Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Guatemala inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden

Type Verdrag
Publication 1979-06-06
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Guatemala, hierna te noemen „De Overeenkomstsluitende Partijen”, partijen bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, geleid door de wens een Overeenkomst te sluiten als aanvulling op genoemd Verdrag met het doel om geregelde luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, in een geest van volledige samenwerking en billijke wederkerigheid, zijn het volgende overeengekomen:

Artikel I

Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent, tenzij het zinsverband anders vereist:

Artikel II
1.

Met het doel geregelde internationale luchtdiensten in te stellen, verleent elke Overeenkomstsluitende Partij aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de volgende rechten voor de door deze andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij:

Genoemde diensten en routes worden hierna genoemd „overeengekomen diensten” onderscheidenlijk „omschreven routes”.

2.

Niets in het eerste lid van dit artikel wordt geacht de luchtvaartmaatschappij van een Overeenkomstsluitende Partij het recht te geven tot het opnemen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij van passagiers, vracht of post tegen vergoeding of beloning en bestemd voor een ander punt op het grondgebied van genoemde andere Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel III
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht, de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk een luchtvaartmaatschappij aan te wijzen voor het exploiteren van de overeengekomen diensten op de omschreven routes.

2.

De andere Overeenkomstsluitende Partij die deze aanwijzing heeft ontvangen, verleent onverwijld, onverminderd de bepalingen in het derde en vierde lid van dit artikel, de desbetreffende exploitatievergunning aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij.

3.

De luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen verlangen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij aantoont te voldoen aan de eisen voor de exploitatie van internationale luchtdiensten gesteld bij de wetten, voorschriften en procedures die gewoonlijk en redelijkerwijze door genoemde autoriteiten worden toegepast overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.

4.

Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de exploitatievergunningen bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet te verlenen ofwel die voorwaarden te stellen die zij noodzakelijk acht voor de uitoefening door de genoemde aangewezen luchtvaartmaatschappij van de in artikel II van deze Overeenkomst omschreven rechten, wanneer niet ten genoegen van genoemde Overeenkomstsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom en het daadwerkelijk toezicht op deze luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij of bij haar onderdanen.

5.

Onverminderd de bepalingen in het derde lid van dit artikel kan de aangewezen luchtvaartmaatschappij aan wie de vergunning is verleend, op ieder tijdstip een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten, op voorwaarde dat met betrekking tot deze diensten een tarief van kracht is, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel X van deze Overeenkomst.

6.

De aangewezen luchtvaartmaatschappij legt ten minste dertig dagen voor de aanvang van de exploitatie van een overeengekomen dienst de frequentie, de dienstregeling en het type luchtvaartuig ter goedkeuring voor aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Dit zelfde is van toepassing op latere wijzigingen.

Artikel IV
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht een exploitatievergunning in te trekken of de uitoefening van de in artikel II van deze Overeenkomst omschreven rechten door de luchtvaartmaatschappij die door de andere Overeenkomstsluitende Partij is aangewezen, op te schorten of aan de uitoefening van genoemde rechten de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden, indien:

2.

Het recht van intrekking, opschorting of het stellen van voorwaarden wordt uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij de onmiddellijke intrekking, opschorting of het onmiddellijk stellen van voorwaarden noodzakelijk is, ten einde verdere inbreuken op wetten, voorschriften of bepalingen of verder in gebreke blijven bij de uitoefening van de exploitatie overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en van de Bijlage daarbij te voorkomen.

Artikel V
1.

De door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij wordt op billijke en gelijke wijze in de gelegenheid gesteld de overeengekomen diensten op de omschreven routes te exploiteren.

2.

Bij de exploitatie van de overeengekomen diensten houdt de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij rekening met de belangen van de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij, zodat de diensten die laatstgenoemde luchtvaartmaatschappij op dezelfde routes of een deel daarvan onderhoudt niet op onredelijke wijze worden getroffen.

3.

De luchtdiensten die door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de Overeenkomstsluitende Partijen worden onderhouden dienen nauwkeurig te worden afgestemd op de vervoersbehoefte van het publiek op de omschreven routes en hebben als voornaamste doel de verschaffing, met inachtneming van een redelijke beladingsgraad, van de capaciteit die voldoet aan de huidige en redelijkerwijze te verwachten behoefte aan vervoer van passagiers, vracht en post tussen het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en de landen van uiteindelijke bestemming van het vervoer.

4.

Het vervoer van passagiers, vracht en post, die zowel worden opgenomen als afgezet op punten op de omschreven routes in het grondgebied van andere Staten dan die welke de luchtvaartmaatschappij hebben aangewezen, wordt verzorgd overeenkomstig de algemene beginselen dat de capaciteit dient te zijn afgestemd op:

Artikel VI
1.

De wetten, voorschriften en procedures van de ene Overeenkomstsluitende Partij betreffende de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van in de internationale luchtvaart gebruikte luchtvaartuigen of betreffende de exploitatie van en het vliegen met zulke luchtvaartuigen gedurende hun verblijf binnen haar grondgebied, zijn van toepassing op de luchtvaartuigen van de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij en dienen door die luchtvaartuigen te worden nageleefd bij het binnenkomen in of het verlaten van en gedurende het verblijf binnen het grondgebied van eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij.

2.

De wetten en voorschriften van een Overeenkomstsluitende Partij betreffende de binnenkomst, in- en uitklaring, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine dienen door of vanwege de bemanningen en passagiers alsook met betrekking tot vracht en post te worden nageleefd bij het binnenkomen in of verlaten van en gedurende het verblijf binnen het grondgebied van een zodanige Overeenkomstsluitende Partij.

3.

Passagiers, bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer over het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen die niet buiten het hiervoor bestemde gedeelte van de luchthaven komen, zijn slechts onderworpen aan een vereenvoudigde controle, behalve in het geval van veiligheidsmaatregelen tegen geweld en vliegtuigkaping.

Bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer zijn vrijgesteld van douanerechten en andere soortgelijke heffingen.

Artikel VII
1.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door een der Overeenkomstsluitende Partijen zijn uitgereikt of geldig verklaard en die nog van kracht zijn, worden door de andere Partij als geldig erkend voor de exploitatie van luchtdiensten op de omschreven routes mits zodanige bewijzen en vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard ingevolge en overeenkomstig de op grond van het Verdrag gestelde normen. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor, de erkenning van bewijzen van bevoegdheid en van vergunningen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij aan haar eigen onderdanen zijn uitgereikt te weigeren voor vluchten boven haar eigen grondgebied.

2.

Indien de voorrechten of voorwaarden verbonden aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde vergunningen en bewijzen die door de luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij zijn uitgereikt aan een persoon of luchtvaartmaatschappij, een afwijking van de krachtens het Verdrag vastgestelde normen zouden toestaan en indien deze afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, kunnen de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken om overleg met de luchtvaartautoriteiten van die Overeenkomstsluitende Partij, ten einde zich ervan te vergewissen of de desbetreffende exploitatie voor hen aanvaardbaar is. Indien geen bevredigende overeenstemming bereikt wordt inzake vliegveiligheid, vormt zulks een grond voor de toepassing van artikel IV van deze Overeenkomst.

Artikel VIII
1.

De kosten die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen aan de luchtvaartuigen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden opgelegd voor het gebruik van luchthavens en andere luchtvaartvoorzieningen mogen niet hoger zijn dan die welke in rekening worden gebracht aan luchtvaartuigen van andere luchtvaartmaatschappijen die soortgelijke internationale luchtdiensten uitvoeren.

2.

Geen der Overeenkomstsluitende Partijen mag enige andere luchtvaartmaatschappij begunstigen ten opzichte van een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij bij de toepassing van haar voorschriften inzake douane, immigratie, quarantaine en soortgelijke voorschriften of bij het gebruik van luchthavens, luchtwegen en luchtverkeersdiensten en aanverwante voorzieningen waarop zij toezicht uitoefent.

Artikel IX
1.

Luchtvaartuigen die door de door een der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappijen op internationale luchtdiensten worden gebruikt, alsmede hun normale uitrustingsstukken, reservedelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen, proviand (met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen) die zich aan boord van die luchtvaartuigen bevinden, zijn bij binnenkomst op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en andere soortgelijke heffingen, op voorwaarde dat deze uitrustingsstukken en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen blijven totdat zij weer worden uitgevoerd.

2.

Voorraden motorbrandstof, smeermiddelen, reservedelen, normale uitrustingsstukken en proviand, ingevoerd in het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij door of namens een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij of aan boord genomen van de door een zodanige luchtvaartmaatschappij geëxploiteerde luchtvaartuigen en alleen bestemd voor gebruik tijdens de exploitatie van internationale luchtdiensten, zijn vrijgesteld van alle rechten en heffingen, met inbegrip van douanerechten en inspectiekosten, opgelegd in het grondgebied van de eerste Overeenkomstsluitende Partij, zelfs indien deze voorraden worden gebruikt op delen van de vlucht boven het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waar zij aan boord zijn genomen. De hierboven bedoelde goederen kunnen op verzoek onder douanetoezicht of -controle worden gehouden.

3.

De normale boorduitrustingsstukken, reservedelen, proviand en voorraden motorbrandstof en smeermiddelen, die zich aan boord bevinden van de luchtvaartuigen van een der Overeenkomstsluitende Partijen kunnen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die Partij, die kunnen verlangen dat deze goederen onder hun toezicht worden geplaatst tot het tijdstip waarop zij weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

Artikel X
1.

De tarieven te heffen door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een Overeenkomstsluitende Partij voor het vervoer naar of uit het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden op een redelijk niveau vastgesteld waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met alle daarvoor in aanmerking komende factoren, daaronder begrepen de exploitatiekosten, een redelijke winst, de kenmerkende eigenschappen van de dienst en met de tarieven van andere luchtvaartmaatschappijen.

2.

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde tarieven worden, indien mogelijk, in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Overeenkomstsluitende Partijen in overleg met de andere luchtvaartmaatschappijen die de route of een deel daarvan exploiteren. Een zodanige overeenstemming dient, indien mogelijk, te worden bereikt door middel van de procedures voor het vaststellen van tarieven van de Internationale Luchtvervoersvereniging.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.