Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand
De Partijen bij dit Verdrag,
Vastbesloten de betrekkingen en de samenwerking op het gebied van de milieubescherming te bevorderen;
Zich bewust van het belang van de activiteiten van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met het oog op de versteviging van deze betrekkingen en samenwerking, speciaal op het gebied van de luchtverontreiniging, waaronder het transport van lucht verontreinigende stoffen over lange afstand;
Met erkenning van de bijdrage van de Economische Commissie voor Europa tot de multilaterale uitvoering van de ter zake dienende bepalingen van de Slotakte van de Conferentie inzake veiligheid en samenwerking in Europa;
Rekening houdend met de in het hoofdstuk milieu van de Slotakte van de Conferentie inzake veiligheid en samenwerking in Europa geformuleerde aansporing tot samenwerking bij het bestrijden van de luchtverontreiniging en de gevolgen ervan, waaronder het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand alsmede tot de uitwerking, via internationale samenwerking, van een uitgebreid programma voor de bewaking en de evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand, te beginnen met zwaveldioxyde, welk programma mogelijk zal worden uitgebreid tot andere verontreinigende stoffen;
Overwegende de ter zake dienende bepalingen van de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties met betrekking tot het leefmilieu van de mens en met name beginsel 21, waarin de gemeenschappelijke overtuiging is neergelegd dat de Staten, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieubeleid, alsmede ervoor verantwoordelijk zijn dat activiteiten, verricht onder hun rechtsmacht of toezicht geen schade veroorzaken aan het milieu van andere staten of van gebieden die buiten de grenzen van de nationale rechtsmacht vallen;
Erkennende dat luchtverontreiniging, waaronder grensoverschrijdende luchtverontreiniging op korte en lange termijn, schadelijke gevolgen kan hebben;
Bevreesd dat een toeneming van de emissies van luchtverontreinigende stoffen binnen de regio zulke schadelijke gevolgen zal vergroten;
Erkennende dat de invloeden van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand moeten worden bestudeerd en dat er oplossingen moeten worden gevonden voor de onderkende problemen;
Nogmaals uiting gevend aan hun bereidheid de actieve internationale samenwerking te versterken ten einde een passend nationaal beleid uit te werken en door uitwisseling van informatie, overleg, onderzoek en bewaking de in nationaal verband getroffen maatregelen ter bestrijding van luchtverontreiniging, waaronder grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, te coördineren,
Zijn overeengekomen als volgt:
BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1
In de zin van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a). „Luchtverontreiniging” het direct dan wel indirect door de mens brengen van stoffen of energie in de lucht met zodanige schadelijke gevolgen dat de gezondheid van de mens in gevaar wordt gebracht, biologische hulpbronnen, ecosystemen en materiële goederen worden geschaad, afbreuk wordt gedaan aan de leefbaarheid van het milieu en ander rechtmatig gebruik van het milieu belemmering ondervindt; het begrip „luchtverontreinigende stof” wordt in dezelfde zin opgevat;
- b). „Grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand” luchtverontreiniging waarvan de materiële bron geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen het gebied dat onder de rechtsmacht van een staat valt en die schadelijke gevolgen heeft in het gebied onder de rechtsmacht van een andere staat op een zodanige afstand dat in de regel geen onderscheid kan worden gemaakt tussen het aandeel van afzonderlijke emissiebronnen of groepen van emissiebronnen.
GRONDBEGINSELEN
Artikel 2
De Verdragsluitende Partijen zijn, met inachtneming van de desbetreffende feiten en vraagstukken, vastbesloten de mens en diens milieu te beschermen tegen luchtverontreiniging en trachten de luchtverontreiniging, waaronder grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, te beperken en voor zover mogelijk geleidelijk te verminderen en te voorkomen.
Artikel 3
De Verdragsluitende Partijen werken, binnen het kader van dit Verdrag, door middel van uitwisseling van informatie, overleg, onderzoek en bewaking, binnen niet al te lange tijd een beleid en strategieën uit ter bestrijding van uitworp van luchtverontreinigende stoffen met inachtneming van de op nationaal en internationaal niveau reeds gedane inspanningen.
Artikel 4
De Verdragsluitende Partijen wisselen informatie uit over en geven een overzicht van hun beleid, wetenschappelijke activiteiten en technische maatregelen die beogen de uitworp van luchtverontreinigende stoffen, die schadelijke gevolgen kunnen hebben, zoveel mogelijk te bestrijden om aldus een bijdrage te leveren aan de vermindering van luchtverontreiniging, waaronder grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand.
Artikel 5
Desgevraagd vindt in een vroegtijdig stadium overleg plaats tussen enerzijds de Verdragsluitende Partijen die daadwerkelijk worden getroffen door grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand of zijn blootgesteld aan een aanmerkelijk risico wat een dergelijke verontreiniging betreft en anderzijds de Verdragsluitende Partijen op het grondgebied en onder de rechtsmacht waarvan in verband met aldaar uitgevoerde of overwogen activiteiten een aanzienlijke mate van grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand ontstaat of kan ontstaan.
BEHEER VAN DE LUCHTKWALITEIT
Artikel 6
Met inachtneming van de artikelen 2 tot en met 5, het lopende onderzoek, de uitwisseling van informatie, de bewaking en de resultaten daarvan, de kosten en doeltreffendheid van plaatselijk getroffen en andere corrigerende maatregelen en ten einde de luchtverontreiniging te bestrijden, in het bijzonder die welke wordt veroorzaakt door nieuwe of gewijzigde installaties, verbindt iedere Verdragsluitende Partij zich ertoe het beste beleid en de beste strategieën te ontwikkelen, waaronder systemen voor het beheer van de luchtkwaliteit en, als onderdeel daarvan, controlemaatregelen die verenigbaar zijn met een evenwichtige ontwikkeling, in het bijzonder door gebruik te maken van de beste technieken die beschikbaar en economisch gezien toepasbaar zijn en van technieken waarbij weinig of geen afvalstoffen ontstaan.
ONDERZOEK EN ONTWIKKELING
Artikel 7
De Verdragsluitende Partijen nemen, naar gelang van hun behoeften, het initiatief tot en werken samen bij het onderzoek naar en/of de ontwikkeling van:
- a). bestaande en geplande technieken voor de beperking van de emissies van zwavelverbindingen en andere belangrijke luchtverontreinigende stoffen, waaronder de technische en economische uitvoerbaarheid en de weerslag ervan op het milieu;
- b). het gebruik, van instrumenten en andere technieken voor de bewaking en de meting van emissiesnelheden en omgevingsconcentraties van luchtverontreinigende stoffen;
- c). verbeterde modellen voor een beter begrip van het transport van grensoverschrijdende luchtverontreinigende stoffen over lange afstand;
- d). de gevolgen van zwavelverbindingen en andere belangrijke luchtverontreinigende stoffen voor de gezondheid van de mens en het milieu, waaronder landbouw, bosbouw, materialen, aquatische en andere ecosystemen en het zicht, ten einde een wetenschappelijke basis te leggen voor de relatie dosis/gevolgen met het oog op de milieubescherming;
- e). de beoordeling vanuit economisch, sociaal en ecologisch oogpunt van alternatieve maatregelen ter verwezenlijking van de milieudoelstellingen, waaronder de beperking van grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand;
- f). onderwijs- en opleidingsprogramma's in verband met de milieuaspecten van verontreiniging door zwavelverbindingen en andere belangrijke luchtverontreinigende stoffen.
UITWISSELING VAN INFORMATIE
Artikel 8
In het kader van het uitvoerend orgaan, bedoeld in artikel 10, of bilateraal, wisselen de Verdragsluitende Partijen in hun gemeenschappelijk belang informatie uit over:
- a). de emissies over nader vast te stellen perioden van onderling overeengekomen luchtverontreinigende stoffen, te beginnen met zwaveldioxyde en voor gebiedsrasters van overeengekomen grootte, of inzake de stromen van onderling overeengekomen luchtverontreinigende stoffen, over de landsgrenzen, over nader vast te stellen afstanden en perioden;
- b). belangrijke wijzigingen in het nationale beleid en in de industriële ontwikkeling in het algemeen, en de mogelijke gevolgen daarvan, die aanzienlijke veranderingen teweeg kunnen brengen in de grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand;
- c). de technieken voor de beperking van luchtverontreiniging die van belang zijn voor de grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand;
- d). de geraamde kosten van de bestrijding op het nationale vlak van emissies van zwavelverbindingen en van andere belangrijke luchtverontreinigende stoffen;
- e). de meteorologische en fysisch-chemische gegevens met betrekking tot de verschijnselen die zich voordoen tijdens het transport van de verontreinigende stoffen;
- f). de fysisch-chemische en biologische gegevens met betrekking tot de gevolgen van grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en de omvang van de schade 1)Het onderhavige Verdrag bevat geen bepalingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van een Staat in geval van schade.die volgens deze gegevens kan worden toegeschreven aan de grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand;
- g). het beleid en de strategieën op nationaal, subregionaal en regionaal niveau voor de bestrijding van zwavelverbindingen en andere belangrijke luchtverontreinigende stoffen.
UITVOERING EN UITBREIDING VAN HET PROGRAMMA VOOR SAMENWERKING INZAKE DE BEWAKING EN DE EVALUATIE VAN HET TRANSPORT VAN LUCHTVERONTREINIGENDE STOFFEN OVER LANGE AFSTAND IN EUROPA
Artikel 9
De Verdragsluitende Partijen benadrukken de noodzaak van de tenuitvoerlegging van het bestaande „programma tot samenwerking voor de bewaking en de evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa” (hierna te noemen het EMEP) en komen overeen dat bij de uitbreiding van dit programma het volgende centraal zal komen te staan:
- a). de wenselijkheid dat de Verdragsluitende Partijen zich aansluiten bij het EMEP, welk programma in een eerste stadium is gebaseerd op de bewaking van zwaveldioxyde en aanverwante stoffen en dit volledig ten uitvoer leggen;
- b). de noodzaak, waar zulks mogelijk is, vergelijkbare of genormaliseerde bewakingsmethoden te gebruiken;
- c). de wenselijkheid dat het bewakingsprogramma wordt gesitueerd in het kader van zowel nationale als internationale programma's. De oprichting van bewakingsstations en de verzameling van gegevens vallen onder de rechtsmacht van het land waar de bewakingsstations worden gevestigd;
- d). de wenselijkheid dat er een kader wordt ontworpen voor een op samenwerking gebaseerd milieubewakingsprogramma, dat berust op en waarbij rekening wordt gehouden met de huidige en toekomstige nationale, subregionale, regionale en andere internationale programma's;
- e). de noodzaak gegevens uit te wisselen met betrekking tot de emissies over nader vast te stellen perioden van onderling overeengekomen luchtverontreinigende stoffen, te beginnen met zwaveldioxyde, voor gebiedsrasters van overeengekomen grootte, of met betrekking tot de stromen van overeengekomen luchtverontreinigende stoffen, te beginnen met zwaveldioxyde, over de landsgrenzen, over nader vast te stellen afstanden en perioden. De methode, met inbegrip van het model, gebruikt voor de bepaling van de stromen alsmede de methode, met inbegrip van het model, gebruikt voor de bepaling van het transport van luchtverontreinigende stoffen, gebaseerd op de emissies per gebiedsraster, worden ter beschikking gesteld en worden op gezette tijden met het oog op eventuele verbetering opnieuw bezien;
- f). de bereidheid de uitwisseling en periodieke bijwerking van nationale gegevens met betrekking tot totale emissies van overeengekomen luchtverontreinigende stoffen, te beginnen met zwaveldioxyde, voort te zetten;
- g). de noodzaak meteorologische en fysisch-chemische gegevens te verschaffen met betrekking tot de processen, die zich voordoen tijdens het transport;
- h). de noodzaak zorg te dragen voor de bewaking van chemische componenten in andere natuurlijke milieus, zoals water, bodem en vegetatie en een soortgelijk bewakingsprogramma in te stellen om de gevolgen voor gezondheid en milieu te registreren;
- i). de wenselijkheid dat de nationale EMEP-netwerken worden uitgebreid, opdat deze kunnen worden aangewend voor controle- en bewakingsdoeleinden.
UITVOEREND ORGAAN
Artikel 10
De vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen richten binnen het kader van het orgaan van Hoge Beleidsadviseurs voor milieuvraagstukken de bij de Economische Commissie voor Europa aangesloten Regeringen, het uitvoerend orgaan voor dit Verdrag op en komen ten minste jaarlijks in die hoedanigheid bijeen.
Het uitvoerend orgaan:
- a). houdt toezicht op de uitvoering van dit Verdrag;
- b). richt zonodig werkgroepen op om kwesties verband houdende met de uitvoering en nadere uitwerking van het onderhavige Verdrag te bezien en de daartoe noodzakelijke studies en andere documentatie te verzorgen en aanbevelingen te doen aan het uitvoerend orgaan;
- c). vervult alle andere noodzakelijke functies krachtens de bepalingen van dit Verdrag.
Het uitvoerend orgaan maakt gebruik van de diensten van het bestuursorgaan van het EMEP, opdat dit programma ten volle kan bijdragen tot de werking van dit Verdrag, speciaal met betrekking tot de verzameling van gegevens en de wetenschappelijke samenwerking.
Bij de vervulling van zijn taken maakt het uitvoerend orgaan, wanneer het zulks wenselijk acht ook gebruik van informatie van andere betrokken internationale organisaties.
SECRETARIAAT
Artikel 11
De uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa vervult ten behoeve van het uitvoerend orgaan de volgende taken:
- a). het bijeenroepen en voorbereiden van de vergaderingen van het uitvoerend orgaan;
- b). toezending aan de Verdragsluitende Partijen van uit hoofde van de bepalingen van het onderhavige Verdrag ontvangen rapporten en andere informatie;
- c). alle andere taken waarmede hij door het uitvoerend orgaan wordt belast.
WIJZIGING VAN HET VERDRAG
Artikel 12
Alle Verdragsluitende Partijen mogen wijzigingen in het onderhavige Verdrag voorstellen.
De tekst van de voorgestelde wijzigingen dient schriftelijk te worden voorgelegd aan de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die hiervan mededeling doet aan alle Verdragsluitende Partijen. Het uitvoerend orgaan bespreekt de voorgestelde wijzigingen op zijn eerstvolgende jaarlijkse vergadering, mits de wijzigingsvoorstellen door de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa ten minste negentig dagen voordien onder de Verdragsluitende Partijen zijn verspreid.
Een wijziging van dit Verdrag moet met algemene stemmen door de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen worden aangenomen en wordt voor de Verdragsluitende Partijen die de wijziging hebben aanvaard, van kracht op de negentigste dag na de datum waarop tweederde van de Verdragsluitende Partijen een akte van aanvaarding hebben nedergelegd bij de depositaris.
Daarna wordt de wijziging voor elke andere Verdragsluitende Partij van kracht negentig dagen na de datum waarop die Verdragsluitende Partij haar akte van aanvaarding van de wijziging heeft nedergelegd.
REGELING VAN GESCHILLEN
Artikel 13
Indien tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen bij dit Verdrag een geschil is gerezen ten aanzien van de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, trachten deze tot een oplossing te komen door middel van onderhandeling of enige andere methode voor het regelen van geschillen, die voor de Partijen aanvaardbaar is.
ONDERTEKENING
Artikel 14
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Economische Commissie voor Europa, door Staten die slechts een raadgevende status bij de Economische Commissie voor Europa hebben krachtens paragraaf 8 van Resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947 en door organisaties voor regionale economische integratie, die door soevereine Staten die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa zijn opgericht en bevoegd zijn te onderhandelen over internationale overeenkomsten met betrekking tot onder dit Verdrag vallende zaken en dergelijke overeenkomsten te sluiten en toe te passen, ten kantore van de Verenigde Naties in Genève van 13 tot 16 november 1979 ter gelegenheid van de vergadering op hoog niveau in het kader van de Economische Commissie voor Europa inzake de bescherming van het milieu.
Wanneer het aangelegenheden betreft die onder hun bevoegdheid vallen kunnen deze organisaties voor regionale economische integratie zelfstandig de rechten uitoefenen en de taken vervullen die bij dit Verdrag aan de respectieve Lid-Staten worden toegekend. In dergelijke gevallen mogen de Lid-Staten van deze organisaties deze rechten niet individueel uitoefenen.
BEKRACHTIGING, AANVAARDING; GOEDKEURING EN TOETREDING
Artikel 15
Dit Verdrag moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd.
Dit Verdrag staat vanaf 17 november 1979 open voor toetreding door de Staten en organisaties, bedoeld in artikel 14, eerste lid.
De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die als depositaris fungeert.
INWERKINGTREDING
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.