Verdrag van Wenen inzake Statenopvolging met betrekking tot verdragen
De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn,
Overwegende dat de internationale gemeenschap als gevolg van het dekolonisatieproces grondig is veranderd,
Tevens overwegende dat andere factoren in de toekomst kunnen leiden tot gevallen van statenopvolging,
Gezien deze omstandigheden overtuigd van de noodzaak van codificatie en voortgaande ontwikkeling van de regels inzake statenopvolging met betrekking tot verdragen als middel ter verzekering van grote rechtszekerheid in de internationale betrekkingen,
Vaststellend dat de beginselen van vrije instemming, goede trouw en pacta sunt servanda algemeen worden erkend,
Benadrukkend dat de consistente naleving van algemene multilaterale verdragen die betrekking hebben op de codificatie en de voortgaande ontwikkeling van het volkenrecht, en die waarvan het voorwerp en doel van belang zijn voor de internationale gemeenschap in haar geheel, van bijzondere betekenis is voor de versterking van vrede en internationale samenwerking,
Indachtig de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, zoals de beginselen van de gelijke rechten en zelfbeschikking van volkeren, van de soevereine gelijkheid en onafhankelijkheid van alle Staten, van niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Staten, van het verbod van het dreigen met of het gebruik van geweld en van de universele eerbiediging en inachtneming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden voor allen,
In herinnering roepend dat respect voor de territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid van elke Staat krachtens het Handvest van de Verenigde Naties wordt vereist,
Gezien de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht van 1969,
Tevens gezien het bepaalde in artikel 73 van dit Verdrag,
Bevestigend dat andere vraagstukken ten aanzien van het verdragenrecht dan die welke voortvloeien uit een statenopvolging, worden geregeld door de desbetreffende regels van het volkenrecht, met inbegrip van die regels van internationaal gewoonterecht welke zijn neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht van 1969,
Bevestigend dat de regels van internationale gewoonterecht van toepassing blijven op de vraagstukken die niet door de bepalingen van dit Verdrag worden geregeld,
Zijn als volgt overeengekomen:
DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Reikwijdte van dit Verdrag
Dit Verdrag is van toepassing op de gevolgen van een opvolging van Staten met betrekking tot verdragen tussen Staten.
Artikel 2. Gebruikte termen
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent
- a). „verdrag”: een internationale overeenkomst gesloten tussen Staten in schriftelijke vorm en beheerst door het volkenrecht, hetzij nedergelegd in een enkele akte, hetzij in twee of meer samenhangende akten en ongeacht haar bijzondere benaming;
- b). „statenopvolging”: de vervanging van de ene Staat door de andere Staat in de verantwoordelijkheid voor de internationale betrekkingen van gebied;
- c). „Voorgangerstaat”: de Staat die vervangen is door een andere Staat bij statenopvolging;
- d). „Opvolgerstaat”: de Staat die de plaats van een andere Staat heeft ingenomen bij Statenopvolging;
- e). „datum van de statenopvolging”: de datum waarop de Opvolgerstaat de plaats van de Voorgangerstaat heeft ingenomen in de verantwoordelijkheid voor de internationale betrekkingen van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft;
- f). „nieuw-onafhankelijke Staat”: een Opvolgerstaat waarvan het grondgebied onmiddellijk voorafgaande aan de datum van statenopvolging een afhankelijk gebied was waarvoor de voorganger verantwoordelijk was voor de internationale betrekkingen;
- g). „verklaring van voortgezette gebondenheid”: met betrekking tot een multilateraal verdrag elke kennisgeving, ongeacht de bewoording of de benaming ervan, die door een Opvolgerstaat is gedaan en waarin deze verklaart zich door het verdrag gebonden te achten:
- h). „volmacht”: met betrekking tot een verklaring van voortgezette gebondenheid of elke andere kennisgeving ingevolge dit Verdrag een document dat van de bevoegde autoriteit van een Staat uitgaat en waarin één of meer personen worden aangewezen om de Staat te vertegenwoordigen bij het doen van de verklaring van voortgezette gebondenheid of, al naar gelang het geval, de kennisgeving;
- i). „bekrachtiging”, „aanvaarding” en „goedkeuring”: in elk der gevallen de internationale handeling van die naam, waarbij een Staat op internationaal vlak zijn instemming betuigt door een verdrag gebonden te worden;
- j). „voorbehoud”: een eenzijdige verklaring, ongeacht de bewoording of benaming, die door een Staat wordt afgelegd wanneer deze een verdrag ondertekent, bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of ertoe toetreedt of een verklaring van voortgezette gebondenheid met betrekking tot een verdrag aflegt, waarmee deze Staat beoogt het rechtsgevolg van zekere bepalingen van het verdrag in de toepassing daarvan met betrekking tot deze Staat uit te sluiten of te wijzigen,
- k). „verdragsluitende Staat”: een Staat die heeft ingestemd door een verdrag gebonden te worden, ongeacht of het verdrag in werking is getreden;
- l). „partij”: een Staat die heeft ingestemd door een verdrag gebonden te worden en waarvoor het verdrag in werking is getreden;
- m). „andere Staat partij bij het verdrag”: met betrekking tot een Opvolgerstaat een partij, niet zijnde de Voorgangerstaat, bij een verdrag dat van kracht is op de datum van statenopvolging ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft;
- n). „internationale organisatie”: een intergouvernementele organisatie;
De bepalingen van het eerste lid betreffende de in dit Verdrag gebruikte termen laten het gebruik van deze termen of de daaraan gehechte betekenis in het interne recht van elke Staat onverlet.
Artikel 3. Kwesties die niet vallen binnen het kader van dit Verdrag
Het feit dat dit Verdrag niet van toepassing is op de gevolgen van statenopvolging met betrekking tot internationale overeenkomsten die tussen Staten en andere volkenrechtelijke subjecten zijn gesloten, of met betrekking tot internationale overeenkomsten niet in schriftelijke vorm, doet geen afbreuk aan:
- a). de toepassing in zulke gevallen van alle in dit Verdrag vastgelegde regels waaraan zij onafhankelijk van dit Verdrag krachtens het volkenrecht zijn onderworpen;
- b). de toepassing van dit Verdrag tussen Staten op de gevolgen van statenopvolging met betrekking tot internationale overeenkomsten waarbij andere subjecten van volkenrecht eveneens partij zijn.
Artikel 4. Verdragen tot oprichting van internationale organisaties en verdragen die binnen een internationale organisatie zijn aangenomen
Dit Verdrag is van toepassing op de gevolgen van statenopvolging met betrekking tot:
- a). elk verdrag dat de oprichtingsakte van een internationale organisatie is, zonder de regels betreffende de verwerving van het lidmaatschap en zonder enige andere ter zake dienende regels van de organisatie aan te tasten;
- b). elk verdrag dat binnen een internationale organisatie is aangenomen, zonder enige ter zake dienende regels van de organisatie aan te tasten.
Artikel 5. Verplichtingen die onafhankelijk van een verdrag door het volkenrecht zijn opgelegd
Het feit dat ingevolge de toepassing van dit Verdrag een verdrag niet geacht wordt van kracht te zijn voor een Staat ontslaat deze Staat niet van de plicht alle in het verdrag vastgelegde verplichtingen waaraan deze Staat krachtens het volkenrecht onafhankelijk van het verdrag is onderworpen, na te komen.
Artikel 6. Gevallen van statenopvolging voorzien in dit Verdrag
Dit Verdrag is uitsluitend van toepassing op de gevolgen van statenopvolging die geschiedt in overeenstemming met het volkenrecht en, in het bijzonder, met de in het Handvest van de Verenigde Naties neergelegde beginselen van het volkenrecht.
Artikel 7. Toepassing van dit Verdrag met betrekking tot de tijd
Behoudens de toepassing van elk van de in dit Verdrag vervatte regels waaraan de gevolgen van statenopvolging onafhankelijk van dit Verdrag zouden zijn onderworpen krachtens het volkenrecht, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing met betrekking tot statenopvolging die heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, tenzij anders is overeengekomen.
Een Opvolgerstaat kan, op het tijdstip waarop deze zijn instemming om door dit Verdrag gebonden te worden tot uitdrukking brengt, of op een later tijdstip, verklaren de bepalingen van het Verdrag te zullen toepassen op zijn eigen statenopvolging die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag in relatie tot elke andere verdragsluitende Staat of Staat partij bij dit Verdrag die een verklaring aflegt, waarin de verklaring van de Opvolgerstaat wordt aanvaard. Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen de Staten die die verklaringen hebben afgelegd, of bij het afleggen van de verklaring van aanvaarding, welke hiervan het laatst plaatsvindt, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de gevolgen van de statenopvolging met ingang van de datum van die statenopvolging.
Een Opvolgerstaat kan, op het tijdstip van ondertekening of van het tot uitdrukking brengen van zijn instemming door dit Verdrag gebonden te worden, verklaren de bepalingen van dit Verdrag voorlopig te zullen toepassen met betrekking tot zijn eigen statenopvolging die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag in relatie tot elke andere ondertekenende of verdragsluitende Staat die verklaart de verklaring van de Opvolgerstaat te aanvaarden; bij het afleggen van de verklaring van aanvaarding zijn die bepalingen tussen die beide Staten voorlopig van toepassing op de gevolgen van de statenopvolging met ingang van de datum van de statenopvolging.
Elke verklaring die in overeenstemming met het tweede of derde lid wordt afgelegd, dient vervat te zijn in een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris, die de Partijen en de Staten die gerechtigd zijn Partij bij dit Verdrag te worden, in kennis stelt van de hem toegezonden mededeling en van de termen ervan.
Artikel 8. Overeenkomsten inzake de overdracht van verdragsverplichtingen of -rechten van een Voorgangerstaat op een Opvolgerstaat
De verplichtingen of rechten van een Voorgangerstaat ingevolge verdragen, die met betrekking tot een gebied van kracht zijn op de datum van statenopvolging, worden geen verplichtingen of rechten van de Opvolgerstaat jegens andere Staten, die partij bij deze verdragen zijn, door het enkele feit dat de Voorgangerstaat en de Opvolgerstaat een overeenkomst hebben gesloten waarin wordt bepaald dat dergelijke verplichtingen of rechten overgaan op de Opvolgerstaat.
Ondanks het sluiten van een dergelijke overeenkomst worden de gevolgen van een statenopvolging met betrekking tot verdragen die op het tijdstip van die statenopvolging van kracht waren ten aanzien van het gebied in kwestie door dit Verdrag beheerst.
Artikel 9. Eenzijdige verklaring van een Opvolgerstaat met betrekking tot verdragen van de Voorgangerstaat
Verplichtingen of rechten ingevolge verdragen die met betrekking tot een gebied van kracht zijn op de datum van statenopvolging worden geen verplichtingen of rechten van de Opvolgerstaat of van andere Staten, die partij bij deze verdragen zijn, door het enkele feit dat de Opvolgerstaat een eenzijdige verklaring heeft afgelegd die voorziet in het van-kracht-blijven van de verdragen op zijn grondgebied.
In een dergelijk geval worden de gevolgen van de statenopvolging met betrekking tot verdragen die, op het tijdstip van die statenopvolging, van kracht waren op het gebied in kwestie door dit Verdrag beheerst.
Artikel 10. Verdragen die voorzien in deelneming door een Opvolgerstaat
Wanneer een verdrag bepaalt dat, in het geval van statenopvolging, een Opvolgerstaat de mogelijkheid heeft zich partij bij het verdrag te beschouwen, kan deze Staat kennis geven van zijn opvolging met betrekking tot het verdrag in overeenstemming met de bepalingen van dat verdrag of, indien dergelijke bepalingen ontbreken, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.
Indien een verdrag bepaalt dat, in het geval van statenopvolging, een Opvolgerstaat geacht wordt partij te zijn bij het verdrag, wordt deze bepaling alleen als zodanig van kracht, indien de Opvolgerstaat uitdrukkelijk schriftelijk aanvaardt als zodanig te worden beschouwd.
In de gevallen vallend onder het eerste of tweede lid wordt een Opvolgerstaat die zijn instemming vastlegt partij bij het verdrag te zijn, geacht partij bij het verdrag te zijn met ingang van de datum van statenopvolging, tenzij in het verdrag anders wordt bepaald of anders is overeengekomen.
Artikel 11. Grensregime
Statenopvolging is niet als zodanig van invloed op:
- a). een bij verdrag vastgestelde grens; of
- b). verplichtingen en rechten bij verdrag gevestigd en betrekking hebbend op het regime van een grens.
Artikel 12. Andere territoriale regimes
Statenopvolging is niet als zodanig van invloed op:
- a). verplichtingen met betrekking tot het gebruik van grondgebied of op beperkingen van het gebruik ervan, vastgesteld bij verdrag ten behoeve van grondgebied van een vreemde Staat en geacht te zijn verbonden aan de grondgebieden in kwestie;
- b). rechten die bij verdrag zijn vastgesteld ten behoeve van grondgebied en betrekking hebben op het gebruik, of op beperkingen van het gebruik, van grondgebied van een vreemde Staat en worden geacht te zijn verbonden aan de grondgebieden in kwestie.
Statenopvolging is niet als zodanig van invloed op:
- a). verplichtingen met betrekking tot het gebruik van grondgebied of op beperkingen van het gebruik ervan, vastgesteld bij verdrag ten behoeve van een groep Staten of van alle Staten en geacht te zijn verbonden aan dat grondgebied;
- b). rechten die bij verdrag zijn vastgesteld ten behoeve van een groep Staten of van alle Staten en betrekking hebben op het gebruik van grondgebied, of op beperkingen van het gebruik ervan en worden geacht te zijn verbonden aan dat grondgebied.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op verdragsverplichtingen van de Voorgangerstaat die voorzien in de vestiging van buitenlandse militaire bases op het grondgebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.
Artikel 13. Dit Verdrag en de permanente soevereiniteit over natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen
Niets in dit Verdrag maakt inbreuk op de volkenrechtelijke beginselen die de permanente soevereiniteit van elk volk en elke Staat over zijn natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen bevestigen.
Artikel 14. Vraagstukken met betrekking tot de geldigheid van een verdrag
Niets in dit Verdrag wordt geacht in enig opzicht vooruit te lopen op enig vraagstuk met betrekking tot de geldigheid van een verdrag.
DEEL II. OPVOLGING MET BETREKKING TOT EEN DEEL VAN HET GRONDGEBIED
Artikel 15. Opvolging met betrekking tot een deel van het grondgebied
Wanneer een deel van het grondgebied van een Staat, of een gebied waarvoor een Staat verantwoordelijk is voor de buitenlandse betrekkingen dat geen deel uitmaakt van het grondgebied van die Staat, deel wordt van het grondgebied van een andere Staat:
- a). houden verdragen van de Voorgangerstaat op van kracht te zijn ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, met ingang van de datum van de statenopvolging; en
- b). treden verdragen van de Opvolgerstaat in werking ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, met ingang van de datum van de statenopvolging, tenzij uit het verdrag lijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag op dat gebied onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou veranderen.
Deel III. Nieuw-onafhankelijke Staten
AFDELING 1. ALGEMENE REGEL
Artikel 16. Toestand met betrekking tot de verdragen van de Voorgangerstaat
Een nieuw-onafhankelijke Staat is niet verplicht een verdrag van kracht te laten blijven of partij daarbij te worden uitsluitend omdat het verdrag op de datum van de statenopvolging in werking was voor het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.
AFDELING 2. MULTILATERALE VERDRAGEN
Artikel 17. Deelneming aan verdragen die van kracht zijn op de datum van de statenopvolging
Behoudens het tweede en derde lid, kan een nieuw-onafhankelijke Staat, door middel van een verklaring van voortgezette gebondenheid, zijn status bepalen als partij bij een multilateraal verdrag dat op de datum van de statenopvolging in werking was voor het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag met betrekking tot de nieuw-onafhankelijke Staat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.
Wanneer, ingevolge de termen van het verdrag of vanwege het beperkte aantal Staten dat aan de onderhandeling heeft deelgenomen, alsmede het voorwerp en doel van het verdrag, de instemming van alle partijen noodzakelijk moet worden geacht voor de deelneming van een andere Staat aan het verdrag, kan de nieuw-onafhankelijke Staat slechts met een dergelijke instemming zijn status als partij bij het verdrag bepalen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.