Verdrag betreffende de bescherming van het vakverenigingsrecht en procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar vierenzestigste Zitting op 7 juni 1978;
Gelet op de bepalingen van het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht (1948), het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen (1949), en het Verdrag en de Aanbeveling betreffende de bescherming van de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming en de hun te verlenen faciliteiten (1971);
In herinnering brengende dat het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen (1949), niet van toepassing is op bepaalde categorieën werknemers in openbare dienst en dat het Verdrag en de Aanbeveling betreffende de bescherming van de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming en de hun te verlenen faciliteiten (1971), van toepassing zijn op de vertegenwoordigers van werknemers in de onderneming;
Gelet op de aanzienlijke uitbreiding van de taken van de overheid in vele landen en de behoefte aan goede arbeidsbetrekkingen tussen de overheid en de organisaties van overheidspersoneel;
Rekening houdende met de grote verscheidenheid in politieke, sociale en economische stelsels in de Lidstaten en de verschillen in praktijk in die Staten (bijvoorbeeld voor wat betreft de onderscheiden functies van centrale en plaatselijke overheid, van federale, staats- en provinciale overheden, en van ondernemingen die overheidsbezit zijn en verschillende soorten van autonome of semiautonome overheidslichamen, evenals voor wat betreft de aard van de arbeidsverhoudingen);
In aanmerking nemende de bijzondere problemen die zich voordoen met betrekking tot de bepaling van de werkingssfeer van een internationale regeling en met betrekking tot het vaststellen van begripsomschrijvingen met het oog op deze internationale regeling, als gevolg van de verschillen in vele landen tussen de arbeidsverhoudingen in de particuliere sector en in openbare dienst, eveneens in aanmerking nemende de interpretatiemoeilijkheden die ontstaan zijn met betrekking tot de toepassing op overheidspersoneel van de desbetreffende bepalingen van het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, (1949), en de opmerkingen van de toezichthoudende organen van de Internationale Arbeidsorganisatie bij een aantal gelegenheden, dat bepaalde Regeringen deze bepalingen hebben toegepast op een wijze die grote groepen van werknemers in openbare dienst uitsluit van de toepassing van dat Verdrag;
Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de vrijheid van vakvereniging en tot procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda van de Zitting voorkomt;
Vastgesteld hebbende dat deze voorstellen de vorm van een Internationaal Verdrag dienen te krijgen,
aanvaardt de zevenentwintigste juni van het jaar negentienhonderd achtenzeventig het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende de arbeidsverhoudingen in de openbare dienst, (1978):
DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1
Dit Verdrag is van toepassing op alle personen die in dienst zijn van de overheid, voorzover gunstiger bepalingen in andere Internationale Arbeidsverdragen op hen niet van toepassing zijn.
In welke omvang de waarborgen, neergelegd in dit Verdrag, van toepassing zullen zijn op hooggeplaatste functionarissen wier werkzaamheden in de regel als beleidsbepalend of leidinggevend worden beschouwd of op functionarissen wier werkzaamheden van zeer vertrouwelijke aard zijn, moet door nationale wettelijke voorschriften worden bepaald.
In welke omvang de waarborgen, neergelegd in dit Verdrag, van toepassing zullen zijn op de gewapende macht en de politie, moet door nationale wettelijke voorschriften worden bepaald.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder de term „werknemer in overheidsdienst” verstaan een ieder die onder het Verdrag valt krachtens artikel 1 van dit Verdrag.
Artikel 3
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder de term „organisatie van overheidspersoneel” verstaan iedere organisatie, hoe ook samengesteld, die het bevorderen en het verdedigen van de belangen van het overheidspersoneel ten doel heeft.
DEEL II. BESCHERMING VAN HET VAKVERENIGINGSRECHT
Artikel 4
Werknemers in overheidsdienst moeten een toereikende bescherming genieten tegen handelingen, ingegeven door een afwijzende houding jegens het vakverenigingswezen, die hen discrimineren in de sfeer van de arbeid.
Deze bescherming moet met name geboden worden tegen handelingen die er op gericht zijn:
- (a). het in dienst nemen van een werknemer in overheidsdienst afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat hij geen lid wordt van een organisatie van overheidspersoneel of zijn lidmaatschap daarvan opzegt;
- (b). de werknemer in overheidsdienst te ontslaan of op andere wijze te benadelen op grond van zijn lidmaatschap van een organisatie van overheidspersoneel of van zijn deelneming aan de normale activiteiten van een dergelijke organisatie.
Artikel 5
Organisaties van overheidspersoneel moeten volledige onafhankelijkheid genieten ten opzichte van de overheid.
Organisaties van overheidspersoneel moeten een toereikende bescherming genieten tegen elke inmenging van de zijde van de overheid bij hun oprichting, de uitoefening van hun werkzaamheden of bij het beheer van hun organisaties.
In het bijzonder wordt in dit artikel onder inmenging verstaan: daden die gericht zijn op het bevorderen van de oprichting van organisaties van overheidspersoneel die door de overheid worden beheerd of op het verlenen van steun met financiële of andere middelen aan organisaties van overheidspersoneel met het doel deze organisaties onder controle van de overheid te plaatsen.
DEEL III. AAN DE ORGANISATIES VAN OVERHEIDSPERSONEEL TE VERLENEN FACILITEITEN
Artikel 6
Aan de vertegenwoordigers van erkende organisaties van overheidspersoneel dienen passende faciliteiten te worden verleend, opdat zij hun functies snel en doeltreffend kunnen vervullen, zowel gedurende als buiten hun werktijden.
De toekenning van deze faciliteiten mag geen afbreuk doen aan de goede functionering van de overheid of van de desbetreffende overheidsdienst.
De aard en werkingssfeer van deze faciliteiten moeten worden bepaald overeenkomstig de procedures als bedoeld in artikel 7 van dit Verdrag, of op enigerlei andere passende wijze.
DEEL IV. PROCEDURES VOOR HET VASTSTELLEN VAN ARBEIDSVOORWAARDEN
Artikel 7
Waar nodig, moeten aan de nationale omstandigheden aangepaste maatregelen worden getroffen om de volledige ontwikkeling en het volledig gebruik aan te moedigen en te bevorderen van procedures voor het onderhandelen over arbeidsvoorwaarden tussen het betrokken overheidsgezag en de organisaties van overheidspersoneel, of van zodanige andere procedures die het mogelijk maken voor vertegenwoordigers van overheidspersoneel deel te hebben aan het vaststellen van genoemde arbeidsvoorwaarden.
DEEL V. OPLOSSING VAN GESCHILLEN
Artikel 8
De oplossing van geschillen, die zich voordoen met betrekking tot de vaststelling van arbeidsvoorwaarden moet in overeenstemming met de nationale omstandigheden gezocht worden door middel van onderhandelingen tussen partijen dan wel door middel van een procedure waarin onafhankelijkheid en onpartijdigheid gewaarborgd zijn, zoals bemiddeling, verzoening of arbitrage en tot stand gebracht op een wijze die beoogt het vertrouwen van de betrokken partijen daarin te verzekeren.
DEEL VI. BURGERLIJKE EN POLITIEKE RECHTEN
Artikel 9
Werknemers in overheidsdienst moeten evenals andere werknemers de burgerlijke en politieke rechten bezitten die onontbeerlijk zijn voor de normale uitoefening van de vrijheid van vakvereniging, zulks echter onverminderd de verplichtingen voortvloeiende uit hun status en de aard van hun functies.
DEEL VII. SLOTBEPALINGEN
Artikel 10
De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem geregistreerd.
Artikel 11
Dit Verdrag is slechts verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie die hun bekrachtigingen door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.
Het treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zijn geregistreerd.
Vervolgens treedt dit Verdrag voor ieder Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd.
Artikel 12
Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na afloop van een termijn van tien jaren na de datum waarop het Verdrag in werking is getreden, door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gerichte en door deze geregistreerde verklaring.
De opzegging wordt eerst van kracht een jaar na de datum waarop zij is geregistreerd.
Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en binnen een jaar na afloop van de termijn van tien jaren als bedoeld in het vorige lid, geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging voorzien in dit artikel, is voor een nieuwe termijn van tien jaren gebonden en kan daarna dit Verdrag opzeggen na afloop van elke termijn van tien jaren op de voorwaarden voorzien in dit artikel.
Artikel 13
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau stelt alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie in kennis van de registratie van alle bekrachtigingen en opzeggingen die hem door de Leden van de Organisatie zijn medegedeeld.
Bij de kennisgeving aan de Leden van de Organisatie van de registratie van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging, vestigt de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden van de Organisatie op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt.
Artikel 14
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling, ter registratie in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen en opzeggingen die hij overeenkomstig de voorgaande artikelen heeft geregistreerd.
Artikel 15
De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau brengt, telkens wanneer deze dit nodig acht, aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is een gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.
Artikel 16
Indien de Conferentie een nieuw Verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag, zal, tenzij het nieuwe Verdrag anders bepaalt:
- (a). bekrachtiging door een Lid van het nieuwe Verdrag, houdende herziening, ipso jure onmiddellijke opzegging van dit Verdrag ten gevolge hebben, niettegenstaande het bepaalde in artikel 12, onder voorbehoud evenwel dat het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden;
- (b). met ingang van de datum waarop het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden, dit Verdrag niet langer door de Leden kunnen worden bekrachtigd.
Dit Verdrag blijft echter naar vorm en inhoud van kracht voor de Leden die het hebben bekrachtigd en die het nieuwe Verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.
Artikel 17
De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk gezaghebbend.
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar vierenzestigste Zitting op 7 juni 1978;
Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de vrijheid van vakvereniging en tot procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda van de Zitting voorkomt;
Vastgesteld hebbende dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een Aanbeveling die het Verdrag betreffende de arbeidsverhoudingen in de openbare dienst, (1978), aanvult,
aanvaardt de zevenentwintigste juni van het jaar negentienhonderd achtenzeventig de volgende Aanbeveling, die kan worden aangehaald als Aanbeveling betreffende de arbeidsverhoudingen in de openbare dienst, (1978):
The foregoing is the authentic text of the Convention duly adopted by the General Conference of the International Labour Organisation during its Sixty-fourth Session which was held at Geneva and declared closed the twenty-eight day of June 1978.
IN FAITH WHEREOF we have appended our signatures this twenty-seventh day of June 1978.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.