Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa
Preambule
De Lid-Staten van de Raad van Europa en de andere ondertekenaars van dit Verdrag,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
Overwegende dat het de wil van de Raad van Europa is samen te werken met andere Staten op het gebied van het behoud van de natuur;
Erkennende dat de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten een natuurlijk erfgoed vormen van esthetische, wetenschappelijke, culturele, recreatieve, economische en intrinsieke waarde, en dat het van belang is dit natuurlijke erfgoed te beschermen en door te geven aan de komende generaties;
Erkennende de essentiële rol van de in het wild voorkomende dieren plantesoorten bij de instandhouding van het biologisch evenwicht;
Vaststellende dat tal van in het wild voorkomende dier- en plantesoorten steeds minder voorkomen en dat sommige hiervan met uitsterven worden bedreigd;
Zich ervan bewust dat het in stand houden van de natuurlijke leefmilieus een van de wezenlijke bestanddelen is van de bescherming en het behoud van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten;
Erkennende dat met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten rekening dient te worden gehouden door de Regeringen bij hun nationale doelstellingen en programma’s en dat een vorm van internationale samenwerking tot stand dient te worden gebracht in het bijzonder om de trekkende diersoorten te behouden;
Zich bewust zijnde van de vele verzoeken om gemeenschappelijk optreden van Regeringen of internationale instanties, met name de verzoeken van de Conferentie van de Verenigde Naties over het leefmilieu van 1972 en van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa;
Verlangende in het bijzonder om, op het gebied van de instandhouding van het leven in het wild, de aanbevelingen op te volgen die zijn vervat in Resolutie nr. 2 van de Tweede Europese Ministers Conferentie inzake het Leefmilieu,
Zijn overeengekomen als volgt:
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Dit Verdrag heeft ten doel te zorgen voor de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten en de daarbij behorende natuurlijke leefmilieus, met name die soorten en die leefmilieus voor de instandhouding waarvan de samenwerking van verschillende Staten is vereist, en een zodanige samenwerking te bevorderen.
Bijzondere aandacht wordt besteed aan die soorten, met inbegrip van de trekkende soorten, die met uitsterven worden bedreigd en die kwetsbaar zijn.
Artikel 2
De Verdragsluitende Partijen nemen de nodige maatregelen om de populaties van in het wild voorkomende dier- en plantesoorten te handhaven of te brengen op een niveau dat met name overeenkomt met hetgeen vanuit ecologisch, wetenschappelijk en cultureel standpunt is vereist, daarbij rekening houdend met de vereisten op economisch en recreatief gebied en met de behoeften van ondersoorten, variëteiten of vormen die plaatselijk worden bedreigd.
Artikel 3
Iedere Verdragsluitende Partij neemt de nodige maatregelen ter bevordering van een nationaal beleid voor de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten en de natuurlijke leefmilieus, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan die soorten die met uitsterven worden bedreigd en die kwetsbaar zijn, vooral aan endemische soorten, en aan bedreigde leefmilieus, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.
Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe om bij haar beleid op het gebied van ruimtelijke ordeningen ontwikkeling en bij haar maatregelen tegen verontreiniging, rekening te houden met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten.
Iedere Verdragsluitende Partij bevordert de voorlichting en de verspreiding van algemene informatie betreffende de noodzaak tot het instandhouden van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten alsmede de daarbij behorende leefmilieus.
HOOFDSTUK II. Bescherming van de leefmilieus
Artikel 4
Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om de leefmilieus van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten te beschermen, in het bijzonder van de soorten, genoemd in de bijlagen I en II, en om de bedreigde natuurlijke leefmilieus in stand te houden.
De Verdragsluitende Partijen houden bij hun beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening en ontwikkeling, rekening met de behoeften van de instandhouding van de in het vorige lid bedoelde beschermde gebieden ten einde iedere achteruitgang van deze gebieden zo veel mogelijk te vermijden of te verminderen.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van de gebieden die van belang zijn voor de in de bijlagen II en III genoemde trekkende soorten en die gunstig liggen ten opzichte van de trekroutes, zoals overwinterings-, rust-, voeder-, broed- of ruiplaatsen.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe hun inspanningen ter bescherming van de in dit artikel bedoelde natuurlijke leefmilieus voor zover nodig te coördineren wanneer deze zijn gelegen in gebieden die zich over de landgrenzen uitstrekken.
HOOFDSTUK III. Instandhouding van de soorten
Artikel 5
Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om te zorgen voor bijzondere bescherming van de in het wild voorkomende plantesoorten, genoemd in bijlage I. Het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden of ontwortelen van bedoelde planten is verboden. Iedere Verdragsluitende Partij verbiedt voor zover nodig het in het bezit hebben of de verkoop van deze soorten.
Artikel 6
Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om te zorgen voor bijzondere bescherming van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in Bijlage II. Waar het deze soorten betreft, is met name verboden:
- a. iedere vorm van opzettelijk vangen, in bezit houden en opzettelijk doden;
- b. het opzettelijk aantasten of vernielen van broed- of rustplaatsen;
- c. het opzettelijk verstoren van de in het wild voorkomende diersoorten, met name gedurende de broedperiode, de periode waarin de jongen afhankelijk zijn, en de overwinteringsperiode, voor zover hiermee duidelijk wordt ingegaan tegen de doelstellingen van dit Verdrag;
- d. het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur of het in het bezit houden van eieren, zelfs wanneer deze leeg zijn;
- e. het houden en het binnenslands verhandelen van deze dieren, hetzij levend hetzij dood, met inbegrip van opgezette dieren, en van ieder gemakkelijk te herkennen deel of produkt van deze dieren, voor zover zulks bijdraagt tot de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel.
Artikel 7
Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften ter bescherming van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in bijlage III.
Voor iedere exploitatie van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in bijlage III, worden voorschriften vastgesteld ten einde deze populaties niet in gevaar te brengen, rekening houdend met het bepaalde in artikel 2.
Deze maatregelen omvatten met name:
- a. het instellen van gesloten seizoenen en/of het treffen van andere maatregelen waarbij de exploitatie wordt geregeld;
- b. het instellen van een tijdelijk of plaatselijk verbod van exploitatie, indien daartoe aanleiding bestaat, ten einde de bestaande populaties in staat te stellen weer op peil te komen;
- c. het uitvaardigen van voorschriften, indien daartoe aanleiding bestaat, voor het verkopen het houden, of vervoeren met het oog op verkoop, of het ten verkoop aanbieden van wilde dieren, hetzij levend hetzij dood.
Artikel 8
Wat betreft het vangen of het doden van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in bijlage III, en in de gevallen waarin afwijkingen overeenkomstig artikel 9 zijn toegestaan ten aanzien van de soorten, genoemd in bijlage II, verbieden de Verdragsluitende Partijen het gebruik van alle niet-selectieve middelen voor het vangen en het doden alsmede van de middelen die plaatselijk de verdwijning ten gevolge kunnen hebben of de rust ernstig kunnen verstoren van de populaties van een soort, in het bijzonder de middelen, genoemd in bijlage IV.
Artikel 9
Iedere Verdragsluitende Partij mag afwijken van het bepaalde in de artikelen 4, 5, 6 en 7 alsmede van het verbod tot het gebruik van de middelen bedoeld in artikel 8, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de afwijkingen geen aantasting met zich brengen van het voortbestaan van de desbetreffende populatie:
- -. ter bescherming van de flora en fauna;
- -. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, veestapel, bossen, visgronden, wateren en andere vormen van bezit;
- -. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid, de veiligheid in de lucht of andere openbare belangen van essentiële aard;
- -. ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie, het opnieuw uitzetten van exemplaren alsmede voor noodzakelijk telen, kweken en fokken;
- -. ten einde het onder streng gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en in beperkte mate bepaalde wilde dieren en planten in kleine hoeveelheden te verzamelen, te houden of op iedere andere verantwoorde wijze te exploiteren.
De Verdragsluitende Partijen leggen iedere twee jaar aan de Permanente Commissie een verslag voor over de afwijkingen krachtens het vorige lid. In deze verslagen moeten worden vermeld:
- -. de populaties die vallen onder of die hebben gevallen onder de afwijkingen en, zo mogelijk, het aantal betrokken exemplaren;
- -. de toegestane middelen voor het doden of het vangen;
- -. de omstandigheden, wat betreft risico, tijd en plaats, waaronder tot deze afwijkingen is besloten;
- -. de autoriteit die bevoegd is te verklaren dat aan deze omstandigheden is voldaan en bevoegd is besluiten te nemen omtrent de middelen die mogen worden aangewend, en binnen welke grenzen, alsmede omtrent de personen, belast met de uitvoering;
- -. de uitgevoerde controle.
HOOFDSTUK IV. Bijzondere bepalingen betreffende trekkende soorten
Artikel 10
Naast de maatregelen aangeduid in de artikelen 4, 6, 7 en 8, verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe hun inspanningen te coördineren voor de instandhouding van de trekkende soorten, genoemd in de bijlagen II en III, waarvan het verspreidingsgebied zich uitstrekt over hun grondgebied.
De Verdragsluitende Partijen nemen maatregelen ten einde ervoor te zorgen dat de gesloten seizoenen en/of andere maatregelen waarbij de exploitatie wordt geregeld, ingesteld krachtens het derde lid, letter a, van artikel 7, goed overeenkomen met de behoeften van de trekkende soorten, genoemd in bijlage III.
HOOFDSTUK V. Aanvullende bepalingen
Artikel 11
Bij de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe:
- a. samen te werken telkens wanneer dit wenselijk is en met name wanneer deze samenwerking de doeltreffendheid zou kunnen verhogen van de maatregelen, genomen krachtens de andere artikelen van dit Verdrag;
- b. de onderzoekswerkzaamheden die verband houden met de doelstellingen van dit Verdrag, te stimuleren en te coördineren.
Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe:
- a. te bevorderen dat in het wild voorkomende inheemse dier- en plantesoorten opnieuw worden uitgezet, wanneer deze maatregel zal bijdragen tot de instandhouding van een soort die met uitsterven wordt bedreigd, mits eerst, rekening houdend met de ervaringen van de andere Verdragsluitende Partijen, wordt bestudeerd of een zodanige maatregel doeltreffend en aanvaardbaar is;
- b. het uitzetten van niet-inheemse soorten aan strenge controle te onderwerpen.
Iedere Verdragsluitende Partij deelt aan de Permanente Commissie mede welke soorten op haar grondgebied totale bescherming genieten en niet voorkomen in de bijlagen I en II.
Artikel 12
De Verdragsluitende Partijen kunnen voor de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten alsmede van de daarbij behorende natuurlijke leefmilieus, strengere maatregelen nemen dan die waarin dit Verdrag voorziet.
HOOFDSTUK VI. Permanente Commissie
Artikel 13
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt een Permanente Commissie ingesteld.
Iedere Verdragsluitende Partij kan zich in de Permanente Commissie laten vertegenwoordigen door een of meer afgevaardigden. Iedere afvaardiging beschikt over één stem. De Europese Economische Gemeenschap oefent, op de gebieden die tot haar bevoegdheden behoren, haar stemrecht uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van haar Lid-Staten die Partij zijn bij dit Verdrag; de Europese Economische Gemeenschap oefent haar stemrecht niet uit in de gevallen waarin de betrokken Lid-Staten hun stemrecht uitoefenen en dit geldt ook omgekeerd.
Iedere Lid-Staat van de Raad van Europa die geen Partij is bij het Verdrag, kan zich in de Commissie laten vertegenwoordigen door een waarnemer.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.