Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen

Type Verdrag
Publication 2009-10-17
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Vergadering van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, bijeengekomen te Parijs in haar zestiende zitting, van 12 oktober tot 14 november 1970,

Herinnerend aan het belang van de bepalingen vervat in de Verklaring van de beginselen van internationale culturele samenwerking die de Algemene Vergadering in haar veertiende zitting heeft aangenomen,

Overwegende dat de uitwisseling van culturele goederen tussen de volken voor wetenschappelijke, culturele en opvoedkundige doeleinden de kennis van de beschaving van de mens vergroot, het culturele leven van alle volken verrijkt en leidt tot wederzijds begrip en wederzijdse waardering tussen de volken,

Overwegende dat culturele goederen van fundamenteel belang zijn voor de beschaving en de nationale cultuur en dat hun werkelijke waarde alleen kan worden beseft wanneer men beschikt over zo volledig mogelijke gegevens betreffende hun herkomst, hun geschiedenis en hun omgeving,

Overwegende dat het de plicht is van elke Staat de culturele goederen die zich op zijn grondgebied bevinden te beschermen tegen de gevaren van diefstal, heimelijke opgraving en onrechtmatige uitvoer,

Overwegende dat het, ten einde deze gevaren af te wenden, noodzakelijk is dat elke Staat zich in toenemende mate bewust wordt van zijn morele plicht zijn eigen cultureel erfgoed en dat van alle volken te eerbiedigen,

Overwegende dat musea, bibliotheken en archieven, als culturele instellingen, dienen te waarborgen dat hun verzamelingen worden aangelegd in overeenstemming met algemeen erkende morele beginselen,

Overwegende dat de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen een belemmering vormen voor dit wederzijdse begrip tussen de volken, dat de UNESCO volgens haar opdracht dient te bevorderen door de betrokken Staten het sluiten van daartoe strekkende internationale overeenkomsten aan te bevelen,

Overwegende dat de bescherming van het culturele erfgoed alleen doeltreffend kan zijn als zij zowel nationaal als internationaal wordt georganiseerd in nauwe samenwerking tussen de betrokken Staten,

Overwegende dat de Algemene Vergadering van de UNESCO hiertoe in 1964 een aanbeveling heeft aangenomen,

Thans behandelende verdere voorstellen inzake middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen, welke als punt 19 op de agenda van de zitting voorkomen,

Besloten hebbende, op haar vijftiende zitting, dat deze aangelegenheid het onderwerp van een internationale overeenkomst dient te zijn,

Aanvaardt deze Overeenkomst op 14 november 1970.

Artikel 1

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder de term „culturele goederen” verstaan goederen die om godsdienstige of wereldlijke redenen door elke Staat zijn aangewezen als belangrijk voor de oudheidkunde, de prehistorie, de geschiedenis, de letterkunde, de kunst of de wetenschap en die behoren tot de volgende categorieën:

Artikel 2
1.

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst zijn van oordeel dat de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen tot de voornaamste oorzaken behoren van de verarming van het culturele erfgoed van de landen van oorsprong van deze goederen en dat internationale samenwerking een van de meest doeltreffende middelen vormt om de culturele goederen van elk land te beschermen tegen de daaruit voortvloeiende gevaren.

2.

Derhalve verbinden de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst zich ertoe deze praktijken tegen te gaan met de te hunner beschikking staande middelen, met name door de oorzaken ervan weg te nemen, door een einde te maken aan de huidige praktijken en door de vereiste maatregelen tot herstel te helpen treffen.

Artikel 3

De invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen die geschiedt in strijd met de bepalingen welke ingevolge deze Overeenkomst door de Staten die daarbij partij zijn, zijn vastgesteld, is onrechtmatig.

Artikel 4

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst erkennen dat, voor de toepassing van de Overeenkomst, de tot de volgende categorieën behorende goederen deel uitmaken van het culturele erfgoed van elke Staat:

Artikel 5

Ter bescherming van hun culturele goederen tegen onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht, verbinden de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst zich ertoe, indien zodanige diensten niet reeds bestaan, op hun grondgebied op de aan elk land eigen wijze een of rneer nationale diensten in te stellen voor de bescherming van het culturele erfgoed, waaraan voldoende deskundig personeel is verbonden om de volgende taken naar behoren te kunnen verrichten:

Artikel 6

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verbinden zich:

Artikel 7

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verbinden zich:

Artikel 8

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verbinden zich ertoe straffen of bestuursrechtelijke sancties op te leggen aan personen die aansprakelijk zijn voor overtreding van de verbodsbepalingen bedoeld in de artikelen 6, letter (b) en 7, letter (b).

Artikel 9

Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en waarvan het culturele erfgoed wordt bedreigd door roof van oudheidkundige of etnologische goederen, kunnen een beroep doen op andere Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en die daarbij zijn betrokken. De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verbinden zich ertoe in deze omstandigheden deel te nemen aan een gezamenlijke internationale actie om de nodige concrete maatregelen, waaronder het toezicht op uitvoer en invoer en de internationale handel in de betrokken specifieke goederen, vast te stellen en uit te voeren. In afwachting van overeenstemming, treft elke betrokken Staat voor zover mogelijk voorlopige maatregelen om te voorkomen dat onherstelbare schade wordt toegebracht aan het culturele erfgoed van de Staat die het verzoek doet.

Artikel 10

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verbinden zich:

Artikel 11

De uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen onder dwang, rechtstreeks of niet rechtstreeks voortvloeiend uit de bezetting van een land door een vreemde mogendheid, worden als onrechtmatig beschouwd.

Artikel 12

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst eerbiedigen het culturele erfgoed binnen de grondgebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk zijn en nemen alle passende maatregelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen in zodanige gebieden te verbieden en te verhinderen.

Artikel 13

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verbinden zich voorts, overeenkomstig de wetten van elke Staat:

Artikel 14

Ten einde de onrechtmatige uitvoer te verhinderen en te voldoen aan de verplichtingen voortvloeiend uit de toepassing van deze Overeenkomst, voorziet elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst, naar vermogen, de nationale diensten tot bescherming van zijn culturele erfgoed van voldoende geldmiddelen en stelt hij hiertoe, zo nodig, een fonds in.

Artikel 15

Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst belet Staten die daarbij partij zijn onderling bijzondere overeenkomsten te sluiten of reeds gesloten overeenkomsten te blijven toepassen betreffende de teruggave van culturele goederen die vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst voor de betrokken Staten zijn weggevoerd van het grondgebied van oorsprong, onverschillig om welke reden.

Artikel 16

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verstrekken in hun periodieke verslagen, die worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur op door deze Vergadering vast te stellen tijdstippen en wijze, inlichtingen over de bepalingen in wetten en besluiten die zij hebben genomen en over andere maatregelen die zij hebben genomen ter uitvoering van deze Overeenkomst, alsmede bijzonderheden over de op dit gebied opgedane ervaring.

Artikel 17
1.

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst kunnen een beroep doen op technische bijstand van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, met name ten aanzien van:

2.

De Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur kan eigener beweging onderzoek verrichten en studies publiceren over aangelegenheden die betrekking hebben op het ongeoorloofde verkeer in culturele goederen.

3.

Hiertoe kan de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur ook een beroep doen op de medewerking van bevoegde niet-gouvernementele organisaties.

4.

De Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur kan eigener beweging de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst voorstellen doen over de toepassing van de Overeenkomst.

5.

Op verzoek van ten minste twee Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en die betrokken zijn bij een geschil over de toepassing ervan, kan de UNESCO haar goede diensten aanbieden om een schikking tussen hen te bereiken.

Artikel 18

Deze Overeenkomst is opgesteld in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk gezaghebbend.

Artikel 19
1.

Deze Overeenkomst dient, overeenkomstig hun onderscheiden constitutionele procedures, door de Staten die lid zijn van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur te worden bekrachtigd of aanvaard.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.