← Geldende tekst · Geschiedenis

Europese Overeenkomst inzake de sociale bescherming van landbouwers

Geldende tekst a fecha 1979-08-12

De Lid-Staten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend,

Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen, in het bijzonder ten einde hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen;

Overwegend dat verbetering van de levensomstandigheden van de landbouwers door de uitvoering van passende maatregelen kan bijdragen tot de sociale vooruitgang in Europa;

Eraan herinnerend dat het doel van het Europees Sociaal Handvest, eveneens opgesteld binnen de Raad van Europa en opengesteld voor ondertekening door de Lid-Staten op 18 oktober 1961, is de verhoging van de levensstandaard en de bevordering van het sociale welzijn van alle bevolkingsgroepen, zowel in de stad als op het platteland;

Overwegend dat de bijzondere omstandigheden en specifieke kenmerken van de landbouwwerkzaamheden, alsmede de veranderingen die zich in de landbouw voltrekken, het invoeren van passende regelingen noodzakelijk maken om het sociale welzijn van landbouwers te bevorderen;

Overwegend, dientengevolge, dat maatregelen dienen te worden genomen om de sociale bescherming van de landbouwers, de leden van hun gezinnen en, waar nodig, van hun bezoldigd personeel uit te breiden en te versterken, daarbij rekening houdend met de sociale behoeften van deze personen en met de bijzondere omstandigheden in de landbouw,

Zijn overeengekomen als volgt:

DEEL I

Artikel 1

Iedere Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich ertoe de bepalingen van deze Overeenkomst toe te passen op haar onderdanen, woonachtig op haar grondgebied.

Artikel 2

In deze Overeenkomst wordt onder „landbouwer” verstaan iedere zelfstandige die uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is in de landbouw, tuinbouw, bosbouw, wijnbouw of een soortgelijk bedrijf, met dien verstande dat hij kan worden bijgestaan in deze werkzaamheden door leden van zijn gezin en/of door bezoldigd personeel.

DEEL II

Artikel 3

Iedere Overeenkomstsluitende Partij verzekert de landbouwers, de leden van hun gezinnen en, waar nodig, hun bezoldigd personeel van sociale bescherming die vergelijkbaar is met die welke andere bevolkingsgroepen genieten, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 4 tot en met 13 van deze Overeenkomst.

Artikel 4
1.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij past, voor zover nodig, op de landbouwers en hun rechthebbenden de sociale zekerheidsnormen toe die zijn vastgesteld bij haar wetten voor de andere beschermde bevolkingsgroepen.

2.

Onverminderd de bepalingen van het eerste lid van dit artikel verleent iedere Overeenkomstsluitende Partij, op passende voorwaarden en binnen redelijke termijnen, de bescherming van de sociale verzekering aan de landbouwers in ten minste vier van de volgende voorkomende gevallen: ziekte, bevalling, invaliditeit, ouderdom, overlijden, beroepsongevallen en beroepsziekten, en gezinslasten.

Artikel 5
1.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij draagt er zorg voor dat, wanneer een landbouwer zijn bedrijf beëindigt op door de Overeenkomstsluitende Partij te bepalen structurele of andere gronden, passende maatregelen worden getroffen ten behoeve van hem, de leden van zijn gezin en, zo nodig, zijn bezoldigd personeel.

Deze maatregelen omvatten:

2.

In de zin van dit artikel mag beëindiging van een bedrijf niet zo worden opgevat dat voor de landbouwer de mogelijkheid wordt uitgesloten om een stuk grond van beperkte afmetingen voor eigen gebruik te behouden.

3.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij draagt er zorg voor dat, wanneer een landbouwer zijn bedrijf slechts gedeeltelijk beëindigt op door de Overeenkomstsluitende Partij te bepalen structurele of andere gronden, passende maatregelen als bedoeld onder de letters a., b. en c. van het eerste lid van dit artikel, naar behoren aangepast aan de behoeften, worden getroffen ten behoeve van hem, de leden van zijn gezin en, zo nodig, zijn bezoldigd personeel.

Artikel 6

Iedere Overeenkomstsluitende Partij neemt passende maatregelen met het doel de landbouwers voorlichting te geven over haar landbouwpolitiek, zo nodig overleg te plegen met landbouworganisaties over dit beleid en de landbouwers op de hoogte te houden van de voor hen relevante internationale ontwikkelingen op landbouwgebied.

Artikel 7

Bij het vaststellen van haar beleid inzake het regionaal ontwikkelingsbeleid houdt iedere Overeenkomstsluitende Partij rekening met de problemen, voortvloeiend uit de vermindering van de werkgelegenheid in de landbouwgebieden, in het bijzonder met het oog op het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in die streken.

Artikel 8
1.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij neemt passende maatregelen met het doel:

2.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij neemt tevens maatregelen om het landbouwers mogelijk te maken in door haar aan te wijzen gebieden hun bedrijf voort te zetten en tegelijkertijd bij te dragen tot de instandhouding en bescherming van het landschap, tot de natuurbescherming, de ontwikkeling van recreatiemogelijkheden en de handhaving van een passend demografisch evenwicht in deze gebieden.

Artikel 9

Iedere Overeenkomstsluitende Partij neemt of bevordert passende maatregelen om aan de kinderen in landbouwgebieden onderwijs en opleiding van hetzelfde niveau te waarborgen als de kinderen in stedelijke gebieden genieten. Deze maatregelen hebben in het bijzonder betrekking op

Artikel 10

Iedere Overeenkomstsluitende Partij neemt of bevordert maatregelen ten gunste van jonge mensen in landbouwgebieden, in het bijzonder met het doel:

Artikel 11

Iedere Overeenkomstsluitende Partij stimuleert de oprichting, in landbouwgebieden, van advies- en voorlichtingsbureaus inzake landbouwvraagstukken en inzake de ontwikkeling van de arbeidsmarkt in andere economische sectoren.

Artikel 12

Ten einde zo gunstig mogelijke arbeidsomstandigheden in landbouwbedrijven te verzekeren, vergemakkelijkt en stimuleert iedere Overeenkomstsluitende Partij verscheidene vormen van samenwerking, van wederzijdse bijstand tussen de landbouwers en, zo nodig, van beschikbaarstelling van tijdelijke arbeidskrachten.

Artikel 13

Ten einde de werkzaamheden die onafscheidelijk zijn verbonden met het gezinsleven in een landbouwbedrijf, te vergemakkelijken, stimuleert iedere Overeenkomstsluitende Partij:

Artikel 14

De bepalingen van deze Overeenkomst laten onverlet de bepalingen van andere internationale verdragen of overeenkomsten die van kracht zijn of zullen worden en krachtens welke een gunstiger behandeling zou worden genoten door de in deze Overeenkomst bedoelde personen.

DEEL III

Artikel 15
1.

Deze Overeenkomst staat ter ondertekening open voor de Lid-Staten van de Raad van Europa. Zij dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Deze Overeenkomst treedt in werking drie maanden na het tijdstip van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

3.

Deze Overeenkomst treedt voor iedere ondertekenende Staat die haar daarna bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, in werking drie maanden na de datum van nederlegging van diens akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 16
1.

Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere Staat die geen lid is van de Raad, uitnodigen toe te treden tot deze Overeenkomst.

2.

De toetreding geschiedt door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van een akte van toetreding die van kracht wordt drie maanden na de datum van nederlegging daarvan.

Artikel 17
1.

Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, aangeven op welk gebied of op welke gebieden deze Overeenkomst van toepassing is.

2.

Iedere Staat kan, op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op een later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de toepasselijkheid van deze Overeenkomst uitbreiden tot het gebied of de gebieden, genoemd in deze verklaring, voor de internationale betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is of waarvoor hij bevoegd is overeenkomsten aan te gaan.

3.

Iedere krachtens het bepaalde in het voorgaande lid afgelegde verklaring kan, ten aanzien van ieder in deze verklaring genoemd gebied, worden ingetrokken. Deze intrekking wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de verklaring van intrekking door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 18

ledere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening, van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op een later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de voordelen van deze Overeenkomst, of van de door hem aan te geven bepalingen daarvan, uitbreiden tot andere personen dan zijn onderdanen, woonachtig in het gebied of de gebieden aangewezen overeenkomstig artikel 17 en genoemd in de verklaring.

Artikel 19
1.

Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij gebruik maakt van een of meer van de voorbehouden, genoemd in de Bijlage bij deze Overeenkomst. Er mag geen ander voorbehoud worden gemaakt.

2.

Iedere Staat kan een door hem krachtens het voorgaande lid gemaakt voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, die van kracht wordt op de dag van ontvangst daarvan.

Artikel 20
1.

Geen van de Overeenkomstsluitende Partijen kan deze Overeenkomst opzeggen voor de afloop van een termijn van vier jaar, te rekenen van de dag waarop de Overeenkomst, voor zover het haar betreft, in werking is getreden, of voor de afloop van elke daarop volgende termijn van drie jaar.

2.

Deze opzegging geschiedt door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving, die van kracht wordt zes maanden na het tijdstip van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 21

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Leden van de Raad van Europa en elke Staat die tot deze Overeenkomst is toegetreden, in kennis van:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

DONE at Strasbourg, this 6th day of May 1974, in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding States.