Herziene Rijnvaartakte

Type Verdrag
Publication 2011-11-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Daar het op 31 maart 1831 tussen de Regeringen der Oeverstaten gesloten Rijnvaartverdrag sedert dat tijdstip talrijke wijzigingen heeft ondergaan en een deel van de bepalingen, welke het bevat, niet meer in overeenstemming is met de tegenwoordige toestand van de scheepvaart, hebben Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Baden, Zijne Majesteit de Koning van Beieren, Zijne Majesteit de Keizer der Fransen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Hessen en Zijne Majesteit de Koning van Pruisen in gemeen overleg besloten bedoeld Verdrag te herzien, met handhaving echter van het beginsel der vrijheid van de scheepvaart op de Rijn met betrekking tot de handel, en hebben zij met dat doel tot hun gevolmachtigde commissarissen benoemd:

(Volgt de opsomming der gevolmachtigden.)

die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, onder voorbehoud van bekrachtiging de volgende bepalingen hebben vastgesteld:

De Franse tekst van de Akte is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1869/75. De vertaling is gepubliceerd in Stb. 1869/75.

Artikel 1

De vaart op de Rijn en zijn uitmondingen van Bazel tot in de open zee, hetzij stroomafwaarts hetzij stroomopwaarts, is vrij voor de schepen van alle naties voor het vervoer van goederen en personen, met inachtneming van de in dit Verdrag vervatte bepalingen en van de in het belang van de algemene veiligheid getroffen maatregelen.

Behoudens deze voorschriften zal geen enkel beletsel hoegenaamd aan de vrije scheepvaart in de weg worden gelegd.

De Lek en de Waal worden beschouwd deel uit te maken van de Rijn.

Artikel 2. 2) [Red: Gewijzigd door artikel 356 van het Verdrag van Versailles, dat de rechten welke zijn verleend aan de tot de Rijnvaart behorende vaartuigen, heeft uitgebreid tot de vaartuigen van alle naties.]

De tot de Rijnvaart behorende vaartuigen en de van de Rijn komende houtvlotten hebben het recht om bij de doorvaart door Nederland de weg te kiezen die hun goeddunkt, teneinde zich te begeven van de Rijn naar de open zee of naar België en omgekeerd.

Indien een van de waterwegen, welke de open zee met de Rijn verbinden over Dordrecht, Rotterdam, Hellevoetsluis en Brielle, tengevolge van natuurlijke gebeurtenissen of van kunstwerken voor de scheepvaart onbruikbaar mocht worden, zal de waterweg, aan de Nederlandse scheepvaart, aan te wijzen ter vervanging van het afgesloten vaarwater, eveneens worden opengesteld voor de scheepvaart van de andere Oeverstaten.

Elk vaartuig dat het recht heeft de vlag te voeren van één van de Verdragsluitende Staten en dit kan bewijzen door een verklaring van het bevoegde gezag, wordt geacht tot de Rijnvaart te behoren.

Artikel 3

Van de vaartuigen of hun ladingen en van de vlotten, die de Rijn, zijn zijrivieren, voor zover die in het gebied van de Hoge Verdragsluitende Partijen gelegen zijn, of de in artikel 2 genoemde waterwegen bevaren, zullen geen rechten worden geheven, die uitsluitend op het uitoefenen van de scheepvaart zijn gegrond.

Het is eveneens verboden op de in het vorige lid vermelde waterwegen stroomopwaarts van Rotterdam en Dordrecht boei- en bakengelden te heffen.

Artikel 4

Tot de Rijnvaart behorende vaartuigen mogen goederen en personen vervoeren tussen twee punten gelegen aan de in artikel 3, eerste lid, vermelde waterwegen. Andere vaartuigen mogen dat vervoer alleen verrichten onder de door de Centrale Commissie vastgestelde voorwaarden.

De voorwaarden waaronder goederen en personen mogen worden vervoerd door niet tot de Rijnvaart behorende vaartuigen tussen een punt, gelegen aan bovenvermelde waterwegen, en een punt, gelegen op het grondgebied van een derde Staat, worden geregeld in overeenkomsten te sluiten tussen de twee betrokken Partijen. De Centrale Commissie wordt voor de sluiting van dergelijke overeenkomsten geraadpleegd.

Op de bovenvermelde waterwegen worden de tot de Rijnvaart behorende schepen en hun ladingen in alle opzichten op dezelfde voet behandeld als de eigen schepen en hun ladingen.

Artikel 5

De schippers kunnen op de waterwegen, vermeld in artikel 3, nergens tot gehele of gedeeltelijke lossing, noch tot overlading van hun ladingen worden gedwongen.

De heffing van stapel- en omslagrechten is en blijft afgeschaft.

Artikel 6

De goederen, die langs de Rijn binnenkomen of uitgaan, kunnen in geen geval worden onderworpen aan hogere invoer- of uitvoerrechten dan die, welke daarvan bij invoer of uitvoer over land verschuldigd zouden zijn.

Artikel 7

De doorvoer van alle goederen langs de Rijn, van Bazel tot in de open zee, is vrij, tenzij gezondheidsmaatregelen uitzonderingen rechtvaardigen.

Van deze doorvoer, onverschillig of deze rechtstreeks dan wel na overlading of na opslag in entrepot plaats heeft, worden door de Oeverstaten geen rechten geheven.

Artikel 8

De vrijhavens, die de handel van de Rijn op het ogenblik ten dienste staan, blijven bestaan. De Hoge Verdragsluitende Partijen behouden zich het recht voor het aantal vrijhavens te verhogen.

De in deze vrijhavens in entrepot opgeslagen goederen zijn niet aan enigerlei in- of uitvoerrechten onderworpen, tenzij zij later in het vrije verkeer worden gebracht in de Oeverstaat zelf of in het gebied van een douane- of belastingunie, waartoe die Staat behoort.

Artikel 9

Indien een schipper rechtstreeks en zonder verandering te brengen in zijn lading het gebied doorvaart van één Staat of van verschillende tot één douane-unie behorende Staten, kan hij zijn reis voortzetten zonder voorafgaand grondig onderzoek der lading, mits hij er in toestemt dat, naar gelang de ambtenaren der douane dit vorderen, òf de openingen welke toegang tot het laadruim verlenen worden gesloten, òf bewakers aan boord worden geplaatst, òf wel beide maatregelen te zamen worden toegepast. In dat geval moet hij bovendien ten douanekantore een manifest inleveren overeenkomstig het door de Centrale Commissie vastgestelde model.

Bij het verlaten van het gebied moet hij zich aan het grenskantoor vervoegen, ten einde de loden, de zegels of wel de sloten van de douane te doen onderzoeken en verwijderen, of wel de bewakers van hun taak te doen ontheffen.

Overigens kan hij gedurende de reis niet worden opgehouden met een beroep op belangen, behorende tot het terrein der douanerechten, behoudens in het geval van smokkelarij (artikel 12).

De bevoegdheid van de aan boord geplaatste bewakers is beperkt tot het bewaken van de vaartuigen en hun lading ter voorkoming van smokkelarij. Zij nemen kosteloos deel aan de maaltijden der bemanning; de schipper verschaft hun te zijnen koste het benodigde vuur en licht, maar zij mogen generlei vergoeding vorderen of aannemen.

Indien ten gevolge van natuurlijke gebeurtenissen of van andere gevallen van overmacht de schipper zich genoodzaakt zou zien de lading geheel of gedeeltelijk te verplaatsen, en tot dat doel de toegangen tot het laadruim moeten worden geopend, dient hij zich daartoe tot de naastbijzijnde douaneambtenaren te wenden en zal hij hun komst moeten afwachten. Indien het gevaar dringt en wachten niet mogelijk is, dient hij dit ter kennis te brengen van de naastbijzijnde plaatselijke overheid, die het laadruim ontsluit en van een en ander proces-verbaal opmaakt.

Heeft de schipper op eigen gezag maatregelen getroffen zonder de tussenkomst van de douaneambtenaren of van de plaatselijke overheid in te roepen of af te wachten, dan is hij gehouden om op genoegzame wijze aan te tonen, dat het behoud van schip of lading daarvan heeft afgehangen, of dat hij aldus heeft moeten handelen om een dreigend gevaar te ontgaan. In zodanig geval moet hij, zodra het gevaar is geweken, van het gebeurde kennis geven aan de naastbijzijnde douaneambtenaren, of, indien hij dezen niet kan vinden, aan de naastbijzijnde plaatselijke overheid, ten einde die feiten te doen vaststellen.

Artikel 10

Voor wat betreft de goederen, die binnenkomen langs de Rijn en bestemd zijn voor binnenlands verbruik dan wel voor uitvoer of voor doorvoer na overlading of na opslag in entrepot in de vrijhavens of elders, worden de douaneformaliteiten geregeld naar de algemene wetgeving van de Oeverstaat, over welks grens de invoer, de uitvoer of de doorvoer plaats heeft.

Artikel 11

Elke Oeverstaat wijst voor zijn gebied de havens en losplaatsen aan, waar – afgezien van de vrijhavens (artikel 8) – de schippers kunnen lossen of laden.

Tenzij hij daartoe een bijzondere vergunning van het bevoegde gezag heeft verkregen, mag de schipper op geen andere plaatsen laden of lossen, behoudens wanneer natuurlijke gebeurtenissen of enig ongeval hem verhinderen zijn reis voort te zetten dan wel het behoud van schip of lading in gevaar brengen.

Wanneer hij in dit geval aanlegt op een plaats, waar een douanekantoor is gevestigd, moet hij zich daar aanmelden en handelen overeenkomstig de voorschriften, welke hem aldaar zullen worden gegeven.

Is op de aanlegplaats geen douanekantoor gevestigd, dan moet hij dadelijk van zijn aankomst kennis geven aan de plaatselijke overheid, die een proces-verbaal opmaakt van de omstandigheden welke de schipper hebben doen besluiten tot aanleggen, en die daarvan kennis geeft aan het naastbij gelegen douanekantoor op hetzelfde grondgebied.

Indien het, ten einde de goederen aan geen verder gevaar bloot te stellen, nodig wordt geacht tot lossing over te gaan, dient de schipper zich te onderwerpen aan alle wettelijke maatregelen, strekkende tot voorkoming van heimelijke invoer. De goederen, die opnieuw worden ingeladen ter voortzetting van de reis, zijn niet aan invoer- of uitvoerrechten onderworpen.

De bepalingen van artikel 9, lid 6, zijn op de schipper van toepassing voor het geval hij op eigen gezag heeft gehandeld zonder de tussenkomst van de douaneambtenaren of van de plaatselijke overheid in te roepen.

Artikel 12

Indien wordt ontdekt dat een schipper zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot smokkelarij, kan hij de vrijheid der Rijnvaart niet inroepen om zijn persoon of de goederen, die hij op ongeoorloofde wijze heeft willen in- of uitvoeren, aan de tegen hem ingestelde vervolging der douaneambtenaren te onttrekken. Een dergelijke poging mag evenwel geen aanleiding zijn voor inbeslagneming van het overige gedeelte van de lading of, in het algemeen, voor een strenger optreden tegen de schipper dan toelaatbaar is volgens de wettelijke voorschriften van de Oeverstaat, waar de smokkelarij is ontdekt.

Indien aan de grenskantoren van de douane van een Staat een verschil wordt ontdekt tussen de lading en het manifest, vinden ten aanzien van de schipper de wettelijke bepalingen toepassing, welke in die Staat ten aanzien van onjuiste aangiften bestaan.

Artikel 13

Wanneer verschillende Staten zich verenigd hebben tot een douane- of belastingunie, wordt voor de toepassing van de artikelen 6 tot en met 12 de grens van die unie als gebiedsgrens beschouwd.

Artikel 14

Alle voorrechten, welke door de Hoge Verdragsluitende Partijen op andere land- of waterwegen worden verleend met betrekking tot de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen, worden eveneens toegekend ten aanzien van de invoer, de uitvoer en de doorvoer langs de Rijn.

Artikel 15. 1) [Red: Nadat de bepalingen, die het Rijnschipperspatent voorbehielden aan de van de Oeverstaten, door artikel 356 van het Verdrag van Versailles waren afgeschaft, zijn de artikelen 15-21 van de Rijnvaartakte vervangen door het op 14 december 1922 te Straatsburg gesloten Verdrag.]

Vervallen

Artikel 16. 1) [Red: Nadat de bepalingen, die het Rijnschipperspatent voorbehielden aan de van de Oeverstaten, door artikel 356 van het Verdrag van Versailles waren afgechaft, zijn de artikelen 15-21 van de Rijnvaartakte vervangen door het op 14 december 1922 te Straatsburg gesloten Verdrag.

Vervallen

Artikel 17. 1) [Red: Nadat de bepalingen, die het Rijnschipperspatent voorbehielden aan de van de Oeverstaten, door artikel 356 van het Verdrag van Versailles waren afgechaft, zijn de artikelen 15-21 van de Rijnvaartakte vervangen door het op 14 december 1922 te Straatsburg gesloten Verdrag.]

Vervallen

Artikel 18. 1) [Red: Nadat de bepalingen, die het Rijnschipperspatent voorbehielden aan de van de Oeverstaten, door artikel 356 van het Verdrag van Versailles waren afgechaft, zijn de artikelen 15-21 van de Rijnvaartakte vervangen door het op 14 december 1922 te Straatsburg gesloten Verdrag.]

Vervallen

Artikel 19. 1) [Red: Nadat de bepalingen, die het Rijnschipperspatent voorbehielden aan de van de Oeverstaten, door artikel 356 van het Verdrag van Versailles waren afgechaft, zijn de artikelen 15-21 van de Rijnvaartakte vervangen door het op 14 december 1922 te Straatsburg gesloten Verdrag.]

Vervallen

Artikel 20. 1) [Red: Nadat de bepalingen, die het Rijnschipperspatent voorbehielden aan de van de Oeverstaten, door artikel 356 van het Verdrag van Versailles waren afgechaft, zijn de artikelen 15-21 van de Rijnvaartakte vervangen door het op 14 december 1922 te Straatsburg gesloten Verdrag.]

Vervallen

Artikel 21. 1) [Red: Nadat de bepalingen, die het Rijnschipperspatent voorbehielden aan de van de Oeverstaten, door artikel 356 van het Verdrag van Versailles waren afgechaft, zijn de artikelen 15-21 van de Rijnvaartakte vervangen door het op 14 december 1922 te Straatsburg gesloten Verdrag.]

Vervallen

Artikel 1*

Het recht om een vaartuig te besturen op de Rijn boven de brug van Duisburg-Hochfeld komt slechts toe aan de bezitter van een Rijnschipperspatent, dat hem door de bevoegde autoriteiten van een der Verdragsluitende Staten is verleend.

Artikel 2*

Het patent wordt verleend voor de gehele Rijn of voor bepaalde riviervakken.

Het vermeldt de gedeelten van de waterweg, waarvoor het geldt en de soorten van vaartuigen, welke de bezitter bevoegd is te besturen. Het geeft het recht elk vaartuig van de in het patent genoemde soorten te besturen onverschillig tot welke Staat het behoort.

Artikel 3*

De voorwaarden waaronder de autoriteiten, bedoeld in artikel 1, gehouden zijn een schipperspatent te verlenen, worden omschreven in een in gemeen overleg vastgesteld reglement.

Artikel 4*

De bezitter van een patent die, op welke wijze ook, een aan hem verleend patent laat komen in handen van een persoon die een zodanig stuk niet bezit, met het oogmerk deze in de gelegenheid te stellen krachtens dit patent de scheepvaart op de Rijn uit te oefenen, zal naar gelang van de omstandigheden worden gestraft met tijdelijke of definitieve intrekking van dit stuk.

Elke persoon die, niet voorzien van een aan hem verleend patent, de scheepvaart op de Rijn uitoefent en zich daarbij bedient van een aan een andere persoon verleend patent, zal gedurende een naar gelang van de omstandigheden te bepalen termijn van het verkrijgen van een schipperspatent zijn uitgesloten.

Artikel 5*

Het patent zal door de Staat, die het heeft verleend, worden ingetrokken ten aanzien van de bezitter, die blijk heeft gegeven van een onbekwaamheid, welke gevaar oplevert voor de scheepvaart, of die is veroordeeld, hetzij wegens herhaalde douane-overtredingen, hetzij wegens ernstige vergrijpen tegen de eigendom. De intrekking van het patent kan geschieden bij wijze van tijdelijke maatregel. Zij wordt ter kennis gebracht van de andere autoriteiten, welke tot het verlenen der patenten bevoegd zijn.

Artikel 22. 2) [Red: De toepassing van dit artikel is door artikel 356 van het Verdrag van Versailles beperkt tot de op de Rijn ingeschreven vaartuigen.]

Alvorens een vaartuig de eerste reis op de Rijn onderneemt, moet de eigenaar of bestuurder zich voorzien van een verklaring dat het schip de nodige hechtheid en de vereiste uitrusting bezit voor de vaart op dat gedeelte van de stroom waarvoor het bestemd is.

Deze verklaring of scheepspatent wordt, na onderzoek door deskundigen, afgegeven door het bevoegde gezag van een der Overeenkomstsluitende Staten.

Op het vaartuig en in het patent worden de naam van het schip en de grens van de grootste toegelaten diepgang aangegeven.

Bedoeld onderzoek wordt herhaald na elke belangrijke herstelling of verandering. Een nieuw onderzoek kan mede plaats vinden op verzoek van de bevrachter. De uitkomst wordt in het patent vermeld.

Elke Overeenkomstsluitende Staat, die dit nodig acht, kan een onderzoek gelasten te zijnen koste.

Het scheepspatent moet gedurende de reis steeds aan boord zijn. Het moet op verzoek van de haven- en politiebeambten aan dezen worden vertoond.

Artikel 23

De Centrale Commissie bepaalt in haar reglementen, vastgesteld ter uitvoering van artikel 22 van de onderhavige Akte, evenals van het Verdrag van 14 december 1922 betreffende de regeling der patenten voor Rijnschippers, welke categorieën vaartuigen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van die reglementen worden uitgezonderd.

Niettegenstaande artikel 22, lid 2, en artikel 1 van het Verdrag van 14 december 1922, betreffende de regeling der patenten voor Rijnschippers, kan de Centrale Commissie andere scheepscertificaten en schipperspatenten erkennen, wanneer deze zijn afgegeven op grond van voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de ter uitvoering van de onderhavige Akte vastgestelde voorschriften en overeenkomstig procedures die de daadwerkelijke naleving daarvan waarborgen. Deze erkenning kan worden ingetrokken wanneer de Centrale Commissie constateert dat niet meer wordt voldaan aan de vastgestelde voorwaarden. De bijzonderheden worden in de overeenkomstige uitvoeringsreglementen bepaald.

Artikel 24

De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op vervoer van de ene oever naar de andere, behoudens de bepaling van artikel 32.

Artikel 25

De houtvlotters moeten voor ieder vlot, waarmede zij de Rijn bevaren, voorzien zijn van een verklaring van het bevoegde gezag in hun land, opgemaakt; overeenkomstig het hierbij gevoegde model B en aangevende het getal, de soort en het gewicht van de stukken hout waaruit het vlot bestaat.

Deze verklaring treedt in de plaats van het in artikel 9 voorgeschreven manifest. Zij moet op verzoek worden getoond aan de politie-, haven-, douane- en waterstaatsambtenaren en aan de commissies, ingesteld voor het onderzoek der houtvlotten.

De bepalingen van de artikelen 9 tot en met 14 zijn mede van toepassing ten aanzien van houtvlotten en de geleiders ervan.

Artikel 26. 1) [Red: Artikel 356 van het Verdrag van Versailles behoudt aan de Centrale Commissie het recht voor, verordeningen betreffende het loodswezen uit te vaardigen.]

Het uitvaardigen van voorschriften betreffende de dienst der loodsen en waarschuwers en de door de schippers aan hen te betalen beloning wordt aan elke Oeverstaat voorbehouden.

Geen schipper of houtvlotter kan verplicht worden een loods aan boord te nemen. Voor loodsdiensten wordt alleen vergoeding gevorderd, indien aan boord der vaartuigen werkelijk van loodsen gebruik is gemaakt.

Artikel 27

De Regeringen der Oeverstaten dragen zorg, dat zowel in de vrijhavens als in de andere havens van de Rijn alle nodige maatregelen worden genomen om de lading, de lossing en de opslag in entrepot van goederen te vergemakkelijken, alsmede dat de ten dienste daarvan bestaande inrichtingen en werktuigen van elke aard in goede staat worden gehouden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.