Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht

Type Verdrag
Publication 1975-07-14
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en

de Regering van de Staat Israël,

De wens koesterende een Overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 1. Nalatenschappen waarop de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op nalatenschappen van overledenen wier woonplaats bij hun overlijden in een van de Staten of in beide Staten was.

Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is
1.

Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten.

2.

Als belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht worden beschouwd alle belastingen die ter zake van overlijden worden geheven in de vorm van belasting over de nalatenschap in zijn geheel, van belasting over verkrijgingen krachtens erfrecht, van rechten van overgang, of van belastingen over schenkingen „mortis causa”.

3.

De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

4.

Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht, mede.

HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
1.

In deze Overeenkomst:

2.

Voor de toepassing van de Overeenkomst door elk van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet anders omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken.

Artikel 4. Fiscale woonplaats
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt de vraag of een persoon bij zijn overlijden inwoner van een van de Staten was, beslist overeenkomstig de wetgeving van die Staat.

2.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden een natuurlijke persoon die deel uitmaakte van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan was van de zendstaat, alsmede bij hem wonende leden van zijn gezin, geacht inwoner van de zendstaat te zijn geweest, indien hun erfgenamen of legatarissen in die Staat aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht zijn onderworpen als erfgenamen en legatarissen van personen die inwoner zijn van die Staat.

3.

Indien een persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten was, gelden de volgende regels:

HOOFDSTUK III. REGELS VOOR DE BELASTINGHEFFING

Artikel 5. Onroerende vermogensbestanddelen
1.

Onroerende vermogensbestanddelen mogen worden belast in de Staat waar deze vermogensbestanddelen zijn gelegen.

2.

De uitdrukking „onroerende vermogensbestanddelen” heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving van de Staat waar de desbetreffende vermogensbestanddelen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder (geval de goederen die bij de onroerende vermogensbestanddelen behoren, levende en dode have van landbouw- en busbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen, zomede schuldvorderingen van welke aard ook - niet zijnde obligaties - die verzekerd zijn door hypotheek op onroerende goederen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende vermogensbestanddelen beschouwd.

3.

De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op onroerende vermogensbestanddelen van een onderneming en op onroerende vermogensbestanddelen gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep of andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard.

4.

Aandelen en soortgelijke rechten, niet zijnde aandelen en rechten waarin op een effectenbeurs wordt gehandeld, in een lichaam waarvan de bezittingen uitsluitend bestaan uit in een van de Staten gelegen landerijen en gebouwen, daaronder begrepen bezittingen die daarbij behoren of bezittingen die verband houden met het normale beheer, herstel en onderhoud ervan, worden geacht in die Staat gelegen onroerende vermogensbestanddelen te zijn. De voorgaande bepaling is echter niet van toepassing op aandelen of soortgelijke rechten in zulk een lichaam, dat is opgericht in de Staat waarin de overledene bij zijn overlijden woonde.

Artikel 6. Bedrijfsvermogen van een vaste inrichting en bezittingen die behoren tot een vast middelpunt gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep
1.

Bezittingen, met uitzondering van die bedoeld in de artikelen 5 en 7, deel uitmakende van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting van een onderneming mogen worden belast in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

2.

De uitdrukking „vaste inrichting” betekent een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

3.

De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

4.

Een „vaste inrichting” wordt niet aanwezig geacht, indien:

5.

Een onderneming van een van de Staten wordt geacht een vaste inrichting in de andere Staat (te bezitten, indien zij in die andere Staat gedurende langer dan twaalf maanden werkzaamheden van toezichthoudende aard verricht in verband met een bouwwerk dat, of constructie- of montagewerkzaamheden die in die andere Staat worden uitgevoerd.

6.

Een persoon die in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zevende lid - wordt als een in de eerstbedoelde Staat aanwezige vaste inrichting beschouwd, indien:

7.

Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, indien deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

8.

Bezittingen, met uitzondering van die omschreven in artikel 5, behorende tot een vast middelpunt dat gebezigd wordt voor de uitoefening van een vrij beroep of van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard, mogen worden belast in de Staat waar het vaste middelpunt is gelegen.

Artikel 7. Schepen en luchtvaartuigen
1.

Onder voorbehoud van het tweede lid zijn schepen en luchtvaartuigen geëxploiteerd in internationaal verkeer en roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts belastbaar in de Staat waarvan de eigenaar van de schepen of luchtvaartuigen bij zijn overlijden inwoner was.

2.

Deze bezittingen mogen evenwel ook in de andere Staat worden belast, indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen.

3.

Indien de plaats van de werkelijke leiding van een scheepvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Staat waar de thuishaven van het schip is gelegen, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de eigenaar van het schip bij zijn overlijden inwoner was.

Artikel 8. Aanmerkelijk belang in een lichaam

Aandelen in een lichaam, dat in een van de Staten is opgericht en aldaar werkelijk wordt geleid, mogen in die Staat worden belast indien de overledene, hetzij alleen hetzij tezamen met zijn echtgenoot of zijn verwanten in de rechte lijn, bij zijn overlijden onmiddellijk ten minste 25 percent van het aandelenkapitaal van dat lichaam bezat.

Artikel 9. Overige vermogensbestanddelen

Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 12 zijn andere vermogensbestanddelen dan die bedoeld in de artikelen 5, 6, 7 en 8 slechts belastbaar in de Staat waarvan de overledene bij zijn overlijden inwoner was.

Artikel 10. Aan een Staat vermaakte of geschonken vermogensbestanddelen
1.

Vrijstellingen en verminderingen van belasting, door de wetgeving van een van de Staten verleend ter zake van aan die Staat of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan vermaakte vermogensbestanddelen, zijn van toepassing op aan de andere Staat of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan vermaakte vermogensbestanddelen.

2.

De bepalingen van het eersite lid zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op belastingen ter zake van schenkingen, giften en andere vermogensovergangen „inter-vivos”.

Artikel 11. Aftrek van schulden
1.

Schulden, waarvoor een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 5 uitdrukkelijk is verbonden, worden op de waarde van dat vermogensbestanddeel in mindering gebracht. Schulden, waarvoor een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 5 niet uitdrukkelijk is verbonden, doch die verband houden met de verkrijging, de omzetting, het herstel of het onderhoud van zulk een vermogensbestanddeel, worden op de waarde van dat vermogensbestanddeel in mindering gebracht.

2.

Onder voorbehoud van het eerste lid worden schulden die betrekking hebben op een vaste inrichting van een onderneming of op een vast middelpunt gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep of van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard, schulden die betrekking hebben op een zeevaart- of luchtvaartbedrijf en schulden die verband houden met een aanmerkelijk belang, naar gelang van het geval, in mindering gebracht op de waarde van de in artikel 6, artikel 7 of artikel 8 bedoelde vermogensbestanddelen.

3.

Andere schulden worden in mindering gebracht op de waarde van vermogensbestanddelen waarop artikel 9 van toepassing is.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.