Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma
De Regeringen van het Koninkrijk België, Canada, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Italiaanse Republiek, Japan, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, Spanje, de Republiek Turkije, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat,
Geleid door de wens het veilig stellen van de olievoorziening op redelijke en billijke voorwaarden te bevorderen,
Vastbesloten door middel van gemeenschappelijke doeltreffende maatregelen het hoofd te bieden aan crises in de olievoorziening door het tot stand brengen van zelfvoorziening op het gebied van de olie in noodsituaties, het beperken van de vraag naar olie, alsmede door een billijke onderlinge verdeling van de beschikbare olie,
Geleid door de wens de samenwerking te bevorderen met olieproducerende landen, alsmede met andere olieverbruikende landen, met inbegrip van de ontwikkelingslanden, door middel van een doelgerichte dialoog en andere vormen van samenwerking, ten einde de mogelijkheden voor een beter begrip tussen verbruikende en producerende landen te vergroten,
Indachtig de belangen van andere olieverbruikende landen, met inbegrip van de ontwikkelingslanden,
Geleid door de wens een actievere rol te spelen op het gebied van de olie-industrie door de instelling van een uitgebreid internationaal informatiesysteem en een permanent kader voor overleg met de oliemaatschappijen,
Vastbesloten hun afhankelijkheid van ingevoerde olie te verminderen door gezamenlijke inspanningen op lange termijn inzake het behoud van energie, de versnelde ontwikkeling van andere energiebronnen, het onderzoek en de ontwikkeling op energiegebied, alsmede inzake de verrijking van uranium,
Ervan overtuigd dat deze doelstellingen slechts kunnen worden verwezenlijkt door voortdurende gezamenlijke inspanningen binnen de daartoe geëigende organen,
Uitdrukking gevend aan het voornemen dergelijke organen op te richten binnen het kader van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling,
Erkennend dat bij andere landen, die lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling mogelijk de wens aanwezig is eveneens deel te nemen aan dit streven,
Overwegend de bijzondere verantwoordelijkheid die op de regeringen op het gebied van de energievoorziening rust,
Concluderen dat het noodzakelijk is een Internationaal Energieprogramma vast te stellen en uit te voeren door middel van een Internationaal Energie-Agentschap, en zijn te dien einde overeengekomen als volgt:
Artikel 1
De deelnemende landen voeren het Internationale Energieprogramma waarin deze Overeenkomst voorziet uit door middel van het in hoofdstuk IX omschreven Internationaal Energie-Agentschap, hierna te noemen het „Agentschap”.
Onder „deelnemende landen” wordt verstaan de Staten waarop deze Overeenkomst voorlopig van toepassing is en de Staten waarvoor deze Overeenkomst in werking is getreden en van kracht zal blijven.
Onder „groep” wordt verstaan de deelnemende landen in hun hoedanigheid als groep.
HOOFDSTUK I. Zelfvoorziening in crisissituaties
Artikel 2
De deelnemende landen dragen zorg voor hun gemeenschappelijke zelfvoorziening inzake olie in crisissituaties. Hiertoe houdt elk deelnemend land voldoende noodvoorraden aan om het verbruik ten minste 60 dagen zonder netto olie-invoer te kunnen voortzetten. Zowel het verbruik als de netto olie-invoer wordt berekend naar het gemiddelde dagelijkse peil van het afgelopen kalenderjaar.
Vóór 1 juli 1975 wordt door de Raad van Bestuur bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld vanaf welke datum het verplichte peil van de noodvoorraad van elk deelnemend land, op grond waarvan zijn in artikel 7 bedoelde recht op voorziening wordt berekend, wordt geacht te zijn opgetrokken tot een voorraad voor 90 dagen. Elk deelnemend land brengt het daadwerkelijke peil van zijn noodvoorraden op 90 dagen en tracht dit tegen de hiervoor vastgestelde datum te verwezenlijken.
Onder „verplichte noodvoorraad” wordt verstaan de noodvoorraad die gelijk staat met een netto olie-invoer van 60 dagen, zoals aangegeven in het eerste lid, en vanaf de overeenkomstig het tweede lid vast te stellen datum met een netto olie-invoer van 90 dagen, zoals aangegeven in het tweede lid.
Artikel 3
De in artikel 2 aangegeven verplichte noodvoorraad kan worden gevormd door:
- -. olievoorraden,
- -. het vermogen over te schakelen op andere brandstoffen,
- -. reserve-produktiecapaciteit van olie,
overeenkomstig de bepalingen van de Bijlage, die een integrerend deel van deze Overeenkomst vormt.
De Raad van Bestuur besluit vóór 1 juli 1975 bij meerderheid van stemmen in hoeverre de verplichte noodvoorraad kan worden gevormd door gebruik te maken van de in lid 1 genoemde mogelijkheden.
Artikel 4
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken beziet voortdurend de doeltreffendheid van de maatregelen die elk deelnemend land neemt om aan zijn verplichtingen betreffende zijn noodvoorraden te voldoen.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken brengt verslag uit aan de Beheerscommissie, die zo nodig voorstellen doet aan de Raad van Bestuur. De Raad van Bestuur kan bij meerderheid van stemmen aanbevelingen aan deelnemende landen aanvaarden.
HOOFDSTUK II. Beperking van de vraag
Artikel 5
Elk deelnemend land dient te allen tijde een programma dat een aantal noodmaatregelen bevat ter beperking van de vraag naar olie in gereedheid te hebben, waarmee dit het peil van zijn eindverbruik overeenkomstig hoofdstuk IV kan verlagen.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken beziet en beoordeelt voortdurend
- -. het programma ter beperking van de vraag van elk deelnemend land,
- -. de doeltreffendheid van de door elk deelnemend land daadwerkelijk genomen maatregelen.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken brengt verslag uit aan de Beheerscommissie, die zo nodig voorstellen doet aan de Raad van Bestuur. De Raad van Bestuur kan bij meerderheid van stemmen aanbevelingen aan deelnemende landen aanvaarden.
HOOFDSTUK III. Toebedeling
Artikel 6
Elk deelnemend land treft de maatregelen die nodig zijn om de toebedeling van olie overeenkomstig dit hoofdstuk en hoofdstuk IV te doen geschieden.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken beziet en beoordeelt voortdurend
- -. de door elk deelnemend land genomen maatregelen voor de toebedeling van olie overeenkomstig dit hoofdstuk en hoofdstuk IV,
- -. de doeltreffendheid van de door elk deelnemend land daadwerkelijk genomen maatregelen.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken brengt verslag uit aan de Beheerscommissie, die zo nodig voorstellen doet aan de Raad van Bestuur. De Raad van Bestuur kan bij meerderheid van stemmen aanbevelingen aan deelnemende landen aanvaarden.
De Raad van Bestuur neemt, bij meerderheid van stemmen, onverwijld besluiten ten aanzien van de procedures van praktische aard voor de toebedeling van olie, alsmede ten aanzien van de procedures en wijzen van deelname door de oliemaatschappijen in deze toebedeling binnen het kader van deze Overeenkomst.
Artikel 7
Wanneer toebedeling van olie geschiedt ingevolge artikel 13, 14 of 15, heeft elk deelnemend land recht op een voorziening die gelijk staat met zijn toegestaan verbruik verminderd met de hoeveelheid waarmee zijn noodvoorraad verplicht omlaag is gebracht.
Een deelnemend land welks recht op voorziening het totaal van zijn normale binnenlandse produktie en zijn gedurende een crisissituatie daadwerkelijk beschikbare netto invoer overschrijdt, heeft recht op aanvullende netto invoer ter grootte van dit surplus.
Een deelnemend land waar het totaal van de normale binnenlandse produktie en de gedurende een crisissituatie daadwerkelijk beschikbare netto invoer de voorziening waarop het recht heeft overschrijdt, heeft een toebedelingsverplichting op grond waarvan het is gehouden een hoeveelheid olie ter grootte van dat surplus direct of indirect aan andere deelnemende landen te leveren. Deze verplichting verhindert een deelnemend land niet zijn olie-uitvoer naar niet-deelnemende landen voort te zetten.
Onder „toegestaan verbruik” wordt verstaan het gemiddelde dagelijkse peil van het eindverbruik dat is geoorloofd wanneer de noodmaatregelen ter beperking van de vraag op het van toepassing zijnde niveau in werking zijn gesteld; een verdere vrijwillige beperking van de vraag door een deelnemend land is niet van invloed op zijn recht op toebedeling of zijn toebedelingsverplichting.
Onder „verplichting tot omlaagbrenging van de noodvoorraad” wordt verstaan de verplichte noodvoorraad van een deelnemend land gedeeld door de totale verplichte noodvoorraad van de groep, vermenigvuldigd met het voorzieningstekort van de groep.
Onder „voorzieningstekort van de groep” wordt verstaan het tekort van de groep berekend op basis van het totale toegestane verbruik van de groep verminderd met het dagelijkse gemiddelde van de in een crisissituatie voor de groep beschikbare olievoorziening.
Onder „voor de groep beschikbare olievoorziening” wordt verstaan
- -. alle voor de groep beschikbare ruwe olie,
- -. alle van buiten de groep ingevoerde olieprodukten, en
- -. alle eindprodukten en grondstoffen voor raffinaderijen die met gebruikmaking van aardgas en ruwe olie worden geproduceerd en beschikbaar zijn voor de groep.
Onder „eindverbruik” wordt verstaan het totale binnenlandse verbruik van alle eindprodukten van olie.
Artikel 8
Wanneer een deelnemend land ingevolge artikel 17 olie krijgt toebedeeld,
- -. dient dat land zijn eindverbruik te beperken met de vermindering in zijn olie-aanvoer tot een niveau gelijk aan 7% van zijn eindverbruik gedurende de referentieperiode,
- -. heeft dat land recht op toebedeling van een hoeveelheid olie ter grootte van de vermindering van zijn olievoorziening, die heeft geleid tot een vermindering van zijn eindverbruik boven dat niveau.
De verplichting tot toebedeling van deze hoeveelheid olie wordt gedeeld door de andere deelnemende landen op basis van hun eindverbruik gedurende de referentieperiode.
De deelnemende landen kunnen zelf kiezen met behulp van welke maatregelen zij aan hun toebedelingsverplichting wensen te voldoen, met inbegrip van maatregelen ter beperking van de vraag of het aanspreken van de noodvoorraden.
Artikel 9
Aan het recht op toebedeling en de toebedelingsverplichting kan worden voldaan door aanwending van olie in de volgende vormen:
- -. alle ruwe olie,
- -. alle olieprodukten,
- -. alle grondstoffen voor raffinaderijen, en
- -. alle met gebruikmaking van aardgas en ruwe olie geproduceerde eindprodukten.
Ter berekening van het recht op toebedeling van een deelnemend land worden de gewoonlijk door dat deelnemende land, hetzij uit deelnemende landen, hetzij uit niet-deelnemende landen, ingevoerde olieprodukten omgerekend in hun equivalent in ruwe olie en behandeld als in dat land ingevoerde ruwe olie.
Voor zover mogelijk vindt de voorziening plaats op de gebruikelijke wijze, alsmede in de normale verhouding tussen ruwe olie en olieprodukten en tussen de verschillende soorten ruwe olie en olieprodukten.
Een van de doeleinden van het programma is dat de beschikbare ruwe olie en olieprodukten, in geval van toebedeling, zoveel mogelijk door de olieraffinaderijen en olieverdelende industrieën, alsmede door de olieraffinerende en olieverdelende maatschappijen, onderling worden gedeeld met inachtneming van de wijzen van voorziening zoals die historisch zijn gegroeid.
Artikel 10
De doeleinden van het programma omvatten onder meer de verzekering van een billijke behandeling van alle deelnemende landen en het doen baseren van de prijs voor de toebedeelde olie op de prijscondities die gelden voor commerciële transacties van vergelijkbare aard.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken bestudeert de vraagstukken die verband houden met de prijs van gedurende een crisissituatie toebedeelde olie.
Artikel 11
Het programma heeft niet ten doel te trachten in een crisissituatie het aandeel dat de groep in de olievoorziening in de wereld onder normale marktomstandigheden had, te vergroten.
De historisch gegroeide verhoudingen in de oliehandel dienen voor zover redelijk te worden gehandhaafd en met de positie van elk der niet-deelnemende landen dient terdege rekening te worden gehouden.
Ten einde de naleving van de in het eerste lid uiteengezette beginselen te verzekeren dient de Beheerscommissie zo nodig voorstellen in bij de Raad van Bestuur, die bij meerderheid van stemmen over zodanige voorstellen beslist.
HOOFDSTUK IV. Inwerkingstelling
Inwerkingstelling
Artikel 12
Wanneer de olievoorziening van de groep als geheel of van een deelnemend land vermindering ondergaat of redelijkerwijze verwacht kan worden te ondergaan, worden de noodmaatregelen - te weten de in hoofdstuk II bedoelde verplichte beperking van de vraag en de in hoofdstuk III bedoelde toebedeling van beschikbare olie - overeenkomstig dit hoofdstuk in werking gesteld.
Artikel 13
Wanneer het dagelijks gemiddelde van de olievoorziening van de groep een vermindering ondergaat, of redelijkerwijze verwacht kan worden te ondergaan, van ten minste 7 % van het dagelijks gemiddelde van haar eindverbruik gedurende de referentieperiode, neemt elk deelnemend land maatregelen ter beperking van de vraag voldoende om zijn eindverbruik te verminderen met 7 % van zijn eindverbruik gedurende de referentieperiode en geschiedt de toebedeling van de beschikbare olie tussen de deelnemende landen overeenkomstig de artikelen 7, 9, 10 en 11.
Artikel 14
Wanneer het dagelijks gemiddelde van de olievoorziening van de groep een vermindering ondergaat, of redelijkerwijze verwacht kan worden te ondergaan, van ten minste 12 % van het dagelijks gemiddelde van haar eindverbruik gedurende de referentieperiode, neemt elk deelnemend land maatregelen ter beperking van de vraag voldoende om zijn eindverbruik te verminderen met 10 % van zijn eindverbruik gedurende de referentieperiode en geschiedt de toebedeling van de beschikbare olie tussen de deelnemende landen overeenkomstig de artikelen 7, 9, 10 en 11.
Artikel 15
Wanneer het totaal der dagelijkse verplichtingen tot het omlaag brengen van de noodvoorraad, als aangegeven in artikel 7, heeft geleid tot een niveau van 50 % van de verplichte noodvoorraad en een beslissing is genomen overeenkomstig artikel 20, treft elk deelnemend land de maatregelen waartoe aldus is besloten en geschiedt de toebedeling van de beschikbare olie tussen de deelnemende landen overeenkomstig de artikelen 7, 9, 10 en 11.
Artikel 16
Wanneer de maatregelen ter beperking van de vraag overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk in werking worden gesteld, kan een deelnemend land deze maatregelen vervangen door het aanspreken van de noodvoorraden die het aanhield boven de in het programma bepaalde verplichte noodvoorraden.
Artikel 17
Wanneer het dagelijks gemiddelde van de olievoorziening van een deelnemend land een vermindering ondergaat, of redelijkerwijze verwacht kan worden te ondergaan, die leidt tot een vermindering van het dagelijks gemiddelde van zijn eindverbruik met meer dan 7 % van het dagelijks gemiddelde van zijn eindverbruik gedurende de referentieperiode, geschiedt toebedeling van de beschikbare olie aan dat deelnemende land overeenkomstig de artikelen 8 t/m 11.
Toebedeling van beschikbare olie geschiedt ook wanneer aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan in een groot gedeelte van een deelnemend land waarvan de oliemarkt niet volledig is geïntegreerd. In dat geval wordt de toebedelingsverplichting van andere deelnemende landen verminderd met de theoretische toebedelingsverplichting van een ander groot gedeelte of andere grote gedeelten van het desbetreffende deelnemende land.
Artikel 18
Onder „referentieperiode” wordt verstaan de laatste vier kwartalen die voorafgaan aan het kwartaal dat nodig is voor het verzamelen van gegevens. De referentieperiode blijft gelijk zolang ten aanzien van de groep of van een deelnemend land noodmaatregelen worden toegepast.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken onderzoekt de in het eerste lid omschreven referentieperiode, daarbij in het bijzonder lettend op factoren als groei, seizoenschommelingen in het verbruik en veranderingen in de conjunctuur, en brengt vóór 1 april 1975 verslag uit aan de Beheerscommissie. De Beheerscommissie doet, zo nodig, voorstellen aan de Raad van Bestuur die uiterlijk vóór 1 juli 1975 bij meerderheid van stemmen over deze voorstellen beslist.
Artikel 19
Wanneer zich een vermindering van de olievoorziening, zoals bedoeld in artikel 13, 14 of 17, heeft voorgedaan of redelijkerwijze verwacht kan worden, verricht het Secretariaat een onderzoek en stelt de grootte van de vermindering of van de verwachte vermindering voor elk deelnemend land en voor de groep vast. Het Secretariaat houdt de Beheerscommissie op de hoogte van zijn beraadslagingen en brengt onverwijld verslag uit van zijn onderzoek aan de leden van de Commissie en stelt de deelnemende landen hiervan in kennis. Het verslag dient gegevens inzake de aard van de vermindering te bevatten.
De Commissie komt binnen 48 uur nadat het Secretariaat van zijn onderzoek verslag heeft uitgebracht bijeen om de verzamelde gegevens en de verstrekte inlichtingen op hun juistheid te toetsen. De Commissie brengt binnen de volgende 48 uur verslag uit aan de Raad van Bestuur. In dit verslag dienen de door de leden van de Commissie tot uitdrukking gebrachte zienswijzen te zijn weergegeven, daarbij inbegrepen alle zienswijzen aangaande de wijze waarop ten aanzien van de crisis dient te worden opgetreden.
De Raad van Bestuur komt binnen 48 uur na ontvangst van het verslag van de Beheerscommissie bijeen om de resultaten van het onderzoek van het Secretariaat in het licht van dat verslag te toetsen. De inwerkingstelling van de noodmaatregelen wordt alsdan beschouwd te zijn bekrachtigd en de deelnemende landen voeren deze maatregelen binnen 15 dagen na zulk een bekrachtiging uit, tenzij de Raad van Bestuur bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen en binnen de volgende 48 uur besluit de noodmaatregelen niet in werking te stellen, deze slechts gedeeltelijk in werking te stellen of een andere termijn vast te stellen voor de inwerkingstelling ervan.
Indien uit het resultaat van het onderzoek van het Secretariaat blijkt dat aan de voorwaarden van meer dan één van de artikelen 14, 13 en 17 is voldaan, wordt ieder besluit de noodmaatregelen niet in werking te stellen voor elk artikel afzonderlijk en in de bovenvermelde volgorde genomen. Indien aan de voorwaarden van artikel 17 is voldaan ten aanzien van meer dan één deelnemend land, wordt ieder besluit om de toebedeling niet in werking te stellen ten aanzien van elk land afzonderlijk genomen.
De ingevolge het derde en vierde lid genomen besluiten kunnen te allen tijde door de Raad van Bestuur bij meerderheid van stemmen teniet worden gedaan.
Bij het verrichten van zijn in dit artikel voorziene onderzoek, pleegt het Secretariaat overleg met de oliemaatschappijen ten einde zich op de hoogte te stellen van hun zienswijzen betreffende de situatie en de gepastheid van de te nemen maatregelen.
Er wordt uiterlijk op het tijdstip van de inwerkingstelling van de noodmaatregelen een internationale adviesraad uit de olieindustrie bijeengeroepen om het Agentschap bijstand te verlenen bij het verzekeren van een doelmatige uitvoering van die maatregelen.
Artikel 20
Wanneer het totaal der dagelijkse verplichtingen tot het omlaag brengen van de noodvoorraad heeft geleid tot, of redelijkerwijze verwacht kan worden te leiden tot, een niveau van 50 % van de verplichte noodvoorraad, stelt het Secretariaat een onderzoek in. Het Secretariaat brengt onverwijld verslag van het resultaat hiervan uit aan de leden van de Beheerscommissie en stelt de deelnemende landen daarvan in kennis. Het verslag dient inlichtingen betreffende de oliesituatie te bevatten.
De Beheerscommissie komt binnen 72 uur nadat het Secretariaat verslag heeft uitgebracht van het resultaat van zijn onderzoek bijeen om de verzamelde gegevens en de verstrekte inlichtingen te bezien. Op grond van de beschikbare inlichtingen brengt de Commissie binnen de volgende 48 uur verslag uit aan de Raad van Bestuur en stelt maatregelen voor, die nodig zijn om aan de situatie het hoofd te bieden, met inbegrip van de eventueel noodzakelijk geachte verhoging van het niveau van de verplichte beperking van de vraag. Het verslag dient de door de leden van de Commissie tot uitdrukking gebrachte zienswijzen weer te geven.
De Raad van Bestuur komt binnen 48 uur na ontvangst van het verslag en het voorstel van de Commissie bijeen. De Raad van Bestuur beziet de resultaten van het onderzoek van het Secretariaat en het verslag van de Beheerscommissie en neemt binnen de volgende 48 uur bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten over de maatregelen die nodig zijn om aan de situatie het hoofd te bieden, met inbegrip van de eventueel noodzakelijk geachte verhoging van het niveau van de verplichte beperking van de vraag.
Artikel 21
Ieder deelnemend land kan het Secretariaat verzoeken een onderzoek overeenkomstig artikel 19 of 20 in te stellen.
Indien het Secretariaat niet binnen 72 uur na zulk een verzoek een onderzoek instelt, kan het deelnemende land de Beheerscommissie verzoeken bijeen te komen en de situatie overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst aan een onderzoek te onderwerpen.
De Beheerscommissie komt binnen 48 uur na zulk een verzoek bijeen om de situatie aan een onderzoek te onderwerpen. Op verzoek van een deelnemend land brengt de Commissie binnen de volgende 48 uur verslag uit aan de Raad van Bestuur. Het verslag dient de door de leden van de Commissie en door het Secretariaat tot uitdrukking gebrachte zienswijzen weer te geven, daarbij inbegrepen alle zienswijzen aangaande de wijze waarop ten aanzien van de situatie dient te worden opgetreden.
De Raad van Bestuur komt binnen 48 uur na ontvangst van het verslag van de Beheerscommissie bijeen. Indien de Raad bij meerderheid van stemmen van oordeel is dat aan de voorwaarden van artikel 13, 14, 15 of 17 is voldaan, worden de noodmaatregelen dienovereenkomstig in werking gesteld.
Artikel 22
De Raad van Bestuur kan te allen tijde, indien de situatie zulks vereist, bij eenparigheid van stemmen besluiten die gepaste noodmaatregelen in werking te stellen, waarin deze Overeenkomst niet voorziet.
Intrekking van de noodmaatregelen
Artikel 23
Wanneer een vermindering van de olievoorziening als bedoeld in artikel 13, 14 of 17 is afgenomen, of redelijkerwijze verwacht kan worden af te nemen, tot beneden het in het desbetreffende artikel bepaalde niveau, stelt het Secretariaat een onderzoek in. Het Secretariaat houdt de Beheerscommissie op de hoogte van zijn beraadslagingen, brengt onverwijld verslag uit van zijn onderzoek aan de leden van de Commissie en stelt de deelnemende landen daarvan in kennis.
De Beheerscommissie komt binnen 72 uur nadat het Secretariaat verslag heeft uitgebracht van het resultaat van zijn onderzoek bijeen om de verzamelde gegevens en de verstrekte inlichtingen te bezien. Zij brengt binnen de volgende 48 uur verslag uit aan de Raad van Bestuur. Het verslag dient de door de leden van de Commissie tot uitdrukking gebrachte zienswijzen weer te geven, daarbij inbegrepen eventuele zienswijzen aangaande de wijze waarop ten aanzien van de crisis dient te worden opgetreden.
Binnen 48 uur na ontvangst van het verslag van de Commissie komt de Raad van Bestuur bijeen om de resultaten van het onderzoek van het Secretariaat in het licht van het verslag van de Beheerscommissie te bezien. De intrekking van de noodmaatregelen of de van toepassing zijnde verlaging van het niveau van de beperking van de vraag wordt geacht te zijn bekrachtigd, tenzij de Raad van Bestuur bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen de volgende 48 uur besluit de noodmaatregelen te handhaven of deze slechts gedeeltelijk in te trekken.
Bij het verrichten van zijn onderzoek ingevolge dit artikel pleegt het Secretariaat overleg met de in artikel 19, zevende lid, genoemde internationale adviesraad ten einde diens oordeel over de situatie en over de gepastheid van de te nemen maatregelen te vernemen.
Ieder deelnemend land kan het Secretariaat verzoeken een onderzoek in te stellen ingevolge dit artikel.
Artikel 24
Wanneer er noodmaatregelen van kracht zijn en het Secretariaat geen onderzoek ingevolge artikel 23 heeft verricht, kan de Raad van Bestuur bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen te allen tijde besluiten deze maatregelen geheel of gedeeltelijk in te trekken.
HOOFDSTUK V. Informatiesysteem betreffende de internationale oliemarkt
Artikel 25
De deelnemende landen stellen een informatiesysteem in, bestaande uit twee afdelingen:
- -. een Algemene Afdeling, die zich bezighoudt met de situatie op de internationale oliemarkt en de activiteiten van de oliemaatschappijen,
- -. een Bijzondere Afdeling, die als taak heeft de doeltreffende uitvoering van de in de hoofdstukken I t/m IV omschreven maatregelen te verzekeren.
Het informatiesysteem werkt op permanente grondslag, zowel onder normale omstandigheden als tijdens een crisissituatie, en wel op een wijze die waarborgt dat de verstrekte gegevens vertrouwelijk worden behandeld.
Het Secretariaat is belast met het doen functioneren van het informatiesysteem en stelt de bijeengebrachte inlichtingen ter beschikking van de deelnemende landen.
Artikel 26
Onder de uitdrukking „oliemaatschappijen” wordt verstaan internationale maatschappijen, nationale maatschappijen, niet-geïntegreerde maatschappijen en andere lichamen die een belangrijke rol in de internationale olie-industrie spelen.
Algemene Afdeling
Artikel 27
In het kader van de Algemene Afdeling van het informatiesysteem stellen de deelnemende landen het Secretariaat periodiek inlichtingen ter beschikking over de overeenkomstig artikel 29 gepreciseerde gegevens aangaande de volgende onderwerpen die betrekking hebben op oliemaatschappijen die onder hun onderscheiden rechtsmacht vallen:
- a). de structuur van de onderneming;
- b). de financiële structuur, met inbegrip van balansen, verlies- en winstrekeningen en betaalde belastingen;
- c). de gedane kapitaalinvesteringen;
- d). de bepalingen van de regelingen voor toegang tot de voornaamste bronnen van ruwe olie;
- e). de huidige produktieniveaus en de verwachte veranderingen daarin;
- f). de toebedeling van beschikbare voorraden ruwe olie aan dochterondernemingen en andere klanten (maatstaven en hetgeen is verwezenlijkt);
- g). de voorraden;
- h). de kosten van ruwe olie en olieprodukten;
- i). de prijzen, met inbegrip van de prijzen bij doorverkoop aan dochterondernemingen;
- f). andere onderwerpen zoals met eenparigheid van stemmen door de Raad van Bestuur vastgesteld.
Elk deelnemend land neemt passende maatregelen ten einde te verzekeren dat alle onder zijn rechtsmacht vallende oliemaatschappijen het die inlichtingen verstrekken die nodig zijn om te voldoen aan zijn verplichtingen krachtens het eerste lid, daarbij rekening houdend met ter zake dienende inlichtingen die het publiek of de regeringen reeds ter beschikking staan.
Elk deelnemend land verstrekt de informatie op een wijze die niet strijdig is met de bescherming van industriële of intellectuele eigendom, naar omstandigheden per maatschappij en/of per land, alsmede op een wijze en in een mate dat noch het mededingingsbeginsel, noch de wettelijke vereisten van een deelnemend land ten aanzien van dit beginsel worden aangetast.
Geen enkel deelnemend land is gerechtigd door inschakeling van de Algemene Afdeling inlichtingen te vergaren over de activiteiten van een maatschappij die onder zijn rechtsmacht valt, welke niet door dat land van die maatschappij zouden kunnen worden verkregen door de toepassing van zijn wetten of met inschakeling van zijn instellingen en van de gebruikelijke procedures, indien die maatschappij uitsluitend binnen zijn rechtsgebied werkzaam zou zijn.
Artikel 28
Informatie die „niet strijdig is met de bescherming van industriële of intellectuele eigendom” betekent informatie die niet bestaat uit of betrekking heeft op octrooien, handelsmerken, wetenschappelijke of industriële processen of toepassingen, individuele verkooptransacties, belastingaangiften, klantenlijsten of geologische en geofysische informatie, met inbegrip van kaarten.
Artikel 29
Binnen 60 dagen na de eerste dag van de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst, en daarna zo daartoe aanleiding is, legt de Permanente Groep inzake de Oliemarkt aan de Beheerscommissie een verslag voor, waarin de gegevens betreffende de lijst van onderwerpen in artikel 27, eerste lid, worden gepreciseerd, welke vereist zijn voor het doeltreffend functioneren van de Algemene Afdeling, en waarin de procedures voor het periodiek verkrijgen van deze gegevens zijn omschreven.
De Beheerscommissie bestudeert het verslag en doet voorstellen aan de Raad van Bestuur, die binnen 30 dagen nadat het verslag aan de Beheerscommissie is voorgelegd, met meerderheid van stemmen de besluiten neemt, die nodig zijn voor de instelling en het doeltreffend functioneren van de Algemene Afdeling.
Artikel 30
Bij het opstellen van haar verslagen krachtens artikel 29 dient de Permanente Groep inzake de Oliemarkt
- -. overleg te plegen met de oliemaatschappijen ten einde te verzekeren dat het informatiesysteem verenigbaar is met de activiteiten van de olie-industrie;
- -. de aandacht te vestigen op specifieke problemen en kwesties die voor de deelnemende landen van belang zijn;
- -. de aandacht te vestigen op specifieke gegevens die nuttig en nodig zijn om zulke problemen en kwesties uit de weg te ruimen;
- -. nauwkeurige normen uit te werken voor de harmonisatie van de vereiste inlichtingen ten einde de vergelijkbaarheid van de gegevens te verzekeren;
- -. procedures uit te werken ter waarborging van het vertrouwelijk karakter van de inlichtingen.
Artikel 31
De Permanente Groep inzake de Oliemarkt beziet voortdurend het functioneren van de Algemene Afdeling.
In geval van veranderingen in de situatie op de internationale oliemarkt brengt de Permanente Groep inzake de Oliemarkt verslag uit aan de Beheerscommissie. De Commissie doet voorstellen over passende wijzigingen aan de Raad van Bestuur, die met meerderheid van stemmen over zulke voorstellen beslist.
Bijzondere Afdeling
Artikel 32
In het kader van de Bijzondere Afdeling van het informatiesysteem stellen de deelnemende landen het Secretariaat alle inlichtingen ter beschikking die nodig zijn om de doeltreffende uitvoering van de noodmaatregelen te verzekeren.
Elk deelnemend land neemt passende maatregelen ten einde te verzekeren dat alle binnen zijn rechtsgebied werkzame oliemaatschappijen het de inlichtingen verstrekken die nodig zijn om dit land in staat te stellen te voldoen aan zijn verplichtingen krachtens het eerste lid en krachtens artikel 33.
Het Secretariaat houdt, op basis van deze inlichtingen en van andere beschikbare inlichtingen, de voorziening van olie aan, en het verbruik van olie binnen, de groep en elk deelnemend land voortdurend in het oog.
Artikel 33
In het kader van de Bijzondere Afdeling stellen de deelnemende landen het Secretariaat periodiek inlichtingen ter beschikking over de overeenkomstig artikel 34 gepreciseerde gegevens aangaande de volgende onderwerpen:
- a). het olieverbruik en de olievoorziening;
- b). maatregelen tot beperking van de vraag;
- c). het niveau van de noodvoorraden;
- d). de beschikbaarheid en het gebruik van transportmogelijkheden;
- e). het huidige en voorziene niveau van vraag en aanbod in internationaal verband;
- f). andere door de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen gekozen onderwerpen.
Artikel 34
Binnen 30 dagen na de eerste dag van de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst legt de Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken aan de Beheerscommissie een verslag voor, waarin de gegevens betreffende de lijst van onderwerpen in artikel 33 worden gepreciseerd, die in het kader van de Bijzondere Afdeling nodig zijn om de doeltreffende uitvoering van noodmaatregelen te waarborgen, en waarin de procedures voor het periodiek verkrijgen van zulke gegevens zijn aangegeven, met inbegrip van versnelde procedures ten tijde van crises.
De Beheerscommissie bestudeert het verslag en doet voorstellen aan de Raad van Bestuur, die binnen 30 dagen nadat het verslag aan de Beheerscommissie is voorgelegd met meerderheid van stemmen de besluiten neemt, die nodig zijn voor de instelling en doeltreffende functionering van de Bijzondere Afdeling.
Artikel 35
Bij het opstellen van haar verslag ingevolge artikel 34 dient de Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken
- -. overleg te plegen met de oliemaatschappijen ten einde te verzekeren dat het informatiesysteem verenigbaar is met de activiteiten van de olie-industrie;
- -. nauwkeurige normen uit te werken voor de harmonisatie van de vereiste inlichtingen ten einde de vergelijkbaarheid van de gegevens te verzekeren;
- -. procedures uit te werken ter waarborging van het vertrouwelijk karakter van de inlichtingen.
Artikel 36
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken controleert voortdurend het functioneren van de Bijzondere Afdeling en brengt, zo daartoe aanleiding is, verslag uit aan de Beheerscommissie. De Commissie doet voorstellen over passende wijzigingen aan de Raad van Bestuur, die met meerderheid van stemmen over zodanige voorstellen beslist.
HOOFDSTUK VI. Kader voor overleg met oliemaatschappijen
Artikel 37
De deelnemende landen stellen binnen het Agentschap een permanent kader in voor overleg, waarbinnen een of meer deelnemende landen op passende wijze overleg kunnen plegen met en inlichtingen kunnen inwinnen bij afzonderlijke oliemaatschappijen over alle belangrijke aspecten van de olie-industrie en waarbinnen de deelnemende landen op basis van onderlinge samenwerking elkander kunnen doen delen in de resultaten van dit overleg.
Het kader voor overleg wordt ingesteld onder auspiciën van de Permanente Groep inzake de Oliemarkt.
Binnen 60 dagen na de eerste dag van de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst, en eventueel daarna, legt de Permanente Groep inzake de Oliemarkt, na overleg te hebben gepleegd met de oliemaatschappijen, een rapport voor aan de Beheerscommissie over de voor zulk overleg te volgen procedures. De Beheerscommissie bestudeert het rapport en doet voorstellen aan de Raad van Bestuur, die binnen 30 dagen na de indiening van het rapport bij de Beheerscommissie bij meerderheid van stemmen over zodanige procedure beslist.
Artikel 38
De Permanente Groep inzake de Oliemarkt legt de Beheerscommissie een rapport voor aangaande dit overleg met een oliemaatschappij binnen 30 dagen nadat het heeft plaatsgehad.
De Beheerscommissie bestudeert het rapport en kan voorstellen doen inzake passende gezamenlijke acties aan de Raad van Bestuur, die over zodanige voorstellen beslist.
Artikel 39
De Permanente Groep inzake de Oliemarkt beoordeelt voortdurend de resultaten van het overleg dat is gepleegd met en de inlichtingen die zijn ingewonnen bij de oliemaatschappijen.
Op basis hiervan kan de Permanente Groep de internationale oliesituatie en de positie van de olie-industrie bestuderen en evalueren en brengt zij hierover verslag uit aan de Beheerscommissie.
De Beheerscommissie bestudeert deze verslagen en doet voorstellen inzake passende gezamenlijke acties aan de Raad van Bestuur, die over zulke voorstellen beslist.
Artikel 40
De Permanente Groep inzake de Oliemarkt legt aan de Beheerscommissie ieder jaar een algemeen verslag voor inzake het functioneren van het kader voor overleg met de oliemaatschappijen.
HOOFDSTUK VII. Samenwerking op energiegebied op lange termijn
Artikel 41
De deelnemende landen zijn vastbesloten om op den duur hun afhankelijkheid van ingevoerde olie ter voldoening aan hun totale energiebehoeften te verkleinen.
Hier en op de in artikel 42 aangegeven gebieden belasten de deelnemende landen zich met nationale programma's en bevorderen zij de aanvaarding van gezamenlijke programma's, eventueel met inbegrip van het gezamenlijk aanwenden van middelen en mogelijkheden en plegen zij overleg over hun nationaal beleid.
Artikel 42
De Permanente Groep inzake Samenwerking op Lange Termijn bestudeert de mogelijkheden voor samenwerking en brengt hierover verslag uit aan de Beheerscommissie. Aan de volgende gebieden wordt in het bijzonder aandacht besteed:
- a). Energiebesparing, met inbegrip van gezamenlijke programma's inzake
- -. de uitwisseling van nationale ervaringen en inlichtingen ten aanzien van de energiebesparing;
- -. wegen en middelen om te komen tot vermindering van de toename van het energieverbruik door middel van besparing.
- b). De ontwikkeling van andere energiebronnen, zoals olie in eigen bodem, steenkool, aardgas, kernenergie en door waterkracht opgewekte elektriciteit, met inbegrip van gezamenlijke programma's inzake
- -. de uitwisseling van inlichtingen over zaken als aanwezige hulpbronnen, vraag en aanbod, prijzen en belasting;
- -. wegen en middelen om te komen tot vermindering van de toename van het verbruik van ingevoerde olie door middel van de ontwikkeling van andere energiebronnen;
- -. concrete projecten, met inbegrip van gezamenlijk gefinancierde projecten;
- -. aan te leggen maatstaven, kwaliteitsnormen, alsmede normen ten aanzien van de milieubescherming.
- c). Onderzoek en ontwikkeling op energiegebied, waarbij met name prioriteit wordt verleend aan gezamenlijke programma's inzake:
- -. steenkool-technologie;
- -. zonneënergie;
- -. het beheren van radioactieve afval;
- -. beheerste thermonucleaire fusie;
- -. de produktie van waterstof uit water;
- -. veiligheidsnormen bij het gebruik van kernenergie;
- -. het gebruik van afvalwarmte;
- -. energiebesparing;
- -. het gebruik van stads- en industrie-afval voor energiebesparing;
- -. een globale analyse van het energiesysteem en algemene studies.
- d). De verrijking van uranium, met inbegrip van gezamenlijke programma's ten einde
- -. de ontwikkelingen op het gebied van de voorziening met natuurlijk en verrijkt uranium op de voet te volgen;
- -. de vorming van voorraden natuurlijk uranium en de bouw van verrijkingsinstallaties te vergemakkelijken;
- -. overleg te stimuleren, dat vereist zou kunnen zijn voor de regeling van internationale problemen, die zich zouden kunnen voordoen bij een ruimere voorziening met verrijkt uranium;
- -. zorg te dragen voor de vereiste verzameling, analyse en verspreiding van gegevens verband houdend met plannen voor de bouw van verrijkingsinstallaties.
Bij het bestuderen van de gebieden waarop samenwerking mogelijk is, houdt de Permanente Groep terdege rekening met activiteiten die elders plaatsvinden.
De krachtens het eerste lid ontwikkelde programma's kunnen gezamenlijk worden gefinancierd. Een dergelijke gezamenlijke financiering kan overeenkomstig artikel 64, tweede lid, geschieden.
Artikel 43
De Beheerscommissie bestudeert de rapporten van de Permanente Groep en doet passende voorstellen aan de Raad van Bestuur, die uiterlijk vóór 1 juli 1975 over deze voorstellen beslist.
De Raad van Bestuur neemt mogelijkheden tot samenwerking in breder verband in overweging.
HOOFDSTUK VIII. Betrekkingen met producerende landen en met andere verbruikende landen
Artikel 44
De deelnemende landen streven ernaar op onderlinge samenwerking gerichte betrekkingen met olieproducerende landen en met andere olieverbruikende landen, met inbegrip van ontwikkelingslanden, te bevorderen.
Zij volgen de ontwikkelingen op energiegebied ten einde de kansen te kunnen grijpen, die zich voordoen om een nuttige dialoog, alsmede andere vormen van samenwerking met producerende landen en andere verbruikende landen te bevorderen.
Artikel 45
Ten einde de in artikel 44 omschreven doelstellingen te kunnen bereiken, schenken de deelnemende landen de nodige aandacht aan de behoeften en belangen van andere olieverbruikende landen, met name die van de ontwikkelingslanden.
Artikel 46
Binnen het kader van het programma wisselen de deelnemende landen van gedachten over hun betrekkingen met olieproducerende landen. Hiertoe dienen de deelnemende landen elkaar in kennis te stellen van die vormen van samenwerking die zij met de producerende landen hebben aangegaan, die voor de doelstellingen van het programma van belang zijn.
Artikel 47
Binnen het kader van het programma zullen de deelnemende landen
- -. op basis van hun voortdurende bestudering van de ontwikkelingen in de internationale energiesituatie en de gevolgen daarvan voor de wereldeconomie, mogelijkheden en middelen trachten te vinden om de stabiliteit van de internationale oliehandel te verhogen en de veiligstelling van de olievoorziening op redelijke en billijke voorwaarden voor elk deelnemend land te bevorderen;
- -. rekening houdend met het werk dat door andere internationale organisaties wordt verricht, andere mogelijke terreinen van samenwerking bezien, onder meer de vooruitzichten voor samenwerking op het gebied van versnelde industrialisatie en van sociaal-economische ontwikkelingen in de voornaamste producerende gebieden, alsmede de gevolgen daarvan voor de internationale handel en investeringen;
- -. voortdurend studie maken van de vooruitzichten voor samenwerking met olieproducerende landen op het gebied van energievraagstukken van wederzijds belang, zoals energiebesparing, ontwikkeling van andere energiebronnen, alsmede onderzoek en ontwikkeling.
Artikel 48
De Permanente Groep inzake Betrekkingen met Producerende en met andere Verbruikende Landen onderzoekt en brengt aan de Beheerscommissie verslag uit over de in dit hoofdstuk behandelde aangelegenheden.
De Beheerscommissie kan ten aanzien van deze kwesties voorstellen voor passende gezamenlijke acties indienen bij de Raad van Bestuur, die over zulke voorstellen beslist.
HOOFDSTUK IX. Institutionele en algemene bepalingen
Artikel 49
Het Agentschap heeft de volgende organen:
- -. een Raad van Bestuur
- -. een Beheerscommissie
- -. Permanente Groepen inzake
- -. Crisisvraagstukken
- -. de Oliemarkt
- -. Samenwerking op Lange Termijn
- -. de Betrekkingen met Producerende en met andere Verbruikende Landen.
De Raad van Bestuur of de Beheerscommissie kan met meerderheid van stemmen elk ander orgaan instellen, dat nodig is voor de uitvoering van het programma.
Het Agentschap heeft een Secretariaat dat de in het eerste en het tweede lid genoemde organen bijstaat in hun werkzaamheden.
De Raad van Bestuur
Artikel 50
De Raad van Bestuur bestaat uit één of meer ministers, of hun afgevaardigden, uit elk deelnemend land.
De Raad van Bestuur stelt met meerderheid van stemmen zijn eigen reglement van orde vast. Tenzij in het reglement van orde anders is bepaald, is dit reglement tevens van toepassing op de Beheerscommissie en de Permanente Groepen.
De Raad van Bestuur kiest met meerderheid van stemmen zijn Voorzitter en Vice-Voorzitters.
Artikel 51
De Raad van Bestuur neemt de besluiten en doet de aanbevelingen die noodzakelijk zijn voor een goede werking van het programma.
De Raad van Bestuur bestudeert periodiek de ontwikkeling van de internationale energiesituatie en neemt passende maatregelen ten aanzien van ontwikkelingen ter zake, met inbegrip van vraagstukken betreffende de olievoorziening van een of meer deelnemende landen, alsmede de economische en monetaire gevolgen van deze ontwikkelingen. Bij zijn werkzaamheden op het gebied van de economische en monetaire gevolgen van ontwikkelingen in de internationale energiesituatie houdt de Raad van Bestuur rekening met de bevoegdheden en werkzaamheden van internationale instellingen die verantwoordelijk zijn voor algemene economische en monetaire vraagstukken.
De Raad van Bestuur kan met meerderheid van stemmen een of meer van zijn functies delegeren aan een ander orgaan van het Agentschap.
Artikel 52
Onverminderd het bepaalde in artikel 61, tweede lid, en in artikel 65, zijn krachtens deze Overeenkomst door de Raad van Bestuur of door een ander daartoe door de Raad gedelegeerd orgaan genomen besluiten bindend voor de deelnemende landen.
Aanbevelingen zijn niet bindend.
De Beheerscommissie
Artikel 53
De Beheerscommissie bestaat uit één of meer hooggeplaatste vertegenwoordigers van de Regering van elk deelnemend land.
De Beheerscommissie verricht de functies die haar in deze Overeenkomst zijn opgedragen en alle andere functies die door de Raad van Bestuur aan haar zijn gedelegeerd.
De Beheerscommissie kan alle aangelegenheden die binnen de reikwijdte van deze Overeenkomst vallen bestuderen en, zo nodig, voorstellen ter zake voorleggen aan de Raad van Bestuur.
De Beheerscommissie wordt bijeengeroepen op verzoek van een deelnemend land.
De Beheerscommissie kiest met meerderheid van stemmen haar Voorzitter en Vice-Voorzitters.
De Permanente Groepen
Artikel 54
Elke Permanente Groep bestaat uit één of meer vertegenwoordigers van de Regering van elk deelnemend land.
De Beheerscommissie kiest met meerderheid van stemmen de Voorzitters en Vice-Voorzitters van de Permanente Groepen.
Artikel 55
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken verricht de functies die haar zijn opgedragen in de hoofdstukken I tot V en in de Bijlage, alsmede alle andere functies die door de Raad van Bestuur aan haar zijn gedelegeerd.
De Permanente Groep kan alle aangelegenheden vallend onder de hoofdstukken I tot V en onder de Bijlage bestuderen en hierover verslag uitbrengen aan de Beheerscommissie.
De Permanente Groep kan over alle binnen haar bevoegdheid vallende aangelegenheden overleg plegen met de oliemaatschappijen.
Artikel 56
De Permanente Groep inzake de Oliemarkt verricht de functies die haar zijn opgedragen in de hoofdstukken V en VI en alle andere functies die door de Raad van Bestuur aan haar zijn gedelegeerd.
De Permanente Groep kan alle aangelegenheden vallend onder de hoofdstukken V en VI bestuderen en hierover verslag uitbrengen aan de Beheerscommissie.
De Permanente Groep kan over alle binnen haar bevoegdheid vallende aangelegenheden overleg plegen met de oliemaatschappijen.
Artikel 57
De Permanente Groep inzake Samenwerking op Lange Termijn verricht de functies die haar zijn opgedragen in hoofdstuk VII en alle andere functies die door de Raad van Bestuur aan haar zijn gedelegeerd.
De Permanente Groep kan alle aangelegenheden vallend onder hoofdstuk VII bestuderen en hierover verslag uitbrengen aan de Beheerscommissie.
Artikel 58
De Permanente Groep inzake Betrekkingen met Producerende en met andere Verbruikende Landen verricht de functies die haar zijn opgedragen in hoofdstuk VIII en alle andere functies die door de Raad van Bestuur aan haar zijn gedelegeerd.
De Permanente Groep kan alle aangelegenheden vallend onder hoofdstuk VIII bestuderen en hierover verslag uitbrengen aan de Beheerscommissie.
De Permanente Groep kan over alle binnen haar bevoegdheid vallende aangelegenheden overleg plegen met de oliemaatschappijen.
Het Secretariaat
Artikel 59
Het Secretariaat bestaat uit een Uitvoerend Directeur en het vereiste personeel.
De Uitvoerend Directeur wordt aangesteld door de Raad van Bestuur.
Bij de vervulling van hun taken krachtens deze Overeenkomst zijn de Uitvoerend Directeur en het personeel verantwoording verschuldigd aan en brengen zij verslag uit aan de organen van het Agentschap.
De Raad van Bestuur neemt met meerderheid van stemmen alle besluiten die nodig zijn voor de instelling en het functioneren van het Secretariaat.
Artikel 60
Het Secretariaat verricht de functies die het in deze Overeenkomst zijn opgedragen, alsmede alle andere functies die het door de Raad van Bestuur worden opgedragen.
Stemprocedure
Artikel 61
De Raad van Bestuur neemt die besluiten en doet die aanbevelingen waarvoor in deze Overeenkomst geen uitdrukkelijke bepaling inzake de stemprocedure is opgenomen, op de volgende wijze:
- a). met meerderheid van stemmen:
- -. besluiten inzake het beheer van het programma, met inbegrip van besluiten tot toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst die de deelnemende landen reeds specifieke verplichtingen opleggen;
- -. besluiten inzake procedurekwesties;
- -. aanbevelingen;
- b). met eenparigheid van stemmen:
- -. alle andere besluiten, met inbegrip van bepaalde besluiten die de deelnemende landen nieuwe verplichtingen opleggen, die niet reeds in deze Overeenkomst zijn omschreven.
In de besluiten bedoeld in het eerste lid, letter b, kan worden bepaald dat:
- a). zij niet bindend zijn voor een of meer deelnemende landen;
- b). zij slechts onder bepaalde voorwaarden bindend zijn.
Artikel 62
Voor eenparigheid van stemmen zijn alle stemmen vereist van de deelnemende landen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen. Landen die zich van stemming onthouden worden geacht geen stem uit te brengen.
Wanneer een meerderheid of een gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vereist, hebben de deelnemende landen de volgende stemgewichten:
| Algemene stemgewichten | Stemgewichten oliegebruik | Gecombineerde stemgewichten | |
|---|---|---|---|
| Australië | 3 | 1 | 4 |
| België | 3 | 1 | 4 |
| Canada | 3 | 4 | 7 |
| Denemarken | 3 | 1 | 4 |
| Duitsland | 3 | 7 | 10 |
| Estland | 3 | 0 | 3 |
| Finland | 3 | 1 | 4 |
| Frankrijk | 3 | 6 | 9 |
| Griekenland | 3 | 0 | 3 |
| Hongarije | 3 | 0 | 3 |
| Ierland | 3 | 0 | 3 |
| Italië | 3 | 5 | 8 |
| Japan | 3 | 14 | 17 |
| Korea (Republiek) | 3 | 1 | 4 |
| Litouwen | 3 | 0 | 3 |
| Luxemburg | 3 | 0 | 3 |
| Mexico | 3 | 2 | 5 |
| Nederland | 3 | 1 | 4 |
| Nieuw-Zeeland | 3 | 0 | 3 |
| Oostenrijk | 3 | 1 | 4 |
| Polen | 3 | 1 | 4 |
| Portugal | 3 | 0 | 3 |
| Slowakije | 3 | 0 | 3 |
| Spanje | 3 | 2 | 5 |
| Tsjechië | 3 | 1 | 4 |
| Turkije | 3 | 1 | 4 |
| Verenigd Koninkrijk | 3 | 5 | 8 |
| Verenigde Staten | 3 | 42 | 45 |
| Zweden | 3 | 2 | 5 |
| Zwitserland | 3 | 1 | 4 |
| Totaal | 90 | 100 | 190 |
Voor een meerderheid van stemmen zijn 60 % van de totale gecombineerde stemgewichten en 50 algemene stemgewichten vereist.
Voor een gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vereist:
- a). 60 % van de totale gecombineerde stemgewichten en 68 algemene stemgewichten voor:
- –. het besluit bedoeld in artikel 2, tweede lid, betreffende de vergroting van de verplichte noodvoorraad;
- –. de besluiten bedoeld in artikel 19, derde lid, de in de artikelen 13 en 14 voorziene noodmaatregelen niet in werking te stellen;
- –. de besluiten bedoeld in artikel 20, derde lid, inzake de maatregelen die zijn vereist om aan de situatie die is ontstaan het hoofd te bieden;
- –. de besluiten bedoeld in artikel 23, derde lid, tot handhaving van de noodmaatregelen voorzien in de artikelen 13 en 14;
- –. de besluiten bedoeld in artikel 24 tot intrekking van de noodmaatregelen voorzien in de artikelen 13 en 14;
- b). 81 algemene stemgewichten voor:
- –. de besluiten bedoeld in artikel 19, derde lid, de noodmaatregelen voorzien in artikel 17 niet in werking te stellen;
- –. de besluiten bedoeld in artikel 23, derde lid, tot handhaving van de noodmaatregelen voorzien in artikel 17;
- –. de besluiten bedoeld in artikel 24 tot intrekking van de noodmaatregelen voorzien in artikel 17.
De Raad van Bestuur besluit met eenparigheid van stemmen over de noodzakelijke verhoging, vermindering en herverdeling van de stemgewichten bedoeld in het tweede lid, alsmede over wijziging van de stemvoorwaarden vervat in het derde en het vierde lid ingeval
- -. een land tot deze Overeenkomst toetreedt overeenkomstig artikel 71, of
- -. een land zich uit deze Overeenkomst terugtrekt overeenkomstig artikel 68, tweede lid, of artikel 69, tweede lid.
De Raad van Bestuur onderzoekt jaarlijks het aantal en de verdeling van de in het tweede lid voorziene stemgewichten en besluit, op basis van dit onderzoek en met eenparigheid van stemmen, of deze stemgewichten dienen te worden verhoogd of verminderd of herverdeeld, dan wel beide, omdat zich een verandering heeft voorgedaan in het aandeel van een deelnemend land in het totale olieverbruik, of om andere redenen.
Iedere verandering in het tweede, derde of vierde lid dient te zijn gebaseerd op de uitgangspunten van die leden en van het zesde lid.
Betrekkingen met andere lichamen
Artikel 63
Ter verwezenlijking van de doelstellingen van het programma kan het Agentschap passende betrekkingen aanknopen met niet-deelnemende landen, internationale organisaties, al dan niet van gouvernementele aard, andere lichamen, alsmede natuurlijke personen.
Financiële regelingen
Artikel 64
De kosten van het Secretariaat en alle andere gemeenschappelijke kosten worden omgeslagen over alle deelnemende landen volgens een schaal van bijdragen opgesteld overeenkomstig de beginselen en regels neergelegd in de Bijlage bij de „Resolutie van de OESO-Raad inzake de vaststelling van de schaal van bijdragen van de Lid-Staten aan de begroting van de Organisatie” van 10 december 1963. Na het eerste jaar van toepassing van deze Overeenkomst beziet de Raad van Bestuur deze schaal van bijdragen en besluit met eenparigheid van stemmen tot eventuele passende veranderingen overeenkomstig artikel 73.
Bijzondere kosten, ontstaan in verband met bijzondere werkzaamheden verricht ingevolge artikel 65 worden omgeslagen over de deelnemende landen die aan zulke bijzondere werkzaamheden hun medewerking verlenen, in een verhouding die zij bij met eenparigheid van stemmen bereikte onderlinge overeenstemming vaststellen.
De Uitvoerend Directeur legt, overeenkomstig het door de Raad van Bestuur vastgestelde financiële reglement en uiterlijk op 1 oktober van elk jaar, aan de Raad van Bestuur een ontwerpbegroting voor, waarin een overzicht van de personeelsbehoefte dient te zijn opgenomen. De Raad van Bestuur stelt de begroting met meerderheid van stemmen vast.
De Raad van Bestuur neemt met meerderheid van stemmen alle andere noodzakelijke besluiten ten aanzien van het financieel beheer van het Agentschap.
Het boekjaar vangt aan op 1 januari en eindigt op 31 december van elk jaar. Aan het einde van elk boekjaar worden de inkomsten en uitgaven aan een accountantscontrole onderworpen.
Bijzondere werkzaamheden
Artikel 65
Twee of meer deelnemende landen kunnen besluiten binnen de reikwijdte van deze Overeenkomst bijzondere werkzaamheden te verrichten, die niet behoren tot de werkzaamheden die krachtens de hoofdstukken I tot V door alle deelnemende landen dienen te worden verricht. Deelnemende landen die niet aan deze bijzondere werkzaamheden wensen deel te nemen onthouden zich van deelneming in zulke besluiten en zijn daardoor niet gebonden. Deelnemende landen die deze werkzaamheden wel verrichten, houden de Raad van Bestuur daarvan op de hoogte.
Voor de uitvoering van deze bijzondere werkzaamheden kunnen de deelnemende landen besluiten tot andere stemprocedures dan voorzien in de artikelen 61 en 62.
Uitvoering van de Overeenkomst
Artikel 66
Elk deelnemend land neemt de nodige maatregelen, met inbegrip van alle noodzakelijke wetgevende maatregelen, voor de uitvoering van deze Overeenkomst en van de door de Raad van Bestuur genomen besluiten.
HOOFDSTUK X. Slotbepalingen
Artikel 67
Elke Ondertekenende Staat stelt uiterlijk op 1 mei 1975 de Regering van het Koninkrijk België ervan in kennis dat hij, zijn constitutionele procedures in acht genomen hebbende, ermede instemt door deze Overeenkomst te worden gebonden.
Op de tiende dag volgende op de dag waarop ten minste zes Staten die ten minste 60 % bezitten van de gecombineerde stemgewichten bedoeld in artikel 62, een dergelijke kennisgeving of een akte van toetreding hebben nedergelegd, treedt deze Overeenkomst voor die Staten in werking.
Voor elke Ondertekenende Staat die zijn kennisgeving nadien nederlegt, treedt deze Overeenkomst in werking op de tiende dag volgende op de dag van nederlegging.
De Raad van Bestuur kan met meerderheid van stemmen op verzoek van een Ondertekenende Staat besluiten voor die Staat de termijn voor kennisgeving tot na 1 mei 1975 te verlengen.
Artikel 68
Niettegenstaande de bepalingen van artikel 67 wordt deze Overeenkomst voorlopig toegepast door alle Ondertekenende Staten, voor zover zulks niet in strijd is met hun wetgeving, met ingang van 18 november 1974, na de eerste vergadering van de Raad van Bestuur.
De voorlopige toepassing van de Overeenkomst wordt voortgezet tot:
- -. de Overeenkomst voor de betrokken Staat in werking is getreden overeenkomstig artikel 67, of
- -. 60 dagen na het tijdstip waarop de Regering van het Koninkrijk België een kennisgeving heeft ontvangen dat de betrokken Staat er niet mede instemt door deze Overeenkomst te worden gebonden.
- -. de termijn voor kennisgeving van instemming door de betrokken Staat, zoals bedoeld in artikel 67, is verstreken.
Artikel 69
Deze Overeenkomst blijft van kracht voor een tijdvak van tien jaar vanaf de datum van haar inwerkingtreding en blijft daarna van kracht tot het tijdstip waarop de Raad van Bestuur met meerderheid van stemmen besluit haar te beëindigen.
Elk deelnemend land kan de toepassing van deze Overeenkomst ten aanzien van zich zelf beëindigen na twaalf maanden van tevoren kennisgeving daarvan te hebben gedaan aan de Regering van het Koninkrijk België, welke kennisgeving wordt gedaan binnen een tijdvak niet korter dan drie jaar na de eerste dag van voorlopige toepassing van deze Overeenkomst.
Artikel 70
Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, kennisgeving van zijn instemming door de Overeenkomst te worden gebonden krachtens artikel 67, toetreding, of op elk later tijdstip, door middel van een tot de Regering van het Koninkrijk België gerichte kennisgeving verklaren dat deze Overeenkomst van toepassing is op alle of één van de gebieden voor welker internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is, of op gebieden binnen zijn grenzen voor welker olievoorziening hij in juridische zin verantwoordelijk is.
Elke verklaring afgelegd ingevolge het eerste lid kan ten aanzien van elk in een zodanige verklaring genoemd gebied, worden ingetrokken overeenkomstig de bepalingen van artikel 69, tweede lid.
Artikel 71
Deze Overeenkomst staat open voor toetreding door elk Lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling dat in staat en bereid is te voldoen aan de eisen die het programma stelt. De Raad van Bestuur besluit met meerderheid van stemmen over elk verzoek om toetreding.
Deze Overeenkomst treedt in werking voor elke Staat wiens verzoek om toetreding is ingewilligd op de tiende dag na de nederlegging van zijn akte van toetreding bij de Regering van het Koninkrijk België, of op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst ingevolge artikel 67, tweede lid, al naar gelang welke van beide data het laatst valt.
Toetreding kan op voorlopige grondslag geschieden op de voorwaarden neergelegd in artikel 68, afhankelijk van de termijnen die de Raad van Bestuur bij meerderheid van stemmen kan vaststellen voor het indienen van een kennisgeving van instemming te worden gebonden door een toetredende Staat.
Artikel 72
Deze Overeenkomst staat open voor toetreding door de Europese Gemeenschappen.
Deze Overeenkomst staat op generlei wijze de verdere uitvoering van de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen in de weg.
Artikel 73
Deze Overeenkomst kan te allen tijde door de Raad van Bestuur met meerderheid van stemmen worden gewijzigd. Zulk een wijziging wordt van kracht op een door de Raad van Bestuur met meerderheid van stemmen vastgestelde wijze, waarbij de deelnemende landen in de gelegenheid worden gesteld aan hun onderscheiden constitutionele procedures te voldoen.
Artikel 74
Na 1 mei 1980 zal deze Overeenkomst in haar geheel opnieuw worden bezien.
Artikel 75
De Regering van het Koninkrijk België stelt alle deelnemende landen in kennis van de nederlegging van elke akte van instemming door de Overeenkomst te worden gebonden overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, en van elke akte van toetreding, van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst of van een wijziging daarop, van een opzegging van de Overeenkomst en van alle andere ontvangen verklaringen of kennisgevingen.
Artikel 76
Het oorspronkelijke exemplaar van deze Overeenkomst, waarvan de Engelse, de Franse en de Duitse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Regering van het Koninkrijk België, die ieder ander deelnemend land een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan doet toekomen.
Artikel 1
De totale olievoorraden worden berekend aan de hand van de definities in gebruik bij de OESO en de EEG, als onderstaand gewijzigd:
- A. Inbegrepen voorraden: ruwe olie, voornaamste produkten en halffabrikaten van olie opgeslagen
- -. in de tanks van raffinaderijen
- -. in opslagplaatsen bij aanlegsteigers
- -. in opslagplaatsen bij pijpleidingen
- -. in binnenvaarttankschepen
- -. in kustvaarttankschepen
- -. in olietankschepen die zich in de havens bevinden
- -. in binnenvaartschepen
- -. als bezinksel in olietanks
- -. als werkvoorraden
- -. door grote verbruikers, als voorgeschreven bij de wet, of anderszins onder toezicht van de regeringen opgeslagen.
- B. Niet inbegrepen voorraden:
- a). nog niet geproduceerde ruwe olie
- b). ruwe olie, voornaamste produkten en halffabrikaten van olie opgeslagen
- -. in pijpleidingen
- -. in spoortankwagons
- -. in tankauto's
- -. in zeevaartschepen
- -. bij service stations en de detailhandel
- -. door andere verbruikers
- -. in olietankschepen die zich op zee bevinden
- -. als militaire voorraden.
Dat gedeelte van de olievoorraden dat kan worden toegerekend aan de verplichte noodvoorraad van elk deelnemend land wordt gevormd door zijn totale olievoorraden overeenkomstig bovenstaande definitie, verminderd met die voorraden ten aanzien waarvan formeel kan worden gesteld dat zij absoluut niet beschikbaar zijn, zelfs in de ernstigste crisissituatie. De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken dient dit uitgangspunt nader te bezien en verslag uit te brengen over de voor de berekening van absoluut niet beschikbare voorraden te hanteren normen.
Totdat hierover een beslissing is genomen, brengt elk deelnemend land bij de berekening van zijn noodvoorraden 10 % op zijn totale voorraden in mindering.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken dient een studie te maken van en aan de Beheerscommissie verslag uit te brengen over:
- a). de wijze waarop nafta bestemd voor ander gebruik dan als motor- en vliegtuigbenzine kan worden meegerekend in het verbruik op basis waarvan de voorraden worden berekend,
- b). de mogelijkheid gemeenschappelijke regels op te stellen voor maatregelen ten aanzien van het brandstofverbruik door de zeescheepvaart in een crisissituatie en de mogelijkheid dit verbruik mee te rekenen in het verbruik op basis waarvan de voorraden worden vastgesteld,
- c). de mogelijkheid gemeenschappelijke regels op te stellen ten aanzien van de beperking van het brandstofverbruik door de luchtvaart,
- d). de mogelijkheid aan de verplichte noodvoorraad een gedeelte toe te rekenen van zich op het tijdstip van de inwerkingstelling van de noodmaatregelen op zee bevindende olie,
- e). de mogelijkheid in een crisissituatie de beschikbare hoeveelheden te vergroten door middel van bezuinigingen in het distributiesysteem.
Artikel 2
Onder het vermogen over te schakelen op andere brandstof wordt verstaan het normale olieverbruik dat in een crisissituatie kan worden vervangen door verbruik van andere brandstoffen, mits een en ander in een crisissituatie aan overheidstoezicht is onderworpen, binnen een maand in werking kan worden gesteld en de voorziening met vervangende brandstof verzekerd is.
De voorziening met vervangende brandstof wordt uitgedrukt in olie-equivalenten.
Voorraden vervangende brandstof die worden gereserveerd om op een andere brandstof te kunnen overschakelen mogen worden toegerekend aan de verplichte noodvoorraad, mits zij tijdens de periode van zelfvoorziening kunnen worden aangewend.
De reserve-produktiecapaciteit van vervangende brandstof die is aangemerkt om op andere brandstof te kunnen overschakelen, zal op dezelfde grondslagen aan de verplichte noodvoorraad worden toegerekend als de reserve-produktiecapaciteit van olie, evenwel met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 van deze Bijlage.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken dient studie te maken van en verslag uit te brengen aan de Beheerscommissie over:
- a). het geschikt zijn van de termijn van een maand als bedoeld in het eerste lid,
- b). de wijze van verantwoording wat betreft het vermogen over te schakelen op andere brandstof, op grondslag van de voorraden vervangende brandstof, evenwel met inachtneming van het bepaalde in het derde lid.
Artikel 3
Een deelnemend land kan aan zijn verplichte noodvoorraad olievoorraden in een ander land toerekenen, mits de Regering van dat andere land met de Regering van het deelnemende land is overeengekomen dat eerstgenoemde Regering geen belemmeringen in de weg zal leggen aan de overbrenging van deze voorraden naar het deelnemende land in een crisissituatie.
Artikel 4
Onder de reserve-produktiecapaciteit van olie wordt verstaan de potentiële olieproduktie van een deelnemend land uitgaande boven de normale olieproduktie binnen zijn rechtsgebied
- -. die is onderworpen aan overheidstoezicht, en
- -. die in een crisissituatie in gebruik kan worden genomen binnen de periode van zelfvoorziening.
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken dient een studie te maken van en verslag uit te brengen aan de Beheerscommissie over:
- a). het vraagstuk van en de methoden voor de berekening van reserve-olieproduktie als bedoeld in het eerste lid,
- b). het geschikt zijn van „de periode van zelfvoorziening” als termijn,
- c). de vraag of een bepaalde hoeveelheid reserve-produktiecapaciteit van olie van meer waarde is voor de zelfvoorziening in een crisissituatie dan dezelfde hoeveelheid olievoorraden, de omvang van een eventuele toerekening voor reserve-olieproduktie, en de wijze van berekening daarvan.
Artikel 5
De reserve-olieproduktie waarover een deelnemend land beschikt binnen het rechtsgebied van een ander land kan worden toegerekend aan zijn verplichte noodvoorraad, op dezelfde grondslag als de reserve-olieproduktie binnen zijn eigen rechtsgebied, zulks onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 4 van deze Bijlage, mits de Regering van dat andere land met de Regering van het deelnemende land is overeengekomen dat eerstgenoemde Regering geen belemmeringen in de weg zal leggen aan de olievoorziening uit die reservecapaciteit aan het deelnemende land in een crisissituatie.
Artikel 6
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken dient een studie te maken van en verslag uit te brengen aan de Beheerscommissie over de mogelijkheid om aan de verplichte noodvoorraad van een deelnemend land, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Overeenkomst, investeringen op lange termijn toe te rekenen, die tot gevolg zullen hebben dat de afhankelijkheid van het deelnemend land van ingevoerde olie vermindert.
Artikel 7
De Permanente Groep inzake de Crisisvraagstukken dient een studie te maken van en verslag uit te brengen aan de Beheerscommissie over de referentieperiode neergelegd in artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met factoren als groei, seizoenschommelingen in het verbruik en veranderingen in de conjunctuur.
Een besluit van de Raad van Bestuur tot wijziging van de definitie van de referentieperiode bedoeld in het eerste lid, dient met eenparigheid van stemmen te worden genomen.
Artikel 8
De Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken dient een studie te maken van en verslag uit te brengen aan de Beheerscommissie over alle onderwerpen in de hoofdstukken I tot IV van de Overeenkomst ten einde eventuele onregelmatigheden en afwijkingen op mathematisch en statistisch gebied daaruit te verwijderen.
Artikel 9
De verslagen van de Permanente Groep inzake Crisisvraagstukken over de in deze Bijlage vermelde aangelegenheden dienen uiterlijk op 1 april 1975 aan de Beheerscommissie te worden voorgelegd. De Beheerscommissie doet passende voorstellen aan de Raad van Bestuur, die met meerderheid van stemmen en uiterlijk op 1 juli 1975 over deze voorstellen beslist, onverminderd het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van deze Bijlage.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto by their respective Governments, have signed this Agreement.
DONE at Paris, this eighteenth day of November, Nineteen Hundred and Seventy Four.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)