Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld

Type Verdrag
Publication 2008-11-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De overeenkomstsluitende partijen, die tevens partij zijn bij het Verdrag inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld,

Geleid door de wens een grotere eenvormigheid te bereiken in de regels voor het wegverkeer in Europa en een hoger niveau van bescherming van het milieu te waarborgen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1
1.

De Overeenkomstsluitende Partijen, die tevens Partij zijn bij het Verdrag inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, nemen passende maatregelen opdat de op hun grondgebied geldende verkeersregels en de technische eisen waaraan op hun grondgebied geregistreerde motorvoertuigen moeten voldoen in hoofdzaak overeenkomen met de bepalingen in de Bijlage bij deze Overeenkomst.

2.

Op voorwaarde dat deze regels op geen enkele wijze in strijd zijn met de bepalingen in de Bijlage bij deze Overeenkomst

3.

De bepalingen van dit artikel eisen niet van de Overeenkomstsluitende Partijen dat zij overtredingen van de in de Bijlage neergelegde bepalingen die zijn opgenomen in hun eigen verkeersregels strafbaar stellen.

Artikel 2
1.

Deze Overeenkomst is tot 31 december 1972 opengesteld voor ondertekening door Staten die het Verdrag inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden en die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties of in een adviserende hoedanigheid tot de Commissie zijn toegelaten overeenkomstig paragraaf 8 van het mandaat van de Commissie.

2.

Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd nadat de betrokken Staat het Verdrag inzake het Wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, heeft ondertekend of daartoe is toegetreden. De akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

3.

Deze Overeenkomst blijft opengesteld voor toetreding door alle Staten bedoeld in het eerste lid van dit artikel die partij zijn bij het Verdrag inzake het Wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 3
1.

Elke Staat kan bij de ondertekening of bekrachtiging van deze Overeenkomst, of bij toetreding daartoe, alsook te allen tijde daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, verklaren dat de Overeenkomst van toepassing wordt voor een of meer der gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is. De Overeenkomst wordt van toepassing voor het gebied of de gebieden genoemd in de kennisgeving dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal, dan wel op de datum waarop de Overeenkomst in werking treedt in de Staat die de kennisgeving heeft gedaan, indien dit tijdstip later valt.

2.

Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, kan op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, verklaren dat de Overeenkomst niet langer van toepassing zal zijn voor het in de kennisgeving genoemde gebied en de Overeenkomst zal dan niet langer van toepassing zijn voor dit gebied met ingang van een jaar te rekenen van de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 4
1.

Deze Overeenkomst treedt in werking twaalf maanden na de datum van nederlegging van de tiende akte van bekrachtiging of toetreding.

2.

Voor elke Staat die deze Overeenkomst bekrachtigt of daartoe toetreedt nadat de tiende akte van bekrachtiging of toetreding is nedergelegd, treedt de Overeenkomst in werking twaalf maanden na de datum waarop deze Staat zijn akte van bekrachtiging of toetreding heeft nedergelegd.

3.

Indien de datum van inwerkingtreding die op grond van het eerste en het tweede lid van dit artikel van toepassing is, voorafgaat aan die welke het gevolg is van de toepassing van artikel 47 van het Verdrag inzake het Wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, treedt deze Overeenkomst in werking in de zin van het eerste lid van dit artikel op die van beide data welke het laatst valt.

Artikel 5

Bij zijn inwerkingtreding beëindigt en vervangt deze Overeenkomst in de betrekkingen tussen de Overeenkomstsluitende Partijen de bepalingen betreffende het wegverkeer vervat in de Europese Overeenkomst houdende aanvulling van het Verdrag nopens het wegverkeer en het Protocol nopens de verkeerstekens van 1949 die op 16 september 1950 te Genève werd ondertekend en de Europese Overeenkomst houdende toepassing van artikel 23 van het Verdrag nopens het wegverkeer van 1949, betreffende de afmetingen en gewichten der op bepaalde wegen van de Overeenkomstsluitende Partijen toegelaten voertuigen, die op 16 september 1950 te Genève werd ondertekend.

Artikel 6
1.

Nadat deze Overeenkomst twaalf maanden van kracht is geweest, kan elke Overeenkomstsluitende Partij een of meer wijzigingen in de Overeenkomst voorstellen. De tekst van de wijzigingsvoorstellen, vergezeld van een memorie van toelichting, wordt toegezonden aan de Secretaris-Generaal, die deze ter kennis van alle Overeenkomstsluitende Partijen brengt. De Overeenkomstsluitende Partijen hebben de gelegenheid hem, binnen een tijdvak van twaalf maanden te rekenen van de datum van die kennisgeving, mede te delen of zij: (a) de wijziging aanvaarden; of (b) de wijziging verwerpen; of (c) wensen dat een conferentie wordt bijeengeroepen ter bestudering van de wijziging. De Secretaris-Generaal doet de tekst van de voorgestelde wijziging tevens toekomen aan de andere Staten bedoeld in artikel 2 van deze Overeenkomst.

3.

Indien een voorgestelde wijziging niet is aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel en indien binnen het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in het eerste lid van dit artikel minder dan de helft van het totale aantal Overeenkomstsluitende Partijen de Secretaris-Generaal mededeelt dat zij de voorgestelde wijziging verwerpen en indien ten minste een derde van het totale aantal Overeenkomstsluitende Partijen, maar niet minder dan vijf, hem mededeelt haar te aanvaarden dan wel wenst dat een conferentie wordt bijeengeroepen om haar te bestuderen, roept de Secretaris-Generaal een conferentie bijeen ten einde de voorgestelde wijziging of ieder ander voorstel te bestuderen dat hem wordt voorgelegd overeenkomstig het vierde lid van dit artikel.

4.

Indien een conferentie is bijeengeroepen overeenkomstig het derde lid van dit artikel, nodigt de Secretaris-Generaal alle Overeenkomstsluitende Partijen, alsmede de andere Staten bedoeld in artikel 2 van deze Overeenkomst, daartoe uit. Hij verzoekt alle tot de conferentie uitgenodigde Staten hem, uiterlijk zes maanden voor de openingsdatum van de conferentie, alle voorstellen voor te leggen die zij behalve de voorgestelde wijziging ook door de conferentie wensen te laten bestuderen en hij deelt zodanige voorstellen uiterlijk drie maanden voor de openingsdatum van de conferentie mede aan alle tot de conferentie uitgenodigde Staten.

6.

Indien de voorgestelde wijziging niet wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, en indien aan de in het derde lid van dit artikel voorgeschreven voorwaarden met betrekking tot het bijeenroepen van een conferentie niet is voldaan, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn verworpen.

7.

Onafhankelijk van de wijzigingsprocedure voorgeschreven in het eerste tot en met zesde lid van dit artikel, kan de Bijlage bij deze Overeenkomst bij overeenkomst tussen de bevoegde administraties van alle Overeenkomstsluitende Partijen worden gewijzigd. Indien de administratie van een Overeenkomstsluitende Partij verklaart dat haar nationale wetgeving haar verplicht haar instemming afhankelijk te stellen van de verlening van een bijzondere machtiging of van de goedkeuring van een wetgevend lichaam, wordt de bevoegde administratie van de betrokken Overeenkomstsluitende Partij beschouwd eerst met de wijziging op de Bijlage te hebben ingestemd op het tijdstip waarop zij de Secretaris-Generaal er van in kennis heeft gesteld dat zij de vereiste machtiging of goedkeuring heeft verkregen. De overeenkomst tussen de bevoegde administraties kan bepalen dat tijdens een overgangsperiode de vroegere bepalingen van de Bijlage geheel of gedeeltelijk van kracht zullen blijven naast de nieuwe bepalingen. De Secretaris-Generaal bepaalt de datum van inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen.

8.

Elke Staat deelt op het tijdstip van ondertekening of bekrachtiging van of van toetreding tot deze Overeenkomst de Secretaris-Generaal de naam en het adres mede van zijn ter zake van de Overeenkomst bevoegde administratie als bedoeld in het zevende lid van dit artikel.

Artikel 7

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst opzeggen door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte schriftelijke kennisgeving. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal. Een Overeenkomstsluitende Partij die ophoudt partij te zijn bij het Verdrag inzake het Wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, houdt op dezelfde datum op partij te zijn bij deze Overeenkomst.

Artikel 8

Deze Overeenkomst houdt op van kracht te zijn indien het aantal Overeenkomstsluitende Partijen gedurende een tijdvak van twaalf achtereenvolgende maanden minder is dan vijf of op het tijdstip waarop het Verdrag inzake het Wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, ophoudt van kracht te zijn.

Artikel 9
1.

Elk geschil tussen twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst en dat door de partijen bij het geschil niet door onderhandelingen of door andere middelen tot regeling van een geschil kan worden opgelost, wordt onderworpen aan arbitrage indien een der bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partijen zulks verzoekt en wordt hiertoe voorgelegd aan een of meer scheidsmannen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen bij het geschil wordt of worden gekozen. Indien de partijen bij het geschil niet binnen drie maanden na het verzoek om arbitrage tot overeenstemming kunnen komen omtrent de keuze van een scheidsman of van scheidsmannen, kan een van die partijen de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken een enkele scheidsman te benoemen, aan wie het geschil ter oplossing zal worden voorgelegd.

2.

De uitspraak van de overeenkomstig het eerste lid van dit artikel benoemde scheidsman of scheidsmannen is bindend voor de bij een geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partijen.

Artikel 10

Niets in deze Overeenkomst mag zo worden uitgelegd dat een Overeenkomstsluitende Partij daardoor zou worden belet de maatregelen te nemen die deze Partij noodzakelijk acht voor haar buitenlandse of binnenlandse veiligheid en die verenigbaar zijn met de bepalingen van het Handvest der Verenigde Naties en beperkt blijven tot de vereisten der gegeven omstandigheden.

Artikel 11
1.

Elke Staat kan bij de ondertekening van deze Overeenkomst of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding verklaren dat hij zich niet gebonden acht aan artikel 9 van deze Overeenkomst. Andere Overeenkomstsluitende Partijen zijn niet gebonden door artikel 9 met betrekking tot een Overeenkomstsluitende Partij die een zodanige verklaring heeft afgelegd.

2.

Elk voorbehoud ten aanzien van deze Overeenkomst, met uitzondering van het voorbehoud bedoeld in het eerste lid van dit artikel, is toegestaan, op voorwaarde dat het schriftelijk wordt gemaakt en dat het, indien het is gemaakt voor de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding, in die akte wordt bevestigd.

3.

Elke Staat stelt bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging van deze Overeenkomst of bij toetreding daartoe de Secretaris-Generaal schriftelijk er van in kennis in hoeverre een voorbehoud gemaakt ten aanzien van het Verdrag inzake het Wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, tevens op deze Overeenkomst van toepassing is. Voorbehouden ten aanzien van het Verdrag inzake het Wegverkeer die niet zijn genoemd in de kennisgeving gedaan bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging van deze Overeenkomst of bij toetreding daartoe worden als niet van toepassing op deze Overeenkomst beschouwd.

4.

De Secretaris-Generaal deelt de voorbehouden en kennisgevingen krachtens dit artikel mede aan alle Staten bedoeld in artikel 2 van deze Overeenkomst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.