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en Israël;
- b). omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen;
- c). betekent de uitdrukking „Israël” de Staat Israël;
- d). betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
-
- in Nederland, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
-
- in Israël, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.
Voor de toepassing van de Overeenkomst door elk van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet anders omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken.
Artikel 4. Fiscale woonplaats
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt de vraag of een persoon bij zijn overlijden inwoner van een van de Staten was, beslist overeenkomstig de wetgeving van die Staat.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden een natuurlijke persoon die deel uitmaakte van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan was van de zendstaat, alsmede bij hem wonende leden van zijn gezin, geacht inwoner van de zendstaat te zijn geweest, indien hun erfgenamen of legatarissen in die Staat aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht zijn onderworpen als erfgenamen en legatarissen van personen die inwoner zijn van die Staat.
Indien een persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten was, gelden de volgende regels:
- a). Hij wordt geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had. Indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, wordt zijn woonplaats geacht te zijn in de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst waren (middelpunt van de levensbelangen). In het geval van een persoon die Israël is binnengekomen als een „Oleh” (d.w.z. met een visum uitgegeven ingevolge het tweede lid van de Wet op de terugkeer, 5710-1950, of die, na zijn binnenkomst in Israël een „Oleh's certificaat” heeft aangevraagd en gekregen op de voet van het derde lid van genoemde Wet, zulk een persoon hierna te noemen „Oleh”), wordt het middelpunt van zijn levensbelangen geacht in Israël te zijn, tenzij de bevoegde autoriteiten van beide Staten het er over eens zijn, dat alle bewijsmateriaal tezamen beschouwd duidelijk en overtuigend op het tegendeel wijst;
- b). Indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen had, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, wordt zijn woonplaats geacht te zijn in de Staat waar hij gewoonlijk verbleef;
- c). Indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verbleef, wordt zijn woonplaats geacht te zijn in de Staat waarvan hij onderdaan was;
- d). Indien hij onderdaan was van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
HOOFDSTUK III. REGELS VOOR DE BELASTINGHEFFING
Artikel 5. Onroerende vermogensbestanddelen
Onroerende vermogensbestanddelen mogen worden belast in de Staat waar deze vermogensbestanddelen zijn gelegen.
De uitdrukking „onroerende vermogensbestanddelen” heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving van de Staat waar de desbetreffende vermogensbestanddelen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder (geval de goederen die bij de onroerende vermogensbestanddelen behoren, levende en dode have van landbouw- en busbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen, zomede schuldvorderingen van welke aard ook - niet zijnde obligaties - die verzekerd zijn door hypotheek op onroerende goederen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende vermogensbestanddelen beschouwd.
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op onroerende vermogensbestanddelen van een onderneming en op onroerende vermogensbestanddelen gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep of andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard.
Aandelen en soortgelijke rechten, niet zijnde aandelen en rechten waarin op een effectenbeurs wordt gehandeld, in een lichaam waarvan de bezittingen uitsluitend bestaan uit in een van de Staten gelegen landerijen en gebouwen, daaronder begrepen bezittingen die daarbij behoren of bezittingen die verband houden met het normale beheer, herstel en onderhoud ervan, worden geacht in die Staat gelegen onroerende vermogensbestanddelen te zijn. De voorgaande bepaling is echter niet van toepassing op aandelen of soortgelijke rechten in zulk een lichaam, dat is opgericht in de Staat waarin de overledene bij zijn overlijden woonde.
Artikel 6. Bedrijfsvermogen van een vaste inrichting en bezittingen die behoren tot een vast middelpunt gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep
Bezittingen, met uitzondering van die bedoeld in de artikelen 5 en 7, deel uitmakende van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting van een onderneming mogen worden belast in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.
De uitdrukking „vaste inrichting” betekent een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- a). een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b). een filiaal;
- c). een kantoor;
- d). een fabriek;
- e). een werkplaats;
- f). een mijn, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;
- g). een plantage, een wijngaard, een bos of een boomgaard;
- h). de plaats van uitvoering van een (bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.
Een „vaste inrichting” wordt niet aanwezig geacht, indien:
- a). gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- b). een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;
- c). een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;
- e). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor soortgelijke werkzaamheden voor de onderneming die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben.
Een onderneming van een van de Staten wordt geacht een vaste inrichting in de andere Staat (te bezitten, indien zij in die andere Staat gedurende langer dan twaalf maanden werkzaamheden van toezichthoudende aard verricht in verband met een bouwwerk dat, of constructie- of montagewerkzaamheden die in die andere Staat worden uitgevoerd.
Een persoon die in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zevende lid - wordt als een in de eerstbedoelde Staat aanwezige vaste inrichting beschouwd, indien:
- a). hij een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot de aankoop van goederen of koopwaar voor de onderneming; of
- b). hij in de eerstbedoelde Staat een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar aanhoudt waaruit hij regelmatig bestellingen uitvoert namens de onderneming.
Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, indien deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.
Bezittingen, met uitzondering van die omschreven in artikel 5, behorende tot een vast middelpunt dat gebezigd wordt voor de uitoefening van een vrij beroep of van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard, mogen worden belast in de Staat waar het vaste middelpunt is gelegen.
Artikel 7. Schepen en luchtvaartuigen
Onder voorbehoud van het tweede lid zijn schepen en luchtvaartuigen geëxploiteerd in internationaal verkeer en roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts belastbaar in de Staat waarvan de eigenaar van de schepen of luchtvaartuigen bij zijn overlijden inwoner was.
Deze bezittingen mogen evenwel ook in de andere Staat worden belast, indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen.
Indien de plaats van de werkelijke leiding van een scheepvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Staat waar de thuishaven van het schip is gelegen, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de eigenaar van het schip bij zijn overlijden inwoner was.
Artikel 8. Aanmerkelijk belang in een lichaam
Aandelen in een lichaam, dat in een van de Staten is opgericht en aldaar werkelijk wordt geleid, mogen in die Staat worden belast indien de overledene, hetzij alleen hetzij tezamen met zijn echtgenoot of zijn verwanten in de rechte lijn, bij zijn overlijden onmiddellijk ten minste 25 percent van het aandelenkapitaal van dat lichaam bezat.
Artikel 9. Overige vermogensbestanddelen
Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 12 zijn andere vermogensbestanddelen dan die bedoeld in de artikelen 5, 6, 7 en 8 slechts belastbaar in de Staat waarvan de overledene bij zijn overlijden inwoner was.
Artikel 10. Aan een Staat vermaakte of geschonken vermogensbestanddelen
Vrijstellingen en verminderingen van belasting, door de wetgeving van een van de Staten verleend ter zake van aan die Staat of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan vermaakte vermogensbestanddelen, zijn van toepassing op aan de andere Staat of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan vermaakte vermogensbestanddelen.
De bepalingen van het eersite lid zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op belastingen ter zake van schenkingen, giften en andere vermogensovergangen „inter-vivos”.
Artikel 11. Aftrek van schulden
Schulden, waarvoor een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 5 uitdrukkelijk is verbonden, worden op de waarde van dat vermogensbestanddeel in mindering gebracht. Schulden, waarvoor een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 5 niet uitdrukkelijk is verbonden, doch die verband houden met de verkrijging, de omzetting, het herstel of het onderhoud van zulk een vermogensbestanddeel, worden op de waarde van dat vermogensbestanddeel in mindering gebracht.
Onder voorbehoud van het eerste lid worden schulden die betrekking hebben op een vaste inrichting van een onderneming of op een vast middelpunt gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep of van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard, schulden die betrekking hebben op een zeevaart- of luchtvaartbedrijf en schulden die verband houden met een aanmerkelijk belang, naar gelang van het geval, in mindering gebracht op de waarde van de in artikel 6, artikel 7 of artikel 8 bedoelde vermogensbestanddelen.
Andere schulden worden in mindering gebracht op de waarde van vermogensbestanddelen waarop artikel 9 van toepassing is.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.