Universele Auteursrecht-Conventie, zoals herzien te Parijs op 24 juli 1971
De Verdragsluitende Staten,
Geleid door de wens, de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde, wetenschap en kunst in alle landen te verzekeren;
Van oordeel, dat een stelsel van bescherming van de rechten der auteurs, geschikt voor alle landen en tot uitdrukking gebracht in een universele conventie, naast de reeds bestaande internationale stelsels en zonder daaraan afbreuk te doen, er toe zal bijdragen de eerbiediging van de rechten van de menselijke persoonlijkheid te verzekeren en de ontwikkeling van letteren, wetenschappen en kunsten te bevorderen;
In de overtuiging, dat zulk een universeel stelsel van bescherming van de rechten der auteurs de verbreiding van de werken des geestes zal vergemakkelijken en tot een betere internationale verstandhouding zal bijdragen;
Hebben besloten de Universele Auteursrecht-Conventie ondertekend te Genève op 6 september 1952 (hierna te noemen „de Conventie van 1952”) te herzien en zijn bijgevolg
Overeengekomen als volgt:
Artikel I
Iedere Verdragsluitende Staat verbindt zich, alle voorzieningen te treffen, welke nodig zijn om een voldoende en doeltreffende bescherming te verzekeren van de rechten van auteurs en van alle andere houders van die rechten op werken van letterkunde, wetenschap en kunst, zoals geschriften, muziekwerken, toneelwerken, cinematografische werken, schilderwerken, gravures en beeldhouwwerken.
Artikel II
Gepubliceerde werken van onderdanen van een Verdragsluitende Staat, alsook voor het eerst in het gebied van een zodanige Staat gepubliceerde werken, genieten in elke andere Verdragsluitende Staat de bescherming, welke deze andere Staat toekent aan voor het eerst in zijn eigen gebied gepubliceerde werken van zijn onderdanen alsmede de speciaal door deze Conventie toegekende bescherming.
Niet gepubliceerde werken van onderdanen van een Verdragsluitende Staat genieten in iedere andere Verdragsluitende Staat de bescherming, welke deze andere Staat verleent aan niet gepubliceerde werken van zijn eigen onderdanen, alsmede de speciaal door deze Conventie toegekende bescherming.
Voor de toepassing van deze Conventie mag elke Verdragsluitende Staat door bepalingen van zijn nationale wetgeving personen, die in zijn gebied woonplaats hebben, met zijn eigen onderdanen gelijkstellen.
Artikel III
Iedere Verdragsluitende Staat die, ingevolge zijn nationale wetgeving, als voorwaarde voor de bescherming van de rechten der auteurs de vervulling eist van formaliteiten als nederlegging, inschrijving, vermelding, notariële verklaringen, betaling van rechten, vervaardiging of publikatie in het eigen gebied, moet deze vereisten als vervuld beschouwen voor elk in overeenstemming met de bepalingen van deze Conventie beschermd werk, dat voor het eerst is gepubliceerd buiten het gebied van die Staat en waarvan de auteur niet tot zijn onderdanen behoort, indien, van de eerste publikatie af, alle exemplaren van het werk, gepubliceerd met machtiging van de auteur of van enige andere rechthebbende op het auteursrecht, het teken © dragen, vergezeld van de naam van de rechthebbende op het auteursrecht en van de aanduiding van het jaar der eerste publikatie; het teken, de naam en het jaar moeten op zodanige wijze en plaats zijn aangebracht, dat het voorbehoud van het auteursrecht duidelijk blijkt.
De bepalingen van het eerste lid verbieden een Verdragsluitende Staat niet, de vervulling van bepaalde formaliteiten of andere voorwaarden te eisen voor de verkrijging en het genot van het auteursrecht met betrekking tot voor het eerst in zijn gebied gepubliceerde werken, of tot werken van zijn onderdanen onverschillig waar die zijn gepubliceerd.
De bepalingen van het eerste lid verbieden een Verdragsluitende Staat niet, voor te schrijven dat een procespartij voor het voeren van het proces voldoet aan regelen van rechtsvordering, zoals: dat de eiser moet worden bijgestaan door een in die Staat practiserende advocaat, dat de eiser bij de rechtbank, bij een overheidsorgaan of bij beide een exemplaar van het werk moet nederleggen, met dien verstande dat het niet voldoen aan dergelijke vereisten de geldigheid van het auteursrecht niet mag aantasten en voorts dat geen zodanig vereiste mag worden gesteld aan de onderdanen van een andere Verdragsluitende Staat, indien het niet ook is gesteld aan de onderdanen van de Staat waarin de bescherming wordt gevorderd.
In iedere Verdragsluitende Staat moeten rechtsmiddelen ter beschikking staan om zonder formaliteiten de niet gepubliceerde werken van onderdanen van andere Verdragsluitende Staten te beschermen.
Indien een Verdragsluitende Staat voor meer dan één tijdvak bescherming toekent en indien het eerste tijdvak van langere duur is dan een van de minimumtijdvakken, vermeld in artikel IV van deze Conventie, is die Staat bevoegd het eerste lid van dit artikel niet toe te passen wat betreft het tweede en de eventuele volgende tijdvakken van bescherming.
Artikel IV
De duur van de bescherming van een werk wordt geregeld, overeenkomstig het bepaalde in artikel II en het onderhavige artikel, door de wet van de Verdragsluitende Staat waar de bescherming wordt gevorderd.
- (a). De duur van de bescherming der uit hoofde van deze Conventie beschermde werken mag niet korter zijn dan het leven van de auteur en 25 jaren na zijn dood. Nochtans is elke Verdragsluitende Staat die, op de datum van de inwerkingtreding van deze Conventie voor zijn gebied, deze tijdsduur voor bepaalde groepen van werken heeft beperkt tot een tijdvak gerekend van de eerste publikatie van het werk af, bevoegd deze uitzonderingen te handhaven of deze uit te breiden tot andere groepen. Voor al deze groepen mag de duur der bescherming niet korter zijn dan 25 jaren sedert de dag der eerste publikatie.
- (b). Elke Verdragsluitende Staat die, op de datum van de inwerkingtreding van deze Conventie voor zijn gebied, de berekening van de duur der bescherming niet baseert op het leven van de auteur, is bevoegd om de duur der bescherming te berekenen sedert de datum der eerste publikatie van het werk, respectievelijk sedert de aan de publikatie voorafgaande inschrijving van het werk, met dien verstande dat de duur der bescherming niet korter mag zijn dan 25 jaren te rekenen vanaf de dag der eerste publikatie, respectievelijk te rekenen vanaf de aan de publikatie voorafgaande inschrijving van het werk.
- (c). Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorziet in twee of meer achtereenvolgende tijdvakken van bescherming, mag de duur van het eerste tijdvak niet korter zijn dan de duur van een der minimumtijdvakken bepaald in de letters (a) en (b) hierboven.
De bepalingen van het tweede lid zijn niet van toepassing op fotografische werken, noch op werken van toegepaste kunst. Echter mag in de Verdragsluitende Staten die fotografische werken en, als kunstwerken, werken van toegepaste kunst beschermen, de duur der bescherming van deze werken niet korter zijn dan tien jaar.
- (a). Geen Verdragsluitende Staat is gehouden de bescherming van een werk te verzekeren voor een langere duur dan die, welke voor de groep, waartoe het werk behoort, is vastgesteld bij de wet van de Verdragsluitende Staat waarvan de auteur onderdaan is, indien het een niet gepubliceerd werk betreft, en bij de wet van de Verdragsluitende Staat waar dat werk voor het eerst is gepubliceerd, indien het een gepubliceerd werk betreft.
- (b). Voor de toepassing van letter (a) wordt, indien de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorziet in twee of meer achtereenvolgende tijdvakken van bescherming, de duur van de door deze Staat toegekende bescherming geacht te zijn de som van die tijdvakken. Indien echter om enigerlei reden een bepaald werk door bedoelde Staat gedurende het tweede of een der volgende tijdvakken niet wordt beschermd, zijn de andere Verdragsluitende Staten niet gehouden dat werk gedurende dat tweede of de eventuele volgende tijdvakken te beschermen.
Voor de toepassing van het vierde lid wordt het werk van een onderdaan van een Verdragsluitende Staat, dat voor het eerst is gepubliceerd in een niet-Verdragsluitende Staat, geacht voor het eerst te zijn gepubliceerd in de Verdragsluitende Staat waarvan de auteur onderdaan is.
Voor de toepassing van het vierde lid wordt, in geval van gelijktijdige publikatie in twee of meer Verdragsluitende Staten, het werk geacht voor het eerst te zijn gepubliceerd in de Staat die de kortste bescherming toekent. Elk werk, dat in twee of meer Verdragsluitende Staten is verschenen binnen dertig dagen na zijn eerste publikatie, wordt geacht gelijktijdig te zijn gepubliceerd in bedoelde Verdragsluitende Staten.
Artikel IVbis
De rechten bedoeld in artikel I omvatten de fundamentele rechten die de bescherming van de vermogensrechtelijke auteursrechten waarborgen, inzonderheid het uitsluitend recht om toestemming te verlenen tot verveelvoudiging, op welke wijze ook, tot openbare opvoering en uitvoering en tot radio-uitzending. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de door deze Conventie beschermde werken in hun oorspronkelijke vorm of in een op herkenbare wijze van het oorspronkelijke werk afgeleide vorm.
Elke Verdragsluitende Staat kan evenwel door haar nationale wetgeving uitzonderingen op de in het eerste lid van dit artikel genoemde rechten maken, die niet in strijd zijn met de geest en de bepalingen van deze Conventie. De Staten die eventueel van deze bevoegdheid gebruik maken moeten niettemin aan elk van de rechten waarop uitzonderingen zijn gemaakt een redelijk niveau van daadwerkelijke bescherming toekennen.
Artikel V
De in artikel I bedoelde rechten omvatten het uitsluitend recht, een vertaling der uit hoofde van deze Conventie beschermde werken te vervaardigen en te publiceren en daartoe toestemming te verlenen.
Nochtans kan elke Verdragsluitende Staat door zijn nationale wetgeving het vertaalrecht ten opzichte van geschriften beperken, mits de volgende bepalingen in acht worden genomen:
- (a). Indien, na verloop van zeven jaren sedert de eerste publikatie van een geschrift, de vertaling daarvan in een algemeen in de Verdragsluitende Staat gebruikte taal niet door of met toestemming van de rechthebbende op het vertaalrecht is gepubliceerd, kan iedere onderdaan van deze Verdragsluitende Staat van de bevoegde instantie van deze Staat een vergunning verkrijgen welke niet-uitsluitende rechten verleent om het werk te vertalen in die taal en het aldus vertaalde werk te publiceren.
- (b). Deze vergunning kan slechts worden verleend, indien de aanvrager in overeenstemming met de bepalingen, geldende in de Staat, waarin de aanvraag wordt ingediend, aantoont dat hij aan de rechthebbende op het vertaalrecht toestemming tot vertalen en publiceren van de vertaling heeft gevraagd en dat hij, na de nodige moeite van zijn kant, de rechthebbende niet heeft kunnen bereiken of diens toestemming niet heeft kunnen verkrijgen. Op dezelfde voorwaarden kan een vergunning eveneens worden verleend, indien de oplagen van reeds in een algemeen in de Verdragsluitende Staat gebruikte taal gepubliceerde vertalingen zijn uitverkocht.
- (c). Indien de aanvrager de rechthebbende op het vertaalrecht niet heeft kunnen bereiken, moet hij afschriften van zijn aanvraag zenden aan de uitgever, wiens naam op het werk is vermeld en, indien de nationaliteit van de rechthebbende op het vertaalrecht bekend is, aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger van de Staat, waarvan de rechthebbende op het vertaalrecht onderdaan is, of aan de eventueel door de regering van deze Staat aangewezen instantie. De vergunning kan niet worden verleend vóór het verstrijken van een tijdvak van twee maanden na de verzending van de afschriften der aanvraag.
- (d). In de nationale wetgeving moeten doeltreffende voorzieningen worden opgenomen om aan de rechthebbende op het vertaalrecht een billijke vergoeding overeenkomstig de internationale gebruiken, alsmede de betaling en de overmaking van deze vergoeding te verzekeren, en om een juiste vertaling van het werk te waarborgen.
- (e). De titel van het oorspronkelijke werk en de naam van de auteur moeten op alle exemplaren van de gepubliceerde vertaling worden gedrukt. De vergunning is slechts geldig voor het uitgeven binnen het gebied van de Verdragsluitende Staat, waar deze vergunning is aangevraagd. Invoer en verkoop van exemplaren in een andere Verdragsluitende Staat zijn mogelijk, indien deze Staat eenzelfde algemeen gebruikte taal heeft als die waarin het werk is vertaald, indien de nationale wetgeving van deze Staat zodanige vergunning kent en indien geen der in deze Staat geldende bepalingen zich tegen de invoer en de verkoop verzet; de invoer en de verkoop binnen het gebied van een Verdragsluitende Staat waarin de vorengenoemde omstandigheden niet bestaan, worden voorbehouden aan de wetgeving van deze Staat en de door hem gesloten overeenkomsten. De vergunning kan door de houder niet worden overgedragen.
- (f). De vergunning mag niet worden verleend, wanneer de auteur alle exemplaren van het werk uit het verkeer heeft genomen.
Artikel Vbis
Iedere Verdragsluitende Staat die overeenkomstig de gevestigde gebruiken van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties als ontwikkelingsland wordt beschouwd kan, door middel van een kennisgeving nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna te noemen „de Directeur-Generaal”) op het tijdstip van zijn bekrachtiging, zijn aanvaarding of zijn toetreding, of op een later tijdstip, een beroep doen op alle of een gedeelte van de uitzonderingen voorzien in de artikelen Vter en Vquater.
Elke overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid nedergelegde kennisgeving blijft van kracht voor een tijdvak van tien jaren te rekenen van de datum van inwerkingtreding van deze Conventie of voor het op de datum van nederlegging van de kennisgeving nog resterende deel van dit tijdvak van tien jaar en kan geheel of gedeeltelijk worden verlengd voor volgende tijdvakken van tien jaren indien de Verdragsluitende Staat, binnen een termijn van vijftien tot drie maanden voor het verstrijken van het lopende tijdvak van tien jaar, een nieuwe kennisgeving bij de Directeur-Generaal nederlegt. Overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kunnen kennisgevingen ook voor de eerste maal worden nedergelegd in de loop van deze nieuwe tijdvakken van tien jaren.
Onverminderd de bepalingen van het tweede lid is een Verdragsluitende Staat die niet langer wordt beschouwd als een ontwikkelingsland volgens de begripsomschrijving van het eerste lid, niet meer bevoegd de kennisgeving te verlengen die hij had nedergelegd krachtens het eerste of het tweede lid en verliest deze Staat, ongeacht of hij al dan niet deze kennisgeving officieel intrekt, de mogelijkheid zich te beroepen op de uitzonderingen voorzien in de artikelen Vter en Vquater hetzij bij het verstrijken van het lopende tijdvak van tien jaar, hetzij drie jaar nadat hij niet langer wordt beschouwd als een ontwikkelingsland, waarbij de termijn welke het laatst verstrijkt moet worden toegepast.
De reeds krachtens de uitzonderingen voorzien in de artikelen Vter en Vquater vervaardigde exemplaren van een werk kunnen na het verstrijken van het tijdvak waarvoor de kennisgevingen krachtens dit artikel golden in omloop blijven totdat zij zijn uitverkocht.
Iedere Verdragsluitende Staat die een kennisgeving overeenkomstig artikel XIII heeft nedergelegd betreffende de toepassing van deze Conventie op een bepaald land of gebied waarvan de situatie als soortgelijk kan worden beschouwd aan die van de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde Staten kan wat dat land of gebied betreft, eveneens kennisgevingen van uitzonderingen en vernieuwingen uit hoofde van dit artikel nederleggen. Gedurende het tijdvak waarin deze kennisgevingen van kracht zijn kunnen de bepalingen van de artikelen Vter en Vquater op genoemd land of gebied worden toegepast. Elke zending van exemplaren die uit genoemd land of gebied afkomstig zijn aan de Verdragsluitende Staat wordt beschouwd als een uitvoer in de zin van de artikelen Vter en Vquater.
Artikel Vter
- (a). Iedere Verdragsluitende Staat waarop het eerste lid van artikel Vbis van toepassing is, kan het tijdvak van zeven jaar, voorzien in het tweede lid van artikel V, vervangen door een tijdvak van drie jaar of door een langer tijdvak vastgesteld bij zijn nationale wetgeving. In het geval van een vertaling in een taal die niet een algemeen gebruikte taal is in een of verscheidene ontwikkelde landen die partij zijn bij deze Conventie, dan wel alleen bij de Conventie van 1952, wordt het tijdvak van drie jaar evenwel vervangen door een tijdvak van een jaar.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.