Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling
De Staten die Partij zijn bij dit Statuut,
Overeenkomstig het Handvest der Verenigde Naties,
Overwegende de ruime doelstellingen, vervat in de resoluties, aanvaard tijdens de zesde bijzondere zitting van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties betreffende de vestiging van een Nieuwe Internationale Economische Orde, in de Verklaring en het Actieplan van Lima inzake Industriële Ontwikkeling en Samenwerking, aanvaard door de Tweede Algemene Conferentie van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling alsmede in de resolutie van de zevende bijzondere zitting van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties inzake Ontwikkelingen Internationale Economische Samenwerking,
Verklarende dat:
Het noodzakelijk is een rechtvaardige economische en sociale orde te vestigen, die dient te worden bereikt door het wegnemen van economische ongelijkheid, door het tot stand brengen van rationele en rechtvaardige internationale economische betrekkingen, door het bewerkstelligen van dynamische sociale en economische veranderingen en door de bevordering van de noodzakelijke structurele wijzigingen in de ontwikkeling van de wereldeconomie,
Industrialisatie een dynamisch werktuig is ter bevordering van de groei en van wezenlijk belang is voor een snelle economische en sociale ontwikkeling, met name van de ontwikkelingslanden, voor de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan van de volkeren in alle landen en voor de invoering van een rechtvaardige economische en sociale orde,
Het een soeverein recht van elk land is zijn eigen industrialisatie te verwezenlijken, en elk proces van die industrialisatie in overeenstemming dient te zijn met de ruimere doelstellingen van een zelfstandige en geïntegreerde sociaal-economische ontwikkeling en die veranderingen dient te omvatten die nodig zijn om een rechtvaardige en doeltreffende deelneming van elk volk aan de industrialisatie van zijn land te waarborgen,
Aangezien internationale samenwerking ten behoeve van ontwikkeling het gemeenschappelijk streven en de gemeenschappelijke verplichting van alle landen is, het van wezenlijk belang is de industrialisatie te bevorderen door middel van alle mogelijke gezamenlijk getroffen maatregelen, waaronder de ontwikkeling, overdracht en aanpassing van technologie zowel op mondiaal, regionaal en nationaal als op sectoraal niveau,
Alle landen, ongeacht hun sociaal en economisch stelsel, vastbesloten zijn het algemeen welzijn van hun bevolking te bevorderen door individuele en collectieve handelingen die erop zijn gericht om, op basis van soevereine gelijkheid, de internationale economische samenwerking uit te breiden, de economische onafhankelijkheid van de ontwikkelingslanden te versterken, aan deze landen een rechtvaardig aandeel in de totale industriële produktie in de wereld te waarborgen en bij te dragen tot de internationale vrede, veiligheid en welvaart van alle volken, overeenkomstig de doelstellingen en beginselen van het Handvest der Verenigde Naties,
Indachtig deze richtlijnen,
Geleid door de wens binnen het kader van Hoofdstuk IX van het Handvest der Verenigde Naties een gespecialiseerde organisatie in het leven te roepen, die de naam zal dragen van Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO) (hierna te noemen de „Organisatie”) en die een centrale rol zal spelen in en verantwoordelijk zal zijn voor het begeleiden en bevorderen van de coördinatie van alle werkzaamheden binnen het stelsel der Verenigde Naties op het gebied van de industriële ontwikkeling, overeenkomstig de verantwoordelijkheden van de Economische en Sociale Raad krachtens het Handvest der Verenigde Naties en de van toepassing zijnde overeenkomsten inzake de onderlinge betrekkingen,
Hechten hierbij hun goedkeuring aan dit Statuut.
HOOFDSTUK I. DOELSTELLINGEN EN FUNCTIES
Artikel 1. Doelstellingen
De belangrijkste doelstelling van de Organisatie is het bevorderen en versnellen van de industriële ontwikkeling in de ontwikkelingslanden ten einde de invoering van een nieuwe internationale economische orde te stimuleren. Ook dient de Organisatie industriële ontwikkeling en samenwerking zowel op mondiaal, regionaal en nationaal als op sectoraal niveau aan te moedigen.
Artikel 2. Functies
Ten einde bovengenoemde doelstellingen te verwerkelijken, doet de Organisatie in de regel alle noodzakelijke en passende stappen en dient in het bijzonder:
- a. Naar gelang zulks wenselijk is het verlenen van hulp aan de ontwikkelingslanden ter bevordering en versnelling van hun industrialisatie te stimuleren of deze zelf te verlenen, met name bij de ontwikkeling, uitbreiding en modernisering van hun industrieën;
- b. Overeenkomstig het Handvest der Verenigde Naties de werkzaamheden van de organisaties der Verenigde Naties op gang te brengen, te coördineren en op de voet te volgen ten einde haar centrale coördinerende taak op het gebied van de industriële ontwikkeling te kunnen vervullen;
- c. Nieuwe ideeën en benaderingswijzen ten aanzien van de industriële ontwikkeling zowel op mondiaal, regionaal en nationaal als op sectoraal niveau te scheppen en bestaande ideeën en benaderingswijzen nader uit te werken, alsmede onderzoekingen en studies te verrichten ten einde te komen tot het formuleren van nieuwe gedragslijnen gericht op een harmonieuze en evenwichtige industriële ontwikkeling, waarbij de nodige aandacht besteed behoort te worden aan de methoden die landen met verschillende sociaal-economische stelsels gebruiken om industrialisatievraagstukken op te lossen;
- d. De ontwikkeling en het gebruik van planningstechnieken te bevorderen en aan te moedigen en steun te verlenen bij het opstellen van ontwikkelingsprogramma's, wetenschappelijke en technologische programma's en industrialisatieplannen in de openbare, coöperatieve en particuliere sector;
- e. De ontwikkeling van een geïntegreerde en interdisciplinaire benadering van de versnelde industrialisatie in de ontwikkelingslanden aan te moedigen en daarbij steun te verlenen;
- f. Als forum en als instrument te fungeren om de ontwikkelingslanden en de geïndustrialiseerde landen behulpzaam te zijn bij hun contacten, hun overleg en - op verzoek van de betrokken landen - hun onderhandelingen, gericht op industrialisatie van de ontwikkelingslanden;
- g. De ontwikkelingslanden te steunen bij het oprichten en in bedrijf houden van industrieën, zowel basisindustrieën als industrieën die verband houden met de landbouw, om tot een volledig benutten van plaatselijk aanwezige natuurlijke en menselijke hulpbronnen en tot de produktie van goederen voor de binnenlandse markt en de exportmarkt te komen, alsook bij te dragen tot de ontwikkeling op eigen kracht van deze landen;
- h. Als uitwisselingscentrum te fungeren voor industriële informatie en uit hoofde daarvan informatie te verzamelen en steekproefsgewijs te controleren, deze te analyseren en uit te werken ten einde informatie te verspreiden over alle aspecten van de industriële ontwikkeling op zowel mondiaal, regionaal en nationaal als sectoraal niveau, waaronder ook de uitwisseling van ervaring en technologische verworvenheden tussen industrieel ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden met verschillende sociale en economische stelsels;
- i. In het bijzonder aandacht te besteden aan het nemen van speciale maatregelen ten behoeve van de hulpverlening aan de minst ontwikkelde landen, geen toegang tot zee bezittende of uit eilanden bestaande ontwikkelingslanden, alsook aan die ontwikkelingslanden die het zwaarst zijn getroffen door economische crises en natuurrampen, zonder daarbij de belangen van de andere ontwikkelingslanden uit het oog te verliezen;
- j. De ontwikkeling, selectie, aanpassing, overdracht en het gebruik van industriële technologie te bevorderen, aan te moedigen en te steunen, daarbij rekening houdend met de sociaal-economische omstandigheden en specifieke behoeften van de desbetreffende industrie, waarbij dan speciaal het accent moet komen te liggen op de overdracht van technologie van zowel de geïndustrialiseerde landen naar de ontwikkelingslanden als tussen de ontwikkelingslanden onderling;
- k. Industriële opleidingsprogramma's te organiseren en te steunen die erop zijn gericht de ontwikkelingslanden te helpen bij het opleiden van technisch en ander passend personeel, waaraan zij in de verschillende stadia van een versnelde industriële ontwikkeling behoefte hebben;
- l. In nauwe samenwerking met de desbetreffende organen van de Verenigde Naties, de gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, de ontwikkelingslanden te adviseren en te steunen met betrekking tot het exploiteren, conserveren en ter plaatse be- of verwerken van hun natuurlijke hulpbronnen ten einde de industrialisatie van de ontwikkelingslanden te bevorderen;
- m. Proef- en demonstratie-installaties te verschaffen om de industrialisatie in bepaalde sectoren te versnellen;
- n. Speciale maatregelen uit te werken die ten doel hebben de samenwerking op industrieel gebied tussen de ontwikkelingslanden onderling en tussen de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden te stimuleren;
- o. In samenwerking met andere bevoegde instanties steun te verlenen aan de regionale planning voor de industriële ontwikkeling van de ontwikkelingslanden binnen het kader van regionale en subregionale groeperingen van deze landen;
- p. De oprichting en versterking van industriële en commerciële organisaties en beroepsverenigingen en andere soortgelijke organisaties aan te moedigen en te stimuleren, die zouden kunnen bijdragen tot het volledig benutten van de eigen hulpbronnen der ontwikkelingslanden ten einde hun nationale industrieën te ontwikkelen;
- q. Steun te verlenen bij het creëren en doen functioneren van een institutionele infrastructuur die regulerende en adviserende diensten en diensten op ontwikkelingsgebied kan leveren aan de industrie;
- r. Op verzoek van de regeringen van de ontwikkelingslanden steun te verlenen bij het verkrijgen van externe financiering voor specifieke industriële projecten op billijke, rechtvaardige en wederzijds aanvaardbare voorwaarden.
HOOFDSTUK II. DEELNEMING
Artikel 3. Leden
Het lidmaatschap van de Organisatie staat open voor alle Staten die de doelstellingen en beginselen van de Organisatie onderschrijven:
- a. Staten die Lid zijn van de Verenigde Naties of van een gespecialiseerde organisatie of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie kunnen Lid worden van de Organisatie door Partij te worden bij dit Statuut overeenkomstig artikel 24 en artikel 25, tweede lid;
- b. Andere Staten dan de in letter a bedoelde kunnen Lid worden van de Organisatie door Partij te worden bij dit Statuut overeenkomstig artikel 24, derde lid, en artikel 25, tweede lid, letter c, nadat hun lidmaatschap door de Conferentie met een tweederde meerderheid van de aanwezige Leden die hun stem uitbrengen, op aanbeveling van de Raad, is goedgekeurd.
Artikel 4. Waarnemers
De status van waarnemer bij de Organisatie staat op verzoek open voor die Staten die deze status ook bij de Algemene Vergadering der Verenigde Naties genieten, tenzij de Conferentie anders besluit.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid heeft de Conferentie de bevoegdheid andere waarnemers uit te nodigen om deel te nemen aan het werk van de Organisatie.
Het is waarnemers toegestaan deel te nemen aan het werk van de Organisatie overeenkomstig de desbetreffende huishoudelijke reglementen en de bepalingen van dit Statuut.
Artikel 5. Schorsing
Elk Lid van de Organisatie dat wordt geschorst wat de uitoefening betreft van de rechten en voorrechten, verbonden aan het lidmaatschap van de Verenigde Naties wordt tevens automatisch geschorst wat de uitoefening betreft van de rechten en voorrechten, verbonden aan het lidmaatschap van de Organisatie.
Elk Lid dat achterstand heeft bij de betaling van zijn financiële bijdrage aan de Organisatie heeft geen stem in de Organisatie, indien het achterstallige bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van de bijdrage waarvoor het is aangeslagen voor de twee voorafgaande fiscale jaren. Elk orgaan kan niettemin een dergelijk Lid toestaan in dat orgaan zijn stem uit te brengen, indien het ervan overtuigd is dat uitblijven van de betaling te wijten is aan omstandigheden waarover het desbetreffende Lid geen macht heeft.
Artikel 6. Opzegging
Een Lid kan zijn lidmaatschap van de Organisatie opzeggen door bij de depositaris een akte van opzegging van dit Statuut neder te leggen.
De opzegging wordt van kracht op de laatste dag van het fiscale jaar, volgend op dat waarin een zodanige akte is nedergelegd.
De financiële bijdrage die het Lid dat zijn lidmaatschap opzegt, verschuldigd is voor het fiscale jaar, volgend op dat waarin een zodanige akte is nedergelegd, is gelijk aan de bijdrage waarvoor het is aangeslagen in het fiscale jaar waarin deze akte is nedergelegd.
Het Lid dat zijn lidmaatschap opzegt voldoet bovendien aan alle onvoorwaardelijke financiële toezeggingen die het vrijwillig heeft gedaan vóór de nederlegging van een zodanige akte.
HOOFDSTUK III. ORGANEN
Artikel 7. Hoofdorganen en suborganen
De hoofdorganen van de Organisatie zijn:
- a. De Algemene Vergadering (hierna te noemen de „Vergadering”);
- b. De Raad voor Industriële Ontwikkeling (hierna te noemen de „Raad”);
- c. Het Secretariaat.
Er wordt een Programma- en Begrotingscommissie ingesteld om de Raad te assisteren bij de voorbereiding en bestudering van het werkprogramma, de gewone begroting en de operationele begroting van de Organisatie alsmede andere financiële zaken die de Organisatie betreffen.
Andere suborganen, waaronder technische commissies, kunnen door de Vergadering of de Raad worden ingesteld, waarbij rekening dient te worden gehouden met het beginsel van rechtvaardige geografische spreiding.
Artikel 8. De Algemene Vergadering
De Vergadering bestaat uit vertegenwoordigers van alle Leden.
- a. De Vergadering houdt om de twee jaar een gewone zitting, tenzij zij anders besluit. Bijzondere zittingen worden op verzoek van de Raad of van een meerderheid van alle Leden door de Directeur-Generaal bijeengeroepen.
- b. Gewone zittingen worden gehouden in de plaats waar de Organisatie zetelt, tenzij de Vergadering anders heeft besloten. De Raad besluit waar een bijzondere zitting zal worden gehouden.
Naast het vervullen van andere functies die in dit Statuut zijn omschreven, dient de Vergadering:
- a. de leidende beginselen en de beleidslijnen van de Organisatie te bepalen;
- b. verslagen van de Raad, de Directeur-Generaal en de suborganen van de Vergadering te behandelen;
- c. haar goedkeuring te hechten aan het werkprogramma, de gewone en operationele begroting van de Organisatie overeenkomstig artikel 14, een verdeelsleutel voor de bijdragen vast te stellen overeenkomstig artikel 15, haar goedkeuring te hechten aan het financiële reglement van de Organisatie en toezicht te houden op het doelmatig gebruik van de financiële middelen van de Organisatie;
- d. de bevoegdheid te hebben om met een tweederde meerderheid van de aanwezige Leden die hun stem uitbrengen, verdragen of overeenkomsten aan te gaan betreffende zaken die binnen de bevoegdheid van de Organisatie vallen en aanbevelingen te doen aan de Leden inzake dergelijke verdragen of overeenkomsten;
- e. aanbevelingen te doen aan de Leden en aan internationale organisaties betreffende zaken die binnen de bevoegdheid van de Organisatie vallen;
- f. andere passende maatregelen te nemen om de Organisatie in staat te stellen haar doelstellingen na te streven en haar functies te vervullen.
De Vergadering kan aan de Raad die bevoegdheden en functies delegeren waarvan zij delegatie wenselijk acht met uitzondering van die welke zijn neergelegd in artikel 3, letter b; artikel 4; artikel 8, derde lid, de letters a, b, c en d; artikel 9, eerste lid; artikel 10, eerste lid; artikel 11, tweede lid; artikel 14, vierde en zesde lid; artikel 15; artikel 18; artikel 23, tweede lid, letter b en derde lid, letter b en Aanhangsel I.
De Vergadering stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
Elk Lid heeft één stem in de Vergadering. Besluiten worden genomen door een meerderheid van de aanwezige Leden die hun stem uitbrengen, tenzij in dit Statuut of in het huishoudelijk reglement anders is bepaald.
Artikel 9. De Raad voor industriële ontwikkeling
De Raad bestaat uit 53 Leden van de Organisatie die door de Vergadering zijn gekozen, waarbij het beginsel van rechtvaardige geografische spreiding in acht dient te worden genomen. Bij de verkiezing van de leden van de Raad dient de Vergadering zich te houden aan de volgende zetelverdeling: 33 leden van de Raad dienen te worden gekozen uit de Staten, genoemd in de Delen A en C, 15 uit de Staten, genoemd in Deel B, en 5 uit de Staten, genoemd in Deel D van Aanhangsel I van dit Statuut.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.