Overeenkomst tussen bepaalde Lid-Staten van de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek betreffende de uitvoering van een telecommunicatiesatellieten-programma
Preambule
De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat (hierna te noemen „de Deelnemers”) , zijnde Regeringen van Staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek, dat op 14 juni 1962 te Parijs voor ondertekening werd opengesteld (hierna te noemen „het Verdrag”),
en
de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”),
Gelet op de doelen, gesteld na overleg met de Europese Conferentie van PTT-Administraties (CEPT) en de Europese Radio Unie (EBU), in overeenstemming met de Resoluties van de Conferentie van Ministers van Posterijen en Telecommunicatie (Brussel, april 1970 en Wenen, april 1972), te weten het aan de PTT-Administraties (hierna te noemen „de gebruikers”) met ingang van 1980 beschikbaar stellen van betrouwbare ruimteverbindingen, waarmede een deel van het inter-Europese publieke telecommunicatieverkeer en de uitwisseling van televisieprogramma's kunnen worden verzorgd,
Overwegende dat het bereiken van deze doelen aanzienlijke technologische inspanningen vergt die de vooruitgang in de Europese industrie waarborgen en haar in staat zullen stellen op een meer concurrerende wijze deel te nemen aan de ontwikkeling van andere stelsels van ruimtecommunicatie,
Geleid door de wens te dien einde uitvoering te geven aan een Europees programma, bestaande uit het ontwerpen, ontwikkelen, bouwen en installeren van het experimentele en pre-operationele ruimtesegment van een stelsel van ruimtecommunicatie en het aan gebruikers beschikbaar stellen van betrouwbare operationele satellieten en daarenboven de technologie op dit gebied in Europa tot ontwikkeling te brengen,
Gelet op de voltooiing van de voorbereidende fase van genoemd programma, en herinnerend aan het tijdens de op 20 december 1971 gehouden 44ste Zitting van de Raad van de Organisatie genomen besluit over te gaan tot de daaropvolgende experimentele fase (ESRO/ C/XLIII/Res. 3 (Final), Hoofdstuk 1.3),
Gelet op de Verklaring van 12 april 1973, afgelegd door de vertegenwoordigers van de hierboven genoemde Regeringen in de Raad van de Organisatie,
Gelet op de door de Raad van de Organisatie tijdens zijn 56ste Zitting aanvaarde Resolutie betreffende de inwilliging van het verzoek dit programma uit te voeren binnen het kader van de Organisatie,
Gelet op het op 18 mei 1972 ondertekende Memorandum van Overeenstemming tussen de Organisatie en het Ministerie van Verbindingen van Canada betreffende hun samenwerking op het gebied van de geavanceerde ruimtetechnologie,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
De Deelnemers nemen de uitvoering op zich van een in fasen gesplitst programma, dat ten doel heeft het ontwerpen, ontwikkelen, bouwen en installeren van een experimenteel en pre-operationeel ruimtesegment van een stelsel van ruimtecommunicatie, dat voldoet aan de behoeften van de gebruikers en dat, na voltooiing van het programma, betrouwbare operationele satellieten ter beschikking stelt van de gebruikers. De elementen van dit ruimtesegment worden beschreven in Bijlage A bij deze Overeenkomst.
Artikel 2
Het in artikel 1 bedoelde programma wordt gesplitst in twee Fasen. Het werd voorafgegaan door een reeds voltooide voorbereidende Fase van programmaomschrijving (Fase 1). Deze beide Fasen (tot in bijzonderheden omschreven in Bijlage A bij deze Overeenkomst) zijn als volgt:
- a). Een technologische en experimentele Fase, gedurende welke de voor het programma benodigde communicatietechnieken en de technologie voor de ruimtevoertuigen op de grond worden ontwikkeld en aan boord van experimentele en pre-operationele satellieten worden beproefd (Fase 2). Deze Fase kan op elk daartoe geschikt tijdstip tijdens haar uitvoering worden herzien met het oog op de invoeging van een sub-fase (2bis), die verdere werkzaamheden inzake geavanceerde technieken en gespecialiseerde studies omvat.
- b). Een Fase gewijd aan de ontwikkeling van twee operationele vluchteenheden te zamen, indien nodig, met het lanceren en het in de baan om de aarde evalueren van een prototype, en na voltooiing van deze ontwikkeling, aan het beschikbaar stellen van deze operationele vliegeenheden aan de potentiële gebruikers, namelijk een van hen in de baan om de aarde en een op de grond, op tussen de Deelnemers en de gebruikers overeen te komen voorwaarden (Fase 3).
De besluiten over te gaan tot sub-fase 2bis en tot Fase 3 worden genomen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
Artikel 3
Krachtens artikel VIII van het Verdrag voert de Organisatie het in artikel 1 bedoelde programma uit overeenkomstig het tijdschema en de andere bepalingen, vervat in Bijlage A bij deze Overeenkomst.
Tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, voert de Organisatie het programma uit overeenkomstig de binnen de Organisatie geldende regels en procedures.
Artikel 4
Een Programmaraad, bestaande uit vertegenwoordigers van de Deelnemers, is verantwoordelijk voor het programma en neemt alle desbetreffende beslissingen overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst.
In aangelegenheden die van invloed zijn op meer dan een programma van de Organisatie, treedt de Programmaraad op als adviesorgaan van de Raad, aan wie hij alle nodige aanbevelingen in zodanige aangelegenheden doet.
De Programmaraad is ook verantwoordelijk voor het onderhouden van nauwe betrekkingen met de nationale en internationale telecommunicatie-organen, ten einde in staat te zijn te reageren op een eventuele heroriëntering van de operationele doelen van het voor ogen staande ruimtesegment; hij stelt de voorschriften vast voor het gebruik van het ruimtesegment van Fase 2 voor experimentele en pre-operationale doelen.
De Programmaraad kan de adviesorganen instellen die hij nodig acht voor de goede uitvoering van het programma.
De besluiten van de Programmaraad worden genomen overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, worden de in het Verdrag en in het Huishoudelijk Reglement van de Raad van de Organisatie neergelegde voorschriften voor stemuitbrenging mutatis mutandis toegepast.
Artikel 5
Besluiten inzake de aanvang en de juiste inhoud van sub-fase 2bis en Fase 3 van het programma worden genomen door de Programmaraad met een twee derde meerderheid van stemmen, mits deze meerderheid ten minste twee derde van de bijdragen aan het programma vertegenwoordigt. Indien op deze wijze geen besluit tot stand kan komen om over te gaan tot Fase 3, plegen de Staten die niettemin het programma willen voortzetten, onderling overleg en zij stellen voorwaarden vast voor een zodanige voortzetting. Zij brengen dienovereenkomstig verslag uit aan de Raad, die de eventueel vereiste maatregelen neemt.
Artikel 6
De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van het programma door de Organisatie krachtens deze Overeenkomst, worden bekostigd door de Deelnemers overeenkomstig de in Bijlage B bij deze Overeenkomst neergelegde bepalingen en binnen de grenzen van het vaste financiële kader dat in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel voor elke Fase is vastgesteld.
De Deelnemers komen overeen bij te dragen aan de financiering van Fase 2 van het programma op basis van een vast financieel kader van 115,1 miljoen rekeneenheden (tegen de medio 1972 geldende prijzen), waaraan een aandeel wordt toegevoegd in de gemeenschappelijke uitgaven en de ondersteuningsuitgaven van de Organisatie, welk aandeel voorshands wordt geraamd op 28 miljoen rekeneenheden.
Zo spoedig mogelijk tijdens Fase 2 en zodra is voldaan aan de in artikel 5 gestelde voorwaarden, besluiten de Deelnemers met een in artikel 5 omschreven meerderheid van stemmen een vast financieel kader vast te stellen voor de uitvoering van Fase 3
De op het programma betrekking hebbende jaarlijkse begrotingen worden met een twee derde meerderheid van stemmen door de Programmaraad goedgekeurd binnen de grenzen van het desbetreffende vaste financiële kader.
Artikel 7
De Deelnemers komen overeen dat, ten einde in geval van veranderingen in het prijspeil het vaste financiële kader voor een Fase te kunnen herzien, de op dat tijdstip binnen de Organisatie geldende procedure zal worden toegepast.
Indien een vast financieel kader om andere redenen dan veranderingen in het prijspeil moet worden herzien, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- a). indien de cumulatieve overschrijding van de voor de voltooiing geraamde kosten niet meer beloopt dan 20% van het bedrag van het vaste financiële kader van de in uitvoering zijnde Fase, is een Deelnemer niet gerechtigd zich uit het programma terug te trekken en besluit de Programmaraad met een twee derde meerderheid van stemmen over de bijkomende uitgaven.
- b). Indien de cumulatieve overschrijding van de voor de voltooiing geraamde kosten meer beloopt dan 20% van het bedrag van het desbetreffende vaste financiële kader, kunnen de Deelnemers die zulks wensen zich terugtrekken uit het Programma, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 17. De Deelnemers die het programma wensen voort te zetten, plegen onderling overleg en stellen de voorwaarden voor een zodanige voortzetting vast. Zij brengen dienovereenkomstig verslag uit aan de Raad, die de vereiste besluiten neemt.
Artikel 8
Intellectuele eigendomsrechten voortvloeiend uit de uitvoering van het programma, evenals toegang tot aldus verkregen technische gegevens, zijn voorbehouden aan de Deelnemers, maar de Organisatie heeft het recht daar kosteloos gebruik van te maken voor al haar werkzaamheden.
Artikel 9
De Deelnemers machtigen de Organisatie tot het sluiten van de nodige contracten voor de uitvoering van het programma overeenkomstig de regels en procedures van de Organisatie. Bij het plaatsen van contracten en toeleveringscontracten voor de uitvoering van het programma wordt evenwel, waar mogelijk, voorkeur gegeven aan het laten verrichten van de werkzaamheden op het grondgebied van de Deelnemers, met inachtneming van de besluiten van de Raad ter zake van het industriële beleid en de werkverdeling.
Artikel 10
De Organisatie, optredend namens de Deelnemers, is eigenares van de in het kader van het programma ontwikkelde satellieten, alsmede van de installaties en uitrusting die voor de uitvoering tot en met Fase 3 zijn verworven. De Programmaraad neemt, in overleg met de Raad van de Organisatie, besluiten inzake de overdracht van verworven installaties en uitrusting.
Artikel 11
De Deelnemers stellen de Organisatie schadeloos voor elke verplichting die deze aangaat, Indien haar internationale aansprakelijkheid in het geding komt ten gevolge van de uitvoering van het programma.
Elke door de Organisatie ten aanzien van het programma ontvangen schadeloosstelling wordt gecrediteerd op de jaarlijkse programmabegrotingen bedoeld in het vierde lid van artikel 6.
Artikel 12
Elk geschil dat zich voordoet tussen twee of meer Deelnemers of tussen een van hen en de Organisatie betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst en dat niet in onderling overleg kan worden geregeld, wordt op verzoek van een der partijen bij het geschil voorgelegd aan een scheidsman die moet worden benoemd door de President van het Internationaal Gerechtshof. De scheidsman mag geen onderdaan zijn van een Staat die partij is bij het geschil en evenmin ingezetene van die Staat zijn.
De partijen bij de Overeenkomst die geen partij zijn bij het geschil hebben het recht zich te voegen in de procedure en de beslissing van de scheidsman is bindend voor alle Deelnemers en de Organisatie, ongeacht of zij zich in de procedure hebben gevoegd.
Artikel 13
Deze Overeenkomst staat van 1 juni 1973 tot 21 september 1973 open voor ondertekening door de Deelnemers.
Staten worden partij bij deze Overeenkomst door:
- -. ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging of goedkeuring,
- -. nederlegging van een akte van bekrachtiging of goedkeuring bij de Regering van de Franse Republiek, indien de Overeenkomst werd ondertekend onder voorbehoud van bekrachtiging of goedkeuring.
Deze Overeenkomst treedt in werking wanneer zij is ondertekend door de Organisatie en wanneer het totaal van de bijdragen op basis van de verdeelsleutel vervat in Bijlage B te betalen door de Staten die partij bij deze Overeenkomst zijn geworden overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, twee derde beloopt van de totaal te betalen bijdragen.
Voor de toepassing van het derde lid van dit artikel wordt de nederlegging bij de depot-Regering van een verklaring van intentie tot voorlopige toepassing van de Overeenkomst en tot het zo spoedig mogelijk verkrijgen van bekrachtiging of goedkeuring, beschouwd als de nederlegging van een akte van bekrachtiging of goedkeuring.
De Regering van een Lid-Staat van de Organisatie die de Overeenkomst op 21 september 1973 nog niet heeft ondertekend kan na haar inwerkingtreding partij worden, mits de andere Regeringen die partij bij de Overeenkomst zijn daarmede instemmen. In zulk een geval moet de betrokken Regering een akte van toetreding nederleggen bij de Regering van de Franse Republiek.
Tenzij de Programmaraad met eenparigheid van stemmen anders besluit, betaalt een Regering die partij bij deze Overeenkomst wordt na haar inwerkingtreding een bijdrage gelijk aan die welke zij zou hebben betaald indien zij partij bij de Overeenkomst zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding daarvan en voor deze bijdrage worden de andere Deelnemers gecrediteerd naar verhouding van hun bijdragen.
Artikel 14
De Regering van een Staat die geen lid van de Organisatie is, kan bij de Raad van de Organisatie een verzoek indienen om toetreding tot het programma; voor een besluit van de Raad tot instemming met een zodanig verzoek is eenparigheid van stemmen vereist en het moet worden genomen in overleg met de Programmaraad die met eenparigheid van stemmen de toetredingsvoorwaarden bepaalt.
Artikel 15
De Organisatie stelt, na overleg met de Programmaraad, de Deelnemers ervan in kennis wanneer het programma naar behoren is voltooid overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en deze Overeenkomst wordt beëindigd bij ontvangst van een zodanige kennisgeving.
Artikel 16
De Deelnemers kunnen tot beëindiging van de uitvoering van het programma besluiten met een twee derde meerderheid van stemmen, die ten minste twee derde van de bijdragen aan dit programma vertegenwoordigen.
Artikel 17
Een Deelnemer die zich krachtens artikel 5 en het tweede lid, letter b, van artikel 7 wenst terug te trekken, stelt de Organisatie van zijn terugtrekking in kennis. Deze terugtrekking wordt van kracht op de datum van de kennisgeving, zulks onder voorbehoud van de volgende bepalingen:
- a). de zich terugtrekkende Deelnemer is verplicht op de overeengekomen wijze zijn bijdragen te betalen uit hoofde van de lopende of een voorgaande jaarlijkse begroting;
- b). de zich terugtrekkende Deelnemer blijft verplicht zijn aandeel bij te dragen in de met de goedgekeurde betalingsverplichtingen overeenkomende betalingskredieten welke zijn gebruikt uit de begroting voor het lopende of een voorgaand begrotingsjaar en die betrekking hebben op een in uitvoering zijnde Fase van het programma;
- c). de zich terugtrekkende Deelnemer blijft lid van de Programmaraad tot hij aan zijn verplichtingen krachtens de letters a) en b) hierboven heeft voldaan. Hij heeft slechts stemrecht in aangelegenheden die rechtstreeks met deze verplichtingen verband houden.
De zich terugtrekkende Deelnemer behoudt de rechten welke zijn verworven tot op de datum waarop zijn terugtrekking van kracht wordt. Met betrekking tot handelingen en ontwikkelingen waartoe wordt besloten na zijn terugtrekking ontstaat geen verder recht of verdere verplichting uit dat deel van het programma waaraan hij niet langer bijdraagt, tenzij en voor zover anders overeengekomen tussen de overblijvende Deelnemers en de zich terugtrekkende Deelnemer. De bepalingen van artikel XVII van het Verdrag van de Organisatie zijn mutatis mutandis van toepassing.
Indien een niet-Lid-Staat die overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van deze Overeenkomst tot het programma is toegetreden, zich uit het programma wenst terug te trekken, is het bepaalde in dit artikel mutatis mutandis van toepassing.
Artikel 18
De Bijlagen A en B bij deze Overeenkomst vormen een integrerend deel daarvan.
Artikel 19
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.