Verdrag tot verbod van de plaatsing van kernwapens en andere wapens voor massale vernietiging op de zeebedding en de oceaanbodem en in de ondergrond daarvan
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,
Zich bewust van het belang van de mensheid bij de voortgang van het onderzoek en het gebruik van de zeebedding en de oceaanbodem voor vreedzame doeleinden,
Overwegende dat het voorkomen van een nuclaire bewapeningswedloop op de zeebedding en de oceaanbodem in het belang is van de handhaving van de wereldvrede, de internationale spanningen vermindert en de vriendschappelijke betrekkingen tussen de Staten versterkt,
Overtuigd dat dit Verdrag een stap betekent in de richting van het uitsluiten van de zeebedding, de oceaanbodem en de ondergrond daarvan van de bewapeningswedloop,
Overtuigd dat dit Verdrag een stap betekent in de richting van een verdrag inzake algemene en volledige ontwapening onder strenge en doeltreffende internationale controle, en vastbesloten de daarop gerichte onderhandelingen voort te zetten,
Overtuigd dat dit Verdrag de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties zal bevorderen op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van het volkenrecht en zonder de vrijheden van de volle zee geweld aan te doen,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel I
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag nemen de verplichting op zich geen kernwapens of andere soorten van wapens voor massale vernietiging, noch bouwsels, lanceerinrichtingen of andere voorzieningen die speciaal ontworpen zijn voor het opslaan, beproeven of gebruiken van zodanige wapens op te stellen of te plaatsen op de zeebedding en de oceaanbodem en in de ondergrond daarvan, buiten de buitenste grens van een zeebeddingszone als omschreven in artikel II.
De verplichtingen van lid 1 van dit artikel zijn eveneens van toepassing op de in dat lid bedoelde zeebeddingszone, behalve dat zij binnen die zeebeddingszone niet van toepassing zijn voor de kuststaat of op de zeebedding onder de territoriale wateren van die Staat.
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich ertoe geen enkele Staat te helpen bij, aan te moedigen of te bewegen tot het verrichten van activiteiten als bedoeld in lid 1 van dit artikel, noch op enigerlei andere wijze aan zodanige handelingen deel te nemen.
Artikel II
Voor de toepassing van dit Verdrag valt de buitenste grens van de zeebeddingszone bedoeld in artikel I samen met de buitenste twaalfmijlsgrens van de zone bedoeld in Hoofdstuk II van het Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone, opengesteld voor ondertekening te Genève op 29 april 1958, en dient zij te worden gemeten overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk I, Afdeling II, van genoemd Verdrag en in overeenstemming met het volkenrecht.
Artikel III
Ter bevordering van de doelstellingen en ter verzekering van de naleving van de bepalingen van dit Verdrag heeft elke Staat die Partij is bij dit Verdrag het recht de activiteiten van andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag op de zeebedding en de oceaanbodem en in de ondergrond daarvan buiten de in artikel I bedoelde zone door waarneming te controleren, mits die waarneming geen belemmering vormt voor die activiteiten.
Indien na zodanige waarneming gerede twijfel blijft bestaan aangaande de vervulling van de bij dit Verdrag aanvaarde verplichtingen, treden de Verdragspartij die zodanige twijfel koestert en de Verdragspartij die verantwoordelijk is voor de activiteiten die aanleiding geven tot die twijfel met elkaar in overleg, ten einde de twijfel op te heffen. Indien de twijfel blijft bestaan, geeft de Verdragspartij die twijfel blijft koesteren, daarvan kennis aan de andere Verdragspartijen, en de betrokken Partijen werken samen bij zodanige verdere verifïcatieprocedures als zij overeenkomen, met inbegrip van passende inspectie van voorwerpen, bouwsels, installaties of andere voorzieningen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat zij behoren tot de in artikel I omschreven soort. De Partijen in het gebied van de activiteiten, met inbegrip van iedere kuststaat, en elke andere Partij die daartoe het verzoek doet, hebben het recht deel te nemen aan zodanig overleg en zodanige samenwerking. Na het beëindigen van de verdere verificatieprocedures wordt een terzake dienend rapport aan de andere Partijen toegezonden door de Partij die het initiatief tot die procedures heeft genomen.
Indien de identiteit van de Staat die verantwoordelijk is voor de tot gerede twijfel aanleiding gevende activiteiten niet is vast te stellen door waarneming van het object, het bouwsel, de installatie of een andere voorziening, geeft de Verdragspartij die zodanige twijfel koestert hiervan kennis aan de Verdragspartijen in de regio waar de activiteiten plaatsvinden en aan iedere andere Verdragspartij en doet zij terzake navraag bij die Partijen. Indien door deze navraag kan worden vastgesteld dat een bepaalde Verdragspartij verantwoordelijk is voor de activiteiten, dient die Verdragspartij overleg te plegen en samen te werken met andere Partijen, zoals voorzien in lid 2 van dit artikel. Indien de identiteit van de voor de activiteiten verantwoordelijke Staat niet door deze navraag kan worden vastgesteld, kunnen verdere verificatieprocedures, met inbegrip van inspectie, worden ingesteld door de onderzoekende Verdragspartij, die daartoe de deelname dient in te roepen van de Partijen in de regio der activiteiten, met inbegrip van iedere kuststaat, en van elke andere Partij die hieraan wenst mede te werken.
Indien overleg en samenwerking overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel de twijfel aangaande de activiteiten niet hebben weggenomen en er ten aanzien van de vervulling van de bij dit Verdrag aanvaarde verplichtingen ernstige onzekerheid blijft bestaan, kan een Verdragspartij in overeenstemming met de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties de zaak voorleggen aan de Veiligheidsraad, die alsdan overeenkomstig het Handvest kan optreden.
Verificatie ingevolge dit artikel kan worden ondernomen door iedere Verdragspartij met aanwending van haar eigen middelen of met volledige of gedeeltelijke bijstand van andere Verdragspartijen dan wel door middel van passende internationale procedures binnen het kader van de Verenigde Naties en in overeenstemming met het Handvest.
Verificatie-activiteiten ingevolge dit Verdrag dienen de activiteiten van andere Verdragspartijen niet te belemmeren en dienen te geschieden met gepaste eerbied voor krachtens het volkenrecht erkende rechten, met inbegrip van de vrijheden van de volle zee en de rechten van kuststaten ten aanzien van de exploratie en exploitatie van hun continentale plat.
Artikel IV
Niets in dit Verdrag mag worden uitgelegd ten voordele of ten nadele van de positie van enige Verdragspartij met betrekking tot bestaande internationale verdragen, met inbegrip van het Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone van 1958, of met betrekking tot rechten of aanspraken welke die Verdragspartij kan doen gelden, of met betrekking tot de erkenning of niet-erkenning van rechten of aanspraken van enige andere Staat, ten aanzien van de wateren voor zijn kust, met inbegrip o.a. van territoriale zeeën en aansluitende zones, of ten aanzien van de zeebedding en de oceaanbodem, met inbegrip van het continentale plat.
Artikel V
De Partijen bij dit Verdrag verbinden zich tot het te goeder trouw voortzetten van onderhandelingen betreffende verdere maatregelen op het gebied van ontwapening ter voorkoming van een bewapeningswedloop op de zeebedding en de oceaanbodem en de ondergrond daarvan.
Artikel VI
Elke Verdragspartij kan voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag. Wijzigingen worden voor elke Verdragspartij die de wijzigingen heeft aanvaard van kracht op de datum van hun aanvaarding door een meerderheid van de Staten die Partij zijn bij het Verdrag en daarna voor elke overblijvende Verdragspartij op de datum van haar aanvaarding der wijzigingen.
Artikel VII
Vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag zal te Genève, Zwitserland, een conferentie worden gehouden van de Partijen bij het Verdrag, met het doel de werking van dit Verdrag aan een onderzoek te onderwerpen ten einde te verzekeren dat de doeleinden van de Preambule worden verwezenlijkt en de bepalingen van het Verdrag worden nagekomen. Bij dat onderzoek zal rekening worden gehouden met alle relevante technologische ontwikkelingen. De conferentie zal in overeenstemming met de zienswijzen van de meerderheid der aanwezige Verdragspartijen bepalen of, en zo ja, wanneer wederom zulk een conferentie zal worden bijeengeroepen.
Artikel VIII
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft, in de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit, het recht dit Verdrag op te zeggen indien hij van mening is dat buitengewone gebeurtenissen, die betrekking hebben op het onderwerp van dit Verdrag, de hoogste belangen van het land in gevaar hebben gebracht. Hij stelt alle andere Staten die Partij zijn bij het Verdrag, alsmede de Veiligheidsraad der Verenigde Naties, drie maanden van tevoren van deze opzegging in kennis. Deze kennisgeving dient een beschrijving te bevatten van de buitengewone gebeurtenissen die, naar zijn mening, zijn hoogste belangen in gevaar hebben gebracht.
Artikel IX
De bepalingen van dit Verdrag tasten op geen enkele wijze de verplichtingen aan welke Staten die Partij zijn bij het Verdrag op zich hebben genomen bij internationale akten waarbij kernwapenvrije zones zijn ingesteld.
Artikel X
Dit Verdrag staat voor alle Staten ter ondertekening open. Iedere Staat die het Verdrag niet vóór de datum van inwerkingtreding overeenkomstig lid 3 van dit artikel ondertekent, kan te allen tijde tot het Verdrag toetreden.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd door de ondertekenende Staten. De akten van bekrachtiging en toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Regering van de Unie van Socialistische Sowjet Republieken, van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van de Verenigde Staten van Amerika, die hierbij worden aangewezen als Depotregeringen.
Dit Verdrag treedt in werking nadat tweeëntwintig Regeringen, waaronder de Regeringen die zijn aangewezen als Depotregeringen van dit Verdrag, hun akten van bekrachtiging hebben nedergelegd.
Ten aanzien van Staten wier akten van bekrachtiging of toetreding na de inwerkingtreding van dit Verdrag worden nedergelegd, treedt dit Verdrag in werking op de datum van nederlegging van hun akten van bekrachtiging of toetreding.
De Depotregeringen geven de Regeringen van alle ondertekenende en toetredende Staten onverwijld kennis van de datum van elke ondertekening, van de datum van nederlegging van elke akte van bekrachtiging of toetreding, van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en van de ontvangst van andere kennisgevingen.
Dit Verdrag wordt door de Depotregeringen geregistreerd overkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.
Artikel XI
Dit Verdrag, waarvan de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd in de archieven van de Depotregeringen. Voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag worden door de Depotregeringen toegezonden aan de Regeringen van de ondertekenende en toetredende Staten.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Treaty.
DONE in triplicate, at the cities of London, Moscow and Washington, this eleventh day of February, one thousand nine hundred and seventy-one.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.