Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten (Protocol II)
PREAMBULE
De Hoge Verdragsluitende Partijen,
In herinnering brengende, dat de humanitaire beginselen, neergelegd in de gemeenschappelijke artikelen 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, de basis vormen van de eerbied voor de menselijke persoon in geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is,
Voorts in herinnering brengende, dat de internationale akten betreffende de bescherming van de rechten van de mens de menselijke persoon een fundamentele bescherming bieden,
De nadruk leggende op de noodzaak tot het verzekeren van een betere bescherming aan de slachtoffers van die gewapende conflicten,
In herinnering brengende dat, in gevallen waarin het geldende recht niet voorziet, de menselijke persoon beschermd blijft door de beginselen van menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn,
Zijn het volgende overeengekomen,
DEEL I. REIKWIJDTE VAN DIT PROTOCOL
Artikel 1. Materieel toepassingsgebied
Dit Protocol, dat de gemeenschappelijke artikelen 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 uitbreidt en aanvult, zonder wijziging aan te brengen in de omstandigheden waaronder deze artikelen thans worden toegepast, is van toepassing op alle gewapende conflicten, waarop artikel 1 van het Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I) niet van toepassing is, en die plaatsvinden op het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij tussen de strijdkrachten van die Partij en dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen die, staande onder een verantwoordelijk bevel, het grondgebied van die partij gedeeltelijk beheersen op een zodanige wijze dat zij in staat zijn aanhoudende en samenhangende militaire operaties uit te voeren en de bepalingen van dit Protocol toe te passen.
Dit Protocol is niet van toepassing op situaties van interne ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande en sporadisch voorkomende daden van geweld en andere handelingen van soortgelijke aard, die niet zijn te beschouwen als gewapende conflicten.
Artikel 2. Personeel toepassingsgebied
Dit Protocol dient te worden toegepast zonder enig nadelig onderscheid, gebaseerd op ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, rijkdom, geboorte of andere status, of op enig ander soortgelijk criterium (hierna te noemen „nadelig onderscheid”) op allen die zijn getroffen door een gewapend conflict als omschreven in artikel 1.
Na afloop van het gewapende conflict genieten allen die van hun vrijheid zijn beroofd of wier vrijheid is beperkt om redenen, verband houdende met dat conflict, evenals zij die om dezelfde redenen van hun vrijheid zijn beroofd of wier vrijheid is beperkt na het conflict, de bescherming van de artikelen 5 en 6 tot het einde van die vrijheidsberoving of -beperking.
Artikel 3. Non-interventie
Geen enkele bepaling van dit Protocol mag worden ingeroepen ter aantasting van de soevereiniteit van een Staat of de verantwoordelijkheid van de regering om met alle wettige middelen de rechtsorde in de Staat te handhaven of te herstellen, of de nationale eenheid en de territoriale integriteit van de Staat te verdedigen.
Geen enkele bepaling van dit Protocol mag worden ingeroepen als rechtvaardiging van een interventie, rechtstreeks of niet rechtstreeks, om welke reden ook, in het gewapende conflict of in de interne of externe aangelegenheden van de Hoge Verdragsluitende Partij op wier grondgebied dat conflict plaatsvindt.
DEEL II. MENSELIJKE BEHANDELING
Artikel 4. Fundamentele waarborgen
Allen die niet rechtstreeks deelnemen of niet meer deelnemen aan de vijandelijkheden maken ongeacht of hun vrijheid is beperkt of niet, aanspraak op eerbiediging van hun persoon, eer, overtuigingen en het uitoefenen van hun godsdienst. Zij moeten onder alle omstandigheden menselijk worden behandeld, zonder enig nadelig onderscheid. Het is verboden het bevel te geven dat niemand mag overleven.
Onverminderd het algemene karakter van de voorgaande bepalingen zijn en blijven de volgende daden, gericht tegen de in het eerste lid bedoelde personen, te allen tijde en op iedere plaats verboden:
- (a). geweld, gericht tegen het leven, de gezondheid en het lichamelijke of geestelijke welzijn van personen, in het bijzonder moord, evenals wrede behandeling zoals marteling, verminking of lijfstraffen in wat voor vorm dan ook;
- (b). collectieve straffen;
- (c). het nemen van gijzelaars;
- (d). daden van terrorisme;
- (e). aanslagen op de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling, verkrachting, gedwongen prostitutie en iedere vorm van aanranding van de eerbaarheid;
- (f). slavernij en slavenhandel in iedere vorm;
- (g). plundering;
- (h). bedreiging met een van de bovengenoemde daden.
Kinderen moeten de zorg en hulp ontvangen die zij nodig hebben, en in het bijzonder:
- (a). dienen zij een opvoeding te krijgen, daaronder begrepen een godsdienstige en morele opvoeding, overeenkomstig de wensen van hun ouders of, bij afwezigheid van hun ouders, van diegenen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor die kinderen;
- (b). dienen alle geëigende stappen te worden genomen om de hereniging van gezinnen waarvan de leden tijdelijk van elkaar zijn gescheiden, te vergemakkelijken;
- (c). dienen kinderen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt, noch in dienst te worden geroepen bij de strijdkrachten of gewapende groepen, noch dient het hun te worden toegestaan aan de vijandelijkheden deel te nemen;
- (d). blijft de bijzondere bescherming, door dit artikel verleend aan kinderen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt, op hen van toepassing wanneer zij ondanks de bepalingen van letter (c) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen en gevangen worden genomen;
- (e). dienen, wanneer nodig, maatregelen te worden genomen, zo mogelijk met toestemming van de ouders of de personen die krachtens de wet of het gebruik in de eerste plaats voor de zorg voor de desbetreffende kinderen verantwoordelijk zijn, om kinderen tijdelijk uit het gebied waarin vijandelijkheden plaatsvinden over te brengen naar een veiliger gebied in het land, en te verzekeren dat zij worden vergezeld door voor hun veiligheid en welzijn verantwoordelijke personen.
Artikel 5. Personen wier vrijheid is beperkt
Ter aanvulling van de bepalingen van artikel 4 moeten de volgende bepalingen ten minste in acht worden genomen met betrekking tot personen die van hun vrijheid zijn beroofd om redenen, verband houdende met het gewapende conflict, ongeacht of zij zijn geïnterneerd of gevangen worden gehouden:
- (a). de gewonden en zieken dienen te worden behandeld overeenkomstig artikel 7;
- (b). aan de in dit lid bedoelde personen dienen in dezelfde mate als aan de plaatselijke burgerbevolking voedsel en drinkwater te worden verschaft, en waarborgen te worden gegeven met betrekking tot gezondheid en hygiëne en bescherming tegen de ongenaakbaarheid van het klimaat en de gevaren van het gewapende conflict;
- (c). hun dient te worden toegestaan individuele of collectieve hulp te ontvangen;
- (d). hun dient te worden toegestaan hun godsdienst uit te oefenen en, indien gewenst en mogelijk, geestelijke bijstand te ontvangen van personen die een geestelijk ambt vervullen, zoals geestelijke verzorgers;
- (e). indien zij verplicht worden te werken, dienen voor hen werkomstandigheden en waarborgen te gelden die gelijk zijn aan die, welke gelden voor de plaatselijke burgerbevolking.
Zij die verantwoordelijk zijn voor de internering of gevangenhouding van de in het eerste lid bedoelde personen moeten tevens, binnen de grenzen van hun mogelijkheden, de volgende bepalingen met betrekking tot die personen in acht nemen:
- (a). behalve wanneer mannen en vrouwen van één gezin tezamen zijn gehuisvest, dienen vrouwen te worden ondergebracht in verblijven die zijn gescheiden van die van de mannen, en dienen zij onder rechtstreeks toezicht van vrouwen te worden geplaatst;
- (b). hun dient te worden toegestaan brieven en kaarten te verzenden en te ontvangen; het aantal daarvan kan door de daartoe bevoegde autoriteit worden beperkt wanneer deze dat noodzakelijk acht;
- (c). de internerings- en detentieoorden dienen niet dicht bij de gevechtszone te worden geplaatst. De in het eerste lid bedoelde personen dienen te worden geëvacueerd wanneer de oorden waar zij zijn geïnterneerd of waar zij gevangen worden gehouden in het bijzonder worden blootgesteld aan gevaren, voortvloeiende uit het gewapende conflict, indien hun evacuatie onder voldoende veilige omstandigheden kan worden uitgevoerd;
- (d). zij dienen de mogelijkheid te hebben, medisch te worden onderzocht;
- (e). hun lichamelijke en geestelijke gezondheid mag niet door enig ongerechtvaardigd handelen of nalaten in gevaar worden gebracht. Dientengevolge is het verboden de personen, bedoeld in dit artikel, te onderwerpen aan medische behandelingen die niet noodzakelijk zijn als gevolg van de gezondheidstoestand van de betrokken persoon en die niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde medische normen welke onder gelijke medische omstandigheden zouden worden toegepast ten aanzien van personen die zich in vrijheid bevinden.
Personen op wie het eerste lid niet van toepassing is, maar wier vrijheid op enigerlei wijze is beperkt om redenen, verband houdende met het gewapende conflict, moeten menselijk worden behandeld overeenkomstig artikel 4 en de leden 1 (a), 1 (c) en 1 (d), en 2 (b) van dit artikel.
Wanneer wordt beslist personen die van hun vrijheid zijn beroofd vrij te laten, moeten door degenen die deze beslissing nemen de noodzakelijke maatregelen worden getroffen ter waarborging van hun veiligheid.
Artikel 6. Strafrechtelijke vervolgingen
Dit artikel is van toepassing op de vervolging en de bestraffing van strafbare feiten, verband houdende met het gewapende conflict.
Geen veroordeling mag worden uitgesproken en geen straf mag ten uitvoer worden gelegd met betrekking tot een persoon die schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, behalve op grond van een voorafgaand vonnis, gewezen door een rechtbank die essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt. In het bijzonder:
- (a). dient de procedure erin te voorzien, dat een verdachte onverwijld op de hoogte wordt gebracht van de bijzonderheden van het strafbare feit dat hem ten laste wordt gelegd, en die verdachte voor en tijdens het proces alle nodige rechten en middelen voor zijn verdediging te verschaffen;
- (b). mag niemand worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid;
- (c). kan niemand worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat rechtens geen strafbaar feit opleverde ten tijde dat het handelen of het nalaten geschiedde; evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke van toepassing was ten tijde van het begaan van het strafbare feit; indien de wet na het begaan van het strafbare feit in de oplegging van een lichtere straf mocht voorzien, dient de overtreder daarvan te profiteren;
- (d). wordt ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen;
- (e). heeft ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht in zijn tegenwoordigheid te worden berecht;
- (f). mag niemand worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.
Een veroordeelde dient bij zijn veroordeling op de hoogte te worden gesteld van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen en andere middelen en van de termijnen waarbinnen die moeten worden aangewend.
Doodvonnissen mogen niet worden uitgesproken ten aanzien van personen die ten tijde van het strafbare feit de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt, en mogen niet worden voltrokken aan zwangere vrouwen of moeders van jonge kinderen.
Bij het einde van de vijandelijkheden dienen de aan de macht zijnde autoriteiten er naar te streven, op de grootst mogelijke schaal amnestie te verlenen aan de personen die hebben deelgenomen aan het gewapende conflict of die van hun vrijheid zijn beroofd om redenen, verband houdende met het gewapende conflict, ongeacht of zij geïnterneerd zijn of gevangen worden gehouden.
DEEL III. GEWONDEN, ZIEKEN EN SCHIPBREUKELINGEN
Artikel 7. Bescherming en verzorging
Alle gewonden, zieken en schipbreukelingen dienen te worden ontzien en beschermd, ongeacht of zij aan het gewapende conflict hebben deelgenomen of niet.
Zij moeten onder alle omstandigheden menselijk worden behandeld en in de grootst mogelijke mate en binnen de kortst mogelijke tijd de medische verzorging en aandacht ontvangen, die hun toestand vereist. Er mag op geen andere dan op medische gronden onderscheid tussen hen worden gemaakt.
Artikel 8. Zoekacties
Telkens wanneer de omstandigheden dat toelaten en in het bijzonder na een gewapend treffen dienen onverwijld alle mogelijke maatregelen te worden genomen om naar de gewonden, zieken en schipbreukelingen te zoeken, hen te verzamelen, tegen plundering en kwalijke behandeling te beschermen en te verzekeren dat zij op passende wijze worden verzorgd, alsmede om naar de doden te zoeken, te beletten dat zij worden beroofd, en om hun de laatste eer te bewijzen.
Artikel 9. Bescherming van medisch personeel en geestelijke verzorgers
Medisch personeel en geestelijke verzorgers dienen te worden ontzien en beschermd, en dienen met alle beschikbare middelen hulp te ontvangen voor de vervulling van hun taak. Zij mogen niet worden verplicht taken te verrichten die onverenigbaar zijn met hun humanitaire opdracht.
Van het medische personeel mag niet worden verlangd dat het bij de uitoefening van zijn taak voorrang geeft aan enige persoon, behalve op medische gronden.
Artikel 10. Algemene bescherming van de medische taakvervulling
Niemand mag, onder welke omstandigheden ook, worden gestraft voor het feit dat hij medische handelingen heeft uitgevoerd die met de medische ethiek in overeenstemming zijn, ongeacht degenen aan wie deze handelingen ten goede zijn gekomen.
Personen die medische handelingen uitvoeren, mogen noch worden verplicht daden of werkzaamheden te verrichten die in strijd zijn met de regels van de medische ethiek of met andere regels, opgesteld in het belang van de gewonden en de zieken, of met dit Protocol, noch mogen zij worden verplicht af te zien van het verrichten van daden of werkzaamheden die worden voorgeschreven door bovengenoemde regels of door dit Protocol.
De beroepsverplichtingen van personen die medische handelingen uitvoeren met betrekking tot informatie die zij ten aanzien van de gewonden en zieken, met de zorg waarvoor zij zijn belast, mocht verkrijgen, moeten, behoudens de bepalingen van het nationale recht, worden gerespecteerd.
Behoudens de bepalingen van het nationale recht mogen tegen niemand die medische handelingen uitvoert op welke wijze ook sancties worden genomen wegens het weigeren inlichtingen te verstrekken betreffende de gewonden en zieken, met de zorg waarvoor hij is belast of is belast geweest, of wegens het in gebreke blijven dergelijke inlichtingen te verstrekken.
Artikel 11. Bescherming van medische formaties en vervoermiddelen
Medische formaties en vervoermiddelen dienen te allen tijde te worden ontzien en beschermd en mogen niet worden aangevallen.
De bescherming waarop de medische formaties en vervoermiddelen recht hebben, eindigt alleen wanneer deze worden gebruikt om buiten hun humanitaire taak vijandelijke handelingen te verrichten. De bescherming eindigt evenwel slechts nadat een waarschuwing is gegeven waarin, telkens wanneer daartoe aanleiding is, een redelijke termijn wordt gesteld, en nadat aan die waarschuwing geen gevolg is gegeven.
Artikel 12. Het kenteken
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.