Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Australië,
De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst
Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is
Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.
Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is
(1). De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn -
- (a). in Australië:
- de Australische inkomstenbelasting (income tax), daaronder begrepen de aanvullende belasting op het niet uitgedeelde deel van de voor uitdeling beschikbare winst van een „private company”;
- (b). in Nederland:
- de inkomstenbelasting;
- de loonbelasting;
- de vennootschapsbelasting;
- de dividendbelasting.
(2). Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die door een van de Staten na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. Aan het eind van elk kalenderjaar deelt de bevoegde autoriteit van iedere Staat de bevoegde autoriteit van de andere Staat alle wezenlijke wijzigingen mede, die in de wetgeving betreffende de belastingen van zijn Staat waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn aangebracht.
HOOFDSTUK II. Begripsbepalingen
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
(1). In deze Overeenkomst, tenzij het zinsverband anders vereist -
- (a). betekent de uitdrukking „Australië” het Gemenebest van Australië en omvat deze uitdrukking, wanneer zij in aardrijkskundige zin wordt gebezigd -
- (i). het gebied van Norfolk Island;
- (ii). het gebied van Christmas Island;
- (iii). het gebied van de Cocos (Keeling) Islands;
- (iv). het gebied van de Ashmore en Cartier Islands;
- (v). het Coral Sea Islands gebied; en
- (vi). elk gebied grenzend aan de territoriale grenzen van Australië en de bovengenoemde gebieden ten aanzien waarvan, en gedurende de tijd dat dit het geval is, in overeenstemming met het internationale recht, een wettelijk voorschrift van Australië of van een Staat of deel van Australië of van een bovengenoemd gebied van kracht is, welke de exploitatie van natuurlijke rijkdommen van de zeebodem en de ondergrond van het continentale plat regelt;
- (b). betekent de uitdrukking „Nederland” dat deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, en het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan waarop het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten heeft;
- (c). betekenen de uitdrukkingen „Staat”, „een van de Staten” en „andere Staat” Australië of Nederland, al naar het zinsverband vereist;
- (d). betekent de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
- (e). betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing met een rechtspersoon wordt gelijkgesteld;
- (f). betekent de uitdrukking „belasting” Australische belasting of Nederlandse belasting, al naar het zinsverband vereist;
- (g). betekent de uitdrukking „Australische belasting” belasting geheven door Australië, waarop deze Overeenkomst krachtens artikel 2 van toepassing is;
- (h). betekent de uitdrukking „Nederlandse belasting” belasting geheven door Nederland, waarop deze Overeenkomst krachtens artikel 2 van toepassing is;
- (i). betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”, wat Australië betreft, de „Commissioner of Taxation” of zijn bevoegde vertegenwoordiger, en wat Nederland betreft, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- (j). betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” een onderneming gedreven door een inwoner van Australië of een onderneming gedreven door een inwoner van Nederland, al naar het zinsverband vereist;
- (k). omvatten woorden in het enkelvoud het meervoud en woorden in het meervoud het enkelvoud.
(2). In deze Overeenkomst omvatten de uitdrukkingen „Australische belasting” en „Nederlandse belasting” niet boete of interest, die wordt geheven op grond van de wetgeving van een van beide Staten met betrekking tot de belastingen waarop deze Overeenkomst krachtens artikel 2 van toepassing is.
(3). Voor de toepassing van deze Overeenkomst door elk van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet anders omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is.
Artikel 4. Woonplaats
(1). Voor de toepassing van deze Overeenkomst is een persoon inwoner van een van de Staten -
- (a). indien het Australië betreft, onder voorbehoud van het tweede lid, indien de persoon een inwoner van Australië is voor de toepassing van de Australische belasting; en
- (b). indien het Nederland betreft, indien de persoon een inwoner van Nederland is voor de toepassing van de Nederlandse belasting, maar niet indien hij in Nederland slechts aan belasting onderworpen is ter zake van inkomsten uit bronnen in Nederland.
(2). Met betrekking tot inkomsten uit bronnen in Nederland wordt een persoon die onderworpen is aan Australische belasting voor inkomsten die afkomstig zijn uit bronnen in Australië, niet behandeld als een inwoner van Australië, tenzij de inkomsten uit bronnen in Nederland onderworpen zijn aan Australische belasting of, indien deze inkomsten zijn vrijgesteld van Australische belasting, zij zijn vrijgesteld uitsluitend omdat zij onderworpen zijn aan Nederlandse belasting.
(3). Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten is, gelden de volgende regels:
- (a). hij wordt geacht uitsluitend inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft;
- (b). indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht uitsluitend inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn.
(4). Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht uitsluitend inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.
Artikel 5. Vaste inrichting
(1). Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
(2). De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder -
- (a). een plaats waar leiding wordt gegeven;
- (b). een filiaal;
- (c). een kantoor;
- (d). een fabriek;
- (e). een werkplaats;
- (f). een mijn, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;
- (g). een bezitting, gebezigd voor landbouw, veeteelt of bosbouw;
- (h). de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, installatie- of montagewerkzaamheden waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.
(3). Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting te bezitten, enkel omdat -
- (a). gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- (b). een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;
- (c). een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- (d). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;
- (e). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor werkzaamheden voor de onderneming die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben, zoals reclame of wetenschappelijk onderzoek.
(4). Een onderneming wordt geacht een vaste inrichting in een van de Staten te bezitten en haar bedrijf met behulp van deze vaste inrichting uit te oefenen, indien -
- (a). zij in die Staat gedurende langer dan twaalf maanden werkzaamheden van toezichthoudende aard verricht in verband met een bouwwerk dat, of constructie-, installatie of montagewerkzaamheden die in die Staat worden uitgevoerd; of
- (b). groot materiaal in die Staat wordt gebruikt gedurende langer dan twaalf maanden door, voor of onder contract met de onderneming bij de opsporing of de exploitatie van natuurlijke rijkdommen of bij werkzaamheden die verband houden met zodanige opsporing of exploitatie.
(5). Een persoon die in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid - wordt als een in de eerstbedoelde Staat aanwezige vaste inrichting van die onderneming beschouwd, indien -
- (a). hij een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot de aankoop van goederen of koopwaar voor de onderneming; of
- (b). hij, op deze wijze werkzaam, in die Staat voor de onderneming goederen of koopwaar vervaardigt of bewerkt welke aan de onderneming toebehoren, met dien verstande dat deze bepaling alleen van toepassing is met betrekking tot de op deze wijze vervaardigde of bewerkte goederen of koopwaar.
(6). Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, indien deze persoon in de normale uitoefening van zijn bedrijf als zulk een makelaar of vertegenwoordiger handelt.
(7). De enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst, dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij met behulp van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van de beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.
(8). De beginselen, die zijn vermeld in het eerste tot en met het zevende lid zijn van toepassing, indien voor de toepassing van deze Overeenkomst moet worden vastgesteld of er een vaste inrichting buiten beide Staten is, en of een onderneming die niet een onderneming van een van de Staten is, een vaste inrichting in een van de Staten bezit.
HOOFDSTUK III. Belastingheffing naar het inkomen
Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen
(1). Inkomsten uit onroerende goederen, daaronder begrepen royalty’s en andere vergoedingen ter zake van de exploitatie van mijnen of steengroeven of ter zake van de winning van enige natuurlijke rijkdom, mogen worden belast in de Staat waar deze onroerende goederen, mijnen, steengroeven of natuurlijke rijkdommen zijn gelegen.
(2). Inkomsten uit erfpacht en inkomsten uit elk ander rechtstreeks belang in of op al dan niet bebouwde grond worden beschouwd als inkomsten uit onroerend goed. Inkomsten uit schepen of luchtvaartuigen worden evenwel niet als inkomsten uit onroerend goed beschouwd.
(3). De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep.
Artikel 7. Winst uit onderneming
(1). De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.
(2). Met inachtneming van de bepalingen van het derde lid worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde; of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is of met andere ondernemingen waarmede zij transacties aangaat.
(3). Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten de kosten van de onderneming (daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten) die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt en die aftrekbaar zouden zijn, indien de vaste inrichting een onafhankelijke eenheid was die deze kosten maakte, ongeacht of zij gemaakt zijn in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd of elders.
(4). Geen voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.
(5). Voor de toepassing van dit artikel zijn, behoudens het bepaalde in de in dit lid genoemde artikelen, in de voordelen van een onderneming niet begrepen de bestanddelen van het inkomen die worden behandeld in de artikelen 6, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 16 en 17.
Artikel 8. Zeevaart en luchtvaart
(1). Voordelen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen verkregen door een inwoner van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar.
(2). Niettegenstaande de bepaling van het eerste lid mogen die voordelen in de andere Staat worden belast, indien het voordelen betreft ter zake van schepen of luchtvaartuigen waarvan de exploitatie uitsluitend beperkt is tot plaatsen in die andere Staat.
(3). De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn van toepassing op het aandeel in de voordelen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen verkregen door een inwoner van een Staat uit hoofde van een deelneming in een „pool”, in een gemeenschappelijke vervoersorganisatie of in een internationaal geëxploiteerd agentschap.
(4). Voor de toepassing van dit artikel worden voordelen behaald met het vervoer van personen, levende have, post, goederen of koopwaar die in een Staat aan boord van een schip of luchtvaartuig gaan of daarin worden geladen om in een andere plaats in die Staat van boord te gaan of te worden gelost, behandeld als voordelen ter zake van schepen of luchtvaartuigen waarvan de exploitatie uitsluitend beperkt is tot plaatsen in die Staat.
(5). De in een van de Staten te belasten voordelen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen ter zake waarvan een inwoner van de andere Staat in de eerstbedoelde Staat op grond van het tweede of derde lid mag worden belast, overschrijden niet 5 percent van het bedrag (na aftrek van kortingen) dat voor het vervoer in het kader van zodanige exploitatie betaald of verschuldigd is.
(6). Het vijfde lid is niet van toepassing op voordelen behaald met de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen door een inwoner van een van de Staten die zijn hoofdkantoor in de andere Staat heeft, en evenmin op voordelen behaald met de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen door een inwoner van een Staat, indien die voordelen op andere wijze worden behaald dan met het vervoer van passagiers, levende have, post, goederen of koopwaar.
Artikel 9. Gelieerde ondernemingen
(1). Indien:
- (a). een onderneming van een van de Staten onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Staat; of
- (b). dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een van de Staten en een onderneming van de andere Staat,
en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden gelden, die afwijken van die welke verwacht zouden mogen worden te gelden tussen onafhankelijke ondernemingen die geheel onafhankelijk met elkaar zaken doen, mogen alle voordelen waarvan verwacht had mogen worden dat zij zonder deze voorwaarden door een van de ondernemingen zouden zijn behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet zijn behaald, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.