Europese Overeenkomst inzake de controle op de verwerving en het bezit van vuurwapens door particulieren
De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
Overwegende dat het groeiend gebruik van vuurwapens voor criminele doeleinden een bedreiging vormt;
Zich bewust van het feit dat deze vuurwapens dikwijls in het buitenland worden verworven;
Verlangende op internationaal vlak doeltreffende methoden in te voeren ter controle van het grensoverschrijdend verkeer van vuurwapens;
Zich bewust van de noodzaak maatregelen te vermijden die de wettige internationale handel zouden kunnen hinderen of zouden kunnen resulteren in onuitvoerbare of buitengewoon bezwarende grenscontroles, in strijd met de moderne doelstellingen van vrijheid van verkeer van goederen en personen,
Zijn overeengekomen als volgt:
HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen en algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze Overeenkomst:
- a. heeft de term „vuurwapen” de betekenis die in Bijlage I bij deze Overeenkomst daaraan wordt toegekend;
- b. wordt onder „persoon” tevens verstaan een rechtspersoon die een vestiging heeft op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij;
- c. wordt onder „wapenhandelaar” verstaan een persoon wiens beroepswerkzaamheden geheel of gedeeltelijk bestaan uit de vervaardiging, verkoop, aankoop, uitwisseling of verhuur van vuurwapens;
- d. wordt onder „ingezetene” verstaan een persoon die zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij, in de zin van Voorschrift nr. 9 van de Bijlage bij Resolutie (72) 1 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa.
Artikel 2
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe elkaar wederzijds hulp te verlenen, via de desbetreffende administratieve autoriteiten, bij het terugdringen van de onwettige handel in vuurwapens en bij het opsporen en ontdekken van vuurwapens die van het grondgebied van de ene Staat naar dat van een andere Staat zijn overgebracht.
Artikel 3
Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt de vrijheid wetten en voorschriften met betrekking tot vuurwapens uit te vaardigen mits deze wetten en voorschriften niet in strijd zijn met het bepaalde in deze Overeenkomst.
Artikel 4
Deze Overeenkomst is niet van toepassing op transacties betreffende vuurwapens waarbij alle partijen Staten zijn of voor Staten handelen.
HOOFDSTUK II. Kennisgeving van transacties
Artikel 5
Indien een vuurwapen dat zich bevindt op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij wordt verkocht, overgedragen of anderszins afgestaan aan een persoon die ingezetene is van een andere Overeenkomstsluitende Partij, geeft de eerste Partij de tweede hiervan kennis op de wijze bepaald in de artikelen 8 en 9.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel neemt iedere Overeenkomstsluitende Partij de nodige maatregelen opdat iedere persoon die een vuurwapen dat zich op het grondgebied van deze Partij bevindt, verkoopt, overdraagt of anderszins afstaat, de bevoegde autoriteiten van deze Partij inlichtingen verschaft over deze transactie.
Artikel 6
Indien een vuurwapen dat zich bevindt op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij permanent en zonder dat het van eigenaar verandert, wordt overgebracht naar het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij, geeft de eerste Partij de tweede hiervan kennis op de wijze bepaald in de artikelen 8 en 9.
Artikel 7
De kennisgevingen bedoeld in de artikelen 5 en 6 worden eveneens gericht aan de Overeenkomstsluitende Partijen over het grondgebied waarvan een vuurwapen in doorvoer wordt gezonden indien de Staat van herkomst van dit wapen een dergelijke inlichting nuttig acht.
Artikel 8
De kennisgevingen bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 dienen zo snel mogelijk te geschieden. De Overeenkomstsluitende Partijen stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de kennisgeving aan de transactie of overdracht waarop zij betrekking heeft vooraf gaat, bij gebreke waarvan zij zo snel mogelijk daarna dient te geschieden.
De kennisgevingen bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 vermelden met name:
- a. de identiteit, het nummer van het paspoort of het persoonsbewijs en het adres van de persoon aan wie het desbetreffende vuurwapen wordt verkocht, overgedragen of anderszins afgestaan, of van de persoon die een vuurwapen permanent overbrengt naar het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij, zonder dat het van eigenaar verandert;
- b. het type, het merk en de bijzonderheden van het desbetreffende vuurwapen alsmede het nummer of enig ander onderscheidend kenmerk.
Artikel 9
De kennisgevingen bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 geschieden tussen de nationale autoriteiten die door de Overeenkomstsluitende Partijen worden aangewezen.
Eventueel kunnen de kennisgevingen overgebracht worden via de Internationale Politie Organisatie (Interpol).
Iedere Staat wijst op het tijdstip van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de autoriteit aan waaraan de kennisgevingen moeten worden gericht. Deze Staat geeft de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa onverwijld kennis van iedere latere wijziging in de identiteit van deze autoriteiten.
HOOFDSTUK III. Dubbele vergunning
Artikel 10
Iedere Overeenkomstsluitende Partij neemt maatregelen ten einde te verzekeren dat geen enkel vuurwapen dat zich op haar grondgebied bevindt zal worden verkocht, overgedragen of anderszins afgestaan aan een aldaar niet ingezeten persoon die niet vooraf vergunning daartoe heeft verkregen van de bevoegde autoriteiten van genoemde Overeenkomstsluitende Partij.
Deze vergunning wordt slechts verleend indien bovengenoemde bevoegde autoriteiten zich eerst ervan hebben verzekerd dat een vergunning inzake de desbetreffende transactie aan genoemde persoon is verleend door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waar deze persoon zijn gewone verblijfplaats heeft.
Indien deze persoon een vuurwapen in bezit neemt op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij waarop de transactie plaatsvindt, zal de vergunning bedoeld in het eerste lid, slechts worden verleend onder de bedingen en voorwaarden waaronder een vergunning zou zijn verleend voor een transactie tussen ingezetenen van de betrokken Overeenkomstsluitende Partij. Indien het vuurwapen onmiddellijk wordt uitgevoerd, zijn de autoriteiten bedoeld in het eerste lid slechts verplicht zich ervan te verzekeren dat de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waar de persoon zijn gewone verblijfplaats heeft vergunning hebben verleend voor deze transactie in het bijzonder of voor dergelijke transacties in het algemeen.
De vergunningen bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen worden vervangen door een internationale machtiging.
Artikel 11
Iedere Staat deelt op het tijdstip van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding mede, welke van zijn autoriteiten bevoegd is de vergunningen bedoeld in artikel 10, tweede lid, te verlenen. Deze Staat geeft de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa onverwijld kennis van iedere latere wijziging in de identiteit van deze autoriteiten.
HOOFDSTUK IV. Slotbepalingen
Artikel 12
Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa. Zij is onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
De Overeenkomst treedt in werking de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Ten aanzien van iedere ondertekenende Staat die de Overeenkomst daarna bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Artikel 13
Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere Staat die geen Lid is van de Raad van Europa uitnodigen toe te treden tot deze Overeenkomst. De beslissing betreffende deze uitnodiging wordt genomen overeenkomstig artikel 20, letter d, van het Statuut van de Raad van Europa en dient de eenstemmige goedkeuring te verkrijgen van de Lid-Staten van de Raad van Europa die Overeenkomstsluitende Partijen zijn bij deze Overeenkomst.
De toetreding geschiedt door de nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van een akte van toetreding die drie maanden na de datum van nederlegging van kracht wordt.
Artikel 14
ledere Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop deze Overeenkomst van toepassing is.
Iedere Staat kan bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de toepassing van deze Overeenkomst uitbreiden tot ieder ander in deze verklaring aan te wijzen grondgebied voor welks internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is of voor hetwelk hij bevoegd is verbintenissen aan te gaan.
Iedere krachtens het vorige lid gedane verklaring kan, wat ieder in deze verklaring aangewezen grondgebied betreft, worden ingetrokken door een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 15
Iedere Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren gebruik te maken van een of meer voorbehouden vermeld in Bijlage II bij deze Overeenkomst.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij die in overeenstemming met het voorafgaande lid een voorbehoud heeft gemaakt, kan dit voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring die van kracht wordt op de datum van ontvangst.
De Overeenkomstsluitende Partij die krachtens het eerste lid van dit artikel een voorbehoud heeft gemaakt, kan niet de toepassing verlangen door een andere Partij van de bepaling die het onderwerp vormt van het voorbehoud; zij kan evenwel, indien het een gedeeltelijk of voorwaardelijk voorbehoud betreft, de toepassing van die bepaling verlangen voor zover zij deze zelf heeft aanvaard.
Artikel 16
De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen slechts ter aanvulling van het bepaalde in deze Overeenkomst of ter bevordering van de toepassing van de beginselen die daarin zijn vervat, onderling bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten met betrekking tot de vraagstukken geregeld in deze Overeenkomst.
Indien echter twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen hun betrekkingen vestigen of hebben gevestigd op basis van een eenvormige wetgeving of van een bijzonder stelsel dat hun uitgebreidere verplichtingen oplegt, hebben deze Partijen het recht hun wederzijdse betrekkingen in deze te regelen door zich uitsluitend te baseren op deze stelsels niettegenstaande het bepaalde in deze Overeenkomst.
De Overeenkomstsluitende Partijen die overeenkomstig het tweede lid van dit artikel ophouden de bepalingen van deze Overeenkomst toe te passen op hun wederzijdse betrekkingen, richten hiertoe een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 17
De Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken van de Raad van Europa volgt de uitvoering van deze Overeenkomst en bevordert zoveel als nodig is de minnelijke regeling van ieder geschil waartoe de uitvoering van de Overeenkomst aanleiding zou kunnen geven.
De Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken kan in het licht van de technische, sociale en economische ontwikkeling voorstellen formuleren en voorleggen aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa ten einde de bepalingen van deze Overeenkomst te wijzigen of aan te vullen en met name om de inhoud van Bijlage I te wijzigen.
Artikel 18
In geval van oorlog of van andere buitengewone omstandigheden kan iedere Overeenkomstsluitende Partij regels vaststellen die tijdelijk afwijken van de bepalingen van deze Overeenkomst en onmiddellijk in werking treden. Zij geeft de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa onverwijld kennis van de afwijkingen en van de beëindiging daarvan.
Iedere Overeenkomstsluitende partij kan deze Overeenkomst opzeggen door een daartoe strekkende kennisgeving te richten aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 19
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de Lid-Staten van de Raad en iedere Staat die tot deze Overeenkomst is toegetreden kennis van:
- a. elke ondertekening;
- b. de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
- c. elke datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst overeenkomstig de artikelen 12 en 13;
- d. elke verklaring of kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 9, derde lid;
- e. elke verklaring of kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 11;
- f. elke verklaring of kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 14;
- g. elk voorbehoud gemaakt krachtens het bepaalde in artikel 15, eerste lid;
- h. de intrekking van elk voorbehoud krachtens het bepaalde in artikel 15, tweede lid;
- i. elke kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 16, derde lid, en betrekking hebbend op een eenvormige wetgeving of op een bijzonder stelsel;
- j. elke kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, alsmede de datum waarop de afwijkende regel is gemaakt of eindigt, al naar gelang het geval;
- k. elke kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 18, tweede lid, alsmede de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Strasbourg, this 28th day of June 1978, in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding States.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.