Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978

Type Verdrag
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij dit Verdrag,

Geleid door de wens de veiligheid van mensenlevens en goederen op zee te bevorderen en het mariene milieu te beschermen door het in onderling overleg opstellen van internationale normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst.

Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag

1.

De Partijen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel vormt van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag houdt tezelfdertijd een verwijzing naar de Bijlage in.

2.

De Partijen verbinden zich alle wetten, besluiten, beschikkingen en voorschriften uit te vaardigen en alle andere maatregelen te nemen, die nodig zijn voor de volledige tenuitvoerlegging van dit Verdrag, ten einde te verzekeren dat, uit het oogpunt van de beveiliging van mensenlevens en eigendommen op zee en van de bescherming van het mariene milieu, de zeevarenden aan boord van een schip wat hun vakbekwaamheid en lichamelijke conditie betreft geschikt zijn om hun taak te vervullen.

Artikel II. Begripsomschrijvingen

Bij de toepassing van het Verdrag gelden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de volgende begripsomschrijvingen:

  • (a). ‘Partij’ betekent een Staat voor wie het Verdrag in werking is getreden;
  • (b). ‘Administratie’ betekent de Regering van de Partij waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren;
  • (c). ‘Diploma’ is een geldig document, welke naam ook dragend, dat is afgegeven door of namens de autoriteit van de Administratie of erkend door de Administratie en dat de houder ervan het recht geeft, dienst te doen op de wijze als wordt vermeld in dat document of wordt toegestaan door de nationale voorschriften;
  • (d). ‘Gediplomeerd’ betekent volgens de voorschriften in het bezit zijnde van een diploma;
  • (e). ‘Organisatie’ betekent de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (IMCO);
  • (f). ‘Secretaris-Generaal’ betekent de Secretaris-Generaal van de Organisatie;
  • (g). ‘Zeeschip’ betekent een schip dat niet is een schip dat uitsluitend vaart op de binnenwateren of op wateren, zich bevindend binnen of nauw grenzend aan beschutte wateren of gebieden waar havenvoorschriften van toepassing zijn;
  • (h). ‘Vissersvaartuig’ betekent een vaartuig dat gebezigd wordt voor het vangen van vis, walvissen, zeehonden, walrussen of andere levende rijkdommen van de zee;
  • (i). ‘Radioreglement’ betekent het Radioreglement, behorende bij of beschouwd als te behoren bij het laatste Internationaal Verdrag betreffende de Telecommunicatie, dat op een bepaald ogenblik van kracht is.

Artikel III. Toepassing

Het Verdrag is van toepassing op zeevarenden, dienst doende aan boord van zeeschepen die zijn gerechtigd tot het voeren van de vlag van een Partij, met uitzondering van zeevarenden, dienst doende aan boord van:

  • (a). oorlogsschepen, hulpschepen voor de marine of andere schepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een Staat en die uitsluitend worden gebezigd voor een regeringsdienst waarmee geen handelsdoeleinden worden beoogd; niettemin dient elke Partij door de invoering van passende maatregelen te verzekeren dat de personen, dienst doende aan boord van dergelijke schepen, aan de eisen van het Verdrag voldoen voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is, zonder dat door die maatregelen de operaties van dergelijke schepen die die Staat in eigendom heeft of exploiteert, worden belemmerd of hun operationele vermogen wordt aangetast;
  • (b). vissersvaartuigen;
  • (c). pleziervaartuigen die niet worden gebezigd voor handelsdoeleinden; of
  • (d). houten schepen van primitieve bouw.

Artikel IV. Toezending van gegevens

1.

De Partijen zenden zo spoedig mogelijk aan de Secretaris-Generaal toe:

  • (a). de tekst van de verschillende wetten, besluiten, beschikkingen, voorschriften en akten die zijn uitgevaardigd met betrekking tot de verschillende, binnen de werkingssfeer van het Verdrag liggende onderwerpen;
  • (b). volledige gegevens, waar van toepassing, van de inhoud en duur van eventuele opleidingen, te zamen met de bijbehorende exameneisen en andere eisen voor elk in overeenstemming met het Verdrag afgegeven diploma;
  • (c). een voldoende aantal modellen van de in overeenstemming met het Verdrag afgegeven diploma’s.
2.

De Secretaris-Generaal stelt alle Partijen in kennis van de ontvangst van de gegevens op grond van het eerste lid, letter (a); tevens draagt hij er zorg voor dat aan hen onder meer voor de toepassing van de artikelen IX en X op verzoek de hem krachtens het eerste lid, letters (b) en (c), toegezonden gegevens worden verstrekt.

Artikel V. Andere verdragen en interpretatie

1.

Alle voorgaande verdragen, overeenkomsten en regelingen, betrekking hebbende op de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, die tussen de Partijen van kracht zijn, blijven gedurende de hiervoor vastgestelde tijd volledig van kracht, voor zover het betreft:

  • (a). zeevarenden op wie dit Verdrag niet van toepassing is;
  • (b). zeevarenden op wie dit Verdrag van toepassing is, ten aanzien van aangelegenheden waarin niet uitdrukkelijk in dit Verdrag is voorzien.
2.

Voor zover eerdergenoemde verdragen, overeenkomsten of regelingen echter in strijd zijn met de bepalingen van het Verdrag, onderwerpen de Partijen hun verbintenissen krachtens die verdragen, overeenkomsten en regelingen aan een onderzoek ten einde te verzekeren dat er geen strijdigheid bestaat tussen die verbintenissen en hun verplichtingen op grond van het Verdrag.

3.

Alle aangelegenheden waarin niet uitdrukkelijk is voorzien in dit Verdrag blijven onderworpen aan de wetgeving van de Partijen.

4.

Geen enkele bepaling van het Verdrag maakt inbreuk op de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het zeerecht, bijeengeroepen krachtens Resolutie 2750 C (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch op de huidige of toekomstige aanspraken en juridische inzichten van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsbevoegdheid van de kuststaat en de Staat waarvan de vlag wordt gevoerd.

Artikel VI. Diploma ’s

1.

Aan de kandidaten die, ter beoordeling van de Administratie, voldoen aan de vereisten wat betreft diensttijd, leeftijd, lichamelijke geschiktheid uit medisch oogpunt, opleiding, bekwaamheid en examens overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Bijlage bij het Verdrag, worden diploma’s voor kapiteins, scheepsofficieren en scheepsgezellen afgegeven.

2.

Bij in overeenstemming met dit artikel afgegeven diploma’s voor kapiteins en scheepsofficieren wordt door de Regering die het diploma afgeeft een officiële verklaring afgegeven als bepaald in Voorschrift I/2 van de Bijlage. Wanneer niet de Engelse taal wordt gebruikt, dient de officiële verklaring een vertaling in die taal te bevatten.

Artikel VII. Overgangsbepalingen

1.

Een diploma betreffende bekwaamheid of diensttijd in een bepaalde hoedanigheid, waarvoor het Verdrag een diploma eist, dat vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor een Partij is afgegeven overeenkomstig de wetten van die Partij of het Radioreglement, wordt als geldig erkend voor het dienst doen in die hoedanigheid na de inwerkingtreding van het Verdrag voor die Partij.

2.

Na de inwerkingtreding van het Verdrag voor een Partij kan haar Administratie gedurende een periode van niet langer dan vijf jaar diploma’s betreffende bekwaamheid blijven afgeven overeenkomstig haar vroegere praktijk. Dergelijke diploma’s worden voor de toepassing van het Verdrag als geldig erkend. Gedurende deze overgangsperiode mogen dergelijke diploma’s uitsluitend worden afgegeven aan zeevarenden die hun dienst op zee hadden aangevangen vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor die Partij in de bijzondere categorie schepen waarop die diploma’s betrekking hebben. De Administratie dient er zorg voor te dragen dat alle andere kandidaten die een diploma wensen te ontvangen, worden geëxamineerd en gediplomeerd overeenkomstig het Verdrag.

3.

Een Partij kan gedurende twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag voor die Partij een diploma inzake diensttijd afgeven aan zeevarenden die noch houder zijn van een passend diploma volgens het Verdrag, noch van een diploma betreffende bekwaamheid, afgegeven volgens de wetten van die Partij vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor de Partij, maar die:

  • (a). buitengaats dienst hebben gedaan in de hoedanigheid waarvoor zij een diploma betreffende dienstverrichting wensen te verkrijgen gedurende ten minste drie jaar, vallend binnen de laatste zeven jaar die zijn voorafgegaan aan de inwerkingtreding van het Verdrag voor die Partij;
  • (b). bewijzen hebben overgelegd waaruit blijkt dat zij die dienst naar genoegen hebben vervuld;
  • (c). naar genoegen van de Administratie hebben aangetoond uit medisch oogpunt geschikt te zijn, met inbegrip van hun gezichts- en gehoororgaan; hierbij wordt rekening gehouden met hun leeftijd ten tijde van het aanvragen van het diploma.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt een volgens dit lid afgegeven diploma betreffende diensttijd beschouwd als gelijkwaardig aan een volgens het Verdrag afgegeven diploma.

Artikel VIII. Dispensaties

1.

In buitengewoon dringende omstandigheden kunnen Administraties, indien dit naar hun oordeel geen gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, dispensatie verlenen waardoor aan een bepaalde zeevarende wordt toegestaan gedurende een bepaalde periode van ten hoogste zes maanden op een bepaald schip dienst te doen in een hoedanigheid waarvoor hij niet het vereiste diploma bezit - maar niet in de hoedanigheid van radio-officier of radiotelefonist, behalve zoals is bepaald in de desbetreffende bepalingen van het Radioreglement - mits degene aan wie dispensatie wordt verleend voldoende bekwaam is om de onbezette functie op een verantwoorde wijze te vervullen, zulks ter beoordeling van de Administratie. Niettemin worden geen dispensaties verleend aan kapiteins of hoofdscheepswerktuigkundigen, behalve in geval van overmacht en dan nog slechts voor de kortst mogelijke tijd.

2.

Iedere ten aanzien van een functie verleende dispensatie wordt slechts verleend aan iemand die het juiste diploma bezit voor de functie onmiddellijk daaronder. Indien door het Verdrag geen diploma is vereist voor de functie daaronder, kan dispensatie worden verleend aan iemand wiens bekwaamheden en ervaring naar het oordeel van de Administratie duidelijk overeenstemmen met de eisen voor de te bezetten functie, mits aan een dergelijke persoon, indien hij het vereiste certificaat niet bezit, de eis zal worden gesteld dat hij een test aflegt die door de Administratie is aanvaard als bewijs dat die dispensatie zonder gevaar kan worden gegeven. Bovendien dient de Administratie er zorg voor te dragen dat de desbetreffende functie zo spoedig mogelijk wordt vervuld door iemand die een passend diploma bezit.

3.

De Partijen zenden zo spoedig mogelijk na 1 januari van ieder jaar een verslag aan de Secretaris-Generaal, dat gegevens bevat over het totale aantal dispensaties met betrekking tot iedere hoedanigheid waarvoor een diploma is vereist, dat tijdens dat jaar aan zeeschepen is afgegeven, te zamen met gegevens ten aanzien van de aantallen van die schepen, en wel enerzijds van schepen van meer en anderzijds van schepen van minder dan 1600 brutoregisterton.

Artikel IX. Gelijkwaardige voorzieningen

1.

Het Verdrag belet een Administratie niet andere regelingen inzake theoretische en praktische opleiding te handhaven of in te voeren, daarbij inbegrepen regelingen inzake de dienst buitengaats en inzake de organisatie aan boord van het schip, die in het bijzonder zijn aangepast aan technische ontwikkelingen en aan bijzondere typen schepen of een bijzonder soort vaart, mits het niveau van de dienst buitengaats en van de kennis van en de geschiktheid voor de nautische en technische behandeling van het schip en de lading een mate van veiligheid op zee verzekert en een preventief effect ten aanzien van vervuiling heeft, die ten minste gelijkwaardig zijn aan de eisen van het Verdrag.

2.

De bijzonderheden van dergelijke regelingen worden zo spoedig mogelijk aan de Secretaris-Generaal medegedeeld, die deze bijzonderheden aan alle Partijen toezendt.

Artikel X. Controle

1.

Schepen, met uitsluiting van die welke in artikel III worden uitgezonderd, zijn tijdens hun verblijf in de havens van een Partij onderworpen aan controle door functionarissen, door die Partij behoorlijk gemachtigd om erop toe te zien dat alle aan boord dienst doende zeevarenden die volgens het Verdrag gediplomeerd dienen te zijn de desbetreffende diploma’s bezitten, dan wel in het bezit zijn van een passende dispensatie. Dergelijke diploma’s moeten worden aanvaard, tenzij er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een diploma door middel van bedrog is verkregen of dat de houder van een diploma niet degene is aan wie dat diploma oorspronkelijk was afgegeven.

2.

Ingeval tekortkomingen worden vastgesteld volgens het eerste lid of volgens de in Voorschrift I/4 - „Controleprocedures” - omschreven procedures, geeft de functionaris die de controle uitoefent daarvan onverwijld schriftelijk kennis aan de kapitein van het schip en de consul of, bij diens afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger of de scheepvaartautoriteit van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zodat passende maatregelen kunnen worden genomen. In een dergelijke kennisgeving worden de bijzonderheden van de vastgestelde tekortkomingen vermeld, evenals de redenen waarom de Partij bepaalt dat deze tekortkomingen gevaar opleveren voor personen, goederen of het milieu.

3.

Bij de uitoefening van de controle volgens het eerste lid neemt de Partij die de controle uitoefent, indien, de grootte en het type van het schip en de duur en de aard van de reis in aanmerking genomen, de in het derde lid van Voorschrift I/4 bedoelde tekortkomingen niet worden hersteld en indien wordt vastgesteld dat dit feit een gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart, tenzij en totdat aan deze vereisten is voldaan in een zodanige mate dat het gevaar is weggenomen. De feiten betreffende de genomen maatregelen worden onverwijld aan de Secretaris-Generaal medegedeeld.

4.

Bij de uitoefening van controle volgens dit artikel dient alles in het werk te worden gesteld om te voorkomen dat een schip ten onrechte wordt aangehouden of opgehouden. Indien een schip ten onrechte wordt aangehouden of opgehouden, heeft het aanspraak op schadeloosstelling voor al het daaruit ontstane verlies of alle daaruit ontstane schade.

5.

Dit artikel dient op zodanige wijze te worden toegepast als noodzakelijk is om te verzekeren dat aan schepen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is, niet een gunstiger behandeling wordt gegeven dan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die Partij is.

Artikel XI. Bevordering van technische samenwerking

1.

De Partijen bij het Verdrag bevorderen, in overleg met en met bijstand van de Organisatie, steunverlening aan de Partijen die om technische bijstand verzoeken inzake:

  • (a). de opleiding van administratief en technisch personeel;
  • (b). de oprichting van instellingen voor de opleiding van zeevarenden;
  • (c). het verstrekken van uitrusting en faciliteiten voor opleidingsinstituten;
  • (d). het uitwerken van passende opleidingsprogramma’s, daaronder begrepen praktijkopleidingen op zeeschepen; en
  • (e). het bevorderen van de totstandkoming van andere maatregelen en regelingen ten einde de bekwaamheden van zeevarenden te vergroten;

bij voorkeur op nationale, subregionale of regionale basis, ten einde de doelstellingen van het Verdrag verder te verwezenlijken, rekening houdend met de bijzondere behoeften van de ontwikkelingslanden in dit opzicht.

2.

De Organisatie streeft van haar kant op de meest passende wijze de bovenstaande doelstellingen na, in overleg of samenwerking met andere internationale organisaties, met name de Internationale Arbeidsorganisatie.

Artikel XII. Wijzigingen

1.

Het Verdrag kan worden gewijzigd door middel van een van de twee volgende procedures:

  • (a). wijzigingen na bestudering binnen de Organisatie:
  • (i). elke door een Partij voorgestelde wijziging wordt ingediend bij de Secretaris-Generaal, die deze dan ten minste zes maanden voordat zij zal worden behandeld, toezendt aan alle Leden van de Organisatie, aan alle Partijen en aan de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau;
  • (ii). elke aldus voorgestelde en toegezonden wijziging wordt voorgelegd aan de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie ter behandeling;
  • (iii). de Partijen, ongeacht of zij lid zijn van de Organisatie, zijn gerechtigd deel te nemen aan de besprekingen van de Maritieme Veiligheidscommissie ter bestudering en aanneming van wijzigingen;
  • (iv). wijzigingen worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de Maritieme Veiligheidscommissie, die is uitgebreid zoals bepaald onder letter (a) (iii) (hierna te noemen de „uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie”), op voorwaarde dat ten minste een derde van de Partijen aanwezig is op het tijdstip van stemming;
  • (v). aldus aangenomen wijzigingen worden door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht van alle Partijen ten einde aanvaarding te verkrijgen;
  • (vi). een wijziging van een artikel wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop zij is aanvaard door twee derde van de Partijen;
  • (vii). een wijziging van de Bijlage wordt geacht te zijn aanvaard: de wijzigingen worden echter geacht niet te zijn aanvaard indien binnen de aangegeven periode hetzij meer dan een derde van de Partijen, hetzij Partijen waarvan de gezamenlijke koopvaardijvloten niet minder uitmaken dan vijftig procent van de bruto-tonnage van de wereldhandelsvloot, voor zover bestaande uit schepen met een bruto-inhoud van 100 brutoregisterton of meer, de Secretaris-Generaal ervan kennis geven, dat zij bezwaar maken tegen de wijziging;
    1. na afloop van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop zij ter kennis van de Partijen is gebracht ten einde aanvaarding te verkrijgen; of
    1. na het einde van een andere periode, die niet korter mag zijn dan een jaar, indien zulks is bepaald op het tijdstip van aanneming ervan met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie;
  • (viii). een wijziging van een artikel treedt in werking ten aanzien van die Partijen die haar hebben aanvaard, zes maanden na de datum waarop zij geacht wordt te zijn aanvaard en ten aanzien van elke Partij die haar na die datum aanvaardt, zes maanden na de datum van aanvaarding door die Partij;
  • (ix). een wijziging van de Bijlage treedt in werking ten aanzien van alle Partijen, behalve die welke bezwaar tegen de wijziging hebben gemaakt krachtens het bepaalde onder letter (a) (vii) en welke deze bezwaren niet hebben ingetrokken, zes maanden na de datum waarop zij wordt geacht te zijn aanvaard. Vóór de datum die is vastgesteld voor de inwerkingtreding, kan elke Partij de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij zich onthoudt van het geven van uitvoering aan deze wijziging voor een periode van niet langer dan een jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, of voor een langere periode, vast te stellen met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie op het tijdstip van aanneming van de wijziging; of
  • (b). wijziging door een conferentie:
  • (i). op verzoek van een Partij, waarmede door ten minste een derde van de Partijen wordt ingestemd, roept de Organisatie, in samenwerking met de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, een conferentie van Partijen bijeen ten einde wijziging van het Verdrag te bestuderen;
  • (ii). iedere door een zodanige conferentie met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, aangenomen wijziging wordt door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht van alle Partijen ten einde aanvaarding te verkrijgen;
  • (iii). tenzij de conferentie anders besluit, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard en treedt zij in werking overeenkomstig de procedures, aangegeven in onderscheidenlijk letters (a) (vi) en (a) (viii) of letters (a) (vii) en (a) (ix), met dien verstande dat de verwijzingen daarin naar de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie worden verstaan als verwijzingen naar de conferentie.
2.

Elke verklaring van aanvaarding van of van bezwaar tegen een wijziging, of elke kennisgeving, gedaan krachtens het bepaalde in het eerste lid, letter (a) (ix), wordt schriftelijk toegezonden aan de Secretaris-Generaal, die alle Partijen mededeling doet van zodanige kennisgevingen en van de datum van ontvangst ervan.

3.

De Secretaris-Generaal doet alle Partijen mededeling van wijzigingen die in werking treden, alsmede van de datum waarop elke wijziging in werking treedt.

Artikel XIII. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.

Het Verdrag blijft open voor ondertekening op de zetel van de Organisatie van 1 december 1978 tot 30 november 1979 en blijft daarna open voor toetreding. Elke Staat kan partij worden door:

  • (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
  • (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
  • (c). toetreding.
2.

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een hiertoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.

3.

De Secretaris-Generaal doet alle Staten die het Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, alsmede de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, mededeling van iedere ondertekening of van de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, en van de datum van de nederlegging daarvan.

Artikel XIV. Inwerkingtreding

1.

Het Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijfentwintig Staten, waarvan de gezamenlijke koopvaardijvloten niet minder uitmaken dan vijftig procent van de brutotonnage van de wereldhandelsvloot, voor zover bestaande uit schepen met een bruto-inhoud van 100 brutoregisterton of meer, hetzij het hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, hetzij de vereiste akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd in overeenstemming met artikel XIII.

2.

De Secretaris-Generaal doet alle Staten die het Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden mededeling van de datum waarop het in werking treedt.

3.

Iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, nedergelegd tijdens de in het eerste lid bedoelde twaalf maanden, wordt van kracht op het tijdstip van inwerkingtreding van het Verdrag of drie maanden na de nederlegging van die akte, welke van deze twee de laatste datum is.

4.

Iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, nedergelegd na de datum waarop het Verdrag in werking treedt, wordt van kracht drie maanden na de datum van nederlegging.

5.

Na de datum waarop een wijziging wordt geacht te zijn aanvaard krachtens artikel XII, heeft iedere nedergelegde akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het gewijzigde Verdrag.

Artikel XV. Opzegging

1.

Een Partij kan dit Verdrag na vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het voor die Partij in werking is getreden, op elk tijdstip opzeggen.

2.

Opzegging geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal, die alle andere Partijen, alsmede de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, mededeling doet van iedere zodanige kennisgeving, van de datum van ontvangst daarvan en van de datum waarop een zodanige opzegging van kracht wordt.

3.

Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal of na een langere periode als is aangegeven in de kennisgeving.

Artikel XVI. Nederlegging en registratie

1.

Het Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten die het hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden.

2.

Zodra dit Verdrag in werking treedt, zendt de Secretaris-Generaal de tekst aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voor registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel XVII. Talen

Het Verdrag is opgesteld in één enkel exemplaar in de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Er zullen officiële vertalingen worden vervaardigd in de Arabische en de Duitse taal, welke vertalingen worden nedergelegd bij het ondertekende origineel.

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Voorschrift I/1. Begripsomschrijvingen en uitleg

1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt bij de toepassing van het Verdrag verstaan onder:

  • .1. Voorschriften: de voorschriften die in de Bijlage bij het Verdrag zijn opgenomen;
  • .2. Goedgekeurd: goedgekeurd door de Partij in overeenstemming met deze voorschriften;
  • .3. Kapitein: degene die het bevel voert over een schip;
  • .4. Officier: een lid van de bemanning, niet zijnde de kapitein, die als zodanig is aangewezen op grond van nationale wetten of voorschriften, of indien zulks niet is geschied, op grond van collectieve arbeidsovereenkomst of gebruik;
  • .6. Eerste stuurman: de officier die in rang volgt op de kapitein en op wie het bevel over het schip komt te rusten indien de kapitein daartoe niet in staat is;
  • .8. Hoofdwerktuigkundige: de scheepswerktuigkundige die het hoogst in rang is en die verantwoordelijk is voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het schip;
  • .9. Tweede scheepswerktuigkundige: de scheepswerktuigkundige die in rang volgt op de hoofdwerktuigkundige en op wie de verantwoordelijkheid voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het schip komt te rusten indien de hoofdwerktuigkundige daartoe niet in staat is;
  • .10. “Leerling-scheepswerktuigkundige: een persoon die een opleiding volgt tot scheepswerktuigkundige en als zodanig op grond van nationale wetten of voorschriften is aangewezen;
  • .11. Radio-operator: een persoon die in het bezit is van een passend diploma, afgegeven of erkend door de Administratie in overeenstemming met de bepalingen van het Radioreglement;
  • .13. Gezel: een lid van de bemanning van het schip, niet zijnde de kapitein of een officier;
  • .14. Reizen nabij de kust: reizen in de nabijheid van een Partij, zoals door die Partij is omschreven;
  • .15. Voortstuwingsvermogen: het maximum nominale totaalvermogen in kilowatts van alle hoofdvoortstuwingsinstallaties van het schip, vermeld in de zeebrief van het schip of in een ander officieel document;
  • .17. Olietankschip: een schip gebouwd en gebruikt voor het vervoer van aardolie en aardolieproducten in bulk;
  • .18. Chemicaliëntankschip: een schip, gebouwd of verbouwd en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibare producten opgenomen in hoofdstuk 17 van de Internationale Code inzake vervoer van chemicaliën in bulk (International Bulk Chemical Code);
  • .19. Vloeibaar-gas-tankschip: een schip gebouwd of verbouwd en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibare gassen of andere producten opgenomen in hoofdstuk 19 van de Internationale Code inzake het vervoer van vloeibaar gas (International Gas Carrier Code);
  • .22. Maand: een kalendermaand of een periode van 30 dagen samengesteld uit perioden van minder dan een maand;
  • .23. STCW-Code: de Code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van zeevarenden (STCW), zoals aangenomen bij resolutie 2 van de Conferentie van 1995, zoals eventueel gewijzigd door de Organisatie;
  • .24. Functie: een aantal taken, plichten en verantwoordelijkheden, zoals genoemd in de STCW-Code, die vereist zijn voor de bedrijfsvoering aan boord, de beveiliging van mensenlevens op zee of de bescherming van het mariene milieu;
  • .25. Maatschappij: de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of degene die het schip leeg chartert (zonder bemanning), die de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering aan boord van de eigenaar van het schip heeft overgenomen en die deze verantwoordelijkheid aanvaardt en ermee instemt alle verplichtingen en verantwoordelijkheden op zich te nemen die door deze voorschriften aan de maatschappij worden opgelegd;
  • .26. Dienst buitengaats: het dienst doen aan boord van een schip voor zover van belang voor de afgifte of verlenging van een vaarbevoegdheidsbewijs of een andere kwalificatie;
  • .27. ISPS-Code: de Internationale Code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (ISPS) aangenomen op 12 december 2002, bij resolutie 2 van de Conferentie van Verdragsluitende Regeringen bij het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS), zoals eventueel gewijzigd door de Organisatie;
  • .28. Scheepbeveiligingsfunctionaris: de functionaris die aan de kapitein verantwoording aflegt en die door de scheepsbeheerder is aangesteld als verantwoordelijke voor de beveiliging van het schip, waaronder begrepen de uitvoering en het onderhoud van het scheepsbeveiligingsplan en voor de contacten met de beveiligingsfunctionaris van de zeescheepvaartonderneming en de beveiligingsfunctionarissen van de havenfaciliteiten;
  • .30. Vaarbevoegdheidsbewijs: een bewijs afgegeven en voorzien van een officiële verklaring voor kapiteins, officieren en GMDSS-radio-operators in overeenstemming met de bepalingen van de hoofdstukken II, III, IV of VII van deze Bijlage en op grond waarvan de rechtmatige houder ervan het recht heeft dienst te doen in de daarin omschreven hoedanigheid en de bijbehorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau;
  • .31. Bewijs van bekwaamheid: een bewijs, niet zijnde een vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven aan een zeevarende, waarin verklaard wordt dat is voldaan aan de desbetreffende eisen van het Verdrag op het gebied van training, vaardigheden of diensttijd buitengaats in het Verdrag;
  • .32. Schriftelijk bewijs: andere documenten dan een vaarbevoegdheidsbewijs of een bewijs van bekwaamheid, waarmee wordt aangetoond dat aan de desbetreffende eisen van het Verdrag is voldaan;
  • .33. Elektrotechnisch officier: een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift III/6 van het Verdrag;
  • .34. Gekwalificeerd gezel met dekdienst: een gezel die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift II/5 van het Verdrag;
  • .37. Audit: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan;
  • .38. Auditprogramma: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen;
  • .39. Implementatiecode:de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28);
  • .40. Auditnorm:de Implementatiecode;
  • .41. IGF-Code: de Internationale Veiligheidscode voor schepen die gassen of andere brandstoffen met een laag vlampunt gebruiken, zoals omschreven in SOLAS-voorschrift II-1/2.29;
  • .42. Polar Code: de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, zoals omschreven in SOLAS-voorschrift XIV/1.1;
  • .44. Hoogspanning:wisselstroom (WS) of gelijkstroom (GS) met een spanning van meer dan 1000 volt;
  • .45. Origineel: een papieren of een elektronische versie van elk bewijs dat ingevolge het Verdrag vereist is, afgegeven in het door de Administratie goedgekeurde formaat, op voorwaarde dat de minimuminformatie, zoals gevraagd in het vierde lid van deel A-I/2 van de STCW-Code, direct beschikbaar is.
2.

Deze voorschriften worden aangevuld met de dwingende bepalingen vervat in deel A van de STCW-Code en:

  • .1. elke verwijzing naar een vereiste in een voorschrift houdt tevens een verwijzing in naar het overeenkomstige onderdeel van deel A van de STCW-Code;
  • .2. bij de toepassing van deze voorschriften dienen de ermee samenhangende richtlijnen en verklarende opmerkingen vervat in deel B van de STCW-Code, zoveel mogelijk in aanmerking te worden genomen teneinde wereldwijd uniformere toepassing van de bepalingen van het Verdrag te bewerkstelligen;
  • .3. wijzigingen van deel A van de STCW-Code worden aangenomen, treden in werking en worden van kracht in overeenstemming met de bepalingen van artikel XII van het Verdrag inzake de wijzigingsprocedure die van toepassing is op de Bijlage; en
  • .4. deel B van de STCW-Code wordt gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie in overeenstemming met haar reglement van orde.
3.

De verwijzingen in artikel VI van het Verdrag naar “de Administratie” en “de Administratie die het bewijs afgeeft” mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij een Partij beletten bewijzen af te geven of deze van officiële verklaringen te voorzien volgens de bepalingen van deze voorschriften.

Voorschrift I/2. Bewijzen en officiële verklaringen

1.

Vaarbevoegdheidsbewijzen worden uitsluitend afgegeven door de Administratie na controle van de echtheid en geldigheid van de benodigde schriftelijke bewijzen.

2.

Bewijzen af te geven in overeenstemming met de bepalingen van de voorschriften V/1-1 en V/1-2 aan kapiteins en officieren worden uitsluitend afgegeven door een Administratie.

3.

Bewijzen dienen te worden gesteld in de officiële taal of de officiële talen van het land waar zij worden afgegeven. Indien de gebruikte taal een andere is dan de Engelse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in die taal.

4.

Met betrekking tot radio-operators kunnen de Partijen:

  • .1. de volgens de desbetreffende voorschriften vereiste aanvullende kennis opnemen in het onderzoek voor de afgifte van een diploma dat voldoet aan het Radioreglement; of
  • .2. een afzonderlijk bewijs afgeven waaruit blijkt dat de houder beschikt over de volgens de desbetreffende voorschriften vereiste aanvullende kennis.
5.

De volgens artikel VI van het Verdrag vereiste officiële verklaring ter bevestiging van de afgifte van een bewijs wordt uitsluitend afgegeven indien aan alle vereisten van het Verdrag is voldaan.

6.

Ter beoordeling van een Partij kunnen officiële verklaringen worden opgenomen in het model voor het bewijs dat wordt afgegeven, zoals bepaald in sectie A-I/2 van de STCW-Code. In dat geval dient het model vervat in sectie A-I/2, eerste punt, te worden gebruikt. Indien zij op andere wijze worden afgegeven, dienen de officiële verklaringen overeen te komen met het model vervat in sectie A-I/2, tweede punt.

7.

Indien een Administratie overeenkomstig voorschrift I/10:

  • .1. een vaarbevoegdheidsbewijs erkent; of
  • .2. een in overeenstemming met de bepalingen van de voorschriften V/1-1 en V/1-2 aan een kapitein of officier afgegeven bewijs van bekwaamheid erkent, mag zij een officiële verklaring tot erkenning ervan uitsluitend afgeven na de echtheid en geldigheid van het bewijs te hebben vastgesteld.

De officiële verklaring mag uitsluitend worden afgegeven indien aan alle vereisten van het Verdrag is voldaan. Het model van de verklaring dient overeen te komen met het bepaalde in derde punt van sectie A-I/2 van de STCW-Code.

8.

De officiële verklaringen bedoeld in de leden 5, 6 en 7:

  • .1. mogen als afzonderlijke documenten worden afgegeven;
  • .2. worden uitsluitend afgegeven door de Administratie;
  • .3. dienen alle te worden voorzien van een uniek nummer, met uitzondering van officiële verklaringen omtrent de afgifte van een bewijs die kunnen worden voorzien van hetzelfde nummer als het desbetreffende bewijs, mits dat een uniek nummer is; en
  • .4. verliezen hun geldigheid zodra het bewijs waarop de verklaring betrekking heeft verloopt of wordt ingetrokken, tijdelijk wordt ingetrokken of ongeldig wordt verklaard door de Partij die het heeft afgegeven, en in elk geval niet meer dan vijf jaar na de datum van afgifte.
9.

De hoedanigheid waarin de houder van een bewijs bevoegd is dienst te doen, wordt vermeld in het model van de officiële verklaring in bewoordingen die gelijk zijn aan die welke worden gebruikt in de van toepassing zijnde vereisten omtrent het veilig bemannen die de Administratie hanteert.

10.

De Administraties mogen een model gebruiken dat afwijkt van het model weergegeven in sectie A-I/2 van de STCW-Code, mits in ieder geval de vereiste gegevens in Romeinse letters en Arabische cijfers worden vermeld, daarbij rekening houdend met de varianten die volgens sectie A-I/2 zijn toegestaan.

11.

Behoudens de bepalingen van voorschrift I/10, vijfde lid, dient het origineel van elk uit hoofde van het Verdrag vereist bewijs beschikbaar te zijn aan boord van het schip waarop de houder werkzaam is. Indien gebruik wordt gemaakt van een elektronische versie dient de vereiste minimuminformatie toegankelijk te zijn zoals omschreven door de Administratie in overeenstemming met de STCW-Code, hetgeen nodig is om een controleprocedure in gang te zetten.

12.

Elke Partij ziet erop toe dat bewijzen uitsluitend worden afgegeven aan kandidaten die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift.

13.

De kandidaten voor de afgifte van een bewijs overleggen toereikend bewijs:

  • .1. omtrent hun identiteit;
  • .2. dat zij niet jonger zijn dan is voorgeschreven in het voorschrift dat van toepassing is op het aangevraagde bewijs;
  • .3. dat zij voldoen aan de normen voor medische geschiktheid omschreven in sectie A-I/9 van de STCW-Code;
  • .4. dat zij de diensttijd buitengaats en elke uit hoofde van deze voorschriften voor het aangevraagde bewijs verplichte opleiding hebben voltooid; en
  • .5. dat zij voldoen aan de eisen van bekwaamheid die door deze voorschriften worden voorgeschreven voor de hoedanigheden, functies en niveaus die in de officiële verklaring bij het bewijs dienen te worden vermeld.
14.

Elke Partij verplicht zich een register of registers bij te houden van alle bewijzen en officiële verklaringen voor kapiteins, officieren en, indien van toepassing, gezellen, die zijn afgegeven, zijn verlopen of zijn verlengd, tijdelijk zijn ingetrokken, ongeldig zijn verklaard of als vermist of vernietigd zijn aangemeld, en van verleende ontheffingen.

15.

Elke Partij verplicht zich informatie over de status van dergelijke vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en ontheffingen ter beschikking te stellen aan andere Partijen en maatschappijen die verzoeken om controle van de echtheid en geldigheid van bewijzen die aan hen zijn overgelegd door zeevarenden die hun bewijzen wensen te laten erkennen uit hoofde van voorschrift I/10 of ten behoeve van tewerkstelling aan boord van een schip.

16.

Met ingang van 1 januari 2017 wordt de informatie over de status van gegevens die in overeenstemming met lid 15 van dit voorschrift beschikbaar dienen te zijn, langs elektronische weg beschikbaar gesteld in de Engelse taal.

Voorschrift I/3. Beginselen inzake reizen nabij de kust

1.

De Partijen stellen bij de omschrijving van reizen nabij de kust voor de toepassing van het Verdrag aan de zeevarenden die dienst doen aan boord van de schepen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een andere Partij, en dienst doen tijdens dergelijke reizen, geen eisen wat opleiding, ervaring of diplomering betreft, op een wijze die leidt tot strengere eisen voor die zeevarenden dan voor de zeevarenden die dienst doen aan boord van schepen die gerechtigd zijn haar eigen vlag te voeren. In geen geval stellen deze Partijen eisen aan zeevarenden die dienst doen aan boord van schepen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een andere Partij die strenger zijn dan die van het Verdrag met betrekking tot schepen die niet voor reizen nabij de kust worden gebruikt.

2.

Een Partij die voor schepen waaraan de voordelen van de bepalingen inzake reizen nabij de kust van het Verdrag zijn toegekend, met inbegrip van reizen nabij de kust van andere Partijen binnen de grenzen van hun omschrijving van reizen nabij de kust, treft een regeling met de desbetreffende Partijen waarin de details van zowel de betrokken handelsgebieden als andere relevante voorwaarden zijn vastgelegd.

3.

Met betrekking tot schepen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een Partij en die regelmatig worden gebruikt voor reizen nabij de kust in de nabijheid van de kust van een andere Partij, stelt de Partij, waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, voor op dergelijke schepen dienstdoende zeevarenden eisen vast inzake opleiding, ervaring en diplomering, die ten minste gelijk zijn aan die van de Partij in de nabijheid van wier kust het schip wordt gebruikt, mits zij de eisen van het Verdrag met betrekking tot schepen die niet voor reizen nabij de kust worden gebruikt niet te boven gaan. Zeevarenden die dienst doen op een schip waarvan de reis zich verder uitstrekt dan hetgeen door een Partij als een reis nabij de kust is omschreven en zich begeeft in wateren die niet onder die omschrijving vallen, dienen te voldoen aan de desbetreffende eisen van bekwaamheid van het Verdrag.

4.

Een Partij kan aan een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren de voordelen van de bepalingen van het Verdrag inzake reizen nabij de kust toekennen, wanneer het regelmatig in de nabijheid van de kust van een Staat die geen Partij is, wordt gebruikt voor reizen nabij de kust zoals omschreven door de Partij.

5.

De door een Partij afgegeven bewijzen aan zeevarenden voor de door haar omschreven grenzen van reizen nabij de kust kunnen door de andere Partijen worden erkend voor diensten binnen door hen omschreven grenzen aan reizen nabij de kust, mits de desbetreffende Partijen een regeling treffen waarin de betrokken handelsgebieden en andere relevante voorwaarden zijn vastgelegd.

6.

De Partijen die reizen nabij de kust omschrijven in overeenstemming met de vereisten van dit voorschrift:

  • .1. voldoen aan de beginselen die van toepassing zijn op reizen nabij de kust omschreven in sectie A-I/3;
  • .2. doen de Secretaris-Generaal in overeenstemming met de vereisten van voorschrift I/7 de gegevens van de aangenomen bepalingen toekomen; en
7.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift beperkt op enigerlei wijze de rechtsbevoegdheid van de Staten, ongeacht of deze al dan niet Partij zijn bij het Verdrag.

Voorschrift I/4. Controleprocedures

1.

De controle uitgevoerd door een bevoegde functionaris krachtens artikel X is beperkt tot:

  • .1. onderzoek overeenkomstig artikel X, eerste lid, of alle zeevarenden die dienst doen aan boord die volgens het Verdrag in het bezit dienen te zijn van een bewijs, een passend bewijs of een geldige ontheffing bezitten of schriftelijk bewijs kunnen overleggen waaruit blijkt dat een aanvraag om een officiële verklaring bij de Administratie is ingediend in overeenstemming met voorschrift I/10, lid 5;
  • .2. onderzoek of het aantal zeevarenden en de bewijzen van de zeevarenden die dienst doen aan boord voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten inzake het veilig bemannen die de Administratie hanteert; en
  • .3. vaststellen in overeenstemming met sectie A-I/4 van de STCW-Code van de geschiktheid van de zeevarenden van het schip te voldoen aan de door het Verdrag vereiste normen inzake wachtdienst en beveiliging, indien het aannemelijk is dat niet aan die normen wordt voldaan omdat zich een van de volgende feiten heeft voorgedaan:
  • .3.1. het schip is bij een aanvaring betrokken geweest, is aan de grond gelopen of is gestrand, of
  • .3.2. er heeft lozing van stoffen vanuit het schip plaatsgevonden, terwijl het onderweg was, voor anker lag of aangemeerd was, hetgeen onrechtmatig is krachtens internationale verdragen, of
  • .3.3. er is op foutieve of onveilige wijze met het schip gemanoeuvreerd, waarbij de door de Organisatie aangenomen routeringsmaatregelen of veilige navigatiemethoden en -procedures niet in acht zijn genomen, of
  • .3.4. de bedrijfsvoering aan boord geschiedt anderszins op zodanige wijze dat het schip een gevaar vormt voor personen, zaken, het milieu of de beveiliging in gevaar komt.
2.

Onder tekortkomingen die geacht kunnen worden een gevaar te vormen voor personen, zaken of het milieu vallen:

  • .1. zeevarenden die een bewijs dienen te hebben, beschikken niet over een passend bewijs of over een geldige ontheffing of kunnen geen schriftelijk bewijs overleggen dat in overeenstemming met voorschrift I/10, lid 5, een aanvraag om een officiële verklaring is ingediend bij de Administratie;
  • .2. er is niet voldaan aan de van toepassing zijnde vereisten inzake het veilig bemannen die de Administratie hanteert;
  • .3. de regelingen voor de wacht op de brug of de wacht in de machinekamer voldoen niet aan de door de Administratie voor het schip vastgestelde eisen;
  • .4. afwezigheid tijdens de wacht van een persoon die bevoegd is de uitrusting te bedienen die noodzakelijk is voor veilige navigatie, veilige radioverbindingen of het voorkomen van verontreiniging van de zee; en
  • .5. het niet in staat zijn aan het begin van de reis en bij de daaropvolgende aflossende wachten te zorgen voor personeel dat voldoende rust heeft genoten en ook anderszins geschikt is om dienst te doen.
3.

Het niet herstellen van de tekortkomingen bedoeld in lid 2 voor zover de Partij die de controle uitvoert heeft vastgesteld dat zij een gevaar vormen voor personen, zaken of het milieu, vormt de enige grond krachtens artikel X waarop een Partij een schip kan aanhouden.

Voorschrift I/5. Nationale bepalingen

1.

Elke Partij stelt werkwijzen en procedures vast voor het onpartijdig onderzoek naar elk gerapporteerd geval van onbekwaamheid, handelen, nalaten of het in gevaar brengen van de beveiliging dat een directe bedreiging kan vormen voor de veiligheid van mensenlevens of zaken op zee of voor het mariene milieu door houders van vaarbevoegdheidsbewijzen of van officiële verklaringen afgegeven door die Partij met betrekking tot de vervulling van hun taken zoals in hun bewijzen omschreven, en voor het intrekken, tijdelijk intrekken en ongeldig verklaren van deze bewijzen op dergelijke gronden en ter voorkoming van fraude.

2.

Elke Partij neemt passende maatregelen ter voorkoming van fraude en andere onrechtmatige praktijken met afgegeven bewijzen en officiële verklaringen.

3.

Elke Partij dient straffen of disciplinaire maatregelen voor te schrijven voor gevallen waarin de bepalingen van haar nationale wetgeving ter uitvoering van het Verdrag niet worden nageleefd met betrekking tot schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren of zeevarenden aan wie die Partij naar behoren een bewijs heeft afgegeven.

4.

Dergelijke straffen of disciplinaire maatregelen dienen met name te worden opgelegd en ten uitvoer gebracht in gevallen waarin:

  • .1. een maatschappij of een kapitein een persoon heeft aangesteld die geen bewijs bezit zoals vereist volgens het Verdrag;
  • .2. een kapitein heeft toegestaan dat een functie of dienst in een hoedanigheid die krachtens deze voorschriften dient te worden verricht door een persoon die in het bezit is van een passend bewijs, wordt verricht door een persoon die niet in het bezit is van het vereiste bewijs, een geldige ontheffing of een schriftelijk bewijs zoals vereist door voorschrift I/10, lid 5; of
  • .3. een persoon middels fraude of vervalste documenten een aanstelling heeft gekregen om een functie te vervullen of dienst te doen in een hoedanigheid waarvan de uitoefening of vervulling volgens deze voorschriften dient te geschieden door een persoon die in het bezit is van een bewijs of een ontheffing.
5.

Een Partij binnen wier rechtsgebied zich een maatschappij of persoon bevindt waarvan of van wie mag worden aangenomen dat deze verantwoordelijk is voor of kennis draagt van een kennelijk geval van niet-nakomen van het Verdrag zoals bepaald in lid 4, dient alle mogelijke medewerking te verlenen aan een Partij die haar op de hoogte stelt van haar voornemen uit hoofde van haar rechtsbevoegdheid gerechtelijke stappen te ondernemen.

Voorschrift I/6. Opleiding en beoordeling

Elke Partij waarborgt dat:

  • .1. de uitvoering van, het toezicht op en de controle van de opleiding en beoordeling van zeevarenden, zoals vereist volgens het Verdrag, geschieden in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/6 van de STCW-Code; en
  • .2. degenen die verantwoordelijk zijn voor de opleiding en beoordeling van de bekwaamheid van zeevarenden, zoals vereist volgens het Verdrag, bevoegdheden bezitten in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/6 van de STCW-Code, die passen bij de aard en het niveau van de desbetreffende opleiding of beoordeling.

Voorschrift I/7. Toezending van informatie

1.

Behalve de informatie die uit hoofde van artikel IV dient te worden verzonden, doet elke Partij de Secretaris-Generaal binnen de voorgeschreven termijnen en op de wijze beschreven in sectie A-I/7 van de STCW-Code, de overige informatie over andere genomen maatregelen toekomen die volgens de Code vereist kan zijn voor de volledige uitvoering van het Verdrag.

2.

Wanneer de volledige informatie zoals voorgeschreven in artikel IV en sectie A-1/7 van de STCW-Code is ontvangen en deze bevestigt dat volledige uitvoering is gegeven aan de bepalingen van het Verdrag, brengt de Secretaris-Generaal hiervan verslag uit aan de Maritieme Veiligheidscommissie.

3.

Na de hierop volgende bevestiging van de Maritieme Veiligheidscommissie in overeenstemming met de door de Commissie aangenomen procedures, dat uit de toegezonden informatie blijkt dat de bepalingen van het Verdrag volledig zijn uitgevoerd:

  • .1. geeft de Maritieme Veiligheidscommissie aan welke Partijen het betreft;
  • .2. toetst de lijst van Partijen die de informatie hebben verstrekt waaruit blijkt dat zij de desbetreffende bepalingen van het Verdrag volledig uitvoeren en handhaaft op deze lijst uitsluitend de desbetreffende Partijen; en
  • .3. hebben andere Partijen in beginsel het recht, met inachtneming van de bepalingen van de voorschriften I/4 en I/10, te aanvaarden dat door of namens de in lid 3.1 bedoelde Partijen afgegeven bewijzen voldoen aan het Verdrag.
4.

Op wijzigingen van het Verdrag en de STCW-Code die later in werking treden dan de datum waarop de informatie in overeenstemming met de bepalingen van lid 1 is of zal worden verzonden aan de Secretaris-Generaal, zijn de bepalingen van sectie A-I/7, eerste en tweede punt, niet van toepassing.

Voorschrift I/8. Kwaliteitsnormen

1.

Elke Partij waarborgt dat:

  • .1. in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/8 van de STCW-Code alle werkzaamheden betreffende opleiding, beoordeling van bekwaamheid, afgifte van bewijzen, met inbegrip van medische verklaringen, officiële verklaringen en verlenging van de geldigheid die worden uitgevoerd door niet-gouvernementele instanties of door lichamen die onder hun gezag vallen voortdurend worden getoetst aan de hand van een systeem voor kwaliteitsbewaking, teneinde te waarborgen dat de omschreven doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van de doelstellingen die betrekking hebben op de bevoegdheden en ervaring van instructeurs en beoordelaars; en
  • .2. indien deze werkzaamheden worden verricht door overheidsinstanties of lichamen die onder gezag van de overheid vallen er een systeem voor kwaliteitsbewaking is.
2.

Elke Partij waarborgt tevens dat er periodiek evaluaties plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/8 van de STCW-Code door bevoegde personen die zelf niet betrokken zijn bij de desbetreffende werkzaamheden. Deze evaluaties behelzen alle wijzigingen van nationale voorschriften en procedures overeenkomstig de wijzigingen van het Verdrag en de STCW-Code, die later in werking treden dan de datum waarop de informatie aan de Secretaris-Generaal werd verzonden.

3.

Een verslag met de resultaten van de op grond van lid 2 vereiste evaluatie wordt op de wijze omschreven in sectie A-I/7 van de STCW-Code verzonden aan de Secretaris-Generaal.

Voorschrift I/9. Medische normen

1.

Elke Partij stelt normen vast voor de medische geschiktheid van zeevarenden en procedures voor de afgifte van een medische verklaring in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift en van sectie A-I/9 van de STCW-Code.

2.

Elke Partij waarborgt dat degenen die verantwoordelijk zijn voor het beoordelen van de medische geschiktheid van zeevarenden, artsen zijn die door de Partij erkend zijn voor het medisch onderzoeken van zeevarenden in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/9 van de STCW-Code.

3.

Elke zeevarende die beschikt over een volgens de bepalingen van het Verdrag afgegeven bewijs en buitengaats dienst doet, dient ook te beschikken over een geldige medische verklaring afgegeven in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift en die van sectie A-I/9 van de STCW-Code.

4.

Kandidaten voor de afgifte van een bewijs:

  • .1. zijn niet jonger dan 16;
  • .2. overleggen voldoende bewijs van hun identiteit; en
  • .3. voldoen aan de van toepassing zijnde normen voor medische geschiktheid die door de Partij zijn vastgesteld.
5.

Medische verklaringen gelden voor een tijdvak van ten hoogste twee jaar, tenzij de zeevarende jonger is dan 18 jaar, in welk geval de geldigheidsduur ten hoogste een jaar bedraagt.

6.

Indien de geldigheidstermijn van een medische verklaring gedurende een reis verstrijkt, blijft de medische verklaring geldig tot de volgende aanloophaven waar een door de Partij erkende arts beschikbaar is, mits die laatste termijn ten hoogste drie maanden bedraagt.

7.

In urgente gevallen kan de Administratie een zeevarende toestaan zonder een geldige medische verklaring werkzaamheden te verrichten tot aan de volgende aanloophaven waar een door de Partij erkende arts beschikbaar is, mits:

  • .1. een dergelijke toestemming ten hoogste drie maanden geldt; en
  • .2. de betrokken zeevarende in het bezit is van een verlopen medische verklaring van recente datum.

Voorschrift I/10. Erkenning van bewijzen

1.

Elke Administratie waarborgt dat de bepalingen van dit voorschrift in acht worden genomen bij de erkenning, door middel van een officiële verklaring in overeenstemming met voorschrift I/2, lid 7, van een door of op gezag van een andere Partij afgegeven bewijs aan een kapitein, officier of radio-operator en dat:

  • .1. de Administratie door middel van een evaluatie van die Partij, die een inspectie van de voorzieningen en procedures kan omvatten, heeft bevestigd dat volledig wordt voldaan aan de vereisten van het Verdrag betreffende de normen van bekwaamheid, opleiding en diplomering en kwaliteitsnormen; en
  • .2. met de desbetreffende Partij een regeling is getroffen dat onverwijld kennisgeving wordt gedaan van wezenlijke wijzigingen in de regelingen voor opleiding en diplomering in overeenstemming met het Verdrag.
2.

Er dienen maatregelen te worden vastgesteld om te waarborgen dat zeevarenden die bewijzen voor erkenning overleggen die zijn afgegeven krachtens de bepalingen van de voorschriften II/2, III/2 of III/3 of ingevolge voorschrift VII/1 op managementniveau zoals omschreven in de STCW-Code, beschikken over voldoende kennis van de maritieme wetgeving van de Administratie die van toepassing is op de functies die zij mogen vervullen.

3.

In overeenstemming met de vereisten van voorschrift I/7 wordt de Secretaris-Generaal in kennis gesteld van ingevolge dit voorschrift verstrekte informatie en overeengekomen maatregelen.

4.

Bewijzen afgegeven door of onder het gezag van een staat die geen Partij is, worden niet erkend.

5.

Onverminderd het vereiste van voorschrift I/2, lid 7, mag een Administratie, indien de omstandigheden dat vereisen en met inachtneming van de bepalingen van lid 1, een zeevarende toestaan gedurende een periode van ten hoogste drie maanden dienst te doen aan boord van een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, mits deze in het bezit is van een passend en geldig bewijs dat door een andere Partij conform de vereisten is afgegeven en voorzien van een officiële verklaring voor gebruik aan boord van een schip van die andere Partij, maar welk bewijs nog niet zodanig is voorzien van een officiële verklaring dat het geschikt is voor dienst aan boord van schepen die gerechtigd zijn de vlag van de Administratie te voeren. Schriftelijk bewijs dat een aanvraag om een officiële verklaring is ingediend bij de Administratie dient voorhanden te zijn.

6.

Uit hoofde van de bepalingen van dit voorschrift door een Administratie afgegeven bewijzen ter erkenning van en officiële verklaringen ter bevestiging van de erkenning van een door een andere Partij afgegeven bewijs mogen niet worden gebruikt als basis voor verdere erkenning door een andere Administratie.

Voorschrift I/11. Verlenging van de geldigheid van bewijzen

1.

Elke kapitein, officier en radio-operator die beschikt over een bewijs afgegeven of erkend krachtens een hoofdstuk van het Verdrag anders dan voorschrift V/3 of hoofdstuk VI, die buitengaats dienst doet of na een periode aan de wal voornemens is terug te keren naar zee, dient teneinde zijn bevoegdheid om dienst op zee te doen te behouden met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar:

  • .1. te voldoen aan de normen van medische geschiktheid voorgeschreven door voorschrift I/9; en
  • .2. aan te tonen bij voortduring vakbekwaam te zijn in overeenstemming met sectie A-I/II van de STCW-Code.
2.

Elke kapitein, officier en radio-operator dient ten behoeve van de voortzetting van de dienst buitengaats aan boord van schepen waarvoor op internationaal niveau bijzondere opleidingsvereisten zijn overeengekomen, de goedgekeurde relevante opleiding met goed gevolg te voltooien.

3.

Elke kapitein en officier dient ten behoeve van de voortzetting van de dienst buitengaats aan boord van tankschepen, te voldoen aan de vereisten van lid 1 van dit voorschrift en met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar aan te tonen bij voortduring vakbekwaam te zijn ter zake van tankschepen in overeenstemming met sectie A-I/11, derde punt, van de STCW-Code.

4.

Elke kapitein of officier dient ten behoeve van de voortzetting van de dienst buitengaats aan boord van schepen die in polaire wateren varen te voldoen aan de vereisten van lid 1 van dit voorschrift en met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar aan te tonen bij voortduring vakbekwaam te zijn ter zake van schepen die in polaire wateren varen in overeenstemming met sectie A-1/11, vierde punt, van de STCW-Code.

5.

Elke Partij vergelijkt de normen van bekwaamheid die zij hanteerde voor kandidaten voor bewijzen afgegeven vóór 1 januari 2017 met de normen voorgeschreven voor het desbetreffende bewijs in deel A van de STCW-Code en onderzoekt of het noodzakelijk is van de houders van die bewijzen te verlangen dat zij relevante herhalings- en bijscholingscursussen volgen of zich opnieuw laten beoordelen.

6.

In overleg met de betrokkenen stelt de Partij een systeem van herhalings- en bijscholingscursussen op of bevordert de opstelling ervan, zoals voorzien in sectie A-I/11 van de STCW-Code.

7.

Ten behoeve van de bijscholing van kapiteins, officieren en radio-operators waarborgt elke Administratie dat de teksten van recente wijzigingen van nationale en internationale voorschriften inzake de veiligheid van mensenlevens op zee, de beveiliging en de bescherming van het mariene milieu ter beschikking worden gesteld van schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren.

Voorschrift I/12. Gebruik van simulatoren

1.

Aan de functienormen, de overige bepalingen vervat in sectie A-I/12 en andere vereisten ter zake van enig betrokken bewijs zoals voorgeschreven in deel A van de STCW-Code dient te worden voldaan wat betreft:

  • .1. alle verplichte trainingen waarbij een simulator wordt gebruikt;
  • .2. elke beoordeling van de bekwaamheid vereist krachtens deel A van de STCW-Code, die wordt uitgevoerd met behulp van een simulator; en
  • .3. elke proeve van voortdurende bekwaamheid met behulp van een simulator, zoals vereist krachtens deel A van de STCW-Code.

Voorschrift I/13. Uitvoering van experimenten

1.

Deze voorschriften beletten een Administratie niet schepen, die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, toestemming te geven om deel te nemen aan experimenten.

2.

Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder de uitdrukking “experiment” verstaan een experiment of een reeks experimenten, uitgevoerd gedurende een bepaalde periode, waarbij gebruik kan worden gemaakt van geautomatiseerde of geïntegreerde systemen, teneinde alternatieve methoden te onderzoeken voor het uitvoeren van bepaalde taken of het voldoen aan bijzondere regelingen die zijn voorgeschreven door het Verdrag, waarmee ten minste dezelfde mate van veiligheid, beveiliging en voorkoming van verontreiniging kan worden bereikt als voorzien in deze voorschriften.

3.

De Administratie die schepen toestemming geeft voor deelname aan experimenten dient zich ervan te vergewissen dat deze experimenten worden uitgevoerd op een wijze die ten minste dezelfde mate van veiligheid, beveiliging en voorkoming van verontreiniging bereikt als voorzien in deze voorschriften. Deze experimenten worden uitgevoerd in overeenstemming met de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.

4.

De gegevens betreffende dergelijke experimenten worden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk zes maanden voor de datum waarop de aanvang van de experimenten gepland is, gemeld aan de Organisatie. De Organisatie zendt deze gegevens toe aan alle Partijen.

5.

De resultaten van de experimenten waarvoor krachtens lid 1 toestemming is gegeven en alle aanbevelingen die de Administratie met betrekking tot die resultaten nuttig acht, worden gemeld aan de Organisatie die deze resultaten en aanbevelingen aan alle Partijen toezendt.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)