Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,
In overweging nemend de fundamentele rol van verdragen in de geschiedenis van de internationale betrekkingen,
Zich bewust van het steeds toenemend belang van verdragen als bron van volkenrecht en als middel ter ontwikkeling van de vreedzame samenwerking tussen de naties, ongeacht hun constitutionele en sociale stelsels,
Vaststellend dat de beginselen van vrijwillige instemming en van goede trouw en de regel pacta sunt servanda algemeen erkend worden,
Bevestigend dat geschillen betreffende verdragen, evenals andere internationale geschillen, dienen te worden geregeld langs vreedzame weg en overeenkomstig de beginselen van gerechtigheid en het volkenrecht,
Herinnerend aan de vastbeslotenheid van de volken van de Verenigde Naties tot het scheppen van de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het handhaven van de gerechtigheid en de eerbiediging van de uit verdragen voortvloeiende verplichtingen,
Indachtig de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, als daar zijn de beginselen van de gelijkgerechtigdheid der volken en hun recht op zelfbeschikking, de soevereine gelijkheid en de onafhankelijkheid van alle Staten, het zich niet mengen in binnenlandse aangelegenheden van Staten, het verbod van het dreigen met of het gebruikmaken van geweld en de universele en daadwerkelijke eerbied voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden voor allen,
Van oordeel zijnde dat de codificatie en de geleidelijke ontwikkeling van het in dit Verdrag neergelegde verdragenrecht de in het Handvest omschreven doelstellingen van de Verenigde Naties zullen bevorderen, te weten: het handhaven van de internationale vrede en veiligheid, het ontwikkelen van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties en de verwezenlijking van de internationale samenwerking,
Bevestigend dat de vraagstukken die niet door de bepalingen van dit Verdrag worden geregeld, zullen worden beheerst door de regels van het internationale gewoonterecht,
Zijn overeengekomen als volgt:
DEEL I. Inleiding
Artikel 1. Werkingssfeer van dit Verdrag
Dit Verdrag is van toepassing op verdragen tussen Staten.
Artikel 2. Gebezigde uitdrukkingen
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent
- a). „verdrag”: een internationale overeenkomst in geschrifte tussen Staten gesloten en beheerst door het volkenrecht, hetzij nedergelegd in een enkele akte, hetzij in twee of meer samenhangende akten, en ongeacht haar bijzondere benaming;
- b). „bekrachtiging”, „aanvaarding”, „goedkeuring” en „toetreding”: al naar gelang het geval, de internationale handeling van die naam, waarmee een Staat op internationaal niveau zijn instemming door een verdrag gebonden te worden vastlegt;
- c). „volmacht”: een van de bevoegde autoriteit van een Staat uitgaand document waarbij een of meer personen worden aangewezen om de Staat te vertegenwoordigen bij de onderhandelingen over, de aanneming of de authentificatie van een verdragstekst, om de instemming van de Staat door een verdrag gebonden te worden tot uitdrukking te brengen, of om elke andere handeling te verrichten met betrekking tot een verdrag;
- d). „voorbehoud”: een eenzijdige verklaring, ongeacht haar bewoording of haar benaming, afgelegd door een Staat wanneer hij een verdrag ondertekent, bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of daartoe toetreedt, waarbij hij te kennen geeft het rechtsgevolg van zekere bepalingen van het verdrag in hun toepassing met betrekking tot deze Staat uit te sluiten of te wijzigen;
- e). „Staat die heeft deelgenomen aan de onderhandelingen”: een Staat die heeft deelgenomen aan de voorbereiding en de aanneming van de verdragstekst;
- f). „verdragsluitende Staat”: een Staat die heeft ingestemd door het verdrag gebonden te worden, of het verdrag in werking is getreden of niet;
- g). „partij”: een Staat die heeft ingestemd door het verdrag gebonden te worden en voor welke het verdrag in werking is getreden;
- h). „derde Staat”: een Staat die geen partij is bij het verdrag;
- i). „internationale organisatie”: een intergouvernementele organisatie.
De bepalingen van het eerste lid aangaande de in dit Verdrag gebezigde uitdrukkingen laten onverlet het gebruik van deze termen of de betekenis die er in het nationale recht van een Staat aan kan worden gehecht.
Artikel 3. Internationale overeenkomsten die buiten de werkingssfeer van dit Verdrag vallen
Het feit dat dit Verdrag noch op internationale overeenkomsten gesloten tussen Staten en andere subjecten van volkenrecht of tussen deze andere subjecten van volkenrecht, noch op niet in geschrifte tot stand gebrachte internationale overeenkomsten van toepassing is, doet geen afbreuk aan:
- a). de rechtskracht van zodanige overeenkomsten;
- b). de toepassing op deze overeenkomsten van alle in dit Verdrag vastgelegde regels waaraan zij onafhankelijk van dit Verdrag krachtens het volkenrecht zouden zijn onderworpen;
- c). de toepassing van het Verdrag op de betrekkingen tussen Staten, geregeld door internationale overeenkomsten waarbij andere subjecten van volkenrecht eveneens partij zijn.
Artikel 4. De niet-terugwerkende kracht van dit Verdrag
Onverminderd de toepassing van de in dit Verdrag vastgelegde regels waaraan verdragen krachtens het volkenrecht los van dit Verdrag zouden zijn onderworpen, is dit Verdrag slechts van toepassing op verdragen gesloten door Staten na zijn inwerkingtreding voor die Staten.
Artikel 5. Verdragen ter oprichting van internationale organisaties en verdragen aangenomen binnen een internationale organisatie
Dit Verdrag is van toepassing op elk verdrag dat de oprichtingsakte van een internationale organisatie vormt en op elk verdrag, aangenomen binnen een internationale organisatie, behoudens de ter zake dienende regels van de organisatie.
DEEL II. Het sluiten en de inwerkingtreding van verdragen
AFDELING 1. HET SLUITEN VAN VERDRAGEN
Artikel 6. Bevoegdheid der Staten tot het sluiten van verdragen
Elke Staat is bevoegd tot het sluiten van verdragen.
Artikel 7. Volmacht
Een persoon wordt beschouwd een Staat te vertegenwoordigen ter zake van de aanneming of de authentificatie van een verdragstekst of om de instemming van de Staat door een verdrag gebonden te worden tot uitdrukking te brengen, indien:
- a). hij een voor dat doel verleende volmacht toont; of
- b). uit de praktijk van de betrokken Staten of uit andere omstandigheden blijkt dat het hun bedoeling was deze persoon als vertegenwoordiger van de Staat ten dezen te beschouwen en niet de overlegging van een volmacht te verlangen.
Op grond van hun functies en zonder dat zij een volmacht behoeven te tonen, worden als vertegenwoordiger van hun Staat beschouwd:
- a). Staatshoofden, Regeringsleiders en Ministers van Buitenlandse Zaken, voor alle handelingen met betrekking tot het sluiten van een verdrag;
- b). hoofden van diplomatieke missies voor de aanneming van de tekst van een verdrag tussen de accrediterende Staat en de Staat waar zij geaccrediteerd zijn;
- c). geaccrediteerde vertegenwoordigers van Staten bij een internationale conferentie of een internationale organisatie of een van haar organen, voor de aanneming van een verdragstekst in deze conferentie, deze organisatie of dit orgaan.
Artikel 8. Bevestiging achteraf van een zonder machtiging verrichte handeling
Een handeling met betrekking tot het sluiten van een verdrag, verricht door een persoon die niet krachtens artikel 7 beschouwd kan worden gemachtigd te zijn een Staat ten dezen te vertegenwoordigen, is zonder rechtsgevolg tenzij zij achteraf door die Staat wordt bevestigd.
Artikel 9. Aanneming van de tekst
De aanneming van een verdragstekst geschiedt door de instemming van alle Staten die betrokken zijn bij het opstellen, met uitzondering van gevallen voorzien in het tweede lid.
De aanneming van een verdragstekst op een internationale conferentie geschiedt door een meerderheid van twee derden van de stemmen van de aanwezige en stemuitbrengende Staten, tenzij die Staten met dezelfde meerderheid besluiten een afwijkende regel toe te passen.
Artikel 10. Authentificatie van de tekst
De verdragstekst wordt als authentiek en definitief vastgesteld:
- a). door de procedure, vastgesteld in die tekst of overeengekomen door de aan de opstelling van het verdrag deelnemende Staten; of
- b). indien in een dergelijke procedure niet is voorzien, door ondertekening, ondertekening ad referendum of parafering door de vertegenwoordigers van die Staten van de verdragstekst of de slotakte van een conferentie waarin de tekst is opgenomen.
Artikel 11. Middelen om de instemming door een verdrag gebonden te worden tot uitdrukking te brengen
De instemming van een Staat door een verdrag gebonden te worden, kan tot uitdrukking worden gebracht door ondertekening, door uitwisseling van akten die een verdrag vormen, door bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of door ieder ander overeengekomen middel.
Artikel 12. Het door ondertekening tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden
De instemming van een Staat door een verdrag gebonden te worden, wordt tot uitdrukking gebracht door de ondertekening door de vertegenwoordiger van deze Staat, indien:
- a). het verdrag er in voorziet dat de ondertekening dit gevolg heeft;
- b). het op andere wijze vaststaat, dat de Staten die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen zijn overeengekomen dat de ondertekening dit gevolg heeft; of
- c). de bedoeling van de Staat om de ondertekening dit gevolg te geven uit de volmacht van zijn vertegenwoordiger blijkt of tijdens de onderhandelingen te kennen is gegeven.
Voor de toepassing van het eerste lid:
- a). geldt de parafering van een tekst als ondertekening van het verdrag indien het vaststaat dat de Staten die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen aldus zijn overeengekomen;
- b). geldt de ondertekening ad referendum van een verdrag door de vertegenwoordiger van een Staat, indien zij door die Staat wordt bevestigd, als definitieve ondertekening van het verdrag.
Artikel 13. Het door uitwisseling van akten die een verdrag vormen tot uitdrukking brengen van de instemming door een verdrag gebonden te worden
De instemming van Staten gebonden te worden door een verdrag, dat wordt gevormd door tussen hen uitgewisselde akten, wordt tot uitdrukking gebracht door deze uitwisseling, indien:
- a). de akten er in voorzien dat hun uitwisseling dit gevolg heeft; of
- b). het op andere wijze vaststaat, dat die Staten zijn overeengekomen dat de uitwisseling van akten dit gevolg heeft.
Artikel 14. Het door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring tot uitdrukking brengen van de instemming door een verdrag gebonden te worden
De instemming van een Staat door een verdrag gebonden te worden, wordt tot uitdrukking gebracht door bekrachtiging, indien:
- a). het verdrag er in voorziet dat deze instemming door bekrachtiging tot uitdrukking wordt gebracht;
- b). het op andere wijze vaststaat, dat de Staten die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen, waren overeengekomen dat bekrachtiging is vereist;
- c). de vertegenwoordiger van deze Staat het verdrag onder voorbehoud van bekrachtiging heeft ondertekend; of
- d). de bedoeling van deze Staat om het verdrag te ondertekenen onder voorbehoud van bekrachtiging uit de volmacht van zijn vertegenwoordiger blijkt of tijdens de onderhandelingen te kennen is gegeven.
De instemming van een Staat door een verdrag gebonden te worden, wordt tot uitdrukking gebracht door aanvaarding of goedkeuring op soortgelijke voorwaarden als die welke gelden voor bekrachtiging.
Artikel 15. Het door toetreding tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden
De instemming van een Staat door een verdrag gebonden te worden, wordt tot uitdrukking gebracht door toetreding, indien:
- a). het verdrag er in voorziet, dat deze instemming door deze Staat tot uitdrukking kan worden gebracht door toetreding;
- b). het op andere wijze vaststaat, dat de Staten die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen zijn overeengekomen dat deze instemming door deze Staat tot uitdrukking kan worden gebracht door toetreding; of
- c). alle partijen nadien zijn overeengekomen dat deze instemming door deze Staat tot uitdrukking kan worden gebracht door toetreding.
Artikel 16. Uitwisseling of nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding
Tenzij het verdrag anders bepaalt, leggen de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding de instemming van een Staat vast om door een verdrag gebonden te worden op het ogenblik van:
- a). hun uitwisseling tussen de verdragsluitende Staten;
- b). hun nederlegging bij de depositaris; of
- c). hun kennisgeving aan de verdragsluitende Staten of de depositaris, indien aldus is overeengekomen.
Artikel 17. Instemming door een deel van een verdrag gebonden te worden en keuze tussen verschillende bepalingen
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 19 tot 23 heeft de instemming van een Staat gebonden te worden door een deel van een verdrag slechts gevolgen indien het verdrag dit toelaat of indien de andere verdragsluitende Staten hiermede instemmen.
De instemming van een Staat gebonden te worden door een verdrag dat een keuze veroorlooft uit verschillende bepalingen, heeft slechts gevolgen indien duidelijk is aangegeven op welke van de bepalingen de instemming betrekking heeft.
Artikel 18. Verplichting voorwerp en doel van een verdrag niet ongedaan te maken alvorens zijn inwerkingtreding
Een Staat moet zich onthouden van handelingen die een verdrag zijn voorwerp en zijn doel zouden ontnemen, indien:
- a). hij het verdrag heeft ondertekend of de akten die het verdrag vormen heeft uitgewisseld onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, totdat hij zijn bedoeling geen partij te willen worden bij het verdrag kenbaar heeft gemaakt; of
- b). hij zijn instemming door het verdrag gebonden te worden tot uitdrukking heeft gebracht in de periode die aan de inwerkingtreding van het verdrag voorafgaat op voorwaarde dat deze inwerkingtreding niet onnodig wordt vertraagd.
AFDELING 2. VOORBEHOUDEN
Artikel 19. Het maken van voorbehouden
Een Staat kan op het ogenblik van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van een verdrag of toetreding tot een verdrag een voorbehoud maken, tenzij:
- a). dit voorbehoud is verboden door het verdrag;
- b). het verdrag bepaalt dat slechts bepaalde voorbehouden, waaronder niet het voorbehoud in kwestie, kunnen worden gemaakt; of
- c). voor zover het andere gevallen dan omschreven onder a) en b) betreft, het voorbehoud niet verenigbaar is met voorwerp en doel van het verdrag.
Artikel 20. Aanvaarding van en bezwaar tegen voorbehouden
Een door een verdrag uitdrukkelijk toegestaan voorbehoud behoeft niet nadien door de andere verdragsluitende partijen te worden aanvaard, tenzij het verdrag dat voorschrijft.
Indien uit het beperkte aantal Staten dat aan de onderhandelingen heeft deelgenomen en uit het voorwerp en doel van het verdrag blijkt, dat de toepassing van het verdrag in zijn geheel tussen alle partijen een wezenlijke voorwaarde is voor de instemming van elk hunner door het verdrag gebonden te worden, dient een voorbehoud door alle partijen te worden aanvaard.
Indien een verdrag een oprichtingsakte van een internationale organisatie is en indien het niet anders bepaalt, dient een voorbehoud door het bevoegde orgaan van deze organisatie te worden aanvaard.
In andere gevallen dan die waarin de voorgaande leden voorzien en indien het verdrag niet anders bepaalt:
- a). maakt de aanvaarding van een voorbehoud door een andere verdragsluitende Staat de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt partij bij het verdrag met betrekking tot deze andere Staat, indien het verdrag in werking is of wanneer het in werking treedt voor deze Staten;
- b). verhindert het bezwaar van een andere verdragsluitende Staat tegen een voorbehoud niet de inwerkingtreding van het verdrag tussen de Staat die het bezwaar heeft aangetekend en de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt, tenzij de tegengestelde bedoeling duidelijk is uitgedrukt door de Staat die het bezwaar heeft aangetekend;
- c). wordt een akte, waarin de instemming van een Staat door het verdrag gebonden te worden tot uitdrukking wordt gebracht en die een voorbehoud bevat, van kracht zodra ten minste één andere verdragsluitende Staat het voorbehoud heeft aanvaard.
Voor de toepassing van het tweede en vierde lid en indien het verdrag niet anders bepaalt, wordt een voorbehoud geacht te zijn aanvaard door een Staat, indien deze geen bezwaar heeft gemaakt tegen het voorbehoud binnen twaalf maanden na de datum waarop hij de kennisgeving daarvan ontvangen heeft, of op de dag, waarop hij zijn instemming door het verdrag gebonden te worden tot uitdrukking heeft gebracht indien deze dag op een latere datum valt.
Artikel 21. Rechtsgevolgen van voorbehouden en bezwaren tegen voorbehouden
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.