Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Marokko

Type Verdrag
Publication 1978-07-27
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Marokko,

Bezield door de wens hun traditionele vriendschapsbanden nauwer aan te halen, hun economische betrekkingen te ontwikkelen en uit te breiden en investeringen op de grondslag van gelijkheid en tot hun wederzijds voordeel te bevorderen,

Zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 1973/11 en Trb. 1974/8.

Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 1973/11 en Trb. 1974/8.

Artikel I

Voor de toepassing van deze Overeenkomst:

Artikel II

(1). De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich hun samenwerking op economisch gebied te bevorderen.

(2). De Overeenkomstsluitende Partijen werken samen teneinde de deelneming van hun beider onderdanen aan werkzaamheden in de produktieve en de dienstverlenende sector te vergemakkelijken.

Artikel III

(1). Teneinde de verwezenlijking van de in de onderhavige Overeenkomst voorziene doeleinden te bevorderen, geven de Overeenkomstsluitende Partijen, binnen de grenzen hunner wetgeving, hun onderdanen vergunning tot de aanvaarding van betalingen in termijnen wegens de levering van kapitaalgoederen aan Overheids- en particuliere ondernemingen van het andere land, alsook wegens de uitvoering van openbare werken voor die ondernemingen.

(2). Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt overeenkomstig haar wetgeving de overmaking van opeisbare bedragen welke verschuldigd zijn aan de crediteuren die onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn.

Artikel IV

(1). De Overeenkomstsluitende Partijen vergemakkelijken de versterking van de handelsbetrekkingen tussen hun landen teneinde deze op een zo hoog mogelijk niveau te brengen.

(2). In het kader en binnen de grenzen van hun nationale wetgeving en met het oog op de ontwikkeling van hun hulpbronnen, begunstigen zij de samenwerking tussen de vennootschappen, verenigingen, stichtingen en andere organisaties welke verband houden met het economische leven, alsook de samenwerking tussen al hun onderscheiden onderdanen die economische werkzaamheden uitoefenen.

Artikel V

(1). De Overeenkomstsluitende Partijen bevestigen opnieuw de waarde welke zij toekennen aan het beginsel van de vrijheid der koopvaardij en komen overeen zich van alle discriminatoire handelingen op dit gebied te onthouden.

(3). Met eerbiediging van haar formele internationale verbintenissen, met inbegrip van de in het kader van de Verenigde Naties aangenomen aanbevelingen, neemt elke Overeenkomstsluitende Partij, in het kader van haar wetgeving en haar havenregelingen, de noodzakelijke maatregelen teneinde in haar havens, binnen het mogelijke, de ligtijd van schepen van de andere Overeenkomstsluitende Partij te bekorten en de vervulling van de in genoemde havens van kracht zijnde administratieve, douane- en gezondheidsformaliteiten te vereenvoudigen.

(4). Voor de toepassing van het onderhavige artikel:

Artikel VI

(1). Wat betreft de invordering van belastingen, rechten of heffingen, alsmede de toekenning van fiscale aftrekposten en vrijstellingen, kent elke Overeenkomstsluitende Partij binnen haar grondgebied aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij die economische werkzaamheden verrichten de behandeling toe, welke zij toekent hetzij aan haar eigen onderdanen, hetzij aan onderdanen van derde Staten, indien deze laatste behandeling voor de betrokkene gunstiger is.

(2). Elke Overeenkomstsluitende Partij is vrij uit hoofde van internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing bijzondere fiscale voordelen toe te kennen.

Artikel VII

Onderdanen van elke Overeenkomstsluitende Partij genieten, wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, binnen het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij een bescherming welke niet minder gunstig is dan die welke onderdanen van die andere Overeenkomstsluitende Partij genieten, zonder dat hierdoor inbreuk wordt gemaakt op de rechten welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten welke op het gebied van de industriële eigendom zijn gesloten en voor de Overeenkomstsluitende Partijen verbindend zijn.

Artikel VIII

Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich, overeenkomstig haar van kracht zijnde wetgeving en haar internationale formele verbintenissen, ten opzichte van de andere Overeenkomstsluitende Partij te vergemakkelijken:

Artikel IX

(1). Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt de rechtvaardige en billijke behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij en belemmert niet, door ongerechtvaardigde of discriminatoire maatregelen, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de liquidatie daarvan.

(2). Meer inzonderheid verleent elke Overeenkomstsluitende Partij aan die investeringen dezelfde beveiliging en bescherming als die welke zij verleent hetzij aan investeringen van haar eigen onderdanen hetzij aan investeringen van derde Staten1)[Red: Lees: „hetzij aan investeringen van onderdanen van derde Staten”.], indien deze laatste behandeling voor de investeerder gunstiger is.

Artikel X

Ten aanzien van de binnen het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen onder de voorwaarden van derzelver wetgeving door een onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij gedane investeringen, verbindt die eerste Overeenkomstsluitende Partij zich om, overeenkomstig de bijzondere voorwaarden van de op haar grondgebied ten tijde van de goedkeuring van de betrokken investering van kracht zijnde wetgeving of overeenkomstig een latere gunstiger wetgeving en binnen de normaal voor de vervulling van de noodzakelijke formaliteiten vereiste termijnen, de overmaking, naar het land van de andere Overeenkomstsluitende Partij en in de munteenheid waarin de oorspronkelijke investering is gedaan, met name toe te staan van:

Artikel XI

Geen der Overeenkomstsluitende Partijen kan maatregelen nemen om onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij direct of indirect hun investeringen te ontnemen, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Artikel XII

De Overeenkomstsluitende Partij binnen wier grondgebied een investering is gedaan ten aanzien waarvan de andere Overeenkomstsluitende Partij of één harer onderdanen enige financiële zekerheid tegen niet-commerciële risico's heeft gesteld, erkent de subrogatie van degene die deze zekerheid heeft gesteld in de rechten van de investeerder met betrekking tot schadevergoeding indien op grond van deze zekerheidstelling een betaling is gedaan, en ten belope van de som dier betaling.

Artikel XIII

De Overeenkomstsluitende Partij binnen wier grondgebied een onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij een investering doet of voornemens is te doen, zal instemmen met elk voorstel van de zijde van die onderdaan om enig geschil dat zich terzake van die investering kan voordoen, ter bemiddeling of arbitrage voor te leggen aan het ingevolge het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 opgerichte Internationaal Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen.

Artikel XIV

De onderhavige Overeenkomst is van toepassing op alle investeringen welke binnen het grondgebied van de ene Overeenkomstsluitende Partij onder de in derzelver wetgeving voorziene voorwaarden door onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn gedaan.

Artikel XV

(1). De Overeenkomstsluitende Partijen stellen hiermede een Gemengde Commissie in, welke is samengesteld uit door hen benoemde vertegenwoordigers.

(2). De Gemengde Commissie komt ten verzoeke van een der Overeenkomstsluitende Partijen bijeen om aangelegenheden met betrekking tot de tenuitvoerlegging dezer Overeenkomst te bespreken en om de middelen ter aanmoediging van de economische samenwerking tussen de beide landen te onderzoeken.

(3). De Gemengde Commissie volgt daartoe de ontwikkeling van de economische betrekkingen tussen de beide landen zowel in bilateraal als in multilateraal verband. Daarnaast doet zij aanbevelingen aan de onderscheiden Regeringen in gevallen waarin het mogelijk zou zijn de doeleinden dezer Overeenkomst te bevorderen en een meerdere mate van economische samenwerking te bereiken.

Artikel XVI

Wanneer een aangelegenheid tegelijk is geregeld bij de onderhavige Overeenkomst en bij een andere internationale overeenkomst welke voor de Overeenkomstsluitende Partijen verbindend is, doet geen enkele bepaling van de onderhavige Overeenkomst afbreuk aan het recht van een onderdaan van een Overeenkomstsluitende Partij om zich op de voor hem gunstigste bepalingen te beroepen.

Artikel XVII

(1). Elk geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen ter zake van de uitlegging of de toepassing van de onderhavige Overeenkomst dat niet op andere wijze kan worden geregeld, wordt, ten verzoeke van een der partijen bij het geschil, aan een uit drie leden bestaand scheidsgerecht voorgelegd. Elke partij wijst een scheidsman aan. De aldus aangewezen scheidsmannen benoemen een derde scheidsman, die geen onderdaan van een der partijen is.

(2). Indien één der partijen zijn scheidsman niet heeft aangewezen en binnen twee maanden geen gevolg heeft gegeven aan een uitnodiging van de andere partij om tot die aanwijzing over te gaan, wordt de scheidsman, ten verzoeke van die laatste partij, door de President van het Internationaal Gerechtshof benoemd.

(3). Indien de twee scheidsmannen niet, binnen twee maanden na hun aanwijzing, tot overeenstemming kunnen komen over de keuze van de derde scheidsman, zal deze, ten verzoeke van één der partijen, door de President van het Internationaal Gerechtshof worden benoemd.

(4). Indien, in de gevallen voorzien in het tweede en het derde lid van het onderhavige artikel, de President van het Internationaal Gerechtshof verhinderd is genoemde functie uit te oefenen of indien hij onderdaan van één der partijen is, worden de benoemingen door de Vice-President gedaan, Indien de Vice-President verhinderd is genoemde functie uit te oefenen of indien hij onderdaan van een der partijen is, worden de benoemingen door het lid van het Hof gedaan, dat het hoogst in anciënniteit is en dat geen onderdaan van een der partijen is.

(5). Het scheidsgerecht doet een uitspraak op de grondslag van de eerbiediging van het recht. Alvorens zijn uitspraak te doen kan het, in elke stand van het geding, een minnelijke schikking van het geschil aan partijen voorstellen. Bovenvermelde bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht om een uitspraak ex aequo et bono te doen indien partijen daarmede instemmen.

(6). Tenzij partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedure vast.

(7). Het scheidsgerecht doet zijn uitspraak bij meerderheid van stemmen. Deze uitspraak is onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil.

Artikel XVIII

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is de onderhavige Overeenkomst van toepassing op het in Europa gelegen grondgebied van het Koninkrijk, op Suriname en op de Nederlandse Antillen, tenzij de akte van bekrachtiging van het Koninkrijk der Nederlanden anders bepaalt.

Artikel XIX

(1). De onderhavige Overeenkomst wordt bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden zo spoedig mogelijk te 's-Gravenhage uitgewisseld.

(2). De onderhavige Overeenkomst treedt in werking op de 30ste dag na de datum van de uitwisseling van de akten van bekrachtiging en is geldig voor een tijdvak van 10 jaren.

Tenzij de opzegging door één der Overeenkomstsluitende Partijen ten minste zes maanden vóór de datum van beëindiging van het tijdvak van geldigheid wordt medegedeeld, wordt de onderhavige Overeenkomst stilzwijgend voor een nieuw tijdvak van 10 jaren verlengd, en vervolgens voor gelijke tijdvakken, met dien verstande dat elke Overeenkomstsluitende Partij zich het recht voorbehoudt de Overeenkomst, met inachtneming van een termijn van ten minste zes maanden vóór de datum van beëindiging van het lopende tijdvak van geldigheid op te zeggen.

(3). Met inachtneming van de in het tweede lid van het onderhavige artikel genoemde termijnen, kan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden de toepassing van de onderhavige Overeenkomst afzonderlijk beëindigen wat betreft Suriname of de Nederlandse Antillen.

(4). Ten aanzien van vóór de datum van beëindiging van de onderhavige Overeenkomst gedane investeringen blijven de voorgaande artikelen gedurende een tijdvak van 10 jaren te rekenen van die datum van kracht.

EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord.

FAIT à Rabat, le 23 Décembre 1971, en deux exemplaires en langue française.

Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas:

(s.) C. VREEDE

Pour le Gouvernement du Royaume du Maroc:

(s.) ABDELLATIF FILALI

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.