Verdrag inzake het wegverkeer

Type Verdrag
Publication 2025-02-09
State In force
Source BWB
artikelen 59
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens het internationale wegverkeer te vergemakkelijken en de verkeersveiligheid te verhogen door het aannemen van eenvormige verkeersregels,

Zijn de navolgende bepalingen overeengekomen:

Hoofdstuk I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekenis:

  • (a). „Nationale wetgeving” van een Verdragsluitende Partij: het geheel van de nationale of plaatselijke wetten en voorschriften die op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij van kracht zijn;
  • (b). Een voertuig wordt geacht zich „in het internationale verkeer” te bevinden op het grondgebied van een bepaalde Staat, indien: met dien verstande evenwel, dat aan een Verdragsluitende Partij het recht is voorbehouden een voertuig niet als „in het internationale verkeer” te beschouwen, indien het langer dan één jaar op het grondgebied van die Staat is verbleven zonder een belangrijke onderbreking, waarvan de duur door die Verdragsluitende Partij kan worden bepaald. Een samenstel van voertuigen wordt geacht zich „in het internationale verkeer” te bevinden, wanneer ten minste één van de voertuigen van dit samenstel aan bovenstaande definities beantwoordt;
  • (i). het eigendom is van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die gewoonlijk zijn woonplaats respectievelijk plaats van vestiging buiten die Staat heeft;
  • (ii). het niet in die Staat is ingeschreven; en
  • (iii). het tijdelijk in die Staat is ingevoerd;
  • (c). „Bebouwde kom”: een gebied dat op de plaatsen, waar men dit binnen- of uitrijdt, door speciale verkeerstekens als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven;
  • (d). „Weg”: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat;
  • (e). „Rijbaan”: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een weg kan een aantal rijbanen bevatten duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een scheidende strook of een verschil in niveau;
  • (f). „Kant van de rijbaan”: op rijbanen waar één of meer aan de buitenzijde van de rijbaan gelegen rijstroken of paden bestemd zijn voor gebruik door bepaalde voertuigen; voor andere weggebruikers de kant van het overige deel van de rijbaan;
  • (g). „Rijstrook”: elk van de delen, waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door strepen op het dek in de lengterichting, welke rijstrook voldoende breed moet zijn voor één rij rijdende motorvoertuigen, andere dan motorfietsen;
  • (gbis). „Fietsstrook”: een deel van de rijbaan dat voor fietsen bestemd is. Een fietsstrook wordt van de rest van de rijbaan onderscheiden door op het wegdek in de lengterichting aangebrachte tekens;
  • (gter). „Fietspad”: een aparte weg of deel van een weg bestemd voor fietsen en die of dat als zodanig wordt aangegeven. Een fietspad wordt van andere wegen of andere gedeelten van dezelfde weg gescheiden door fysieke maatregelen;
  • (h). „Kruising”: elke gelijkvloerse kruising, samenvoeging of splitsing van wegen met inbegrip van de open stukken, die door dergelijke kruisingen, samenvoegingen of splitsingen van wegen zijn ontstaan;
  • (i). „Overweg”: elke gelijkvloerse kruising tussen een weg en een spoor- of tramweg met vrije baan;
  • (j). „Autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen en waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben en die:
  • (i). behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een scheidende strook die niet voor verkeer is bestemd, hetzij bij uitzondering op andere wijze;
  • (ii). geen andere weg, spoor- of tramweg of voetpad op hetzelfde niveau kruist; en
  • (iii). door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid;
  • (k). Een voertuig wordt geacht: Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij voertuigen die niet in beweging zijn zoals bedoeld in bovenstaande sub-paragraaf (ii) als „stilstaand” te beschouwen gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur niet te boven gaat, en niet in beweging zijnde voertuigen als „geparkeerd” te beschouwen, wanneer deze voertuigen niet in beweging zijn, zoals bedoeld in bovenstaande sub-paragraaf (i), en dit het geval is gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur wel te boven gaat;
  • (i). „Stilstaand” te zijn, wanneer het niet in beweging is gedurende de tijd, die nodig is om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden; en
  • (ii). „Geparkeerd” te zijn, wanneer het niet in beweging is om elke andere reden dan de noodzaak een conflictsituatie met een andere weggebruiker of een botsing met een obstakel te vermijden, of om aan verkeersvoorschriften te voldoen, en wanneer de tijd gedurende welke het voertuig niet in beweging is niet is beperkt tot de tijd, nodig om personen te laten in- of uitstappen of goederen in of uit te laden.
  • (l). „Fiets”: elk voertuig met ten minste twee wielen dat uitsluitend wordt voortbewogen door de spierkracht van de berijders, in het bijzonder door middel van pedalen of van met de hand bewogen hefbomen;
  • (m). „Bromfiets”: elk voertuig met twee of drie wielen dat is uitgerust met een verbrandingsmotor met een maximale cilinderinhoud van 50 cm3en met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van ten hoogste 50 km (mijl) per uur. Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij krachtens hun nationale wetgeving niet als bromfietsen te beschouwen voertuigen die wat het gebruik betreft niet de eigenschappen van een fiets vertonen, in het bijzonder de eigenschap dat zij met behulp van pedalen kunnen worden voortbewogen, of waarvan de door de constructie bepaalde maximum snelheid, het massa of bepaalde eigenschappen van de motor bepaalde grenzen overschrijden. Niets in deze omschrijving mag zo worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen zou beletten bromfietsen op dezelfde wijze te behandelen als fietsen wat betreft de toepassing van de bepalingen van hun nationale verkeerswetgeving;
  • (n). „Motorfiets”: elk voertuig op twee wielen met of zonder zijspan, dat is voorzien van een voortstuwende motor. De Verdragsluitende Partijen kunnen in hun nationale wetgeving ook driewielige voertuigen als motorfietsen aanmerken, mits het ledig massa daarvan maximaal 400 kg bedraagt. De Uitdrukking „motorfiets” heeft geen betrekking op bromfietsen, hoewel de Verdragsluitende Partijen, mits zij hiertoe een verklaring afleggen overeenkomstig artikel 54, tweede lid, dit Verdrag, voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen kunnen beschouwen;
  • (o). Onder „gemotoriseerd voertuig” wordt verstaan elk zichzelf over de weg voortstuwend wegvoertuig anders dan een bromfiets in de gebieden van de Verdragsluitende Partijen die bromfietsen niet als motorfietsen beschouwen, en anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen;
  • (p). Onder „motorvoertuig” wordt verstaan elk gemotoriseerd voertuig, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, of om voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg voort te trekken. Deze uitdrukking omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische geleiding en niet op rails rijden. Zij heeft geen betrekking op voertuigen zoals landbouwtrekkers, die slechts bij uitzondering worden gebruikt om personen of goederen langs de weg te vervoeren of om voertuigen die personen of goederen langs de weg vervoeren te trekken;
  • (q). „Aanhangwagen”: elk voertuig dat is bestemd om door een gemotoriseerd voertuig te worden getrokken; de uitdrukking omvat tevens opleggers;
  • (r). „Oplegger”: elke aanhangwagen die is bestemd om dusdanig aan een motorvoertuig te worden gekoppeld, dat een deel ervan op het voertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het massa van de oplegger en van zijn lading door het motorvoertuig wordt gedragen;
  • (s). „Lichte aanhangwagen”: elke aanhangwagen, waarvan het maximum toegestane massa 750 kg niet te boven gaat;
  • (t). „Samenstel van voertuigen”: aan elkaar gekoppelde voertuigen die zich op de weg als een geheel voortbewegen;
  • (u). „Geleed voertuig”: een samenstel van voertuigen, bestaande uit een motorvoertuig en een oplegger die aan het motorvoertuig is gekoppeld;
  • (v). „Bestuurder”: degene die een motorvoertuig of enig ander voertuig bestuurt (met inbegrip van een fiets) of die vee, hetzij enkele dieren hetzij in kudden, of trek-, last- of rijdieren op de weg onder zijn hoede heeft;
  • (w). „Maximum toegestaan massa”: het maximum massa van het Voertuig in beladen toestand toegelaten door het bevoegde gezag van de Staat waar het voertuig is ingeschreven;
  • (x). „Ledig massa”: het massa van het voertuig zonder bemanning, passagiers of lading, maar met inbegrip van zijn volledige voorraad brandstof en van het gereedschap dat het voertuig gewoonlijk meevoert;
  • (y). „Totaal massa”: het werkelijke massa van het voertuig met inbegrip van lading, bemanning en passagiers;
  • (z). „Rijrichting” en „overeenkomstig de rijrichting”: de rechterzijde indien ingevolge de nationale wetgeving de bestuurder een tegemoetkomend voertuig aan zijn linkerzijde moet laten voorbijgaan; in het omgekeerde geval betekenen deze uitdrukkingen: de linkerzijde;
  • (aa). Onder de eis, dat de bestuurder andere voertuigen „voorrang” moet „verlenen” wordt verstaan, dat hij niet mag doorrijden of een manoeuvre mag voortzetten, indien zulks de kans met zich zou brengen dat bestuurders van andere voertuigen gedwongen worden de richting of de snelheid van hun voertuig plotseling te wijzigen;
  • (ab). „Geautomatiseerd rijsysteem”: een voertuigsysteem dat gebruikmaakt van zowel hardware als software voor het voortdurend dynamisch besturen van een voertuig;
  • (ac). „Dynamisch besturen”: het in real time uitvoeren van alle operationele en tactische functies die nodig zijn om het voertuig te verplaatsen. Dit omvat het besturen van de laterale en longitudinale bewegingen van het voertuig, het monitoren van de weg, het reageren op gebeurtenissen in het wegverkeer en het plannen en signaleren van manoeuvres.

Artikel 2. Bijlagen bij het Verdrag

De Bijlagen bij dit Verdrag, te weten,

Bijlage 1: Uitzonderingen op de verplichting motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer toe te laten;

Bijlage 2: Het kenteken van motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer;

Bijlage 3: Het onderscheidingsteken van motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer;

Bijlage 4: Identificatiemerken van motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer;

Bijlage 5: Technische eisen betreffende motorvoertuigen en aanhangwagens;

Bijlage 6: Het nationale rijbewijs; en

Bijlage 7: Het internationale rijbewijs;

zijn integrerende onderdelen van dit Verdrag.

Artikel 3. Verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen

  • (a). De Verdragsluitende Partijen nemen passende maatregelen opdat de op hun grondgebied geldende verkeersregels in hoofdzaak overeenkomen met de bepalingen van Hoofdstuk II van dit Verdrag. Op voorwaarde dat deze regels op geen enkele wijze in strijd zijn met genoemde bepalingen:
  • (i). behoeven deze regels geen van de genoemde bepalingen over te nemen die van toepassing zijn op omstandigheden die zich op het grondgebied van de desbetreffende Verdragsluitende Partijen niet voordoen;
  • (ii). mogen deze regels bepalingen bevatten die niet in genoemd Hoofdstuk II voorkomen.
  • (b). De bepalingen van dit lid eisen niet van de Verdragsluitende Partijen dat zij overtredingen van de bepalingen van Hoofdstuk II die zijn opgenomen in hun eigen verkeersregels strafbaar stellen.
  • (a). De Verdragsluitende Partijen nemen tevens passende maatregelen opdat de op hun grondgebied geldende regels betreffende de technische eisen waaraan motorvoertuigen en aanhangwagens dienen te voldoen, overeenkomen met de bepalingen in Bijlage 5 bij dit Verdrag; op voorwaarde dat zij op geen enkele wijze in strijd zijn met de veiligheidsbeginselen die aan de bepalingen in Bijlage 5 ten grondslag liggen, mogen deze regels bepalingen bevatten die niet in Bijlage 5 voorkomen. De Verdragsluitende Partijen nemen tevens passende maatregelen opdat motorvoertuigen en aanhangwagens, die op hun grondgebied zijn ingeschreven, voldoen aan de bepalingen in Bijlage 5 bij dit Verdrag wanneer zij aan het internationale verkeer deelnemen.
  • (b). De bepalingen van dit lid leggen aan de Verdragsluitende Partijen generlei verplichtingen op ten aanzien van de op hun grondgebied geldende regels betreffende de technische eisen waaraan die gemotoriseerde voertuigen moeten voldoen, die niet worden beschouwd als motorvoertuigen in de zin van dit Verdrag.
3.

Behoudens de in Bijlage 1 bij dit Verdrag genoemde uitzonderingen, zijn de Verdragsluitende Partijen verplicht in hun eigen gebied in het internationale verkeer die motorvoertuigen en aanhangwagens toe te laten, die voldoen aan de in Hoofdstuk III van het Verdrag vastgelegde eisen en waarvan de bestuurders voldoen aan de in Hoofdstuk IV vastgelegde eisen; zij zijn tevens verplicht de kentekenbewijzen, die zijn uitgegeven overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk III, te erkennen als prima facie bewijs dat de voertuigen waarop deze betrekking hebben voldoen aan de eisen die in genoemd Hoofdstuk III zijn vastgelegd.

4.

Maatregelen, die de Verdragsluitende Partijen hebben genomen of wellicht zullen nemen, hetzij unilateraal dan wel ingevolge bilaterale of multilaterale overeenkomsten, om op hun grondgebied in het internationale verkeer motorvoertuigen en aanhangwagens toe te laten die niet voldoen aan alle in Hoofdstuk III van dit Verdrag vastgelegde eisen, en om, in andere gevallen dan die welke in Hoofdstuk IV zijn aangegeven, op hun grondgebied de geldigheid te erkennen van rijbewijzen die zijn uitgegeven op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, zullen worden geacht overeen te stemmen met het doel van dit Verdrag.

5.

De Verdragsluitende Partijen zijn verplicht op hun grondgebied in het internationale verkeer fietsen en bromfietsen toe te laten, die voldoen aan de in Hoofdstuk V van dit Verdrag vastgelegde technische eisen en waarvan de bestuurders gewoonlijk woonachtig zijn op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij. Geen enkele Verdragsluitende Partij mag van bestuurders van fietsen of bromfietsen in het internationale verkeer eisen dat zij een rijbewijs bezitten; de Verdragsluitende Partijen daarentegen, die overeenkomstig artikel 54, tweede lid, van dit Verdrag hebben verklaard, dat zij bromfietsen als motorfietsen behandelen kunnen van bestuurders van bromfietsen in het internationale verkeer wel eisen dat zij een rijbewijs bezitten.

5bis. De Verdragsluitende Partijen nemen de nodige maatregelen om ervoor zorg te dragen dat er op scholen op alle niveaus systematisch en voortdurend onderricht wordt gegeven op het gebied van de verkeersveiligheid.

5ter. Ingeval rijonderricht voor leerling-bestuurders wordt verzorgd door een professionele rijschool, moeten in de nationale wetgeving de minimumeisen worden vastgelegd betreffende het lesprogramma en de kwalificaties van het personeel dat genoemd onderricht geeft.

6.

De Verdragsluitende Partijen verplichten zich ertoe aan elke andere Verdragsluitende Partij die daartoe een verzoek doet, inlichtingen te verstrekken die nodig zijn om de identiteit vast te stellen van degene op wiens naam een gemotoriseerd voertuig, of een aanhangwagen die aan een dergelijk voertuig is gekoppeld, op hun grondgebied is ingeschreven, indien uit het ingediende verzoek blijkt dat dit voertuig betrokken is geweest bij een ongeval of dat de bestuurder van dit voertuig een ernstige verkeersovertreding heeft begaan waarop een zware straf of ontzegging van de rijbevoegdheid is gesteld op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarvan het verzoek is uitgegaan.

7.

Maatregelen, die de Verdragsluitende Partijen hebben genomen of wellicht zullen nemen, hetzij unilateraal, hetzij ingevolge bilaterale of multilaterale overeenkomsten, om het internationale wegverkeer te vergemakkelijken door het vereenvoudigen van douane-, politie- en gezondheidsformaliteiten en van andere, soortgelijke formaliteiten, dan wel om te bevorderen dat douanekantoren en -posten bij bepaalde grensovergangen dezelfde bevoegdheden hebben en gedurende dezelfde tijden zijn geopend, worden geacht overeen te komen met het doel van dit Verdrag.

8.

Niets in het derde, vijfde of zevende lid van dit artikel is van invloed op het recht van een Verdragsluitende Partij, op haar grondgebied de toelating in het internationale verkeer van motorvoertuigen, aanhangwagens, bromfietsen en fietsen, en/of hun bestuurders of meerijdenden, afhankelijk te stellen van haar voorschriften betreffende het tegen betaling vervoeren van passagiers en goederen, van haar voorschriften betreffende de verzekering van bestuurders tegen wettelijke aansprakelijkheid van haar douanevoorschriften en, in het algemeen, van haar voorschriften met betrekking tot andere aangelegenheden dan het wegverkeer.

Artikel 4. Verkeerstekens

De Partijen bij dit Verdrag die geen Partij zijn bij het Verdrag inzake Verkeerstekens dat op dezelfde dag als dit Verdrag te Wenen voor ondertekening is opengesteld, verplichten zich er zorg voor te dragen dat;

  • (a). alle verkeerstekens op borden, en alle verkeerslichten en verkeerstekens op het wegdek aangebracht op hun grondgebied, een samenhangend stelsel vormen en zodanig ontworpen en geplaatst zijn dat zij gemakkelijk te herkennen zijn;
  • (b). het aantal soorten verkeerstekens beperkt blijft en dat verkeerstekens uitsluitend geplaatst worden waar zij geacht worden van nut te zijn;
  • (c). gevaarstekens op voldoende afstand van de obstakels worden geplaatst om de bestuurders doeltreffend te waarschuwen;
  • (d). het verboden is:
  • (i). aan een verkeersteken, aan zijn paal of standaard, of aan enig ander apparaat ten dienste van de regeling van het verkeer, iets te bevestigen dat geen betrekking heeft op het doel van zo’n teken of apparaat; indien echter de Verdragsluitende Partijen, of onderdelen daarvan, aan een organisatie zonder winstoogmerk de bevoegdheid verlenen informatieve verkeerstekens te plaatsen, dan kunnen zij zo’n organisatie tevens vergunnen haar embleem op dat teken of de paal of standaard aan te brengen, mits zulks het begrijpen van dat teken niet bemoeilijkt;
  • (ii). borden, aankondigingen, tekens of apparaten aan te brengen die zouden kunnen worden verward met verkeerstekens of andere apparaten tot regeling van het verkeer, of die deze minder zichtbaar of doeltreffend zouden kunnen maken, of die weggebruikers zouden kunnen verblinden of hun aandacht zouden kunnen afleiden op een wijze die de verkeersveiligheid in gevaar brengt;
  • (iii). op trottoirs en in bermen installaties of apparaten aan te brengen waardoor voetgangers, met name ouderen en gehandicapten, onnodig worden gehinderd.

Hoofdstuk II. VERKEERSREGELS

Artikel 5. De rechtsgeldigheid van verkeerstekens

1.

Weggebruikers zijn verplicht zich te houden aan de voorschriften, zoals deze worden aangeduid door verkeerstekens op borden, en door verkeerslichten en verkeerstekens op het wegdek, zelfs indien deze voorschriften in strijd schijnen te zijn met andere verkeersregels.

2.

Voorschriften die worden aangeduid door verkeerslichten hebben voorrang boven voorschriften die worden aangeduid door verkeerstekens die de voorrang regelen.

Artikel 6. Aanwijzingen die worden gegeven door bevoegde ambtenaren

1.

Bevoegde ambtenaren dienen, wanneer zij het verkeer regelen, op een afstand gemakkelijk herkenbaar te zijn, ’s nachts zo goed als overdag.

2.

Weggebruikers zijn verplicht alle aanwijzingen, gegeven door bevoegde ambtenaren die het verkeer regelen, ogenblikkelijk op te volgen.

3.

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat tot de aanwijzingen, die door bevoegde ambtenaren worden gegeven wanneer zij het verkeer regelen, behoren:

  • (a). de arm verticaal omhoog: dit gebaar houdt in „let op, stop” voor alle weggebruikers behalve die bestuurders die niet meer in staat zijn op voldoende veilige wijze te stoppen; wordt dit gebaar gemaakt bij een kruising, dan hoeven bestuurders die zich reeds op die kruising bevinden evenmin te stoppen;
  • (b). een of beide armen horizontaal gestrekt: dit gebaar is het stopteken voor alle weggebruikers, van welke richting zij ook komen, als deze richting zou worden doorkruist door de richting die is aangegeven door de gestrekte arm of armen; na dit gebaar gemaakt te hebben, mag de bevoegde ambtenaar die het verkeer regelt zijn arm of armen laten zakken; dit gebaar is evenzeer een stopteken voor de bestuurders die zich vóór of achter deze ambtenaar bevinden;
  • (c). een rood licht dat heen en weer wordt bewogen; dit gebaar is een stopteken voor weggebruikers naar wier zijde het licht is gericht,
4.

Aanwijzingen, gegeven door bevoegde ambtenaren die het verkeer regelen, hebben voorrang boven die welke worden aangeduid door verkeerstekens op borden en door verkeerslichten en verkeerstekens op het wegdek, alsmede boven verkeersregels.

Artikel 7. Regels van algemene aard

1.

Weggebruikers dienen zich te onthouden van alle gedragingen die er toe zouden kunnen leiden het verkeer in gevaar te brengen of het te belemmeren, die gevaarlijk zouden kunnen zijn voor personen, of die schade zouden kunnen veroorzaken aan openbaar of particulier bezit.

2.

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt, dat het weggebruikers verboden is het verkeer te belemmeren of het in gevaar te brengen door voorwerpen of stoffen op de weg te gooien, te deponeren of achter te laten, of door het scheppen van enige andere belemmering op de weg. Indien het weggebruikers niet mogelijk is geweest te vermijden dat door hen een dergelijke belemmering of een dergelijk gevaar wordt veroorzaakt, dan dienen zij de nodige maatregelen te nemen zulks zo snel mogelijk op te heffen, en, indien zij deze belemmering of dit gevaar niet ogenblikkelijk kunnen opheffen, andere weggebruikers te waarschuwen voor de aanwezigheid ervan.

3.

Bestuurders dienen speciale aandacht te schenken aan de meest kwetsbare weggebruikers, zoals voetgangers en fietsers, met name aan kinderen, ouderen en gehandicapten.

4.

Bestuurders dienen ervoor zorg te dragen dat hun voertuigen andere weggebruikers en bewoners of gebruikers van percelen langs de weg niet hinderen door bijvoorbeeld het veroorzaken van geluidsoverlast en stof- of rookwolken, indien dit kan worden vermeden.

5.

Het dragen van veiligheidsgordels is verplicht voor bestuurders en passagiers van motorvoertuigen die op zitplaatsen zitten die met gordels zijn uitgerust, behoudens uitzonderingen ingevolge de nationale wetgeving.

Artikel 8. Bestuurders

1.

Elk rijdend voertuig of elk rijdend samenstel van voertuigen dient een bestuurder te hebben.

2.

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt, dat last-, trek- en rijdieren een bestuurder hebben, evenals vee, hetzij enkele dieren of in kudden, behalve wat betreft vee in speciale gebieden die als zodanig zijn aangeduid door borden op de plek waar men die gebieden binnenkomt.

3.

Elke bestuurder dient te beschikken over de noodzakelijke lichamelijke en geestelijke vermogens en zowel lichamelijk als geestelijk in staat te zijn om te sturen.

4.

Elke bestuurder van een gemotoriseerd voertuig dient de nodige kennis en bedrevenheid te bezitten om het voertuig te kunnen besturen; deze eis mag leerling-bestuurders echter niet beletten zich te bekwamen in het besturen van een voertuig, overeenkomstig de nationale wetgeving.

5.

Elke bestuurder dient te allen tijde in staat te zijn om zijn voertuig in zijn macht te hebben of zijn dieren te geleiden.

5bis. Voertuigsystemen die van invloed zijn op de wijze waarop voertuigen worden bestuurd, worden geacht in overeenstemming te zijn met het vijfde lid van dit artikel en met artikel 13, eerste lid, wanneer zij in overeenstemming zijn met de eisen voor constructie, montage en gebruik zoals vervat in internationale juridische instrumenten inzake wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen4)De Reglementen van de VN gehecht aan de „Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen”, gedaan te Genève op 20 maart 1958.De Mondiale Technische Reglementen van de VN opgesteld in het kader van de „Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen”, gedaan te Genève op 25 juni 1998.;

Voertuigsystemen die van invloed zijn op de wijze waarop voertuigen worden bestuurd en die niet in overeenstemming zijn met voornoemde eisen voor constructie, montage en gebruik, worden geacht in overeenstemming te zijn met het vijfde lid van dit artikel en met artikel 13, eerste lid, wanneer deze systemen door de bestuurder kunnen worden overgenomen of uitgeschakeld.

6.

Een bestuurder van een voertuig dient te allen tijde alle andere activiteiten dan rijden tot een minimum te beperken. De nationale wetgeving moet regels opstellen voor het gebruik van telefoons door bestuurders van voertuigen. In elk geval moet de wet het gebruik verbieden van een in de hand gehouden telefoon door een bestuurder van een motorvoertuig of bromfiets wanneer het voertuig in beweging is.

Artikel 9. Kudden

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt, dat kudden in kleinere groepen van redelijke lengte worden verdeeld, en dat deze groepen ten gerieve van het verkeer op redelijke afstand van elkaar worden gehouden, behalve in die gevallen waarin uitzonderingen worden toegestaan om het verplaatsen van zeer grote aantallen te vergemakkelijken.

Artikel 10. Plaats op de rijbaan

1.

De rijrichting dient op alle wegen in een Staat gelijk te zijn, behalve, waar zulks dienstig is, op wegen die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gebruikt voor doorgaand verkeer tussen twee andere Staten.

2.

Dieren die zich langs de rijbaan voortbewegen dienen zoveel mogelijk aan de kant van de rijbaan te worden voortgedreven overeenkomstig de rijrichting.

3.

Onverminderd de andersluidende bepalingen van artikel 7, eerste lid, artikel 11, zesde lid, en andere andersluidende bepalingen van dit Verdrag, dient elke bestuurder van een voertuig, voor zover de omstandigheden hem dit mogelijk maken, zijn voertuig dicht bij de kant van de rijbaan te houden, overeenkomstig de rijrichting. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan mogen echter nauwkeuriger omschreven voorschriften vaststellen betreffende de plaats van vrachtvoertuigen op de rijbaan.

4.

Wanneer een weg twee of drie rijbanen bevat, mag een bestuurder nooit de rijbaan gebruiken die gelegen is aan de zijde tegenover die overeenkomstig de rijrichting.

  • (a). Op rijbanen voor verkeer in beide richtingen met vier of meer rijstroken mag een bestuurder nooit de rijstroken gebruiken, die geheel zijn gelegen op de helft van de rijbaan tegenover de zijde overeenkomstig de rijrichting.
  • (b). Op rijbanen voor verkeer in beide richtingen met drie rijstroken mag een bestuurder nooit de rijstrook gebruiken gelegen aan de kant van de rijbaan tegenover de kant overeenkomstig de rijrichting.
6.

Indien door middel van een verkeersteken een extra rijstrook wordt aangegeven, dienen bestuurders van voertuigen die zich langzaam verplaatsen, onverminderd de bepalingen van artikel 11, deze rijstrook te gebruiken.

Artikel 11. Inhalen en rijden in files

  • (a). Inhalen dient te geschieden aan de zijde, tegenover die overeenkomstig de rijrichting.
  • (b). Inhalen dient echter te geschieden aan de zijde overeenkomstig de rijrichting, wanneer de in te halen bestuurder heeft kenbaar gemaakt dat hij van plan is naar de zijde van de rijbaan te gaan, die gelegen is tegenover de zijde overeenkomstig de rijrichting, en hij zijn voertuig of dier reeds naar die andere zijde heeft gevoerd ten einde daar een andere weg in te slaan, een aan de weg gelegen perceel binnen te gaan, of aan die andere zijde te stoppen;
  • (c). De nationale wetgeving mag fietsers en bromfietsers toestaan stilstaande of langzaam rijdende voertuigen anders dan fietsen of bromfietsen in te halen aan de zijde die overeenkomt met de rijrichting mits voldoende ruimte beschikbaar is.
2.

Alvorens tot inhalen over te gaan dient elke bestuurder, onverminderd de bepalingen van artikel 7, eerste lid, of van artikel 14, van dit Verdrag, zich ervan te overtuigen:

  • (a). dat geen bestuurder, die achter hem rijdt, reeds is begonnen hem in te halen;
  • (b). dat de bestuurder die op dezelfde rijstrook voor hem rijdt geen teken heeft gegeven dat hij van plan is een ander in te halen;
  • (c). dat hij kan inhalen zonder het tegemoetkomend verkeer in gevaar te brengen of te hinderen, met name dat de rijstrook waarop hij zich gaat begeven over voldoende afstand vrij is en dat het verschil in snelheid van de beide voertuigen zodanig is dat binnen een voldoende korte tijd kan worden ingehaald;
  • (d). dat hij, behalve wanneer hij gebruik maakt van een rijstrook die voor het verkeer uit tegenovergestelde richting is verboden, in staat zal zijn, zonder de in te halen weggebruiker of weggebruikers, te hinderen, weer de plaats in te nemen als voorgeschreven in artikel 10, derde lid, van dit Verdrag.
3.

Ingevolge de bepalingen van het tweede lid van dit artikel is het met name verboden op rijbanen voor verkeer in beide richtingen in te halen wanneer men de top van een heuvel nadert en, wanneer het zicht onvoldoende is, in bochten, tenzij op deze plaatsen rijstroken zijn aangegeven door strepen in de lengterichting op het wegdek, en mits het inhalen plaats vindt zonder de rijstroken te verlaten waarop verkeer uit tegenovergestelde richting is verboden.

4.

Tijdens het inhalen dient de bestuurder de in te halen weggebruiker of weggebruikers voldoende ruimte te laten.

  • (a). Op rijbanen met ten minste twee rijstroken die uitsluitend zijn bedoeld voor het verkeer in de richting die de bestuurder volgt, mag een bestuurder, indien hij gedwongen zou zijn opnieuw in te halen onmiddellijk of kort nadat hij zou zijn teruggekeerd naar de plaats als voorgeschreven door artikel 10, derde lid, van dit Verdrag, ten einde opnieuw in te halen, en mits hij zich er van heeft overtuigd dat hij zulks kan doen zonder bestuurders van achter hem aankomende snellere voertuigen op noemenswaardige wijze te hinderen, op de rijstrook blijven waarop hij is gaan rijden voor de eerste inhaalmanoeuvre,
  • (b). De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zijn echter vrij de bepalingen van dit lid niet toe te passen op bestuurders van fietsen, bromfietsen, motorfietsen en voertuigen die geen motorvoertuigen zijn in de zin van dit Verdrag, of op bestuurders van motorvoertuigen waarvan het maximum toegestane massa meer is dan 3 500 kg, of waarvan de door de constructie bepaalde maximum snelheid 40 km (mijl) niet te boven gaat.
6.

In die gevallen waarin de bepalingen van het vijfde lid, onder (a), van dit artikel van toepassing zijn, en waarin de verkeersdichtheid zodanig is dat voertuigen niet alleen de gehele breedte van de rijbaan beslaan die uitsluitend is bestemd voor het verkeer in de richting waarin zij zich voortbewegen, maar zich bovendien voortbewegen met een snelheid die wordt bepaald door het vóór hen rijdende voertuig in de file:

  • (a). wordt, onverminderd de bepalingen van het negende lid van dit artikel, het zich voortbewegen van de voertuigen in één file met een grotere snelheid dan die van de voertuigen in een andere, niet beschouwd als inhalen in de zin van dit artikel;
  • (b). mag een bestuurder die zich niet op de rijstrook bevindt die het dichtst is gelegen aan de zijde van de rijbaan overeenkomstig de rijrichting, alleen naar een andere rijstrook overgaan als voorbereiding om rechts of links af te slaan dan wel te parkeren; deze bepaling is echter niet van toepassing op het wisselen van rijstrook overeenkomstig de voorschriften van de nationale wetgeving die voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen van het vijfde lid, onder (b), van dit artikel.
7.

Wanneer het verkeer zich voortbeweegt in files zoals beschreven in het vijfde en het zesde lid van dit artikel is het bestuurders verboden, daar, waar de rijstroken op de rijbaan zijn aangegeven door strepen in de lengterichting, over deze strepen te rijden.

8.

Onverminderd de bepalingen van het tweede lid van dit artikel en onverminderd andere beperkingen die de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen vaststellen met betrekking tot het inhalen op kruisingen en overwegen, is het de bestuurder van een voertuig verboden enig ander voertuig in te halen dan een tweewielige fiets, een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets zonder zijspanwagen:

  • (a). onmiddellijk voor of op een kruising die geen verkeersplein is, behalve:
  • (i). in het geval bedoeld in het eerste lid, onder (b), van dit artikel;
  • (ii). wanneer het verkeer op de weg waarop het inhalen plaatsvindt bij de kruising voorrang heeft;
  • (iii). wanneer het verkeer op de kruising wordt geregeld door een bevoegde ambtenaar of door verkeerslichten;
  • (b). onmiddellijk voor of op een overweg die niet is voorzien van bomen of halve bomen; het staat de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan echter vrij het inhalen bij zo’n overweg toe te laten daar, waar het wegverkeer wordt geregeld door verkeerslichten met een positief teken dat voertuigen veroorlooft door te rijden.
9.

Een voertuig mag niet een ander voertuig inhalen wanneer dit laatste een voetgangersoversteekplaats nadert die als zodanig op het wegdek van de rijbaan is aangeduid of door een verkeersteken op een bord is aangegeven, of wanneer laatstgenoemd voertuig vlak voor de oversteekplaats is gestopt, behalve met een zó geringe snelheid dat het onmiddellijk tot stilstand kan worden gebracht ingeval een voetganger zich op de oversteekplaats bevindt. Niets in dit lid mag zo worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten het inhalen binnen een voorgeschreven afstand van een voetgangersoversteekplaats te verbieden, of strengere voorschriften op te leggen aan een bestuurder van een voertuig die een ander voertuig wenst in te halen dat vlak voor zo’n oversteekplaats is gestopt.

10.

Een bestuurder die merkt dat een achter hem rijdende bestuurder hem wenst in te halen dient zich zoveel mogelijk naar de kant van de rijbaan in zijn rijrichting te begeven en zijn snelheid niet te vermeerderen, behalve in het geval waarin is voorzien in artikel 16, eerste lid, onder b, van dit Verdrag. Indien, tengevolge van de smalheid, het profiel of de toestand van de rijbaan en mede gezien de dichtheid van het verkeer uit tegenovergestelde richting, een langzaam of omvangrijk voertuig of een voertuig dat een bepaalde maximum snelheid in acht moet nemen, niet op gemakkelijke en veilige wijze kan worden ingehaald, dan dient de bestuurder van zo’n voertuig zijn snelheid te verminderen en, indien nodig, zo snel en zo veel mogelijk uit te wijken naar de kant, ten einde achter hem rijdende voertuigen in staat te stellen hem in te halen.

  • (a). De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen, op rijbanen voor verkeer in één richting, en op rijbanen voor verkeer in beide richtingen, met ten minste twee rijstroken binnen de bebouwde kom, en ten minste drie rijstroken buiten de bebouwde kom, welke rijstroken uitsluitend zijn bestemd voor verkeer in dezelfde richting en door strepen in de lengterichting als zodanig zijn aangeduid: mits er voldoende voorzieningen zijn getroffen die het onmogelijk maken van de ene rijstrook op de andere over te gaan.
  • (i). voertuigen op één rijstrook toestaan voertuigen op een andere rijstrook in te halen aan de kant overeenkomstig de rijrichting; en
  • (ii). de bepalingen van artikel 10, derde lid, van dit Verdrag niet toepasselijk verklaren;
  • (b). In het geval waarnaar wordt verwezen in dit lid, onder (a), onder voorbehoud van de bepalingen van het negende lid van dit artikel, dient de wijze waarop wordt gereden niet te worden opgevat als inhalen in de zin van dit Verdrag.

Artikel 12. Tegemoetkomend verkeer

1.

Bij het voorbijgaan van tegemoetkomend verkeer dient een bestuurder voldoende ruimte, in de breedterichting van de weg, vrij te laten en, zo nodig, dient hij zo dicht mogelijk langs de kant van de rijbaan overeenkomstig de rijrichting te rijden. Indien hij merkt dat hij door zo te handelen in zijn voortgang wordt gehinderd door een obstakel of door de aanwezigheid van andere weggebruikers, dient hij zijn snelheid te verminderen en indien nodig, te stoppen, ten einde een hem tegemoetkomende weggebruiker of hem tegemoetkomende weggebruikers gelegenheid te geven hem voorbij te gaan.

2.

Op bergwegen en steile wegen met dezelfde eigenschappen als bergwegen, waar het onmogelijk of moeilijk is tegemoetkomend verkeer voorbij te gaan, dient de bestuurder van het voertuig dat bergafwaarts rijdt zo veel mogelijk uit te wijken naar de kant van de weg, ten einde het bergopwaarts rijdende voertuig in staat te stellen hem voorbij te gaan, behalve daar waar de aanleg van uitwijkhavens voor voertuigen om uit te wijken naar de kant van de weg zodanig is, dat in aanmerking genomen de snelheid en de plaats van beide voertuigen, het bergopwaarts rijdende voertuig een dergelijke uitwijkhaven bijna heeft bereikt, zodat de noodzaak voor één van beide voertuigen een stuk achteruit te rijden kan worden vermeden, indien het bergopwaarts rijdende voertuig van de uitwijkhaven gebruik maakt. Indien een van beide voertuigen die elkaar voorbij willen gaan genoodzaakt is achteruit te rijden om het voorbijgaan mogelijk te maken, dan dient de bestuurder van het bergafwaarts rijdende voertuig achteruit te rijden, tenzij deze manoeuvre duidelijk gemakkelijker kan worden uitgevoerd door de bestuurder van het bergopwaarts rijdende voertuig. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen echter voor bepaalde voertuigen of bepaalde wegen of gedeelten van wegen speciale voorschriften uitvaardigen die verschillen van die welke in dit lid zijn vastgelegd.

Artikel 13. Snelheid en afstand tussen voertuigen

1.

Elke bestuurder van een voertuig dient onder alle omstandigheden zijn voertuig dusdanig in zijn macht te hebben, dat hij in staat is de nodige voorzichtigheid te betrachten en hij te allen tijde in staat is alle vereiste handelingen te verrichten. Bij het regelen van de snelheid van zijn voertuig dient hij voortdurend te letten op de omstandigheden, in het bijzonder op de plaatselijke gesteldheid, de toestand van de weg, de staat waarin zijn voertuig en de lading zich bevinden, de weersomstandigheden en de verkeersdichtheid, ten einde zijn voertuig binnen zijn gezichtsveld in voorwaartse richting tot stilstand te kunnen brengen, voor enig voorzienbaar obstakel. Hij dient zijn vaart te verminderen en, indien nodig, te stoppen zo vaak de omstandigheden dit eisen, in het bijzonder wanneer het zicht slecht is.

2.

Maximum snelheden voor alle wegen worden in de nationale wetgeving vastgelegd. In de nationale wetgeving worden tevens de maximum snelheden vastgelegd voor bepaalde categorieën voertuigen die een bijzonder gevaar vormen, in het bijzonder vanwege hun massa of hun lading. Gelijksoortige bepalingen kunnen worden opgesteld voor bepaalde categorieën bestuurders, met name voor beginnende bestuurders.

3.

Het bepaalde in de eerste zin van het tweede lid behoeft niet te gelden voor bestuurders van voorrangsvoertuigen genoemd in artikel 34, tweede lid, of voor voertuigen die in de nationale wetgeving als zodanig worden aangemerkt.

4.

Het is elke bestuurder verboden de normale voortgang van andere voertuigen te belemmeren door zonder geldige reden abnormaal langzaam te rijden.

5.

De bestuurder van een voertuig dat achter een ander voertuig rijdt dient voldoende afstand tot het voor hem rijdende voertuig te bewaren, ten einde een botsing te vermijden ingeval het voor hem rijdende voertuig plotseling vaart zou verminderen of zou stoppen.

6.

Ten einde het inhalen te vergemakkelijken dienen bestuurders van voertuigen of van samenstellen van voertuigen met een maximum toegestaan massa van meer dan 3 500 kg, of waarvan de totale lengte meer is dan 10 m, buiten de bebouwde kom, behalve wanneer zij zelf aan het inhalen zijn of aanstalten maken om in te halen, een zodanige afstand te bewaren tot vóór hen rijdende gemotoriseerde voertuigen, dat andere voertuigen die hun voertuig inhalen, zich zonder gevaar in de vrije ruimte vóór het ingehaalde voertuig kunnen voegen. Deze bepaling is echter niet van toepassing bij zeer grote verkeersdichtheid, noch in omstandigheden waarin inhalen is verboden. Bovendien:

  • (a). kunnen de bevoegde instanties bepaalde colonnes voertuigen ontheffing van deze bepaling verlenen, ofwel kunnen zij deze niet van toepassing verklaren op wegen met twee rijstroken in de rijrichting waar het hier om gaat;
  • (b). kunnen de Verdragsluitende Partijen en onderdelen daarvan andere gewichten en afmetingen voorschrijven dan die welke in dit lid zijn genoemd met betrekking tot de daarin beschreven eigenschappen van voertuigen.

Artikel 14. Algemene eisen betreffende het manoeuvreren met voertuigen

1.

Elke bestuurder die een handeling met zijn voertuig wenst uit te voeren zoals het verlaten van een rij geparkeerde voertuigen of het zich er in begeven, het zich naar rechts of naar links op de rijbaan begeven, of het links of rechts een andere weg inslaan, of een aan de weg gelegen perceel binnenrijden, dient zich er eerst van te overtuigen dat hij zulks kan doen zonder het risico, gevaar op te leveren voor andere weggebruikers die vóór of achter hem rijden, of die op het punt staan hem te passeren, waarbij hij rekening dient te houden met hun plaats, richting en snelheid.

2.

Elke bestuurder die wenst te keren, of die achteruit wenst te rijden dient er zich eerst van te overtuigen dat hij zulks kan doen zonder voor andere weggebruikers een gevaar of belemmering op te leveren.

3.

Alvorens te keren of af te slaan of met een handeling te beginnen die een zijwaartse verplaatsing inhoudt, dient de bestuurder zijn bedoelingen tijdig op duidelijk wijze kenbaar te maken met behulp van de richtingaanwijzer of -aanwijzers van zijn voertuig, of bij gebreke hiervan door, indien mogelijk, het juiste teken te geven met zijn hand. De waarschuwing door middel van de richtingaanwijzer of -aanwijzers dient gedurende de gehele manoeuvre te worden gegeven en te worden beëindigd zodra de manoeuvre is voltooid.

Artikel 15. Bijzondere voorschriften met betrekking tot voertuigen van openbare lijndiensten

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt, dat binnen de bebouwde kom, ten einde het verkeer met voertuigen van openbare lijndiensten te vergemakkelijken, de bestuurders van andere voertuigen, behoudens de bepalingen van artikel 17, eerste lid, van dit Verdrag, hun vaart behoren te verminderen en, zo nodig, te stoppen, ten einde de voertuigen van het openbaar vervoer gelegenheid te geven de handelingen te verrichten die nodig zijn om van de als zodanig aangegeven halteplaatsen weg te rijden. De aldus door de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan uitgevaardigde bepalingen mogen op geen enkele wijze van invloed zijn op de verplichting van bestuurders van voertuigen voor openbaar vervoer om, nadat zij door middel van hun richtingaanwijzers hebben kenbaar gemaakt dat zij van plan zijn weg te rijden, de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen te treffen om de kans op ongelukken te vermijden.

Artikel 16. Verandering van richting

1.

Alvorens rechts of links af te slaan om een andere weg in te slaan of een aan de weg gelegen perceel in te rijden, dient een bestuurder, onverminderd de bepalingen van artikel 7, eerste lid, en van artikel 14 van dit Verdrag,

  • (a). indien hij wenst af te slaan aan de zijde overeenkomstig de eigen rijrichting, zo dicht mogelijk langs de kant te rijden van de rijbaan voor die rijrichting, en de bocht zo scherp mogelijk te nemen;
  • (b). indien hij aan de andere zijde wenst af te slaan, en onder voorbehoud van andere bepalingen die de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan eventueel hebben vastgesteld voor fietsen en bromfietsen om hen in staat te stellen van richting te veranderen, bijvoorbeeld door het kruispunt in twee afzonderlijke fasen over te steken, zich zo dicht mogelijk naar de as van de rijbaan te begeven indien het een rijbaan voor verkeer in beide richtingen betreft, dan wel naar de kant tegenover die welke overeenkomt met de rijrichting wanneer het een rijbaan voor verkeer in één richting betreft, en, indien hij een andere weg voor verkeer in beide richtingen wenst in te slaan, zijn bocht zodanig te nemen dat hij de rijbaan van die andere weg oprijdt aan de zijde die overeenkomt met de rijrichting.
2.

Terwijl de bestuurder van richting verandert dient hij, onverminderd de bepalingen van artikel 21 van dit Verdrag met betrekking tot voetgangers, alle weggebruikers op de rijbaan, of op andere delen van dezelfde weg die hij op het punt staat te verlaten, te laten passeren.

Artikel 17. Vaart minderen

1.

Het is de bestuurder van een voertuig verboden plotseling te remmen tenzij het uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is zulks te doen.

2.

Elke bestuurder die van plan is in aanzienlijke mate vaart te verminderen, dient er zich eerst van te overtuigen dat hij zulks kan doen zonder gevaar of buitensporig ongemak voor andere bestuurders, behalve in die gevallen waar hij vaart moet verminderen uit hoofde van onmiddellijk dreigend gevaar. Bovendien dient hij zijn bedoeling duidelijk en tijdig kenbaar te maken door het daartoe geschikte gebaar met zijn hand te maken, tenzij hij er zich eerst van heeft overtuigd dat geen ander voertuig achter hem rijdt, of dat een achter hem rijdend voertuig ver verwijderd is. Deze bepaling is echter niet van toepassing wanneer het minderen van vaart wordt aangegeven door middel van de stoplichten van het betrokken voertuig, zoals bedoeld in Bijlage 5, paragraaf 31, van dit Verdrag.

Artikel 18. Kruisingen en de verplichting voorrang te verlenen

1.

Elke bestuurder die een kruising nadert dient zoveel extra voorzichtigheid in acht te nemen als de situatie ter plaatse vereist. Bestuurders van voertuigen dienen met name niet harder te rijden dan met een snelheid die het hun mogelijk maakt te stoppen, ten einde voertuigen die voorrang hebben te laten passeren.

2.

Elke bestuurder die van een pad of een niet-verharde weg een weg oprijdt die geen pad of niet-verharde weg is, dient voorrang te verlenen aan de voertuigen op die weg. Voor de toepassing van dit artikel kunnen de termen „pad” en „onverharde weg” in de nationale wetgeving worden omschreven.

3.

Elke bestuurder die van een aan een weg gelegen perceel de weg oprijdt dient voorrang te verlenen aan de voertuigen die op die weg rijden.

4.

Onder voorbehoud van de bepalingen van het zevende lid van dit artikel:

  • (a). dient de bestuurder van een voertuig, in Staten waar het verkeer rechts houdt, bij andere kruisingen dan die bedoeld in het tweede lid van artikel en in artikel 25, tweede en vierde lid, van dit Verdrag, voorrang te verlenen aan van rechts komende voertuigen;
  • (b). zijn de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan in wier gebieden het verkeer links houdt, vrij de voorrang bij kruisingen naar eigen goedvinden te regelen.
5.

Zelfs wanneer verkeerslichten de bestuurder toestaan zulks te doen, mag hij zich toch niet op een kruising begeven wanneer de verkeersdichtheid zodanig is dat hij waarschijnlijk zou worden genoodzaakt op de kruising te stoppen en dientengevolge het dwarsverkeer zou belemmeren of verhinderen.

6.

Een bestuurder die zich op een kruising heeft begeven waarop het verkeer door middel van verkeerslichten wordt geregeld, mag deze kruising verlaten zonder te wachten tot de kruising wordt vrijgegeven voor verkeer in de richting waarin hij verder wenst te gaan, mits dit de voortgang van het verkeer in de vrijgegeven richting niet belemmert.

7.

Bestuurders van voertuigen die niet op rails rijden dienen voorrang te verlenen aan voertuigen die wel op rails rijden.

Artikel 19. Overwegen

Weggebruikers dienen extra voorzichtig te zijn bij het naderen en oversteken van overwegen. Met name:

  • (a). Elke bestuurder van een voertuig dient met matige snelheid te rijden;
  • (b). Onverminderd de verplichting om gevolg te geven aan een aanwijzing van een verkeerslicht of een geluidssignaal om te stoppen, mag een weggebruiker zich niet op een overweg begeven wanneer de bomen of de halve bomen de weg afsluiten, dan wel in beweging zijn om in deze stand te worden gebracht, of wanneer de halve bomen nog niet geheel zijn geopend;
  • (c). Indien een overweg niet is voorzien van bomen, halve bomen of verkeerslichten, mag een weggebruiker zich niet op die overweg begeven zonder er zich eerst van te overtuigen dat geen op rails rijdend voertuig in aantocht is;
  • (d). Een bestuurder mag een overweg niet opgaan zonder zich er van tevoren van te vergewissen dat hij daarop niet hoeft te stoppen;
  • (e). Een weggebruiker mag niet talmen bij het oversteken van een overweg; indien een voertuig is gedwongen daar te stoppen, moet de bestuurder trachten het van de rails te verwijderen en, indien hij hiertoe niet bij machte is, moet hij onmiddellijk al het mogelijke doen opdat de bestuurders van op rails rijdende voertuigen tijdig voor dit gevaar gewaarschuwd worden.

Artikel 20. Voorschriften voor voetgangers

1.

Het staat de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan vrij de bepalingen van dit artikel al of niet te doen naleven behalve in die gevallen waarin voetgangersverkeer op de rijbaan gevaarlijk zou kunnen zijn of het rijdende verkeer zou hinderen.

2.

Overal waar terzijde van de rijbaan trottoirs of voor voetgangers geschikte bermen aanwezig zijn, moeten voetgangers hiervan gebruik maken. Desniettegenstaande, en mits zij de nodige voorzorgsmaatregelen in acht nemen:

  • (a). mogen voetgangers die omvangrijke voorwerpen voortduwen of dragen gebruik maken van de rijbaan indien zij voor andere voetgangers een ernstige belemmering zouden vormen door op het trottoir, het voetpad of de berm te lopen;
  • (b). mogen groepen voetgangers onder geleide, of die een optocht vormen, op de rijbaan lopen.
3.

Indien het onmogelijk is de trottoirs, voetpaden of bermen te gebruiken, of bij het ontbreken hiervan, mogen voetgangers op de rijbaan lopen; indien er een fietspad is en indien de verkeersdichtheid zulks veroorlooft, mogen zij op het fietspad lopen, waarbij zij er zorg voor dienen te dragen het verkeer van fietsers en bromfietsers niet te hinderen.

4.

Voetgangers die overeenkomstig het tweede en derde lid van dit artikel op de rijbaan lopen dienen zoveel mogelijk aan de kant van de rijbaan te blijven.

5.

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving als volgt bepaalt: voetgangers die op de rijbaan lopen dienen zulks te doen aan de zijde van de weg die ligt tegenover de zijde overeenkomstig de rijrichting, behalve wanneer dit hen, indien zij zo zouden doen, in gevaar zou brengen, Personen daarentegen die een fiets, een bromfiets of een motorfiets aan de hand meevoeren en groepen voetgangers onder geleide of die een optocht vormen, dienen onder alle omstandigheden aan de zijde van de rijbaan overeenkomstig de rijrichting te lopen. Tenzij zij een optocht vormen dienen voetgangers die op de rijbaan lopen, ’s nachts en bij slecht zicht, en overdag wanneer de verkeersdichtheid zulks vereist, zoveel mogelijk in één rij achter elkaar te lopen.

  • (a). Voetgangers die een rijbaan wensen over te steken dienen zich niet op de rijbaan te begeven zonder de nodige voorzichtigheid te betrachten; zij moeten van een voetgangersoversteekplaats gebruik maken wanneer er een dichtbij aanwezig is.
  • (b). Ten einde een rijbaan over te steken op een voetgangersoversteekplaats die als zodanig door een verkeersteken op een bord, of door een verkeersteken op het wegdek van de rijbaan is aangeduid:
  • (i). dienen voetgangers, indien de oversteekplaats is voorzien van verkeerslichten voor voetgangers, de door deze lichten gegeven aanwijzingen op te volgen;
  • (ii). mogen voetgangers, indien de oversteekplaats niet van dergelijke lichten is voorzien doch het rijdende verkeer wordt geregeld door verkeerslichten dan wel door een bevoegde ambtenaar, zich niet op de rijbaan begeven zolang het verkeerslicht of de aanwijzingen van de bevoegde ambtenaar aangeven dat het verkeer daarop mag doorrijden;
  • (iii). mag de voetganger bij alle andere voetgangersoversteekplaatsen zich niet op de rijbaan begeven zonder rekening te houden met de afstand en snelheid van naderende voertuigen.
  • (c). Ten einde de rijbaan over te steken op andere plaatsen dan voetgangersoversteekplaatsen, die als zodanig door een verkeersteken op een bord of door verkeerstekens op het wegdek van de rijbaan zijn aangegeven, dienen voetgangers zich niet op de rijbaan te begeven zonder er zich eerst van te overtuigen dat zij zulks kunnen doen zonder het verkeer met voertuigen te hinderen.
  • (d). Zodra voetgangers zijn begonnen een rijbaan over te steken, mogen zij niet een onnodig lange route nemen, noch zonder noodzaak op de rijbaan blijven staan of nodeloos langzaam oversteken.
7.

De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan mogen voetgangers die de rijbaan oversteken echter strengere voorschriften opleggen.

Artikel 21. Het gedrag van bestuurders tegenover voetgangers

1.

Elke bestuurder dient zich te onthouden van gedragingen waardoor voetgangers in gevaar kunnen worden gebracht.

2.

Onverminderd de bepalingen van artikel 7, eerste lid, artikel 11, negende lid, en artikel 13, eerste lid, van dit Verdrag, wanneer een voetgangersoversteekplaats op een rijbaan is aangeduid door een verkeersteken op een bord of door een verkeersteken op het wegdek van de rijbaan;

  • (a). dienen, indien het verkeer met voertuigen bij zo’n oversteekplaats wordt geregeld door verkeerslichten of door een bevoegde ambtenaar, bestuurders die niet mogen doorrijden vlak voor de oversteekplaats of de daarvóór aangebrachte dwarsmarkeringen te stoppen en mogen zij, zodra zij mogen doorrijden, het oversteken van voetgangers die zich reeds op de oversteekplaats begeven hebben, niet beletten of belemmeren; bestuurders die een andere weg inslaan aan het begin waarvan zich een voetgangers-oversteekplaats bevindt, dienen zulks langzaam te doen en voorrang te verlenen, waarbij zij indien dat nodig is daartoe moeten stoppen, aan voetgangers die reeds gebruik maken van of op het punt staan gebruik te maken van de oversteekplaats;
  • (b). dienen, indien het verkeer met voertuigen bij die oversteekplaats niet wordt geregeld door verkeerslichten of door een bevoegde ambtenaar, bestuurders een dergelijke voetgangersoversteekplaats met een zo geringe snelheid te naderen dat zij geen gevaar vormen voor voetgangers die daar bezig zijn over te steken of op het punt staan over te steken; zo nodig dienen bestuurders te stoppen om deze voetgangers in staat te stellen over te steken.
3.

Geen enkele bepaling in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten:

van bestuurders van voertuigen te eisen dat zij altijd stoppen wanneer voetgangers gebruik maken van een voetgangersoversteekplaats of op het punt staan daarvan gebruik te maken, wanneer die voetgangersoversteekplaats als zodanig is aangegeven door een verkeersteken op een bord of door verkeerstekens op het wegdek van de rijbaan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 20 van dit Verdrag; of

bestuurders te verbieden het oversteken van voetgangers te beletten of te verhinderen wanneer laatstgenoemden een rijbaan oversteken bij of dichtbij een kruising, zelfs wanneer op die plaats geen voetgangersoversteekplaats is die als zodanig is aangegeven door een verkeersteken op een bord of door verkeerstekens op het wegdek.

4.

Bestuurders die van plan zijn een voertuig voor openbaar vervoer bij een als zodanig aangegeven halte in te halen aan de zijde overeenkomstig de rijrichting, dienen hun vaart te verminderen en zo nodig te stoppen, ten einde passagiers in staat te stellen in of uit dat voertuig te stappen.

Artikel 22. Vluchtheuvels op de rijbaan

Onverminderd de bepalingen van artikel 10 van dit Verdrag mag een bestuurder vluchtheuvels, verkeerszuilen en andere installaties die op de rijbaan zijn aangebracht, links of rechts passeren, behalve in de volgende gevallen:

  • (a). wanneer de zijde aan welke de vluchtheuvel, de zuil of de installatie gepasseerd moet worden door een verkeersteken is aangegeven;
  • (b). wanneer de vluchtheuvel, de zuil of de installatie is aangebracht op de as van een rijbaan voor verkeer in beide richtingen; in dit geval dient de bestuurder de vluchtheuvel, de zuil of de installatie te passeren aan de zijde overeenkomstig de rijrichting.

Artikel 23. Stilstaan en parkeren

1.

Buiten de bebouwde kom dienen stilstaande of geparkeerde voertuigen en stilstaande dieren, voor zover mogelijk, niet op de rijbaan te worden neergezet. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom mogen zij evenmin worden neergezet op fietspaden, fietsstroken, busstroken, ruiterpaden, voetpaden, trottoirs of bermen die speciaal voor voetgangers zijn aangelegd, behoudens waar de nationale wetgeving zulks toestaat.

  • (a). Op de rijbaan stilstaande dieren en op de rijbaan stilstaande of geparkeerde voertuigen dienen zoveel mogelijk aan de kant van de rijbaan te staan. Een bestuurder mag zijn voertuig niet op een rijbaan laten stilstaan of parkeren, behalve aan de zijde overeenkomstig zijn rijrichting; niettemin is het toegestaan aan de andere kant stil te staan of te parkeren, daar, waar het stilstaan of parkeren aan de zijde overeenkomstig de eigen rijrichting onmogelijk is door de aanwezigheid van rails. Bovendien mogen de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan:
  • (i). zich er van onthouden om onder bepaalde omstandigheden het stilstaan en het parkeren aan de ene dan wel aan de andere zijde te verbieden, bijvoorbeeld wanneer het stilstaan aan de zijde overeenkomstig de eigen rijrichting door middel van verkeersborden is verboden;
  • (ii). op rijbanen voor verkeer in één richting het stilstaan of parkeren aan de zijde niet overeenkomstig de rijrichting toestaan, zowel gelijktijdig met als in plaats van stilstaan en parkeren aan de zijde overeenkomstig de rijrichting;
  • (iii). het stilstaan en parkeren in het midden van de rijbaan toestaan op speciaal daartoe aangeduide plaatsen.
  • (b). Behalve wanneer door de nationale wetgeving anderszins is bepaald, mogen geen twee voertuigen naast elkaar op de rijbaan stilstaan of geparkeerd zijn met uitzondering van tweewielige fietsen, tweewielige bromfietsen en tweewielige motorfietsen zonder zijspanwagen. Tenzij de indeling van het terrein een andere schikking mogelijk maakt, dienen stilstaande of geparkeerde voertuigen te worden neergezet parallel aan de kant van de rijbaan.
  • (a). Het stilstaan of parkeren van een voertuig op de rijbaan is verboden:
  • (i). op voetgangersoversteekplaatsen, op oversteekplaatsen voor fietsers en op overwegen;
  • (ii). op tram- en spoorrails op een weg, of zo dicht bij dergelijke rails dat het rijden van trams of treinen er door zou kunnen worden belemmerd, en tevens, onder voorbehoud van de mogelijkheid voor de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan om andere regelingen vast te stellen, op trottoirs en fietspaden.
  • (b). Het stilstaan of parkeren van een voertuig is verboden op iedere plaats waar dit gevaar zou kunnen opleveren, en wel in het bijzonder:
  • (i). onder viaducten en in tunnels, behalve op plaatsen die daartoe aal zijn aangeduid;
  • (ii). op de rijbaan, vlak bij de top van een heuvel, en in bochten waar het zicht niet voldoende is om het stilstaande voertuig op volstrekt veilige wijze te kunnen inhalen, rekening houdende met de snelheid der voertuigen op dat deel van de desbetreffende weg;
  • (iii). op de rijbaan naast een streep op het wegdek in de lengterichting van de weg, in die gevallen waarin letter (b) (ii) van dit lid niet van toepassing is, maar waar de breedte van de rijbaan tussen de streep en het voertuig minder dan 3 m is, en waar de streep van die aard is dat naderende voertuigen aan dezelfde zijde de streep niet mogen kruisen;
  • (iv). op elke plaats waar het voertuig verkeerstekens of verkeerslichten aan het zicht van andere weggebruikers zou onttrekken;
  • (v). op een door een verkeersteken aangegeven extra rijstrook voor voertuigen die zich langzaam verplaatsen.
  • (c). Het parkeren van een voertuig op de rijbaan is verboden:
  • (i). op korte afstand van overwegen, kruisingen en bus- of trolleybushalten, of halten van railvoertuigen en wel binnen de door de nationale wetgeving voorgeschreven afstanden;
  • (ii). vóór in- en uitritten van percelen;
  • (iii). op elke plaats waar het geparkeerde voertuig het onmogelijk zou maken om bij een ander, op de juiste wijze geparkeerd voertuig te komen, of waar het zo’n ander voertuig zou verhinderen weg te rijden;
  • (iv). op de middenbaan van een weg met drie rijbanen en, buiten de bebouwde kom, op de rijbanen van wegen die door de juiste verkeerstekens als voorrangswegen zijn aangegeven.
4.

Een bestuurder mag zijn voertuig of zijn dieren niet verlaten zonder alle nodige voorzorgsmaatregelen te hebben getroffen om een ongeval te voorkomen en, in geval van een motorvoertuig, om het gebruik er van door onbevoegden te voorkomen.

5.

Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving als volgt bepaalt: met uitzondering van een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets zonder zijspanwagen, dient elk gemotoriseerd voertuig en elke al of niet vastgekoppelde aanhangwagen, wanneer dit of deze op een rijbaan buiten een bebouwde kom niet in beweging is, op voldoende afstand te worden aangeduid door ten minste één hiertoe geschikt apparaat, op het meest geschikte punt neergezet, ten einde bestuurders van naderende voertuigen tijdig te waarschuwen:

  • (a). indien het voertuig ’s nachts op de rijbaan niet in beweging is onder zodanige omstandigheden dat naderende bestuurders de aanwezigheid van het door dit voertuig gevormde obstakel niet kunnen ontwaren;
  • (b). indien de bestuurder, in andere gevallen, genoodzaakt is zijn voertuig te doen stoppen op plaatsen waar het verboden is stil te staan.
6.

Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten andere verbodsbepalingen ten aanzien van parkeren en stilstaan in te voeren of zou beletten specifieke bepalingen te maken voor het stilstaan en parkeren van fietsen en bromfietsen.

Artikel 24. Het openen van deuren

Het is verboden de deur van een voertuig te openen, of deze open te laten staan, of uit een voertuig te stappen zonder zich er van verzekerd te hebben dat men zulks kan doen zonder gevaar voor andere weggebruikers.

Artikel 25. Autosnelwegen en soortgelijke wegen

1.

Op autosnelwegen en, indien zulks in de nationale wetgeving is bepaald, op de speciale op- en afritten van autosnelwegen:

  • (a). is het gebruik van de weg verboden voor voetgangers, dieren, fietsen, bromfietsen tenzij deze als motorfietsen worden beschouwd, en alle andere voertuigen met uitzondering van motorvoertuigen en hun aanhangwagens, alsook voor motorvoertuigen of hun aanhangwagens die, door hun constructie, niet in staat zijn de door de nationale wetgeving vastgestelde snelheid op een vlakke weg te bereiken;
  • (b). is het bestuurders verboden:
  • (i). hun voertuigen te laten stilstaan of te parkeren op andere plaatsen dan op de aangeduide parkeerterreinen; indien een voertuig genoodzaakt is te stoppen, dient de bestuurder te trachten het voertuig van rijbaan te verwijderen en het ook van de vluchtstrook te verwijderen en, indien hem dit onmogelijk is, de aanwezigheid van het voertuig onmiddellijk op behoorlijke afstand kenbaar te maken, ten einde naderende bestuurders tijdig te waarschuwen;
  • (ii). hun voertuig te keren, achteruit te rijden en op de centrale scheidende strook te rijden die tussen twee rijbanen ligt, hetgeen tevens geldt voor de verbindingen tussen die rijbanen.
2.

Bestuurders die een autosnelweg oprijden dienen voorrang te verlenen aan voertuigen die reeds op de autosnelweg rijden. Indien er een invoegstrook is, dienen zij hiervan gebruik te maken.

3.

Een bestuurder die de autosnelweg verlaat dient zich tijdig op de rijstrook te begeven die hem naar de afrit voert en zo snel mogelijk op de uitrijstrook te gaan rijden, indien er een uitrijstrook is.

4.

Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid van dit artikel worden andere wegen die uitsluitend zijn bestemd voor verkeer met motorvoertuigen, die op de juiste wijze door verkeerstekens als zodanig zijn aangeduid, en die geen in- of uitritten hebben naar en van aan zo'n weg liggende percelen, als autosnelwegen behandeld.

Artikel 25bis. Bijzondere regels betreffende tunnels aangegeven door middel van speciale verkeerstekens

In tunnels die zijn aangegeven door speciale verkeerstekens, gelden de volgende regels:

    1. Het is voor alle bestuurders verboden:
  • a. achteruit te rijden;
  • b. te keren.
    1. Zelfs wanneer de tunnel is verlicht, dienen alle bestuurders ervoor te zorgen dat het groot licht of dimlicht ontstoken is.
    1. Bestuurders mogen een voertuig uitsluitend stoppen of parkeren in geval van nood of gevaar. Hierbij moeten zij, waar mogelijk, gebruik maken van de speciaal aangeduide plaatsen.
    1. Wanneer een voertuig langere tijd stilstaat, moet de bestuurder de motor afzetten.

Artikel 26. Speciale regels van toepassing op optochten en invaliden

1.

Het is weggebruikers verboden legercolonnes, files van schoolkinderen onder geleide of andere optochten, te doorsnijden.

2.

Invaliden rijdende in invalidenwagens, die zij zelf voortbewegen, of die stapvoets rijden, mogen trottoirs, voetpaden aan de kant van de weg en geschikte bermen gebruiken.

Artikel 27. Speciale regels van toepassing op fietsers, bromfietsers en berijders van motorfietsen

1.

Niettegenstaande de bepalingen van artikel 10, derde lid, van dit Verdrag, staat het de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan vrij fietsers niet te verbieden met twee of meer naast elkaar te rijden.

2.

Het is fietsers verboden te rijden zonder het stuur met ten minste één hand vast te houden, zich te laten voorttrekken door een ander voertuig, dan wel voorwerpen te dragen, te trekken of voort te duwen die het fietsen belemmeren of gevaar opleveren voor andere weggebruikers. Dezelfde bepalingen gelden ook voor bromfietsers en voor berijders van motorfietsen; bovendien dienen bromfietsers en berijders van motorfietsen het stuur met beide handen vast te houden behalve wanneer zij het teken geven voor de manoeuvre zoals beschreven in artikel 14, derde lid, van dit Verdrag.

3.

Het is fietsers en bromfietsers verboden passagiers op hun voertuig mee te voeren; de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen echter uitzonderingen op deze bepaling toestaan, en, met name, het vervoer van passagiers toestaan op een extra zadel of extra zadels die aan het voertuig zijn bevestigd. Berijders van motorfietsen mogen geen passagiers meevoeren, behalve in een zijspanwagen als deze er is, en op een extra zadel (duozitting), indien dit er is, dat achter de berijder aan de motorfiets is bevestigd.

4.

Daar waar fietspaden of fietsstroken bestaan, kunnen de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan fietsers verbieden de rest van de rijbaan te gebruiken. In dezelfde omstandigheden kunnen zij bromfietsen toestaan het fietspad of de fietsstrook te gebruiken en, indien zij zulks raadzaam achten, hun verbieden de rest van de rijbaan te gebruiken. De nationale wetgeving bepaalt onder welke voorwaarden andere weggebruikers de fietsstrook of het fietspad mogen gebruiken of mogen oversteken, waarbij te allen tijde de veiligheid van de fietsers moet worden gewaarborgd.

Artikel 28. Waarschuwingen door middel van geluids- of lichtsignalen

1.

Apparaten die waarschuwen door middel van geluid mogen alleen worden gebruikt:

  • (a). om doeltreffend te waarschuwen ten einde een ongeluk te voorkomen;
  • (b). buiten de bebouwde kom, wanneer het wenselijk is een bestuurder te waarschuwen dat hij op het punt staat te worden ingehaald.

De voortbrenging van geluid door deze apparaten mag niet langer duren dan noodzakelijk is.

2.

Bestuurders van motorvoertuigen kunnen tussen de avondschemering en de dageraad, in plaats van waarschuwingen door middel van geluidssignalen, waarschuwingen geven door middel van de lichtsignalen die zijn aangegeven in artikel 32, derde lid, van dit Verdrag. Zij kunnen dit ook bij daglicht doen voor het doel aangegeven in het eerste lid, sub (b), van dit artikel, indien zulks onder de heersende omstandigheden doeltreffender is.

3.

De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen het gebruik van waarschuwingen door middel van lichtsignalen in de bebouwde kom ook toestaan voor het doel aangegeven in het eerste lid, sub (b), van dit artikel.

Artikel 29. Voertuigen die zich op rails voortbewegen

1.

Daar waar een spoor- of tramweg gebruik maakt van een rijbaan dient elke weggebruiker bij het naderen van een tram of van een ander voertuig dat zich op rails voortbeweegt, de spoor- of trambaan zo snel mogelijk te verlaten ten einde het voertuig dat zich op rails voortbeweegt te laten passeren.

2.

De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen, voor het verkeer van op rails rijdende voertuigen op de weg en voor het passeren en inhalen van dergelijke voertuigen, speciale regels aannemen die verschillen van die welke in dit hoofdstuk zijn vastgelegd. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen echter geen bepalingen vaststellen die in strijd zijn met die van artikel 18, zevende lid, van dit Verdrag.

Artikel 30. Het laden van voertuigen

1.

Indien een maximum toegestaan massa voor een voertuig is vastgesteld, mag het totale massa van het voertuig het maximum toegestane massa nooit overschrijden.

2.

Elke lading in of op een voertuig dient zodanig te worden geschikt en, indien nodig, te worden gestuwd dat wordt voorkomen dat de lading:

  • (a). mensen in gevaar brengt of schade veroorzaakt aan openbaar of particulier bezit, met name doordat zij over de weg wordt voortgesleurd of op de weg valt;
  • (b). het zicht van de bestuurder belemmert of het evenwicht of het besturen van het voertuig nadelig beïnvloedt;
  • (c). lawaai veroorzaakt, stof doet opwaaien of andere overlast veroorzaakt die kan worden vermeden;
  • (d). lichten aan het oog onttrekt, met inbegrip van stoplichten en richtingsaanwijzers, reflectoren, kentekens en het onderscheidingsteken van de Staat waar het voertuig is ingeschreven en waarvan het voertuig voorzien dient te zijn overeenkomstig dit Verdrag of overeenkomstig de nationale wetgeving, of tekens aan het oog onttrekt die overeenkomstig artikel 14, derde lid, of artikel 17, tweede lid, van dit Verdrag met de arm worden gegeven.
3.

Alle hulpmiddelen, zoals kabels, kettingen en dekzeilen, die worden gebruikt om de lading stevig vast te stuwen of te beschermen, dienen strak om de lading heen getrokken te worden en stevig te worden vastgemaakt. Alle hulpmiddelen die worden gebruikt om de lading te beschermen behoren te voldoen aan de eisen die ten aanzien van de lading zijn vastgelegd in het tweede lid van dit artikel.

4.

Wanneer de lading uitsteekt buiten de voor-, achter- of zijkant(en) van het voertuig, dient zulks duidelijk te worden aangegeven in alle gevallen waar het uitsteken niet zou kunnen worden opgemerkt door bestuurders van andere voertuigen; ’s nachts dient de voorkant te worden aangeduid door een wit licht en een witte reflector, de achterzijde door een rood licht en een rode reflector. Met name bij gemotoriseerde voertuigen:

  • (a). dienen ladingen, die meer dan één meter buiten de voor- of achterzijde van het voertuig uitsteken, altijd te worden aangegeven;
  • (b). dienen ladingen die zijwaarts zo ver uitsteken buiten de uiterste rand van het voertuig, dat het verst zijwaarts uitstekende punt meer dan 0,40 m ligt van de buitenste rand van het breedtelicht aan de voorzijde van het voertuig, ’s nachts aan de voorzijde gemarkeerd te zijn en evenzo dienen ladingen die zover uitsteken, dat de uiterste rand aan de zijkant ervan meer dan 0,40 m ligt van de buitenste rand van het rode breedtelicht aan de achterzijde van het voertuig 's nachts gemarkeerd te zijn aan de achterzijde.
5.

Niets in het vierde lid van dit artikel mag zo worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten, uitstekende ladingen, als bedoeld in genoemd vierde lid, te verbieden, te beperken of te onderwerpen aan speciale vergunningen.

Artikel 30bis. Het vervoer van passagiers

Passagiers mogen niet worden vervoerd in zodanige aantallen of op zodanige wijze dat daardoor het besturen wordt bemoeilijkt of het zicht van de bestuurder wordt belemmerd.

Artikel 31. Gedrag in geval van een ongeval

1.

Onverminderd de bepalingen van de nationale wetgeving met betrekking tot de verplichting gewonden te helpen, dient elke bestuurder of elke andere weggebruiker die bij een ongeluk betrokken raakt:

  • (a). zo snel mogelijk te stoppen zonder zodoende extra gevaar te veroorzaken voor het verkeer;
  • (b). te trachten de verkeersveiligheid op de plaats van het ongeluk te verzekeren, en indien iemand bij het ongeval is gedood of zwaar is gewond, alle veranderingen in de situatie ter plaatse, waaronder het verdwijnen van sporen die nuttig zouden kunnen zijn bij het vaststellen van de verantwoordelijkheid, te vermijden, in zoverre zulks de verkeersveiligheid niet beïnvloedt;
  • (c). zichzelf tegenover andere personen die bij het ongeval zijn betrokken te identificeren, indien hem zulks door dezen wordt gevraagd;
  • (d). ingeval iemand bij het ongeval is gewond of gedood, de politie te waarschuwen en op de plaats van het ongeluk te blijven of er naar terug te keren en daar op de komst van de politie te wachten, tenzij de politie hem heeft toegestaan te vertrekken, of indien hij de gewonde(n) moet helpen of zelf hulp nodig heeft.
2.

De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen overeenkomstig hun nationale wetgeving, zich er van onthouden de bepaling van het eerste lid, onder (d), van dit artikel toe te passen in gevallen waarin geen ernstig letsel is veroorzaakt en waarin geen van de betrokken personen verzoekt dat de politie wordt gewaarschuwd.

Artikel 32. Regels voor het voeren van verlichting

1.

Tussen avondschemering en dageraad en in alle andere omstandigheden gedurende welke het zicht onvoldoende is vanwege bijvoorbeeld mist, sneeuwval of zware regen, dienen de volgende lichten op een rijdend voertuig te zijn ontstoken:

  • a. Op gemotoriseerde voertuigen en bromfietsen, groot licht of dimlicht en achterlichten, naar gelang de uitrusting die door dit Verdrag voor het voertuig van elke categorie wordt voorgeschreven;
  • b. Op aanhangwagens, breedtelichten aan de voorzijde indien deze zijn vereist ingevolge Bijlage 5, paragraaf 22.2, van dit Verdrag, en ten minste twee achterlichten (breedtelichten achter).
2.

Groot licht moet worden uitgeschakeld en dimlicht worden ingeschakeld:

  • a. Binnen de bebouwde kom waar de weg op voldoende wijze is verlicht en buiten de bebouwde kom waar de weg ononderbroken is verlicht en waar de verlichting voldoende is om de bestuurder in staat te stellen over een behoorlijke afstand duidelijk te zien en andere weggebruikers in staat te stellen het voertuig op een behoorlijke afstand op te merken;
  • b. Wanneer een bestuurder op het punt staat een ander voertuig voorbij te rijden, zodat op voldoende afstand verblinding van de bestuurder van het andere voertuig wordt voorkomen om deze in staat te stellen ongehinderd en zonder gevaar door te rijden;
  • c. In alle andere omstandigheden waarin het nodig is verblinding van andere weggebruikers of gebruikers van een waterweg of spoor- of tramweg die langs de weg loopt, te vermijden.
3.

Wanneer een voertuig vlak achter een ander voertuig rijdt, mag echter groot licht worden gebruikt als lichtsignaal om aan te geven dat de bestuurder van plan is in te halen, zoals bepaald in artikel 28, tweede lid.

4.

Mistlichten mogen alleen worden ontstoken bij mist of soortgelijke toestand van verminderd zicht en, wat betreft mistvoorlichten, ter vervanging van dimlichten. De nationale wetgeving kan echter het gelijktijdige gebruik van mistvoorlichten en dimlichten, het gelijktijdige gebruik van mistvoorlichten en hoeklichten alsmede het gebruik van mistvoorlichten op smalle wegen met veel bochten toestaan.

5.

Wanneer voertuigen zijn uitgerust met breedtelichten (stadslichten) aan de voorzijde, dan moeten deze gelijktijdig worden ingeschakeld met grote lichten, dimlichten of mistvoorlichten. De functie van de breedtelichten (stadslichten) aan de voorzijde kan worden vervangen door dimlichten en/of grote lichten, op voorwaarde dat wanneer deze lichten defect zijn de breedtelichten aan de voorzijde automatisch weer worden ingeschakeld.

6.

De nationale wetgeving kan bestuurders van motorvoertuigen verplichten overdag dimlicht of dagrijverlichting te voeren.

7.

Overdag dient een motorfiets op de weg ten minste een dimlicht aan de voorzijde en een rood achterlicht te voeren. De nationale wetgeving kan het gebruik van dagrijverlichting in plaats van dimlicht toestaan.

8.

Tussen avondschemering en dageraad en in alle andere omstandigheden gedurende welke het zicht onvoldoende is, moet de aanwezigheid van op de weg stilstaande of geparkeerde gemotoriseerde voertuigen en van aanhangwagens die daaraan gekoppeld zijn worden aangegeven door middel van breedtelichten voor en achter. Bij dichte mist of soortgelijke toestand van verminderd zicht mogen dimlichten of mistvoorlichten worden gebruikt. Onder genoemde omstandigheden mogen mistachterlichten worden gebruikt als aanvulling op de achterlichten (breedtelichten achter).

9.

In afwijking van de bepalingen van het achtste lid van dit artikel mogen binnen de bebouwde kom de breedtelichten voor en achter worden vervangen door parkeerlichten, mits:

  • a. het voertuig niet langer is dan 6 m en niet breder dan 2 m;
  • b. aan het voertuig geen aanhangwagen is gekoppeld;
  • c. de parkeerlichten zijn geplaatst aan die zijde van het voertuig die het verst is verwijderd van de zijkant van de rijbaan waarlangs het voertuig stilstaat of is geparkeerd.
10.

In afwijking van de bepalingen van het achtste en negende lid van dit artikel mag een voertuig zonder enige verlichting stilstaan of geparkeerd zijn:

  • a. op een weg die zodanig verlicht is dat het voertuig op voldoende afstand goed zichtbaar is;
  • b. buiten de rijbaan en buiten een verharde berm;
  • c. in het geval van bromfietsen en tweewielige motorfietsen zonder zijspanwagen die niet zijn uitgerust met een batterij, op de uiterste rand van de rijbaan binnen de bebouwde kom.
11.

De nationale wetgeving mag uitzonderingen op de bepalingen van het achtste en negende lid van dit artikel toestaan voor stilstaande of geparkeerde voertuigen in straten binnen de bebouwde kom waar zeer weinig verkeer is.

12.

Achteruitrijlichten mogen alleen worden gebruikt wanneer het voertuig achteruit rijdt of op het punt staat achteruit te gaan rijden; optionele extra achteruitrijlichten mogen blijven branden tijdens korte en langzame voorwaartse manoeuvres.

12bis. Manoeuvreerlichten mogen alleen worden gebruikt wanneer het voertuig niet sneller rijdt dan 10 km per uur.

13.

Waarschuwingslichten mogen alleen worden gebruikt om andere weggebruikers te waarschuwen voor een bijzonder gevaar:

  • a. wanneer een voertuig dat met pech staat of bij een ongeval is betrokken niet direct verwijderd kan worden, zodat het een obstakel vormt voor de overige weggebruikers;
  • b. wanneer andere weggebruikers worden gewaarschuwd voor een dreigend gevaar.
14.

Speciale waarschuwingslichten:

  • a. die een blauw en/of rood licht uitstralen mogen slechts worden gevoerd door voorrangsvoertuigen die een urgente opdracht uitvoeren of wanneer het anderszins nodig is de overige weggebruikers te waarschuwen voor de aanwezigheid van het voertuig;
  • b. die een amberkleurig licht uitstralen mogen slechts worden gevoerd door voertuigen die de specifieke taken verrichten ten behoeve waarvan zij met speciale waarschuwingslichten zijn uitgerust of wanneer de aanwezigheid van dergelijke voertuigen op de weg gevaar of hinder oplevert voor de overige weggebruikers.
  • c. die licht van een andere kleur uitstralen kunnen worden toegestaan door de nationale wetgeving.
15.

Onder geen enkele omstandigheid mag een voertuig rood licht aan de voorzijde of wit licht aan de achterzijde tonen, behoudens de in bijlage 5, paragraaf 61, genoemde uitzonderingen. Het is niet toegestaan een voertuig zodanig aan te passen of hieraan zodanig lichten toe te voegen dat dit strijdigheid met deze bepaling zou opleveren.

Artikel 33. Verlichtingsregels voor andere dan de in Artikel 32 genoemde voertuigen en voor bepaalde weggebruikers

1.

Elk voertuig of samenstel van voertuigen waarop de bepalingen van artikel 32 van dit Verdrag niet van toepassing zijn, en dat zich op een weg bevindt tussen de avondschemering en de dageraad, dient ten minste één wit of selectief geel licht aan de voorzijde te voeren en ten minste één rood licht aan de achterzijde. Indien aan de voor- of achterzijde slechts één licht brandt, dient dit licht te zijn geplaatst op de lengte-as van het voertuig ofwel aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting.

  • a. Handkarren, d.w.z. karren die met de hand worden geduwd of getrokken, dienen ten minste één wit of selectief geel licht aan de voorzijde te voeren en ten minste één rood licht aan de achterzijde. Deze twee lichten mogen door dezelfde lamp worden uitgestraald die is geplaatst aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting. Op handkarren die niet breder zijn dan 1 m, zijn lichten niet verplicht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)