Verdrag betreffende minimumnormen op koopvaardijschepen
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar tweeënzestigste zitting op 13 oktober 1976;
In herinnering brengende de voorzieningen van de Aanbeveling inzake het aannemen van zeelieden (vreemde schepen) 1958 en de Aanbeveling inzake sociale voorwaarden en veiligheid (zeelieden) 1958;
Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot schepen die niet aan bepaalde normen voldoen, in het bijzonder die welke varen onder goedkope vlag, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda van de zitting voorkomt;
Vastgesteld hebbende, dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag dienen te krijgen;
Aanvaardt heden de negenentwintigste oktober negentienhonderd zesenzeventig het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Koopvaardijverdrag (minimumnormen), 1976:
Artikel 1
Tenzij in dit artikel anders is bepaald, is dit Verdrag van toepassing op elk zeeschip, hetzij in bezit van de overheid, hetzij in particulier bezit, dat voor handelsdoeleinden wordt gebruikt voor het vervoer van goederen of passagiers, dan wel voor enig ander commercieel doel wordt gebezigd.
De nationale wetgeving bepaalt welke schepen voor de toepassing van dit Verdrag als zeeschepen dienen te worden beschouwd.
Dit Verdrag is van toepassing op zeesleepboten.
Dit Verdrag is niet van toepassing op:
- a. schepen die hoofdzakelijk worden voortbewogen door middel van zeilen, ongeacht of zij al of niet zijn uitgerust met hulpmotoren;
- b. schepen die worden gebruikt voor de visvangst, de walvisvangst of voor soortgelijke doeleinden;
- c. kleine schepen en schepen zoals drijvende boorinstallaties en booreilanden wanneer er niet mee wordt gevaren, waarbij de beslissing welke schepen hieronder vallen dient te worden genomen door het bevoegd gezag in ieder land, in overleg met de meest representatieve organisaties van reders en zeevarenden.
Niets in dit Verdrag wordt geacht uitbreiding te geven aan de werkingssfeer van de Verdragen, waarnaar wordt verwezen in de Bijlage bij dit Verdrag, of van de bepalingen daarvan.
Artikel 2
Ieder Lid dat dit Verdrag bekrachtigt neemt de verplichting op zich om:
- a. ten aanzien van schepen die teboekgesteld zijn binnen zijn grondgebied wetgeving uit te vaardigen met betrekking tot: en zich ervan te vergewissen, dat de bepalingen van deze wetgeving wezenlijk gelijkwaardig zijn aan de Verdragen of artikelen van Verdragen waarnaar verwezen wordt in de Bijlage bij dit Verdrag, voor zover dat Lid niet anderszins gehouden is uitvoering te geven aan de betrokken Verdragen;
- (i). veiligheidsnormen, met inbegrip van normen voor de vakbekwaamheid, werktijden en de samenstelling van de bemanning van het schip, teneinde de veiligheid van mensenlevens aan boord van het schip te waarborgen;
- (ii). passende maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid;
- (iii). werk- en leefomstandigheden aan boord, voor zover deze, naar de mening van dat Lid, niet vallen onder collectieve arbeidsovereenkomsten of zijn vastgesteld door bevoegde rechterlijke colleges op een wijze die de betrokken reders en zeevarenden gelijkelijk bindt
- b. ten aanzien van schepen die teboekgesteld zijn binnen zijn grondgebied op doeltreffende wijze rechtsmacht of toezicht uit te oefenen met betrekking tot:
- (i). de veiligheidsnormen, met inbegrip van normen voor de vakbekwaamheid, de werktijden en de samenstelling van de bemanning, zoals voorgeschreven door de nationale wetgeving;
- (ii). de maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid voorgeschreven door de nationale wetgeving;
- (iii). de werk- en leefomstandigheden aan boord, voorgeschreven door de nationale wetgeving, of vastgesteld door bevoegde rechterlijke colleges op een wijze die de betrokken reders en zeevarenden gelijkelijk bindt;
- c. zich ervan te vergewissen dat maatregelen voor een doeltreffend toezicht op andere werk- en leefomstandigheden aan boord, voor zover dat Lid daarover geen feitelijke zeggenschap uitoefent, worden overeengekomen tussen reders of hun organisaties en organisaties van zeevarenden, opgericht in overeenstemming met de materiële bepalingen van het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948, en het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949;
- d. te waarborgen dat er:
- (i). passende procedures bestaan - onder algemeen toezicht van het bevoegd gezag, zo nodig na tripartiet overleg tussen dat gezag en de representatieve organisaties van reders en zeevarenden - voor de aanmonstering van zeevarenden op schepen die teboekgesteld zijn binnen zijn grondgebied en voor het onderzoeken van klachten die in dit verband rijzen;
- (ii). passende procedures bestaan - onder algemeen toezicht van het bevoegd gezag, zo nodig na tripartiet overleg tussen dat gezag en de representatieve organisaties van reders en zeevarenden - voor het onderzoeken van iedere klacht die wordt ingediend in verband met, en zo mogelijk ten tijde van, de aanmonstering binnen zijn grondgebied van zeevarenden van de nationaliteit van dat Lid op schepen die zijn teboekgesteld in een ander land, en dat zulk een klacht, evenals iedere klacht die wordt ingediend in verband met, en zo mogelijk ten tijde van, de aanmonstering binnen zijn grondgebied van buitenlandse zeevarenden op schepen die zijn teboekgesteld in een ander land, terstond door het bevoegd gezag wordt gemeld aan het bevoegd gezag van het land waar het schip is teboekgesteld, met een afschrift aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau;
- e. te waarborgen dat zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die binnen zijn grondgebied zijn teboekgesteld, voldoende vakbekwaam of op de juiste wijze opgeleid zijn voor de werkzaamheden waarvoor zij zijn aangenomen, waarbij rekening moet worden gehouden met de Aanbeveling betreffende de beroepsopleiding van zeevarenden, 1970;
- f. door middel van inspectie of op andere passende wijze te verifiëren dat schepen die binnen zijn grondgebied zijn teboekgesteld, voldoen aan de van toepassing zijnde en in werking getreden Internationale Arbeidsverdragen die het heeft bekrachtigd, aan de krachtens subparagraaf (a) van dit artikel vereiste wetgeving en - voor zover van toepassing krachtens de nationale wetgeving - aan hierop betrekking hebbende collectieve arbeidsovereenkomsten;
- g. een officieel onderzoek in te stellen naar alle ernstige zeevaartongevallen waarbij binnen zijn grondgebied teboekgestelde schepen zijn betrokken, in het bijzonder die welke letsel en/ of de dood ten gevolge hebben; het eindrapport van zulk een onderzoek dient in de regel openbaar te worden gemaakt.
Artikel 3
Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, dient voor zover mogelijk zijn onderdanen te wijzen op de problemen die kunnen rijzen bij het aanmonsteren op een schip dat is teboekgesteld in een Staat die het Verdrag niet heeft bekrachtigd, totdat het zekerheid heeft verkregen dat normen worden toegepast die gelijkwaardig zijn aan de normen die in dit Verdrag zijn vastgelegd. Daartoe strekkende maatregelen van de Staat die het Verdrag bekrachtigt mogen niet strijdig zijn met het beginsel van het vrije verkeer van arbeidskrachten, zoals bepaald in de Verdragen waarbij de desbetreffende twee Staten eventueel partij zijn.
Artikel 4
Indien een Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en in welks haven een schip binnenloopt in de gewone uitoefening van zijn dienst of om bedrijfstechnische redenen, een klacht ontvangt of bewijsmateriaal in handen krijgt dat het schip niet voldoet aan de normen van dit Verdrag, nadat het van kracht is geworden, kan het een rapport opstellen, gericht aan de regering van het land waarin het schip is teboekgesteld, met een afschrift aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, en kan het maatregelen nemen die nodig zijn ter verbetering van alle omstandigheden aan boord die duidelijk gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid.
Bij het nemen van zulke maatregelen dient het Lid onmiddellijk de dichtstbijzijnde maritieme, consulaire of diplomatieke vertegenwoordiger van de vlaggestaat in kennis te stellen en dient het zo mogelijk, deze vertegenwoordiger hierbij aanwezig te doen zijn. De Lid-Staat mag het schip niet onnodig vasthouden of ophouden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „klacht” verstaan inlichtingen, verstrekt door een lid van de bemanning, een vereniging van beroepsbeoefenaren, een vereniging, een vakbond of, in het algemeen, een ieder die belang heeft bij de veiligheid van het schip, mede waar het de gevaren voor de veiligheid of voor de gezondheid van de bemanning betreft.
Artikel 5
Dit Verdrag kan worden bekrachtigd door Leden die:
- (a). partij zijn bij het Internationale Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1960, of het Internationale Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, of enig Verdrag ter herziening van deze Verdragen; en
- (b). partij zijn bij het Internationale Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, of enig Verdrag ter herziening van dat Verdrag; en
- (c). partij zijn bij of de bepalingen ten uitvoer hebben gelegd van de Voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1960, of het Verdrag inzake de internationale voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, of enig Verdrag ter herziening van deze internationale instrumenten.
Dit Verdrag kan voorts worden bekrachtigd door elk Lid dat bij de bekrachtiging de verplichting op zich neemt te voldoen aan de vereisten, waarvan bekrachtiging afhankelijk is gesteld door het eerste lid van dit Artikel en waaraan nog niet is voldaan.
De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem geregistreerd.
Artikel 6
Dit Verdrag is slechts bindend voor die Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, die hun bekrachtigingen door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.
Het treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop de bekrachtigingen zijn geregistreerd van tenminste tien Leden die tezamen een aandeel hebben van 25% in het wereld bruto register tonnage.
Vervolgens treedt dit Verdrag voor elk Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd.
Artikel 7
Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na afloop van een termijn van tien jaren na de datum van zijn inwerkingtreding door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gerichte en door deze geregistreerde verklaring. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar nadat zij is geregistreerd.
Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en binnen een jaar na afloop van de termijn van tien jaren, bedoeld in het vorige lid, geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging, voorzien in dit artikel, is voor een nieuwe termijn van tien jaren gebonden en kan daarna dit Verdrag opzeggen na afloop van elke termijn van tien jaren onder de voorwaarden voorzien in dit artikel.
Artikel 8
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau stelt alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie in kennis van de registratie van alle bekrachtigingen en opzeggingen die hem door de Leden van de Organisatie zijn medegedeeld.
Indien de voorwaarden als voorzien in voorgaand artikel 6, tweede lid, zijn vervuld, vestigt de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden van de Organisatie op de datum waarop het Verdrag in werking zal treden.
Artikel 9
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling ter registratie overeenkomstig het bepaalde in artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen en opzeggingen die hij overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen heeft geregistreerd.
Artikel 10
De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau brengt, telkens wanneer deze dit noodzakelijk acht, aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is de gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.
Artikel 11
Indien de Conferentie een nieuw Verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag, zal tenzij het nieuwe Verdrag anders bepaalt:
- (a). bekrachtiging door een Lid van het nieuwe Verdrag, houdende herziening, ipso jure onmiddellijke opzegging van het onderhavige Verdrag ten gevolge hebben, niettegenstaande het bepaalde in artikel 7, onder voorbehoud evenwel, dat het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden;
- (b). met ingang van de datum, waarop het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden, het onderhavige Verdrag niet langer door de Leden kunnen worden bekrachtigd.
Het onderhavige Verdrag blijft in elk geval naar vorm en inhoud van kracht voor de Leden die het hebben bekrachtigd en die het nieuwe Verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.
Artikel 12
De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk gezaghebbend.
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie;
Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar tweeënzestigste zitting op 13 oktober 1976;
Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot schepen die niet aan bepaalde normen voldoen, in het bijzonder die welke varen onder goedkope vlag, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda van de zitting voorkomt;
Vastgesteld hebbende, dat deze voorstellen de vorm van een Aanbeveling dienen te krijgen, ter aanvulling van het Koopvaardijverdrag (minimum normen) 1976;
Aanvaardt heden de negenentwintigste oktober negentienhonderd zesenzeventig de volgende Aanbeveling, die kan worden aangehaald als de Aanbeveling Koopvaardij (verhoging normen), 1976:
The foregoing is the authentic text of the Convention duly adopted by the General Conference of the International Labour Organisation during its Sixty-second Session which was held at Geneva and declared closed the twenty-ninth day of October 1976.
IN FAITH WHEREOF we have appended our signatures this eleventh day of November 1976.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.