Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut

Type Verdrag
Publication 2007-05-01
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Vastbesloten de vooruitgang te bevorderen van de kennis op voor de ontwikkeling van Europa bijzonder belangrijke gebieden, met name Europese cultuur, geschiedenis, recht, economie en instellingen;

Verlangende een samenwerking op deze gebieden te bevorderen en te bewerken dat er gezamenlijk onderzoek wordt verricht;

Besloten hebbende de voornemens te verwezenlijken die op dit gebied werden geformuleerd in de verklaringen, aangenomen door de Staatshoofden of Regeringsleiders die op 18 juli 1961 te Bonn en op 1 en 2 december 1969 te Den Haag bijeen waren;

Overwegende dat een nieuwe bijdrage dient te worden geleverd tot het intellectuele leven van Europa en dat in deze geest een Europees instituut op het hoogste universitaire niveau dient te worden opgericht;

Hebben besloten een Europees Universitair Instituut op te richten en de voorwaarden voor de werking ervan vast te stellen, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

De heer Léon Hurez,

Minister van Nationale Opvoeding (F);

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

De heer Rolf Lahr,

Ambassadeur van de Bondsrepubliek Duitsland te Rome;

De President van de Franse Republiek:

De heer Jacques Duhamel,

Minister van Culturele Zaken;

De President van de Italiaanse Republiek:

De heer Aldo Moro,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De heer Riccardo Misasi,

Minister van Nationale Opvoeding;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:

De heer Jean Dupong,

Minister van Nationale Opvoeding;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

De heer Th. E. Westerterp,

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, overeenstemming hebben bereikt omtrent de volgende bepalingen:

HOOFDSTUK I. Grondslagen voor de oprichting van het Instituut

Artikel 1

Bij deze Overeenkomst richten de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen (hierna Overeenkomstsluitende Staten genoemd) gezamenlijk het Europees Universitair Instituut (hierna Instituut genoemd) op, dat rechtspersoonlijkheid bezit.

Het Instituut is gevestigd te Florence.

Artikel 2
1.

Het Instituut heeft tot taak om middels activiteiten op het gebied van het hoger onderwijs en het onderzoek bij te dragen tot de uitbouw van het culturele en wetenschappelijke erfdeel van Europa, in zijn eenheid en zijn verscheidenheid. De werkzaamheden hebben tevens betrekking op de grote stromingen en de instellingen die kenmerkend zijn voor de geschiedenis en de ontwikkeling van Europa. Bij deze werkzaamheden wordt rekening gehouden met de culturele en taalkundige pluriformiteit van Europa en met de banden met de beschavingen buiten Europa.

Deze taak wordt verricht door middel van onderwijs en onderzoek op het hoogste universitaire niveau.

In het kader van het algemeen programma van zijn wetenschappelijke werkzaamheden zet het Instituut interdisciplinaire onderzoekprogramma’s op over de belangrijkste problemen waarmee de hedendaagse Europese samenleving wordt geconfronteerd, inzonderheid de problemen die verband houden met de opbouw van Europa.

2.

Het Instituut moet tevens een ontmoetingsplaats zijn voor de uitwisseling van ideeën en ervaringen over onderwerpen die vallen onder de studierichtingen, die tot het studie- en onderzoekterrein van het Instituut behoren.

Artikel 3
1.

De Overeenkomstsluitende Staten treffen alle maatregelen die nodig zijn om de vervulling van de taak van het Instituut te vergemakkelijken, zulks met eerbiediging van de vrijheid van onderzoek en onderwijs.

2.

De Overeenkomstsluitende Staten stimuleren de uitstralende werking van het Instituut in de wereld van het hoger onderwijs en de wetenschappen. Te dien einde staan zij het Instituut bij om een passende samenwerking met de op hun grondgebied gelegen universitaire en wetenschappelijke instellingen, alsook met de Europese en internationale organisaties op het gebied van onderwijs, cultuur en onderzoek tot stand te brengen.

3.

In het kader van zijn bevoegdheden werkt het Instituut samen met de universiteiten en alle nationale of internationale instellingen voor onderwijs en onderzoek, die het Instituut bijstand wensen te verlenen; het Instituut kan met Staten en met internationale organisaties overeenkomsten sluiten.

Artikel 4

Het Instituut en het personeel daarvan genieten, overeenkomstig het aan deze Overeenkomst gehechte Protocol dat een integrerend bestanddeel daarvan vormt, de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor de uitoefening van hun taak.

Het Instituut sluit met de Regering van de Italiaanse Republiek een vestigingsovereenkomst, die met eenparigheid van stemmen door de Raad van Bestuur wordt goedgekeurd.

HOOFDSTUK II. Bestuurlijke structuur

Artikel 5

De organen van het Instituut zijn:

Artikel 6
1.

De Raad van Bestuur bestaat uit Vertegenwoordigers van de Regeringen der Overeenkomstsluitende Staten; elke Regering beschikt over één stem in deze Raad en vaardigt er twee vertegenwoordigers naar af.

De Raad komt ten minste eenmaal per jaar te Florence bijeen.

2.

Het voorzitterschap van de Raad van Bestuur wordt voor de duur van een jaar door de Overeenkomstsluitende Staten bij toerbeurt vervuld.

3.

De President van het Instituut, de Algemeen Secretaris en een vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschappen nemen, zonder stemrecht te hebben, deel aan de vergaderingen van de Raad van Bestuur.

4.

De Raad van Bestuur is verantwoordelijk voor het algemene beleid van het Instituut; hij regelt de werking ervan en ziet toe op zijn ontwikkeling. Enerzijds bevordert hij de contacten tussen de Regeringen in zaken betreffende het Instituut en anderzijds de contacten tussen het Instituut en de Regeringen.

De Raad van Bestuur neemt, onder de in de leden 5 en 6 vastgestelde voorwaarden, de voor de vervulling van de hem aldus opgedragen taken nodige besluiten.

5.

De Raad van Bestuur neemt met eenparigheid van stemmen de besluiten betreffende:

6.

De Raad van Bestuur neemt de niet in lid 5 genoemde besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, met name de besluiten betreffende:

7.

De stemmen met betrekking tot besluiten waarvoor een gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vereist, worden als volgt gewogen:

België Denemarken Duitsland Griekenland Spanje Frankrijk Ierland Italië Luxemburg Nederland Portugal Verenigd Koninkrijk 5 3 10 5 8 10 3 10 2 5 5 10

De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste vierenvijftig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste 8 Regeringen voor stemmen.

8.

Onthouding van stemming vormt geen beletsel voor het aannemen der besluiten van de Raad van Bestuur, waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist.

Artikel 7
1.

De President leidt het Instituut. Hij voert de besluiten die worden genomen ter toepassing van deze Overeenkomst uit of doet ze uitvoeren en neemt de besluiten van bestuurlijke aard die niet onder de bevoegdheid van de andere organen van het Instituut vallen.

2.

Hij is belast met het algemeen beheer van het Instituut. Hij vertegenwoordigt het Instituut in rechte.

Hij stelt het ontwerp van jaarlijkse begroting en het ontwerp van driejaarlijkse financiële ramingen op en legt deze ontwerpen, na raadpleging van de Academische Raad, aan de Raad van Bestuur voor.

Hij benoemt de afdelingshoofden, de directeuren van de interdisciplinaire centra en de andere leden van het docentencorps, aangewezen in overeenstemming met artikel 9, lid 5, onder e., en artikel 9, lid 2.

Hij benoemt het administratieve personeel van het Instituut.

3.

De President van het Instituut wordt na raadpleging van de Academische Raad gekozen door de Raad van Bestuur. De wijze waarop de samenwerking tussen de Raad van Bestuur en de Academische Raad bij de totstandkoming van dit besluit verloopt, wordt door de Raad van Bestuur na raadpleging van de Academische Raad met eenparigheid van stemmen bepaald.

De President wordt benoemd voor vijf jaar. Zijn ambtstermijn kan voor een periode van ten hoogste drie jaar worden verlengd bij besluit van de Raad van Bestuur na raadpleging van de Academische Raad genomen met eenparigheid van stemmen.

In de in artikel 6, lid 5, onder a., bedoelde voorschriften worden de voorwaarden vastgesteld waaronder hij, op eigen initiatief of op initiatief van het Instituut, van zijn ambt kan worden ontheven.

Artikel 8
1.

Een Algemeen Secretaris staat de President van het Instituut bij in diens organisatorische en bestuurlijke taken.

2.

Zijn mandaat en de duur ervan worden vastgesteld bij de in artikel 6, lid 5 sub a), vermelde voorschriften.

3.

De Algemeen Secretaris en de President van het Instituut mogen niet dezelfde nationaliteit hebben, behoudens een door de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen genomen andersluidend besluit.

Artikel 9
1.

De Academische Raad bezit algemene bevoegdheid inzake onderzoek en onderwijs, zulks onverminderd de bevoegdheden van de overige organen van het Instituut.

De Raad wordt voorgezeten door de President van het Instituut.

2.

Een Uitvoerend Comité, dat wordt voorgezeten door de President van het Instituut, dat wordt bijgestaan door de Algemeen Secretaris, en dat bestaat uit de President, de afdelingshoofden, de directeurs van de in artikel 11, lid 3, bedoelde centra en een vertegenwoordiger van de wetenschappelijke onderzoekers, staat de President op diens verzoek bij in de vervulling van de opdrachten van het Instituut.

Het Uitvoerend Comité bereidt de werkzaamheden van de Academische Raad voor. Het wijst de leden van het docentencorps aan, met uitzondering van die bedoeld in lid 5, onder e. Het stelt de lijst op van de leden van de toelatingscommissie en van de eindexamencommissie.

Het vervult de bijzondere taken die door de Academische Raad aan het Comité worden opgedragen.

Het brengt regelmatig verslag uit aan de Academische Raad en de Raad van Bestuur over de wijze waarop het zijn opdrachten heeft uitgevoerd.

3.

Lid van de Academische Raad zijn:

De Raad van Bestuur kan, onder de door hem vast te stellen voorwaarden, op grond van hun bekwaamheid aangewezen personaliteiten uit de verschillende categorieën van het economische, sociale en culturele leven, die onderdaan van een Overeenkomstsluitende Staat zijn, uitnodigen deel te nemen aan de werkzaamheden van de Academische Raad.

4.

In de voorschriften vermeld in artikel 6, lid 5, sub a, worden vastgesteld:

5.

De Academische Raad:

6.

De Academische Raad kan het initiatief nemen om aan de Raad van Bestuur voorstellen te doen over de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Raad van Bestuur ressorteren.

HOOFDSTUK III. Academische structuur

A. Academische organisatie

Artikel 10

Het Instituut is georganiseerd in afdelingen die de basiseenheden voor onderzoek en onderwijs zijn.

Artikel 11
1.

Van de oprichting af kent het Instituut vier afdelingen, onderscheidenlijk gewijd aan de volgende studierichtingen:

De Raad van Bestuur kan, na raadpleging van de Academische Raad en met inachtneming van de opgedane ervaring, met eenparigheid van stemmen, deze indeling wijzigen of nieuwe afdelingen oprichten. De Academische Raad kan daartoe aanbevelingen doen.

2.

Binnen de grenzen van de voor haar in de begroting uitgetrokken middelen alsmede van de voor 1)[Red: Lees: door.]de Academische Raad vastgestelde programma’s, beschikt de afdeling over een hoge mate van zelfstandigheid bij de uitvoering van de haar opgedragen studie- en onderzoekswerkzaamheden en wordt haar het voor haar werking benodigde personeel toegewezen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.