Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Paraguay inzake geregeld luchtvervoer

Type Verdrag
Publication 1974-12-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Paraguay die Partijen zijn bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart dat op 7 december 1944 te Chicago tot stand kwam, hebben besloten het luchtvervoer tussen hun onderscheiden grondgebieden aan bepaalde regels te onderwerpen en zij hebben daartoe hun Gevolmachtigden aangewezen, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Mr Max van der Stoel, Minister van Buitenlandse Zaken,

en Zijne Excellentie de President van de Republiek Paraguay: Zijne Excellentie Ir. Tomás Salomoni, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van Paraguay bij het Koninkrijk der Nederlanden

die, na hun onderscheiden Volmachten te hebben uitgewisseld, die in goede en behoorlijke vorm hebben bevonden,

de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel 1

Voor de doeleinden van deze overeenkomst, tenzij de tekst het anders bepaalt:

Artikel 2
1.

Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst omschreven rechten ten einde op de routes omschreven in de bijlage die op grond van deze Overeenkomst is opgesteld, diensten te exploiteren; deze routes en diensten zullen hierna worden aangeduid als „overeengekomen diensten” en „omschreven routes”.

Met de overeengekomen diensten kan onmiddellijk of op een latere datum worden begonnen, nadat de formaliteiten inzake de aanwijzing als omschreven in artikel 3 van deze Overeenkomst zijn vervuld.

2.

Overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst genieten de door iedere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route de volgende rechten:

3.

Geen enkele clausule van lid 2 van dit artikel zal worden uitgelegd als zou aan een luchtvaartmaatschappij van een der Overeenkomstsluitende Partijen het recht worden verleend om, tegen betaling, passagiers, vracht of post op te nemen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, bestemd voor een ander punt op het grondgebied van laatstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 3
1.

Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht aan de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk mededeling te doen van de aanwijzing van een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes.

2.

Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij, overeenkomstig het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel, zonder uitstel de vergunning voor de desbetreffende exploitatie aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of -maatschappijen.

3.

De luchtvaartautoriteiten van ieder der Overeenkomstsluitende Partijen kunnen eisen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij aantoont dat deze in staat is te voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld door de wetten en voorschriften welke die autoriteiten gewoonlijk en redelijkerwijze toepassen ten aanzien van de exploitatie van internationale luchtdiensten overeenkomstig het Verdrag.

4.

Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht de in het tweede lid van dit artikel vermelde exploitatievergunning niet te verlenen, of de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden op te leggen met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 2 omschreven rechten door de aangewezen luchtvaartmaatschappij, wanneer niet ten genoegen van die Overeenkomstsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst, of bij haar onderdanen.

5.

Wanneer een luchtvaartmaatschappij aldus is aangewezen en de vergunningen heeft verkregen, kan zij op elk tijdstip een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits ten aanzien van die diensten een tarief overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 van de Overeenkomst van kracht is.

Artikel 4
1.

Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht een exploitatie vergunning in te trekken of de uitoefening van de in artikel 2 van deze Overeenkomst omschreven rechten door de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij op te schorten, of de uitoefening van deze rechten aan door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te onderwerpen wanneer:

2.

Tenzij intrekking, opschorting of onmiddellijke oplegging van de voorwaarden als omschreven in het eerste lid van dit artikel noodzakelijk zijn om hernieuwde inbreuken op de wetten of voorschriften te voorkomen, wordt een zodanig recht slechts uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 5
1.

Luchtvaartuigen die door de door een Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij op internationale diensten worden gebruikt, alsook hun normale uitrustingsstukken, reservedelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen, proviand (met inbegrip van eetwaren, dranken en tabaksartikelen) die zich aan boord bevinden van die luchtvaartuigen zijn bij binnenkomst op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en andere rechten en heffingen op voorwaarde dat die uitrustingsstukken en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen blijven tot de vlucht wordt voortgezet.

2.

Eveneens zullen zijn vrijgesteld van deze zelfde rechten en heffingen, met uitzondering van kosten voor verleende diensten:

Verlangd kan worden dat de onder a, b en c genoemde goederen onder douanetoezicht of -controle blijven.

Artikel 6

De normale boorduitrustingsstukken, alsmede de genoemde goederen en brandstof en smeermiddelen die zich aan boord van de luchtvaartuigen van een der Overeenkomstsluitende Partijen bevinden, kunnen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die Partij. In dat geval kunnen deze goederen onder het toezicht van genoemde autoriteiten worden gesteld totdat zij weer worden uitgevoerd of een andere bestemming hebben gekregen overeenkomstig de douanevoorschriften.

Artikel 7

Passagiers op doorreis op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen worden slechts aan een eenvoudig onderzoek onderworpen. Bagage en vracht die rechtstreeks worden doorgevoerd zijn vrijgesteld van douaneheffingen of -rechten en andere soortgelijke heffingen.

Artikel 8
1.

De door beide Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappijen zullen op billijke en gelijke wijze worden behandeld bij de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes.

2.

Bij de exploitatie van de overeengekomen diensten zal de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij rekening houden met de belangen van de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij, ten einde de diensten die deze laatste maatschappij op de gehele route of een gedeelte daarvan exploiteert niet onnodig schade te berokkenen.

3.

De overeengekomen diensten die de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij exploiteert, hebben als voornaamste doel de verschaffing, op basis van een redelijke beladingsgraad, van capaciteit die voldoet aan de normale en redelijkerwijze te verwachten behoeften aan internationaal luchtvervoer van of naar het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen.

4.

Er kan een aanvullende capaciteit worden verschaft voor het vervoer van passagiers, vracht en post, die worden opgenomen en afgezet op punten van de omschreven routes op het grondgebied van andere staten dan de staat die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen. Deze aanvullende capaciteit dient te zijn afgestemd op de volgende algemene beginselen:

Artikel 9
1.

De tarieven die de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een der Overeenkomstsluitende Partijen toepassen op het vervoer van of naar het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden vastgesteld op redelijk niveau, waarbij behoorlijk rekening wordt gehouden met alle in aanmerking komende factoren, en in het bijzonder de exploitatiekosten, een redelijke winst en de tarieven van de andere luchtvaartmaatschappijen.

2.

Indien mogelijk worden de in het eerste lid van dit artikel vermelde tarieven door de luchtvaartmaatschappijen, aangewezen door beide Overeenkomstsluitende Partijen, in onderlinge overeenstemming vastgesteld, na overleg met andere luchtvaartmaatschappijen die de gehele route of een gedeelte daarvan exploiteren. Zo mogelijk dient deze overeenstemming te worden bereikt door middel van de procedure van de Internationale Vereniging voor het Luchtvervoer ter vaststelling van de tarieven.

3.

De aldus overeengekomen tarieven worden aan de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen ter goedkeuring voorgelegd ten minste dertig dagen voor de voorgenomen datum van het van kracht worden daarvan. Deze tijdslimiet kan in bijzondere gevallen worden verkort met toestemming van bovengenoemde autoriteiten.

4.

Indien de aangewezen luchtvaartmaatschappijen niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent een tarief of indien om een andere reden een tarief niet kan worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dit artikel of indien gedurende de eerste vijftien dagen van het tijdvak van dertig dagen bedoeld in het derde lid van dit artikel een der Overeenkomstsluitende Partijen de andere Overeenkomstsluitende Partij mededeelt dat zij niet tevreden is over een tarief waarover overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van dit artikel overeenstemming werd bereikt, trachten de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen in onderling overleg het tarief vast te stellen.

5.

Indien de luchtvaartautoriteiten niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent de goedkeuring van een hun op grond van het derde lid van dit artikel voorgelegd tarief of omtrent de vaststelling van een tarief volgens het vierde lid, wordt het geschil opgelost overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van deze Overeenkomst.

6.

Onverlet het bepaalde in het derde lid van dit artikel wordt geen tarief van kracht indien de luchtvaartautoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen dit niet hebben goedgekeurd.

7.

De overeenkomstig het bepaalde in dit artikel vastgestelde tarieven blijven van kracht totdat nieuwe tarieven zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

Artikel 10

Iedere Overeenkomstsluitende Partij verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij het recht de op haar grondgebied uit het vervoer van passagiers, bagage, post en goederen door de luchtvaartmaatschappij aangewezen door de andere Overeenkomstsluitende Partij gemaakte netto-winst vrijelijk over te maken tegen de officiële wisselkoers. Indien het betalingsverkeer tussen Overeenkomstsluitende Partijen door een bijzondere overeenkomst is geregeld, dan is die overeenkomst van toepassing.

Artikel 11
1.

De luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen plegen overleg, op verzoek van een van hen, in een geest van nauwe samenwerking ten einde een bevredigende uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst en de Bijlagen ervan te verzekeren.

2.

De luchtvaartautoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen verstrekken op verzoek van de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij gegevens en statistieken welke redelijkerwijze gevraagd kunnen worden betreffende de frequentie en de capaciteit van de geëxploiteerde diensten en het vervoer bewerkstelligd door de door haar aangewezen luchtvaartmaatschappij naar of van het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij of het transitvervoer, met inbegrip van gegevens met betrekking tot de oorsprong en de bestemming van dit vervoer over de omschreven routes. Deze gegevens en statistieken zullen niet meer gegevens bevatten dan die welke gemeenlijk worden vereist door de Raad van de Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 12
1.

Indien een van de Overeenkomstsluitende Partijen het wenselijk acht bepalingen uit deze Overeenkomst of uit haar Bijlagen te wijzigen, kan zij om consultaties met de andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken. Deze consultaties, die zowel mondeling als schriftelijk kunnen worden gepleegd tussen de luchtvaartautoriteiten, vangen aan binnen een termijn van zestig (60) dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het verzoek.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.