Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld

Type Verdrag
Publication 1992-11-26
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, bijeengekomen in haar zeventiende zitting, van 17 oktober tot 21 november 1972 te Parijs gehouden,

Constaterende dat het cultureel erfgoed en het natuurlijk erfgoed in toenemende mate worden bedreigd, niet slechts door de normale oorzaken van verval, maar bovendien door de veranderingen in het maatschappelijk en economisch leven die de situatie verergeren door het veroorzaken van nog ernstiger schade of vernietiging,

Overwegende dat de achteruitgang of verdwijning van elk onderdeel van het cultureel en natuurlijk erfgoed een rampzalige verarming betekent van het erfgoed van alle volken ter wereld,

Overwegende dat de bescherming van dit erfgoed op nationaal niveau vaak onvolledig blijft, omdat daarvoor middelen op grote schaal nodig zijn en de economische, wetenschappelijke en technische hulpbronnen van het land, waarin het te beschermen goed zich bevindt, te kort schieten,

In herinnering brengende dat het Statuut van de Organisatie voorschrijft dat zij kennis zal bewaren, vermeerderen en verspreiden door het behoud en de bescherming te verzekeren van het erfgoed der wereld en door aan de betrokken volken de daartoe nodige internationale overeenkomsten aan te bevelen;

Overwegende dat de bestaande internationale overeenkomsten, aanbevelingen en resoluties ten aanzien van culturele en natuurlijke goederen het belang aantonen dat alle volken der wereld hebben bij de bescherming van die unieke en onvervangbare goederen, aan welk volk zij ook mogen toebehoren,

Overwegende dat sommige delen van het cultureel en natuurlijk erfgoed van uitzonderlijk belang zijn, hetgeen hun behoud als onderdeel van het erfgoed der gehele mensheid noodzakelijk maakt,

Overwegende dat, gezien de omvang en de ernst van de nieuwe gevaren die hen bedreigen, het de taak is van de gehele internationale gemeenschap deel te nemen aan de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van uitzonderlijke en universele waarde door het verlenen van gezamenlijke bijstand die, zonder in de plaats te treden van het optreden van de betrokken Staat, dit optreden op doeltreffende wijze aanvult,

Overwegende dat het onmisbaar is daartoe nieuwe voorzieningen te treffen in de vorm van een overeenkomst tot instelling van een doeltreffend systeem voor de collectieve bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van uitzonderlijke universele waarde, op een permanente basis en volgens moderne wetenschappelijke methoden,

Besloten hebbende tijdens haar zestiende zitting dat dit vraagstuk het onderwerp dient te vormen van een internationale overeenkomst,

Neemt op 16 november 1972 deze Overeenkomst aan.

I. OMSCHRIJVING VAN HET BEGRIP CULTUREEL EN NATUURLIJK ERFGOED

Artikel 1

Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden als „cultureel erfgoed” beschouwd:

Artikel 2

Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden als „natuurlijk erfgoed” beschouwd:

Artikel 3

Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst heeft het recht tot het vaststellen en omschrijven van de verschillende in de artikelen 1 en 2 bedoelde en op zijn grondgebied gelegen goederen.

II. NATIONALE EN INTERNATIONALE BESCHERMING VAN HET CULTUREEL EN NATUURLIJK ERFGOED

Artikel 4

Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst erkent dat in eerste instantie op hem de verplichting rust de identificatie, de bescherming, het behoud, het toegankelijk maken en het overdragen aan komende generaties van het op zijn grondgebied liggende en in de artikelen 1 en 2 bedoelde cultureel en natuurlijk erfgoed te waarborgen. Hij dient zich daartoe tot het uiterste in te spannen voor zover zijn eigen hulpbronnen dat toelaten en, waar zulks ter zake dienende is, met gebruikmaking van internationale bijstand en samenwerking, welke hij zou kunnen verkrijgen, in het bijzonder op financieel, artistiek, wetenschappelijk en technisch gebied.

Artikel 5

Ten einde te waarborgen dat doeltreffende en daadwerkelijke maatregelen worden genomen voor de bescherming, het behoud en het toegankelijk maken van het op zijn grondgebied gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed dient elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst zoveel mogelijk en voor zover de situatie in het land zulks toelaat te streven naar:

Artikel 6
1.

Onder volledige eerbiediging van de soevereiniteit der Staten op wier grondgebied het in de artikelen 1 en 2 bedoelde cultureel en natuurlijk erfgoed is gelegen en onverminderd de eigendomsrechten ontleend aan de binnenlandse wetgeving, erkennen de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst dat een zodanig erfgoed een erfgoed is van de gehele wereld, tot welks bescherming de gehele internationale gemeenschap verplicht is samen te werken.

2.

In overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst nemen de Staten die daarbij partij zijn op zich hulp te bieden bij de identificatie, de bescherming, het behoud en het toegankelijk maken van het in het tweede en vierde lid van artikel 11 bedoelde cultureel en natuurlijk erfgoed, indien de Staat op wiens grondgebied het is gelegen, zulks verzoekt.

3.

Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst neemt op zich geen enkele opzettelijke maatregel te treffen die direct of indirect schade zou kunnen toebrengen aan het in de artikelen 1 en 2 bedoelde cultureel en natuurlijk erfgoed dat gelegen is op het grondgebied van andere Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst.

Artikel 7

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder internationale bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld verstaan het instellen van een systeem voor internationale samenwerking en bijstand, gericht op het geven van steun aan Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst in hun pogingen tot behoud en identificatie van dat erfgoed.

III. INTERGOUVERNEMENTELE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN HET CULTUREEL EN NATUURLIJK ERFGOED VAN DE WERELD

Artikel 8
1.

Binnen het kader van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur wordt hierbij een Intergouvernementele Commissie voor de Bescherming van het Cultureel en Natuurlijk Erfgoed van Uitzonderlijke Universele Waarde opgericht (hierna te noemen de „Commissie voor het Werelderfgoed”). Zij wordt samengesteld uit 15 Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst gekozen door Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en bijeen zijn gekomen in een algemene vergadering tijdens de gewone zitting van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Het aantal Staten dat lid is van de Commissie zal tot 21 worden verhoogd met ingang van de datum van de gewone zitting van de Algemene Vergadering volgende op de inwerkingtreding van deze Overeenkomst voor ten minste 40 Staten.

2.

De verkiezing van de leden van de Commissie dient een evenwichtige vertegenwoordiging van de verschillende gebieden en culturen in de wereld te waarborgen.

3.

De vergaderingen van de Commissie kunnen worden bijgewoond, in een adviserende hoedanigheid, door een vertegenwoordiger van het Internationaal Centrum voor de Studie tot het behoud en de restauratie van culturele goederen (Centrum van Rome), een vertegenwoordiger van de Internationale Raad voor Monumenten en Landschappen (ICOMOS) en een vertegenwoordiger van de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) waaraan op verzoek van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst, bijeenkomende in een algemene vergadering tijdens de gewone zittingen van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, vertegenwoordigers van andere intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties met soortgelijke doelstellingen kunnen worden toegevoegd.

Artikel 9
1.

De zittingsperiode van Staten die lid zijn van de Commissie voor het Werelderfgoed loopt van het einde van de gewone zitting van de Algemene Vergadering tijdens welke zij zijn gekozen tot en met het einde van de derde daarop volgende gewone zitting.

2.

De zittingsperiode van een derde van de tijdens de eerste verkiezing aangewezen leden eindigt evenwel aan het slot van de eerste gewone zitting van de Algemene Vergadering volgende op die waarin zij werden gekozen; de zittingsperiode van een ander derde van de op hetzelfde tijdstip aangewezen leden eindigt aan het slot van de tweede gewone zitting van de Algemene Vergadering volgende op die waarin zij werden gekozen. De namen van deze leden worden door middel van loting aangewezen door de Voorzitter van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur na de eerste verkiezing.

3.

Staten die lid zijn van de Commissie wijzen als hun vertegenwoordigers personen aan die deskundig zijn op het gebied van het cultureel en natuurlijk erfgoed.

Artikel 10
1.

De Commissie voor het Werelderfgoed stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.

2.

De Commissie kan te allen tijde overheidsorganisaties of particuliere organisaties of personen uitnodigen deel te nemen aan haar vergaderingen ten einde hen te raadplegen over bijzondere vraagstukken.

3.

De Commissie kan voor zover zij dit voor de uitvoering van haar taak nodig acht, raadgevende organen in het leven roepen.

Artikel 11
1.

Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst legt, voor zover zulks hem mogelijk is, aan de Commissie voor het Werelderfgoed een inventaris over van de goederen die deel uitmaken van het cultureel en natuurlijk erfgoed, gelegen op zijn grondgebied en in aanmerking komend voor plaatsing op de in het tweede lid van dit artikel bedoelde lijst. Deze inventaris, die niet als uitputtend wordt beschouwd, dient documentatie te omvatten omtrent de ligging en de betekenis van het desbetreffende goed.

2.

Op basis van de overeenkomstig het eerste lid door de Staten overgelegde inventarissen zal de Commissie voor het Werelderfgoed een lijst opstellen, bijhouden en publiceren, onder de titel „Lijst van het Werelderfgoed”, van de goederen die deel uitmaken van het cultureel en natuurlijk erfgoed als omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze Overeenkomst, die zij volgens door haar opgestelde normen als van uitzonderlijke universele waarde beschouwt. Ten minste om de twee jaar wordt een bijgewerkte lijst verspreid.

3.

Voor het opnemen van een goed in de „Lijst van het Werelderfgoed” is de toestemming van de betrokken Staat vereist. Het opnemen van een goed dat is gelegen op een grondgebied, waarover meer dan een Staat soevereiniteit of rechtsmacht meent te bezitten, doet op geen enkele wijze afbreuk aan de rechten van de partijen in het geschil.

4.

De Commissie zal, wanneer de omstandigheden zulks vereisen, onder de titel „Lijst van bedreigd Werelderfgoed” een lijst opstellen, bijhouden en publiceren van op de Lijst van het Werelderfgoed voorkomende goederen voor welker behoud omvangrijke werken noodzakelijk zijn en waarvoor krachtens de bepalingen van deze Overeenkomst bijstand is gevraagd. Deze lijst dient een raming van de kosten der uit te voeren werken te omvatten. Op deze lijst mogen slechts onderdelen van het cultureel en natuurlijk erfgoed voorkomen die worden bedreigd door ernstige en duidelijk omschreven gevaren, zoals het gevaar van verdwijning door een steeds sneller verval, plannen voor grote openbare of particuliere werken, projecten voor stadsuitbreiding of ontwikkeling van het toerisme, vernietiging veroorzaakt door wijziging in gebruik of eigendom van de grond, grote veranderingen tengevolge van onbekende oorzaken, onbeheerd laten om welke reden dan ook, dreigende of reeds uitgebroken gewapende conflicten, natuurrampen en andere rampen, grote branden, aardbevingen, grondverschuivingen, vulkanische uitbarstingen, wijzigingen in het waterniveau, overstromingen, vloedgolven. De Commissie kan in geval van dringende noodzaak op elk tijdstip overgaan tot een nieuwe inschrijving op de Lijst van bedreigd Werelderfgoed en deze inschrijving onmiddellijk bekendmaken.

5.

De Commissie omschrijft de normen op grond waarvan een goed dat behoort tot het cultureel en natuurlijk erfgoed kan worden opgenomen in een van de in het tweede en vierde lid van dit artikel bedoelde lijsten.

6.

Alvorens een aanvraag tot inschrijving op een van de beide in het tweede en vierde lid van dit artikel bedoelde lijsten te weigeren, raadpleegt de Commissie de Staat die partij is bij deze Overeenkomst en op wiens grondgebied het desbetreffende onderdeel van het cultureel en natuurlijk erfgoed is gelegen.

7.

Met instemming van de betrokken Staten coördineert en bevordert de Commissie de studies en het onderzoek die nodig zijn voor de opstelling van de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde lijsten.

Artikel 12

De omstandigheid dat een goed behorend tot het cultureel en natuurlijk erfgoed niet is opgenomen in een van de beide in het eerste en tweede lid van artikel 11 bedoelde lijsten mag in genen dele zo worden uitgelegd als zou het geen uitzonderlijke universele waarde hebben om andere redenen dan die welke voortvloeien uit het opnemen in deze lijsten.

Artikel 13
1.

De Commissie voor het Werelderfgoed ontvangt en bestudeert verzoeken om internationale bijstand, gedaan door Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst, met betrekking tot goederen die deel uitmaken van op hun grondgebied gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed en zijn opgenomen in de in het tweede en vierde lid van artikel 11 bedoelde lijsten of daarvoor in aanmerking komen. Het doel van deze verzoeken kan zijn de bescherming, het behoud en het toegankelijk maken van zodanige goederen te waarborgen of daaraan een nieuwe bestemming te geven.

2.

Verzoeken om internationale bijstand op grond van het eerste lid van dit artikel kunnen ook betrekking hebben op de identificatie van culturele en natuurlijke goederen als omschreven in de artikelen 1 en 2, indien een voorlopig onderzoek gerede gronden verschaft tot voortzetting daarvan.

3.

De Commissie beslist over de te nemen maatregelen ten aanzien van deze verzoeken, bepaalt in voorkomende gevallen de aard en de omvang van haar bijstand en machtigt tot het sluiten uit haar naam van de noodzakelijke overeenkomsten met de betrokken regering.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.