← Geldende tekst · Geschiedenis

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten

Geldende tekst a fecha 1990-12-20

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

De wens koesterende de op 31 oktober 1967 te Londen ondertekende Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het vermogen, zoals gewijzigd bij het op 22 maart 1977 te Londen ondertekende Protocol, te vervangen door een nieuwe overeenkomst;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.

Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is
1.

De belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken zijn:

2.

De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die door elk van de Staten na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar de wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht, mede.

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij het zinsverband anders vereist:

2.

Voor de toepassing van de Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.

Artikel 4. Woonplaats
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die Staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in die Staat.

2.

Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:

3.

Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.

Artikel 5. Vaste inrichting
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

2.

De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

3.

De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.

4.

Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht, indien;

5.

Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid - voor een onderneming werkzaam is, en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een van de Staten gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, geacht in die Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden genoemd in het vierde lid, die, indien zij worden uitgeoefend door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.

6.

Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een van de Staten te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij in die Staat zaken doet door middel van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

7.

De enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst, dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van de beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen
1.

Inkomsten verkregen door een inwoner van een van de Staten uit onroerende goederen (daaronder begrepen voordelen uit landbouw- of bosbedrijven) die in de andere Staat zijn gelegen mogen in die andere Staat worden belast.

2.

De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de Staat waar de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

3.

De bepaling van het eerste lid is van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

4.

De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen gebezigd voor het verrichten van zelfstandige arbeid.

Artikel 7. Winst uit onderneming
1.

De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.

2.

Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid van dit artikel worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.

3.

Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.

4.

Geen voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.

5.

Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat om hiervan af te wijken.

6.

Indien in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8. Zeevaart en luchtvaart
1.

Voordelen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

2.

Indien de plaats van de werkelijke leiding van een scheepvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Staat waar de thuishaven van het schip is gelegen, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de exploitant van het schip inwoner is.

3.

Indien een onderneming voordelen die vallen onder het eerste lid van dit artikel, verkrijgt uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal geëxploiteerd agentschap, zijn de voordelen die aan die onderneming kunnen worden toegerekend slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van die onderneming is gelegen. Voor de toepassing van dit lid wordt onder de uitdrukking „een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal agentschap” niet begrepen een persoon als is omschreven in artikel 3 van deze Overeenkomst.

Artikel 9. Gelieerde ondernemingen
1.

Indien

en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle inkomsten, aftrekken, ontvangsten of uitgaven die aan een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zouden kunnen worden toegerekend, maar ten gevolge van die voorwaarden niet zijn toegerekend, worden begrepen in de voordelen of verliezen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

2.

Indien een van de Staten in de voordelen van een onderneming van die Staat voordelen begrijpt - en dienovereenkomstig belast - ter zake waarvan een onderneming van de andere Staat in die andere Staat in de belastingheffing is betrokken en deze bestanddelen omvatten inkomsten, aftrekken, ontvangsten of uitgaven welke aan de onderneming van de eerstbedoelde Staat zouden kunnen worden toegerekend indien tussen de twee ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de Staten met elkaar overleg plegen ten einde overeenstemming te bereiken over de herziening van de voordelen of verliezen in de beide Staten.

Artikel 10. Dividenden
1.

Dividenden verkregen van een lichaam dat inwoner is van een van de Staten door een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2.

Deze dividenden mogen echter in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner van de andere Staat is, mag de aldus geheven belasting niet overschrijden:

Dit lid laat onverlet de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winsten waaruit de dividenden worden betaald.

3.

Zolang een in het Verenigd Koninkrijk wonende natuurlijke persoon krachtens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk recht heeft op een ,,tax credit” ter zake van dividenden betaald door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd lichaam, vindt het tweede lid van dit artikel geen toepassing op dividenden verkregen van een lichaam dat inwoner is van het Verenigd Koninkrijk door een inwoner van Nederland. In dat geval vinden de volgende bepalingen van dit lid toepassing:

4.

De uitdrukking „dividenden” omvat voor de toepassing van de belasting van het Verenigd Koninkrijk al hetgeen ingevolge de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk als een uitdeling wordt behandeld, en voor de toepassing van de Nederlandse belasting al hetgeen ingevolge de Nederlandse wetgeving is onderworpen aan dividendbelasting.

5.

De bepalingen van het eerste, tweede en derde lid van dit artikel zijn niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

6.

Indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een van de Staten, 10 percent of meer van de soort aandelen waarop de dividenden zijn uitbetaald in eigendom heeft en in die Staat ter zake van die dividenden niet wordt belast, vindt het tweede lid of, naar gelang van het geval, het derde lid van dit artikel geen toepassing voor zover de dividenden slechts kunnen zijn betaald uit winst of andere inkomsten welke het lichaam dat de dividenden betaalt, behaalde of genoot in een tijdvak dat twaalf maanden of langer voor de relevante datum eindigt. Voor de toepassing van dit lid betekent de uitdrukking „relevante datum” de datum waarop de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden eigenaar werd van 10 percent of meer van de desbetreffende soort aandelen. Dit lid is alleen dan van toepassing, indien de aandelen in de eerste plaats werden verkregen ten einde de voordelen van dit artikel te genieten en niet op grond van bonafide zakelijke overwegingen.

7.

Indien een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, voordelen of inkomsten verkrijgt uit de andere Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover deze dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere Staat of voor zover het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van een in die andere Staat gevestigde vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van een aldaar gevestigd vast middelpunt behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderworpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit voordelen of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.

Artikel 11. Interest
1.

Interest afkomstig uit een van de Staten die wordt verkregen door een inwoner van de andere Staat, die de uiteindelijk gerechtigde tot de interest is, is slechts in die andere Staat belastbaar.

2.

De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, daaronder begrepen de aan zodanige leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premie's en prijzen, maar de uitdrukking omvat niet inkomsten die in artikel 10 zijn behandeld. In rekening gebrachte boete voor te late betaling wordt voor de toepassing van dit artikel niet als interest aangemerkt.

3.

De bepaling van het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de interest afkomstig is een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de vordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

4.

Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde interest hoger is dan het bedrag van de interest dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde - in aanmerking nemende de voorwaarden en het bedrag van de schuldvordering die dan zouden zijn overeengekomen - zou zijn vastgesteld, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van de interest toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

5.

Bepalingen in de wetgeving van een van de Staten die slechts betrekking hebben op interest betaald aan een lichaam dat geen inwoner is, zijn niet van kracht in zoverre zij voorschrijven dat zodanige interest, betaald aan een inwoner van de andere Staat, wordt aangemerkt als een uitdeling door het lichaam dat de interest betaalt, of niet als aftrekpost in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de belastbare winst van het lichaam dat de interest betaalt. De voorgaande zin vindt geen toepassing op interest die wordt betaald door een inwoner van een van de Staten aan een lichaam dat inwoner is van de andere Staat en waarvan meer dan 50 percent van het totale aantal stemmen onmiddellijk of middellijk wordt beheerst door een persoon of personen die inwoner zijn van de eerstbedoelde Staat.

6.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing, indien de schuldvordering ter zake waarvan de interest wordt betaald, voornamelijk in het leven is geroepen of de bestemming heeft gekregen ten einde de voordelen van dit artikel te genieten en niet op grond van bona fide zakelijke overwegingen.

Artikel 12. Royalty's
1.

Royalty's verkregen door een inwoner van een van de Staten, die de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's is, zijn slechts in die Staat belastbaar.

2.

De uitdrukking „royalty's” zoals gebezigd in dit artikel betekent betalingen van welke aard ook als vergoeding voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap (daaronder begrepen bioscoopfilms en films of geluidsbanden voor radio en televisie), van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of werkwijze, dan wel voor het gebruik van, of het recht van gebruik van nijverheids-, handels- of wetenschappelijke uitrusting, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

3.

De bepaling van het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de royalty's afkomstig zijn een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's verschuldigd zijn, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

4.

Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de royalty's, om welke reden dan ook, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

5.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing, indien het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's verschuldigd zijn, voornamelijk in het leven is geroepen of de bestemming heeft gekregen ten einde de voordelen van dit artikel te genieten en niet op grond van bona fide zakelijke overwegingen.

Artikel 13. Vermogenswinsten
1.

Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 6 en die zijn gelegen in de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2.

Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, of van roerende zaken die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, daaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van de vaste inrichting (alleen of met de gehele onderneming) of van het vaste middelpunt, mogen in die andere Staat worden belast.

3.

Voordelen verkregen uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, of van roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen of luchtvaartuigen, zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

4.

Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere zaken dan bedoeld in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is.

5.

De bepaling van het vierde lid tast niet aan het recht van elk van de Staten om overeenkomstig zijn eigen wetgeving belasting te heffen op voordelen uit de vervreemding van zaken verkregen door een natuurlijke persoon die inwoner van de andere Staat is en in de vijf jaren voorafgaande aan de vervreemding van de zaken te eniger tijd inwoner van de eerstbedoelde Staat is geweest.

Artikel 14. Zelfstandige arbeid
1.

Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden van zelfstandige aard zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij hij in de andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vast middelpunt beschikt. Indien hij over zulk een vast middelpunt beschikt, mogen de voordelen in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan dat vaste middelpunt kunnen worden toegerekend.

2.

De uitdrukking „vrij beroep” omvat in het bijzonder zelfstandige werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten, technici, architecten, tandartsen en accountants.

Artikel 15. Niet-zelfstandige arbeid
1.

Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19 en 20 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

2.

Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

3.

Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig slechts belastbaar in de Staat waarvan de werknemer inwoner is, met dien verstande dat die beloning mag worden belast in de Staat waarvan de persoon die de voordelen uit de exploitatie van het schip of luchtvaartuig verkrijgt, inwoner is, indien die beloning wordt betaald ter zake van een reis uitsluitend tussen plaatsen gelegen in die Staat, of ter zake van geregelde reizen tussen een haven in die Staat en een buitenlandse haven, die een afwezigheid uit die Staat van korter dan 48 uur met zich brengen.

Artikel 16. Bestuurders- en commissarissenbeloningen
1.

Directeursbeloningen (directors' fees) en dergelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer, van bestuurder of van commissaris van een lichaam dat inwoner is van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2.

Indien echter de hiervoor bedoelde beloningen worden verkregen door personen die werkzaamheden uitoefenen die redelijkerwijs in verband kunnen worden gebracht met een vaste inrichting die is gevestigd in een van de Staten, niet zijnde de Staat waarvan het lichaam inwoner is, mogen deze beloningen, niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, worden belast in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

Artikel 17. Artiesten en sportbeoefenaars
1.

Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 14 en 15, mogen voordelen of inkomsten, verkregen door een inwoner van een van de Staten als artiest, zoals een toneelspeler, film-, radio- of televisieartiest of een musicus, of als sportbeoefenaar, uit zijn persoonlijke werkzaamheden als zodanig die worden verricht in de andere Staat, worden belast in die andere Staat.

2.

Indien voordelen of inkomsten ter zake van persoonlijke werkzaamheden die door een artiest of een sportbeoefenaar in die hoedanigheid worden verricht, niet aan die artiest of sportbeoefenaar zelf toekomen, maar aan een andere persoon, mogen die voordelen of inkomsten, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7, 14 en 15, worden belast in de Staat waar de werkzaamheden van de artiest of sportbeoefenaar worden verricht.

Artikel 18. Pensioenen en lijfrenten
1.

Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, tweede lid, zijn pensioenen of andere soortgelijke beloningen ter zake van een vroegere dienstbetrekking, alsmede lijfrenten, betaald aan een inwoner van een van de Staten, slechts in die Staat belastbaar.

2.

Indien deze beloningen echter geen periodiek karakter dragen en worden betaald ter zake van een vroegere dienstbetrekking in de andere Staat, mogen de beloningen in die andere Staat worden belast.

3.

De uitdrukking „lijfrente” betekent een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen, welke tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde staat.

Artikel 19. Overheidsfuncties
3.

De bepalingen van de artikelen 15, 16 en 18 zijn van toepassing op beloningen en pensioenen ter zake van diensten, bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf, uitgeoefend door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

Artikel 20. Studenten

Betalingen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde persoon, die inwoner is of onmiddellijk voor zijn bezoek aan een van de Staten, inwoner was van de andere Staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde Staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die Staat niet belastbaar, mits deze betalingen aan hem worden gedaan uit bronnen buiten die Staat.

Artikel 21. Overige inkomsten
1.

Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de Staten, van waaruit ook afkomstig, niet zijnde inkomsten betaald uit trusts, die niet in de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst zijn behandeld, zijn slechts in die Staat belastbaar.

2.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op inkomsten, niet zijnde inkomsten uit onroerende goederen zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, indien de genieter van die inkomsten, die inwoner is van een van de Staten in de andere Staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het recht of de zaak ter zake waarvan de inkomsten worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

Artikel 22. Vermijding van dubbele belasting
1.

Met inachtneming van de bepalingen van de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk die betrekking hebben op de verrekening van belasting die in een gebied buiten het Verenigd Koninkrijk verschuldigd is, met belasting van het Verenigd Koninkrijk (welke bepalingen het algemene beginsel van het hiernavolgende niet mogen aantasten):

3.

Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel worden voordelen, inkomsten en vermogenswinsten die toekomen aan een inwoner van het Verenigd Koninkrijk en die volgens deze Overeenkomst in Nederland mogen worden belast, geacht afkomstig te zijn uit Nederlandse bronnen.

Artikel 22A. Regels van toepassing op bepaalde werkzaamheden buitengaats
1.

De bepalingen van dit artikel vinden toepassing niettegenstaande enige andere bepalingen van deze Overeenkomst.

2.

In dit artikel betekent de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats” werkzaamheden die buitengaats worden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de in een van de Staten gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen.

3.

Een onderneming van een van de Staten die in de andere Staat werkzaamheden buitengaats verricht, wordt, onder voorbehoud van het vierde en zesde lid van dit artikel, geacht ter zake van die werkzaamheden in die andere Staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting.

4.

De bepalingen van het derde lid van dit artikel zijn niet van toepassing indien werkzaamheden buitengaats in de andere Staat worden verricht gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van 12 maanden een totaal van 30 dagen niet te boven gaan. Voor de toepassing van dit lid:

5.

Een inwoner van een van de Staten die, in het kader van een vrij beroep of van andere werkzaamheden van zelfstandige aard, in de andere Staat werkzaamheden buitengaats verricht, wordt geacht deze werkzaamheden te verrichten vanuit een vast middelpunt in de andere Staat. Dit lid is echter niet van toepassing indien die werkzaamheden in de andere Staat worden verricht gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van 12 maanden een totaal van 30 dagen niet te boven gaan.

6.

Voordelen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen, in verband met werkzaamheden buitengaats, die in hun huidige staat in de eerste plaats ontworpen zijn voor het vervoeren van voorraden of personeel naar of tussen plaatsen waar werkzaamheden buitengaats worden verricht of voor sleep- of ankerwerkzaamheden, of voor een combinatie van deze werkzaamheden, zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

7.

Voordelen, verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van rechten op goederen die worden voortgebracht met de exploratie of exploitatie van de in de andere Staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, daaronder begrepen rechten ter zake van belangen bij die goederen of de voordelen daaruit of uit de vervreemding van aandelen die hun waarde geheel of grotendeels, onmiddellijk of middellijk, aan deze rechten ontlenen, mogen in die andere Staat worden belast.

9.

Voor de bestanddelen van het inkomen die volgens het derde, vijfde en zevende lid van dit artikel in het Verenigd Koninkrijk mogen worden belast, verleent Nederland een aftrek van zijn belasting die zal worden berekend overeenkomstig de regels, neergelegd in artikel 22, tweede lid, onderdeel c.

10.

Indien aan de hand van bewijsstukken wordt aangetoond dat in het Verenigd Koninkrijk belasting is betaald over de bestanddelen van het inkomen die volgens het achtste lid, onderdeel a, van dit artikel in het Verenigd Koninkrijk mogen worden belast, verleent Nederland een vermindering van zijn belasting die zal worden berekend overeenkomstig de regels, neergelegd in artikel 22, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 23. Non-discriminatie
1.

Onderdanen van een van de Staten worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

2.

De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen.

3.

Dit artikel mag aldus niet worden uitgelegd, dat zij elk van de Staten verplicht aan natuurlijke personen die geen inwoner van die Staat zijn, bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken en verminderingen te verlenen, die worden verleend aan natuurlijke personen die wel inwoner zijn, noch aldus dat zij in een van de Staten recht geeft op vrijstelling van belasting ter zake van dividenden betaald aan een lichaam dat inwoner van de andere Staat is.

4.

Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan andere, soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

5.

De bepalingen van dit artikel vinden toepassing op belastingen van elk soort en benaming.

Artikel 24. Regeling voor onderling overleg
1.

Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een van de Staten of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner is, of, indien zijn geval valt onder artikel 23, eerste lid, en hij inwoner is van een van de Staten en onderdaan van de andere Staat, aan die van de Staat waarvan hij onderdaan is. Het geval moet worden voorgelegd binnen zes jaren nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de Overeenkomst, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.

2.

De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst, te vermijden.

3.

De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van de Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen ten einde maatregelen te overwegen ter bestrijding van oneigenlijk gebruik van de bepalingen van de Overeenkomst.

4.

De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

Artikel 25. Uitwisseling van inlichtingen
1.

De bevoegde autoriteiten van de Staten wisselen zodanige inlichtingen uit als nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze Overeenkomst of aan de nationale wetgeving van de Staten met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met de Overeenkomst. Alle door een van de Staten ontvangen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden als inlichtingen die volgens de nationale wetgeving van die Staat zijn verkregen en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke instanties en administratiefrechtelijke lichamen) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Deze personen of autoriteiten mogen van de inlichtingen alleen voor deze doeleinden gebruik maken. Zij mogen de inlichtingen bekend maken in openbare rechtszittingen of in rechterlijke beslissingen.

2.

In geen geval worden de bepalingen van het eerste lid van dit artikel aldus uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

Artikel 26. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
1.

De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke en consulaire ambtenaren ontlenen aan de algemene regels van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

2.

Deze Overeenkomst is niet van toepassing op internationale organisaties, hun organen en functionarissen, en op leden van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat die in een van de Staten verblijven, indien zij in de laatstbedoelde Staat niet aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen zijn onderworpen als inwoners van die Staat.

Artikel 27. Diverse bepalingen
1.

Indien op grond van deze Overeenkomst hetzij volledig, hetzij gedeeltelijk vermindering moet worden verleend van Nederlandse belasting over welke inkomsten dan ook en ingevolge de in het Verenigd Koninkrijk geldende wetgeving een natuurlijke persoon ter zake van die inkomsten niet voor het volle bedrag aan belasting is onderworpen, doch slechts voor zover die inkomsten naar het Verenigd Koninkrijk zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen, vindt de vermindering die Nederland ingevolge deze Overeenkomst moet verlenen, slechts toepassing op het gedeelte van de inkomsten dat naar het Verenigd Koninkrijk is overgemaakt of aldaar is ontvangen.

2.

Onder voorbehoud van de bepalingen van het vierde lid van dit artikel hebben natuurlijke personen die inwoners van Nederland zijn, voor de belasting van het Verenigd Koninkrijk recht op dezelfde persoonlijke aftrekken en vermindering als Britse onderdanen die geen inwoners van het Verenigd Koninkrijk zijn.

3.

Onder voorbehoud van de bepalingen van het vierde lid van dit artikel hebben natuurlijke personen die inwoners van het Verenigd Koninkrijk zijn, voor de Nederlandse belasting recht op dezelfde persoonlijke aftrekken en verminderingen als Nederlandse onderdanen die geen inwoners van Nederland zijn.

4.

Een natuurlijke persoon die inwoner van een van de Staten is en wiens uit de andere Staat afkomstige inkomen uitsluitend bestaat uit dividenden, interest of royalty's (of uitsluitend uit een samenstel daarvan) kan voor de belastingheffing in die andere Staat aan deze Overeenkomst generlei recht ontlenen op de persoonlijke aftrekken en verminderingen als bedoeld in dit artikel.

5.

De verminderingen en vrijstellingen van belasting in de bronstaat waarop de artikelen 10, 11 en 12 betrekking hebben alsmede de betaling van de ,,tax credit” door het Verenigd Koninkrijk bedoeld in artikel 10, derde lid, worden verleend volgens de procedure die (met inachtneming van de belastingwetgeving van die Staat) door de bevoegde autoriteiten van de Staten zal worden vastgesteld.

6.

Indien aan de bron geheven belasting het bedrag aan belasting dat ingevolge de bepalingen van de artikelen 10, 11 of 12 mag worden geheven, overtreft, wordt het meerdere op een tot de desbetreffende bevoegde autoriteiten gericht verzoek teruggegeven, mits het verzoek wordt ingediend binnen een tijdvak van zes jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting werd geheven.

Artikel 28. Uitbreiding tot andere gebieden
1.

Deze Overeenkomst kan, hetzij in haar geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot gebieden voor de internationale betrekkingen waarvan het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verantwoordelijk is, alsmede tot de Nederlandse Antillen, indien het desbetreffende gebied of land belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van de dag en met inachtneming van de wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

2.

Tenzij anders is overeengekomen, wordt door de beëindiging van deze Overeenkomst niet tevens de toepasselijkheid van deze Overeenkomst op het gebied of land waartoe zij ingevolge dit artikel is uitgebreid, beëindigd.

Artikel 29. Inwerkingtreding
1.

Elk van beide Overeenkomstsluitende Regeringen stelt de andere in kennis van de voltooiing van de voor het van kracht worden van deze Overeenkomst wettelijk vereiste procedures. De Overeenkomst treedt in werking drie dagen na het tijdstip van ontvangst van de laatste van deze kennisgevingen.

2.

De volgende overeenkomsten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk worden beëindigd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst met betrekking tot belastingen waarop deze Overeenkomst, in overeenstemming met de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, van toepassing is:

3.

Deze Overeenkomst tast geen overeenkomsten aan die van kracht zijn ingevolge de uitbreiding van eerdere overeenkomsten tussen de Overeenkomstsluitende Staten tot gebieden of landen voor de buitenlandse betrekkingen waarvan elk van de Staten verantwoordelijk is.

Artikel 30. Beëindiging
1.

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Staten is opgezegd. Elk van de Staten kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg opzeggen door ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het jaar 1985 van de beëindiging kennis te geven. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn:

2.

De beëindiging van deze Overeenkomst leidt niet tot het herleven van overeenkomsten of regelingen die door deze Overeenkomst of door eerder tussen de Staten gesloten overeenkomsten zijn beëindigd.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te 's-Gravenhage, de 7 november 1980 in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk gezaghebbend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) C. A. VAN DER KLAAUW

Voor de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(w.g.) JOCK TAYLOR