Overeenkomst tot oprichting van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds

Type Verdrag
Publication 2003-07-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die bij deze Overeenkomst partij zijn en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank zijn overeengekomen hierbij het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds op te richten, waarop de onderstaande bepalingen van toepassing zijn:

HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

(1). Overal waar de onderstaande uitdrukkingen in deze Overeenkomst worden gebezigd, wordt daaraan de hieronder aangegeven betekenis gehecht, tenzij uit het zinsverband duidelijk blijkt of het zinsverband vereist dat een andere betekenis aan deze termen moet worden toegekend:

(2). De vermelding van Hoofdstukken, artikelen, leden en bijlagen heeft betrekking op de Hoofdstukken, artikelen en leden van of bijlagen bij deze Overeenkomst.

(3). De opschriften bij de Hoofdstukken en de artikelen zijn alleen duidelijkheidshalve aangebracht en maken geen deel uit van deze Overeenkomst.

HOOFDSTUK II. Doel en deelneming

Artikel 2. Doel

Het Fonds heeft ten doel de Bank te helpen een steeds doeltreffender bijdrage te leveren aan de economische en sociale ontwikkeling van de leden van de Bank, alsmede aan het bevorderen van samenwerking (met inbegrip van regionale en sub-regionale samenwerking) en van een omvangrijker internationaal handelsverkeer, met name tussen de leden. Het verschaft op concessionele voorwaarden geldmiddelen voor doeleinden die van het grootste belang zijn voor en dienstbaar zijn aan een zodanige ontwikkeling.

Artikel 3. Deelneming

(1). Deelnemers in het Fonds zijn de Bank en de Staten die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst daarbij partij zijn geworden.

(2). De oorspronkelijk deelnemende Staten zijn de Staten opgenomen in bijlage A, die partij bij deze Overeenkomst zijn geworden krachtens artikel 57, eerste lid.

(3). Een Staat die geen oorspronkelijk deelnemer is kan deelnemer en partij bij deze Overeenkomst worden op voorwaarden die niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst en die de Raad van Bestuur vaststelt bij een met eenparigheid van het totale aantal stemmen van de deelnemers aangenomen resolutie. Deze deelneming is alleen mogelijk voor Staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van een der gespecialiseerde organisaties of die partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof.

(4). Een Staat kan een lichaam of instantie namens deze Staat optredend machtigen deze Overeenkomst te ondertekenen en deze Staat te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden deze Overeenkomst betreffende, met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 55.

HOOFDSTUK III. Middelen

Artikel 4. Middelen

De middelen van het Fonds worden gevormd door:

Artikel 5. Bijdragen van de Bank

De Bank betaalt het Fonds als aanvangsbijdrage het in rekeneenheden uitgedrukte bedrag dat achter haar naam staat vermeld in bijlage A, waarbij zij voor dat doel de fondsen aanwendt die op het tegoed van het „Afrikaanse Ontwikkelingsfonds” van de Bank staan geboekt. De betaling geschiedt op dezelfde voorwaarden als vervat in artikel 6, tweede lid, voor de betaling van de aanvangsbijdrage van deelnemende Staten. Daarna draagt de Bank andere door de Raad van Bestuur van de Bank te bepalen bijdragen bij, op met het Fonds overeengekomen voorwaarden.

Artikel 6. Aanvangsbijdragen van deelnemende Staten

(1). Iedere deelnemende Staat schrijft bij deelneming in voor een bijdrage voor het door deze Staat vastgestelde bedrag. Zulke bijdragen worden hierna aangeduid met de term „aanvangsbijdragen”.

(2). De voor elke oorspronkelijke deelnemende Staat vastgestelde aanvangsbijdrage bestaat uit het in bijlage A achter de naam van die Staat vermelde bedrag, uitgedrukt in rekeneenheden en betaalbaar in vrij inwisselbare valuta. De betaling geschiedt in drie gelijke jaarlijkse termijnen, en wel als volgt: de eerste termijn wordt betaald binnen dertig dagen nadat het Fonds zijn werkzaamheden is aangevangen krachtens artikel 60 of op de datum waarop de oorspronkelijk deelnemende Staat partij wordt bij deze Overeenkomst, al naar gelang welke van beide data later valt; de tweede termijn wordt betaald binnen een jaar daarna en de derde termijn binnen een jaar na de betaling of de vervaldatum van de tweede termijn, al naar gelang welke van beide data eerder valt. Het Fonds kan om eerdere betaling van hetzij de tweede hetzij de derde termijn, alsook van beide termijnen verzoeken, indien de werkzaamheden van het Fonds zulks vereisen, maar zodanige eerdere betaling dient door elke deelnemer op geheel vrijwillige basis te geschieden.

(3). De aanvangsbijdragen van deelnemende Staten die geen oorspronkelijke deelnemers zijn, worden eveneens uitgedrukt in rekeneenheden en zijn betaalbaar in vrij inwisselbare valuta. Het bedrag en de betalingsvoorwaarden voor deze bijdragen worden door het Fonds krachtens artikel 3, derde lid, vastgesteld.

(4). Behoudens door het Fonds goed te keuren uitzonderingen handhaaft iedere deelnemende Staat de vrije inwisselbaarheid van zijn» krachtens dit artikel door hem betaalde valuta.

(5). Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel, kan een deelnemende Staat gedurende een tijdvak van niet meer dan drie maanden het verrichten van een krachtens dit artikel vereiste betaling uitstellen, wanneer overwegingen van budgettaire aard of andere overwegingen een zodanig uitstel noodzakelijk maken.

Artikel 7. Aanvullende bijdragen van deelnemende Staten

(1). Wanneer het Fonds, gezien het betalingsschema voor de aanvangsbijdragen van oorspronkelijke deelnemers, en gezien zijn eigen werkzaamheden zulks passend acht, alsook met passende tussenpozen daarna, neemt het de toereikendheid van zijn middelen in studie en kan het, zo het zulks wenselijk acht, zijn goedkeuring hechten aan een algemene verhoging van de bijdragen van de deelnemende Staten op door het Fonds vast te stellen voorwaarden. Niettegenstaande het voorgaande kan het Fonds te allen tijde aan algemene of individuele verhogingen van bijdragen zijn goedkeuring hechten, met dien verstande dat een individuele verhoging slechts op verzoek van de betrokken deelnemende Staat in overweging wordt genomen.

(2). Bij goedkeuring van een aanvullende individuele bijdrage krachtens het eerste lid, wordt iedere deelnemende Staat in de gelegenheid gesteld, op door het Fonds naar redelijkheid vast te stellen voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die vastgesteld krachtens het eerste lid, in te schrijven voor een bedrag dat hem in staat zal stellen zijn relatieve stemmensterkte onder de deelnemende Staten te handhaven.

(3). In geval van algemene of individuele verhogingen van de bijdragen is een deelnemende Staat niet verplicht in te schrijven voor aanvullende bedragen.

(4). Machtigingen tot, en beslissingen ten aanzien van algemene verhogingen krachtens het eerste lid worden verstrekt, onderscheidenlijk genomen, met een meerderheid van 85% van het totale aantal stemmen van de deelnemers.

Artikel 8. Andere middelen

(1). Onverminderd de volgende bepalingen van dit artikel, kan het Fonds overeenkomsten aangaan met het doel andere middelen, daarbij inbegrepen schenkingen en leningen, te ontvangen van leden, deelnemers, Staten die geen deelnemer zijn, of van enigerlei openbare of particuliere instantie of instanties.

(2). De voor deze overeenkomsten geldende voorwaarden dienen verenigbaar te zijn met de doelstellingen, de werkzaamheden en het beleid van het Fonds en aan het Fonds of de Bank mag ingevolge zulke overeenkomsten geen al te zware administratieve of financiële last worden opgelegd.

(3). De voor deze overeenkomsten geldende voorwaarden, met uitzondering van die voor schenkingen voor technische hulp, mogen het Fonds niet verhinderen te voldoen aan de vereisten van artikel 15, vierde en vijfde lid.

(4). In geval van overeenkomsten met een Staat die geen lid is of geen deelnemer is, of met een lichaam van die Staat, behoeven deze overeenkomsten de goedkeuring van het College van Bewindvoerders, met een meerderheid van 85% van het totale aantal stemmen van de deelnemers.

(5). Het Fonds aanvaardt geen leningen (behalve tijdelijke voorschotten die het voor zijn werkzaamheden nodig heeft) die niet op concessionele voorwaarden worden verstrekt en leent niet op geldmarkten, of neemt niet als leningnemer, als degene die een zekerheid stelt of anderszins deel in de uitgifte van effecten op geldmarkten en geeft geen verhandelbare of overdraagbare schuldbrieven uit, waaruit de schuldverplichting blijkt voor krachtens het eerste lid ontvangen leningen.

Artikel 9. Betaling der bijdragen

Het Fonds aanvaardt elk deel van de bijdage van een deelnemer dat krachtens de artikelen 5, 6 of 7 of krachtens artikel 13 door de deelnemer moet worden betaald en dat het Fonds niet nodig heeft bij zijn werkzaamheden, in de vorm van promessen, kredietbrieven of soortgelijke schuldbrieven uitgegeven door de deelnemer of de eventuele bewaarinstelling, aangewezen door de deelnemer krachtens artikel 33. Zodanige promessen of andere schuldbrieven zijn niet verhandelbaar, niet rentedragend en op verzoek tegen pari-waarde betaalbaar op de rekening van het Fonds bij de aangewezen bewaarinstelling, of indien er geen bewaar instelling is aangewezen, volgens aanwijzingen van het Fonds. Ongeacht de uitgifte of aanvaarding van een zodanige promesse, kredietbrief of andere schuldbrief, blijft de verplichting van de deelnemer krachtens de artikelen 5, 6 of 7 en artikel 13 bestaan. Gelden in het bezit van het Fonds op grond van bijdragen van deelnemers die geen gebruik maken van de bepalingen van dit artikel kunnen door het Fonds ter bewaring worden gesteld of belegd ter verwerving van inkomen ten einde zijn administratieve en andere uitgaven te helpen bestrijden. Voor zover over een redelijke termijn uitvoerbaar neemt het Fonds op basis van evenredigheid gelden op van alle ontvangen bijdragen ter financiering van zijn uitgaven, ongeacht de vorm waarin zodanige bijdragen zijn geleverd.

Artikel 10. Beperking van aansprakelijkheid

De deelnemers zijn niet op grond van hun deelneming aansprakelijk voor handelingen of verplichtingen van het Fonds.

HOOFDSTUK IV. Valuta’s

Artikel 11. Het gebruik der valuta’s

(1). De valuta’s ontvangen ter betaling van, of krachtens artikel 13 ten aanzien van, bijdragen verricht krachtens artikel 5 en artikel 6, tweede lid, kunnen door het Fonds worden gebruikt en omgewisseld voor al zijn werkzaamheden en, behoudens goedkeuring door het College van Bewindvoerders, voor het tijdelijk beleggen van middelen die het Fonds niet voor zijn werkzaamheden nodig heeft.

(2). Het gebruik van valuta’s ontvangen ter betaling van, of krachtens artikel 13 ten aanzien van, bijdragen krachtens artikel 6, derde lid, en artikel 7, eerste en tweede lid, of als andere middelen krachtens artikel 8, wordt bepaald door de voorwaarden waaronder deze valuta’s zijn ontvangen of, in het geval van valuta’s ontvangen krachtens artikel 13, door de voorwaarden waaronder de valuta’s waarvan de waarde op deze wijze wordt gehandhaafd, werden ontvangen.

(3). Alle andere door het Fonds ontvangen valuta’s kunnen vrijelijk door het Fonds voor zijn werkzaamheden worden gebruikt en omgewisseld en, behoudens goedkeuring door het College van Bewindvoerders, voor het tijdelijk beleggen van middelen die het Fonds niet voor zijn werkzaamheden nodig heeft.

(4). Er worden geen beperkingen opgelegd die in strijd zijn met het bepaalde in dit artikel.

Artikel 12. De waardebepaling der valuta’s

(1). Wanneer het krachtens deze Overeenkomst noodzakelijk is de waarde van een valuta te bepalen uitgedrukt in een andere valuta of valuta’s of in de rekeneenheid, dient deze waarde naar alle redelijkheid door het Fonds na overleg met het Internationale Monetaire Fonds te worden vastgesteld.

(2). Bij een valuta die geen bij het Internationale Monetaire Fonds vastgestelde pariteit bezit, wordt de in de rekeneenheid uitgedrukte waarde van deze valuta telkens wanneer dit nodig blijkt door het Fonds vastgesteld krachtens het eerste lid van dit artikel; de aldus vastgestelde waarde wordt, wat deze Overeenkomst betreft, beschouwd als de pariteit van deze valuta, waarbij de bepalingen van artikel 13, eerste en tweede lid, zonder enige beperking van toepassing zijn.

Artikel 13. De handhaving van de waarde van het valutabezit

(1). Steeds wanneer de pariteit in het Internationale Monetaire Fonds van de valuta van een deelnemende Staat wordt verminderd in verhouding tot de rekeneenheid, of zijn wisselkoers naar de mening van het Fonds in aanmerkelijke mate is gedeprecieerd binnen het grondgebied van die deelnemer, betaalt die deelnemer het Fonds binnen een redelijke termijn een bedrag van zijn valuta vereist om de waarde te handhaven, berekend naar het tijdstip van inschrijving, van het bedrag aan valuta dat in het Fonds was gestort door die deelnemer krachtens artikel 6 en krachtens de bepalingen van dit lid, ongeacht of deze valuta wordt gehouden in de vorm van promessen, kredietbrieven of andere schuldbrieven aanvaard krachtens artikel 9 met dien verstande dat het voorgaande alleen van toepassing is indien en voor zover deze valuta niet voor de eerste maal is uitbetaald of omgewisseld in een andere valuta.

(2). Wanneer de pariteit van de valuta van een deelnemende Staat wordt verhoogd in verhouding tot de rekeneenheid of wanneer zijn wisselkoers naar de mening van het Fonds in aanmerkelijke mate is gestegen binnen het grondgebied van die deelnemer, betaalt het Fonds binnen een redelijke tijd aan die deelnemer een bedrag terug van die valuta gelijk aan de waardevermeerdering van het bedrag van deze valuta waarop het bepaalde in het eerste lid van toepassing is.

(3). Het Fonds kan van de toepassing van het bepaalde in dit artikel afzien of dit niet van toepassing verklaren wanneer eenvormige verandering in de pariteit van de valuta’s van alle deelnemende Staten door het Internationale Monetaire Fonds tot stand wordt gebracht.

HOOFDSTUK V. Werkzaamheden

Artikel 14. Het gebruik der geldmiddelen

(1). Het Fonds verstrekt geldmiddelen voor projecten en programma’s ter bevordering van de economische en sociale ontwikkeling op het grondgebied van de leden. Het Fonds verstrekt deze geldmiddelen ten behoeve van leden waarvan de economische situatie en de economische vooruitzichten het noodzakelijk maken dat aan hen geldmiddelen op concessionele voorwaarden worden verstrekt.

(2). De door het Fonds verstrekte geldmiddelen dienen voor doeleinden die naar de mening van het Fonds, gezien de behoeften van het betrokken gebied of de betrokken gebieden, voor de ontwikkeling hoge voorrang verdienen, en dienen, behoudens bijzondere omstandigheden, te worden gebruikt voor nauwkeurig omschreven projecten of groepen projecten, vooral die welke een onderdeel vormen van een nationaal of regionaal of sub-regionaal programma, met inbegrip van de verstrekking van geldmiddelen aan nationale ontwikkelingsbanken of aan andere daarvoor in aanmerking komende instellingen met het oog op het doorlenen van gelden voor door het Fonds goedgekeurde nauwkeurig omschreven projecten.

Artikel 15. Financieringsvoorwaarden

(1). Het Fonds verstrekt geen geldmiddelen ter financiering van een project op het grondgebied van een lid indien dat lid daartegen bezwaar maakt, met dien verstande dat indien geldmiddelen worden verstrekt aan een publiekrechtelijke internationale, regionale of subregionale organisatie het Fonds zich er niet van behoeft te overtuigen dat individuele leden geen bezwaar maken.

(3). Voordat geldmiddelen worden verstrekt dient de aanvrager een behoorlijk gefundeerd voorstel te hebben ingediend via de President van de Bank en dient de President aan het College van Bewindvoerders van het Fonds een schriftelijk rapport te hebben voorgelegd waarin deze financiering wordt aanbevolen op basis van een door de staf verrichte studie naar de merites van het project.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.