Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 6 juni 1973 in haar achtenvijftigste zitting;
Besloten hebbende tot het aanvaarden van diverse voorstellen betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt;
Gelet op de bepalingen van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1919, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1920, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (landbouw), 1921, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (tremmers en stokers), 1921, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1932, van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1936, van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1937, van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1937, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (visserij), 1959, en van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (ondergrondse arbeid) 1965;
Overwegende dat de tijd is gekomen voor het aanvaarden van een algemene regeling inzake dit onderwerp die geleidelijk de bestaande, voor beperkte economische sectoren van toepassing zijnde regeling zou moeten vervangen, met het oog op de algehele afschaffing van de kinderarbeid;
Besloten hebbende dat deze regeling de vorm van een internationaal Verdrag zal krijgen,
Neemt heden, de zesentwintigste juni negentienhonderd drieënzeventig, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973:
Artikel 1
Elk Lid voor wie dit Verdrag van kracht is, verbindt zich tot het voeren van een nationaal beleid dat gericht is op het waarborgen van de daadwerkelijke afschaffing van de kinderarbeid en op de geleidelijke verhoging van de minimumleeftijd voor toelating tot arbeid in en buiten dienstverband tot een niveau dat jeugdige personen in staat stelt de meest volledige lichamelijke en geestelijke ontwikkeling te bereiken.
Artikel 2
Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt moet, in een als bijlage aan zijn akte van bekrachtiging toegevoegde verklaring, een minimumleeftijd vermelden voor toelating tot arbeid in en buiten dienstverband op zijn grondgebied en in de op zijn grondgebied geregistreerde middelen van vervoer; onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 4 en 8 van dit Verdrag mag geen enkele persoon, wiens leeftijd beneden dit minimum ligt, toegelaten worden tot arbeid in en buiten dienstverband in welk beroep dan ook.
Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd kan later aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, door middel van nieuwe verklaringen, mededelen dat het de eerder vermelde minimumleeftijd verhoogt.
De overeenkomstig het eerste lid van dit artikel genoemde minimumleeftijd mag niet lager zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht eindigt en in ieder geval niet lager dan vijftien jaar.
Niettegenstaande het bepaalde in het derde lid van dit artikel kan elk Lid waarvan de economie en de onderwijsinstellingen niet voldoende tot ontwikkeling zijn gekomen, na overleg met de betrokken werkgevers en werknemersorganisaties, indien deze bestaan, in een eerste fase een minimumleeftijd van veertien jaar vaststellen.
Elk Lid dat krachtens het bepaalde in het voorgaande lid een minimumleeftijd van veertien jaar heeft vastgesteld dient, in de verslagen het krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie verplicht is over te leggen, te verklaren:
- a). dat het motief voor zijn beslissing nog steeds bestaat;
- b). dat het zich met ingang van een bepaalde datum niet langer beroept op het vierde lid van dit artikel.
Artikel 3
De minimumleeftijd voor toelating tot iedere vorm van arbeid in en buiten dienstverband die krachtens de aard van de arbeid of de omstandigheden waaronder deze wordt uitgevoerd de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van jeugdige personen in gevaar kan brengen, mag niet lager zijn dan achttien jaar.
De vormen van arbeid in en buiten dienstverband bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden bepaald door de nationale wetgeving of de bevoegde autoriteit, na overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, indien deze bestaan.
Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit artikel kan de nationale wetgeving of de bevoegde autoriteit, na overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, indien deze bestaan, toestemming verlenen tot arbeid van jeugdige personen vanaf de zestienjarige leeftijd, mits hun gezondheid, veiligheid en zedelijkheid ten volle zijn gewaarborgd en zij in de overeenkomstige bedrijfstak een specifieke en doeltreffende scholing of beroepsopleiding hebben ontvangen.
Artikel 4
Voor zover noodzakelijk en na overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, indien deze bestaan, heeft de bevoegde autoriteit de mogelijkheid dit Verdrag niet toe te passen op een bepaald aantal categorieën van arbeid, wanneer de toepassing van dit Verdrag op deze categorieën bijzondere en belangrijke problemen ten aanzien van de uitvoering zou doen ontstaan.
Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt dient, in het eerste verslag omtrent de toepassing van dit Verdrag dat het krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie verplicht is over te leggen, een met redenen omklede opgave te doen van de categorieën van arbeid die krachtens het eerste lid van dit artikel van de toepasselijkheid zouden zijn uitgesloten en in zijn latere verslagen een uiteenzetting te geven van de stand van zijn wetgeving en de door hem gevolgde praktijk ten aanzien van deze categorieën, waarbij het nauwkeurig dient te vermelden in welke mate het gevolg heeft gegeven of zich voorstelt te geven aan de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van genoemde categorieën.
Op grond van dit artikel is het niet mogelijk arbeid zoals bedoeld in artikel 3 van de toepassingssfeer van dit Verdrag uit te sluiten.
Artikel 5
Elk Lid waarvan de economie en de overheidsdiensten nog niet voldoende tot ontwikkeling zijn gekomen kan, na overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, indien deze bestaan, in een eerste fase de toepassingssfeer van dit Verdrag beperken.
Elk Lid dat zich beroept op het eerste lid van dit artikel dient, in een als bijlage aan zijn akte van bekrachtiging toegevoegde verklaring, de economische bedrijfstakken of de soort ondernemingen te vermelden waarop de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn.
De toepassingssfeer van dit Verdrag dient ten minste te omvatten: de winning van bodemschatten; industrie; bouwbedrijf; en openbare werken: elektriciteits-, gas- en watervoorziening; sanitaire dienst; vervoer; goederenopslag en communicatie; plantages en andere landbouwondernemingen die hoofdzakelijk voor handelsdoeleinden worden geëxploiteerd, met uitzondering van familiebedrijven of bedrijven van geringe omvang, welke voor plaatselijk gebruik produceren en niet regelmatig arbeiders in loondienst hebben.
Elk Lid dat krachtens dit artikel de toepassingssfeer van het Verdrag heeft beperkt:
- a). dient, in de verslagen die het krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie verplicht is over te leggen, de algemene situatie weer te geven van de arbeid van jeugdige personen en kinderen in de bedrijfstakken die van de toepassingssfeer van dit Verdrag zijn uitgesloten, alsmede van iedere vooruitgang die bereikt is ten aanzien van een ruimere toepassing van de bepalingen van het Verdrag;
- b). kan te allen tijde de toepassingssfeer van het Verdrag uitbreiden door middel van een verklaring, gericht aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
Artikel 6
Dit Verdrag is niet van toepassing op arbeid die wordt verricht door kinderen of jeugdige personen in instellingen voor algemeen onderwijs, in scholen voor beroepsonderwijs of technisch onderwijs of in andere instellingen voor beroepsvorming, noch op arbeid die wordt verricht door personen van ten minste veertien jaar in bedrijven, wanneer deze arbeid verricht wordt overeenkomstig de voorwaarden die door de bevoegde autoriteit zijn voorgeschreven, na overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, indien deze bestaan, en deze arbeid deel uitmaakt van:
- a). onderwijs of beroepsopleiding, waarvoor een school of instelling voor beroepsopleiding in eerste instantie verantwoordelijk is;
- b). een programma voor beroepsopleiding, dat is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit en hoofdzakelijk of geheel en al in een onderneming plaatsvindt;
- c). een voorlichtingsprogramma voor beroepskeuze, dat ten doel heeft de keuze van een beroep of een bepaalde soort beroepsopleiding te vergemakkelijken.
Artikel 7
De nationale wetgeving kan toestemming verlenen om voor lichte werkzaamheden personen van dertien tot vijftien jaar in dienst te nemen of hen dergelijke werkzaamheden te laten uitvoeren, op voorwaarde dat deze:
- a). niet schadelijk zijn voor hun gezondheid of ontwikkeling;
- b). niet van zodanige aard zijn dat zij hen verhinderen de school regelmatig te bezoeken, deel te nemen aan door de bevoegde autoriteit goedgekeurde programma's voor beroepskeuze voorlichting of programma's voor beroepsopleiding, of profijt te trekken van het ontvangen onderricht.
De nationale wetgeving kan eveneens, onverminderd de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, letter a) en b), van dit artikel, toestemming verlenen om personen van ten minste vijftien jaar wier leerplicht nog niet is beëindigd, in dienst te nemen of arbeid te doen verrichten.
De bevoegde autoriteit bepaalt op welke terreinen de toestemming tot het doen verrichten van arbeid in of buiten dienstverband kan worden verleend, overeenkomstig het eerste en tweede lid van dit artikel en schrijft de duur van de desbetreffende arbeid in uren, alsmede de arbeidsvoorwaarden voor.
Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel kan een Lid dat van het bepaalde in het vierde lid van artikel 2 gebruik heeft gemaakt, gedurende de tijd dat het er zich op beroept, de leeftijden van dertien en vijftien jaar genoemd in het eerste lid, vervangen door de leeftijden van twaalf en veertien jaar en de leeftijd van vijftien jaar genoemd in het tweede lid van dit artikel, door de leeftijd van veertien jaar.
Artikel 8
Na overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, indien deze bestaan, kan de bevoegde autoriteit, in afwijking van het verbod op arbeid in of buiten dienstverband als bedoeld in artikel 2 van dit Verdrag, in individuele gevallen toestemming verlenen tot deelname aan activiteiten, zoals uitvoeringen op kunstzinnig gebied.
De aldus verleende vergunningen dienen de duur van de toegestane arbeid in of buiten dienstverband in uren te beperken en de arbeidsvoorwaarden voor te schrijven.
Artikel 9
De bevoegde autoriteit dient alle noodzakelijke maatregelen te nemen, met inbegrip van passende strafmaatregelen, ten einde de daadwerkelijke toepassing van de bepalingen van dit Verdrag te waarborgen.
De nationale wetgeving of de bevoegde autoriteit dient de personen aan te wijzen die verantwoordelijk zijn voor het naleven van de bepalingen welke uitvoering geven aan het Verdrag.
De nationale wetgeving of de bevoegde autoriteit dient de registers of andere documenten vast te stellen, welke de werkgever moet aanhouden en voor controle beschikbaar moet stellen; deze registers of documenten moeten aangeven de naam alsmede de leeftijd dan wel de geboortedatum, een en ander voorzover mogelijk deugdelijk gewaarmerkt, van alle beneden achttienjarigen, die hij in dienst heeft of die voor hem werken.
Artikel 10
Dit Verdrag herziet het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1919, het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1920, het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (landbouw), 1921, het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (tremmers en stokers), 1921, het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1932, het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1936, het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1937, het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1937, het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (visserij), 1959, en het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (ondergrondse arbeid), 1965, onder de hierna genoemde voorwaarden.
De inwerkingtreding van dit Verdrag sluit het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1936, het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1937, het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1937, het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (visserij), 1959, en het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (ondergrondse arbeid), 1965, niet uit van verdere bekrachtiging.
Het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1919, het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1920, het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (landbouw), 1921, en het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (tremmers en stokers), 1921, worden van iedere verdere bekrachtiging uitgesloten, wanneer alle Lid-Staten die Partij zijn bij deze Verdragen hierin zullen toestemmen, hetzij door bekrachtiging van dit Verdrag, hetzij door een verklaring die wordt overgelegd aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
Wanneer de verplichtingen van dit Verdrag zijn aanvaard:
- a). door een Lid dat Partij is bij het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1937, en overeenkomstig artikel 2 van dit Verdrag een minimumleeftijd is vastgesteld van ten minste vijftien jaar, houdt dit ipso jure de onmiddellijke opzegging in van het Verdrag inzake de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1937;
- b). ten aanzien van niet-industriële werkzaamheden, in de zin van het Verdrag inzake de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1932, door een Lid dat Partij is bij laatstbedoeld Verdrag, houdt dit ipso jure de onmiddellijke opzegging in van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1932;
- c). ten aanzien van niet-industriële arbeid, in de zin van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1937, door een Lid dat Partij is bij laatstbedoeld Verdrag, en overeenkomstig artikel 2 van dit Verdrag een minimumleeftijd is vastgesteld van ten minste vijftien jaar, houdt dit ipso jure de onmiddellijke opzegging in van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1937;
- d). ten aanzien van arbeid op zee, door een Lid dat Partij is bij het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1936, en overeenkomstig artikel 2 van dit Verdrag een minimumleeftijd is vastgesteld van ten minste vijftien jaar, ofwel door het Lid is bepaald dat artikel 3 van dit Verdrag van toepassing is op arbeid op zee, houdt dit ipso jure de onmiddellijke opzegging in van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1936;
- e). ten aanzien van de visserij, door een Lid dat Partij is bij het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (visserij), 1959, en overeenkomstig artikel 2 van dit Verdrag een minimumleeftijd is vastgesteld van ten minste vijftien jaar ofwel door het Lid is bepaald dat artikel 3 Van dit Verdrag van toepassing is op de visserij, houdt dit ipso jure de onmiddellijke opzegging in van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (visserij), 1959;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.