Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978

Type Verdrag
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij dit Verdrag,

Geleid door de wens de veiligheid van mensenlevens en goederen op zee te bevorderen en het mariene milieu te beschermen door het in onderling overleg opstellen van internationale normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst.

Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag
1.

De Partijen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel vormt van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag houdt tezelfdertijd een verwijzing naar de Bijlage in.

2.

De Partijen verbinden zich alle wetten, besluiten, beschikkingen en voorschriften uit te vaardigen en alle andere maatregelen te nemen, die nodig zijn voor de volledige tenuitvoerlegging van dit Verdrag, ten einde te verzekeren dat, uit het oogpunt van de beveiliging van mensenlevens en eigendommen op zee en van de bescherming van het mariene milieu, de zeevarenden aan boord van een schip wat hun vakbekwaamheid en lichamelijke conditie betreft geschikt zijn om hun taak te vervullen.

Artikel II. Begripsomschrijvingen

Bij de toepassing van het Verdrag gelden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de volgende begripsomschrijvingen:

Artikel III. Toepassing

Het Verdrag is van toepassing op zeevarenden, dienst doende aan boord van zeeschepen die zijn gerechtigd tot het voeren van de vlag van een Partij, met uitzondering van zeevarenden, dienst doende aan boord van:

Artikel IV. Toezending van gegevens
1.

De Partijen zenden zo spoedig mogelijk aan de Secretaris-Generaal toe:

2.

De Secretaris-Generaal stelt alle Partijen in kennis van de ontvangst van de gegevens op grond van het eerste lid, letter (a); tevens draagt hij er zorg voor dat aan hen onder meer voor de toepassing van de artikelen IX en X op verzoek de hem krachtens het eerste lid, letters (b) en (c), toegezonden gegevens worden verstrekt.

Artikel V. Andere verdragen en interpretatie
1.

Alle voorgaande verdragen, overeenkomsten en regelingen, betrekking hebbende op de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, die tussen de Partijen van kracht zijn, blijven gedurende de hiervoor vastgestelde tijd volledig van kracht, voor zover het betreft:

2.

Voor zover eerdergenoemde verdragen, overeenkomsten of regelingen echter in strijd zijn met de bepalingen van het Verdrag, onderwerpen de Partijen hun verbintenissen krachtens die verdragen, overeenkomsten en regelingen aan een onderzoek ten einde te verzekeren dat er geen strijdigheid bestaat tussen die verbintenissen en hun verplichtingen op grond van het Verdrag.

3.

Alle aangelegenheden waarin niet uitdrukkelijk is voorzien in dit Verdrag blijven onderworpen aan de wetgeving van de Partijen.

4.

Geen enkele bepaling van het Verdrag maakt inbreuk op de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het zeerecht, bijeengeroepen krachtens Resolutie 2750 C (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch op de huidige of toekomstige aanspraken en juridische inzichten van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsbevoegdheid van de kuststaat en de Staat waarvan de vlag wordt gevoerd.

Artikel VI. Diploma ’s
1.

Aan de kandidaten die, ter beoordeling van de Administratie, voldoen aan de vereisten wat betreft diensttijd, leeftijd, lichamelijke geschiktheid uit medisch oogpunt, opleiding, bekwaamheid en examens overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Bijlage bij het Verdrag, worden diploma’s voor kapiteins, scheepsofficieren en scheepsgezellen afgegeven.

2.

Bij in overeenstemming met dit artikel afgegeven diploma’s voor kapiteins en scheepsofficieren wordt door de Regering die het diploma afgeeft een officiële verklaring afgegeven als bepaald in Voorschrift I/2 van de Bijlage. Wanneer niet de Engelse taal wordt gebruikt, dient de officiële verklaring een vertaling in die taal te bevatten.

Artikel VII. Overgangsbepalingen
1.

Een diploma betreffende bekwaamheid of diensttijd in een bepaalde hoedanigheid, waarvoor het Verdrag een diploma eist, dat vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor een Partij is afgegeven overeenkomstig de wetten van die Partij of het Radioreglement, wordt als geldig erkend voor het dienst doen in die hoedanigheid na de inwerkingtreding van het Verdrag voor die Partij.

2.

Na de inwerkingtreding van het Verdrag voor een Partij kan haar Administratie gedurende een periode van niet langer dan vijf jaar diploma’s betreffende bekwaamheid blijven afgeven overeenkomstig haar vroegere praktijk. Dergelijke diploma’s worden voor de toepassing van het Verdrag als geldig erkend. Gedurende deze overgangsperiode mogen dergelijke diploma’s uitsluitend worden afgegeven aan zeevarenden die hun dienst op zee hadden aangevangen vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor die Partij in de bijzondere categorie schepen waarop die diploma’s betrekking hebben. De Administratie dient er zorg voor te dragen dat alle andere kandidaten die een diploma wensen te ontvangen, worden geëxamineerd en gediplomeerd overeenkomstig het Verdrag.

3.

Een Partij kan gedurende twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag voor die Partij een diploma inzake diensttijd afgeven aan zeevarenden die noch houder zijn van een passend diploma volgens het Verdrag, noch van een diploma betreffende bekwaamheid, afgegeven volgens de wetten van die Partij vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor de Partij, maar die:

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt een volgens dit lid afgegeven diploma betreffende diensttijd beschouwd als gelijkwaardig aan een volgens het Verdrag afgegeven diploma.

Artikel VIII. Dispensaties
1.

In buitengewoon dringende omstandigheden kunnen Administraties, indien dit naar hun oordeel geen gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, dispensatie verlenen waardoor aan een bepaalde zeevarende wordt toegestaan gedurende een bepaalde periode van ten hoogste zes maanden op een bepaald schip dienst te doen in een hoedanigheid waarvoor hij niet het vereiste diploma bezit - maar niet in de hoedanigheid van radio-officier of radiotelefonist, behalve zoals is bepaald in de desbetreffende bepalingen van het Radioreglement - mits degene aan wie dispensatie wordt verleend voldoende bekwaam is om de onbezette functie op een verantwoorde wijze te vervullen, zulks ter beoordeling van de Administratie. Niettemin worden geen dispensaties verleend aan kapiteins of hoofdscheepswerktuigkundigen, behalve in geval van overmacht en dan nog slechts voor de kortst mogelijke tijd.

2.

Iedere ten aanzien van een functie verleende dispensatie wordt slechts verleend aan iemand die het juiste diploma bezit voor de functie onmiddellijk daaronder. Indien door het Verdrag geen diploma is vereist voor de functie daaronder, kan dispensatie worden verleend aan iemand wiens bekwaamheden en ervaring naar het oordeel van de Administratie duidelijk overeenstemmen met de eisen voor de te bezetten functie, mits aan een dergelijke persoon, indien hij het vereiste certificaat niet bezit, de eis zal worden gesteld dat hij een test aflegt die door de Administratie is aanvaard als bewijs dat die dispensatie zonder gevaar kan worden gegeven. Bovendien dient de Administratie er zorg voor te dragen dat de desbetreffende functie zo spoedig mogelijk wordt vervuld door iemand die een passend diploma bezit.

3.

De Partijen zenden zo spoedig mogelijk na 1 januari van ieder jaar een verslag aan de Secretaris-Generaal, dat gegevens bevat over het totale aantal dispensaties met betrekking tot iedere hoedanigheid waarvoor een diploma is vereist, dat tijdens dat jaar aan zeeschepen is afgegeven, te zamen met gegevens ten aanzien van de aantallen van die schepen, en wel enerzijds van schepen van meer en anderzijds van schepen van minder dan 1600 brutoregisterton.

Artikel IX. Gelijkwaardige voorzieningen
1.

Het Verdrag belet een Administratie niet andere regelingen inzake theoretische en praktische opleiding te handhaven of in te voeren, daarbij inbegrepen regelingen inzake de dienst buitengaats en inzake de organisatie aan boord van het schip, die in het bijzonder zijn aangepast aan technische ontwikkelingen en aan bijzondere typen schepen of een bijzonder soort vaart, mits het niveau van de dienst buitengaats en van de kennis van en de geschiktheid voor de nautische en technische behandeling van het schip en de lading een mate van veiligheid op zee verzekert en een preventief effect ten aanzien van vervuiling heeft, die ten minste gelijkwaardig zijn aan de eisen van het Verdrag.

2.

De bijzonderheden van dergelijke regelingen worden zo spoedig mogelijk aan de Secretaris-Generaal medegedeeld, die deze bijzonderheden aan alle Partijen toezendt.

Artikel X. Controle
1.

Schepen, met uitsluiting van die welke in artikel III worden uitgezonderd, zijn tijdens hun verblijf in de havens van een Partij onderworpen aan controle door functionarissen, door die Partij behoorlijk gemachtigd om erop toe te zien dat alle aan boord dienst doende zeevarenden die volgens het Verdrag gediplomeerd dienen te zijn de desbetreffende diploma’s bezitten, dan wel in het bezit zijn van een passende dispensatie. Dergelijke diploma’s moeten worden aanvaard, tenzij er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een diploma door middel van bedrog is verkregen of dat de houder van een diploma niet degene is aan wie dat diploma oorspronkelijk was afgegeven.

2.

Ingeval tekortkomingen worden vastgesteld volgens het eerste lid of volgens de in Voorschrift I/4 - „Controleprocedures” - omschreven procedures, geeft de functionaris die de controle uitoefent daarvan onverwijld schriftelijk kennis aan de kapitein van het schip en de consul of, bij diens afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger of de scheepvaartautoriteit van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zodat passende maatregelen kunnen worden genomen. In een dergelijke kennisgeving worden de bijzonderheden van de vastgestelde tekortkomingen vermeld, evenals de redenen waarom de Partij bepaalt dat deze tekortkomingen gevaar opleveren voor personen, goederen of het milieu.

3.

Bij de uitoefening van de controle volgens het eerste lid neemt de Partij die de controle uitoefent, indien, de grootte en het type van het schip en de duur en de aard van de reis in aanmerking genomen, de in het derde lid van Voorschrift I/4 bedoelde tekortkomingen niet worden hersteld en indien wordt vastgesteld dat dit feit een gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart, tenzij en totdat aan deze vereisten is voldaan in een zodanige mate dat het gevaar is weggenomen. De feiten betreffende de genomen maatregelen worden onverwijld aan de Secretaris-Generaal medegedeeld.

4.

Bij de uitoefening van controle volgens dit artikel dient alles in het werk te worden gesteld om te voorkomen dat een schip ten onrechte wordt aangehouden of opgehouden. Indien een schip ten onrechte wordt aangehouden of opgehouden, heeft het aanspraak op schadeloosstelling voor al het daaruit ontstane verlies of alle daaruit ontstane schade.

5.

Dit artikel dient op zodanige wijze te worden toegepast als noodzakelijk is om te verzekeren dat aan schepen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is, niet een gunstiger behandeling wordt gegeven dan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die Partij is.

Artikel XI. Bevordering van technische samenwerking
1.

De Partijen bij het Verdrag bevorderen, in overleg met en met bijstand van de Organisatie, steunverlening aan de Partijen die om technische bijstand verzoeken inzake:

bij voorkeur op nationale, subregionale of regionale basis, ten einde de doelstellingen van het Verdrag verder te verwezenlijken, rekening houdend met de bijzondere behoeften van de ontwikkelingslanden in dit opzicht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.