Europees Verdrag inzake de bescherming van slachtdieren
De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegende dat het wenselijk is te zorgen voor de bescherming van dieren die zijn bestemd voor de slacht;
Overwegende dat slachtmethoden waarbij de dieren zoveel mogelijk lijden en pijn worden bespaard, op uniforme wijze in hun landen moeten worden toegepast;
Overwegende dat vrees, angst, pijn en lijden van een dier bij het slachten van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van het vlees,
Zijn overeengekomen als volgt:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEGINSELEN
Artikel 1
Dit Verdrag is van toepassing op het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen en slachten van huisdieren, behorende tot de volgende soorten: eenhoevigen, herkauwers, varkens, konijnen en gevogelte.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
Slachthuis: Elke plaats die onder sanitaire controle staat en die is bestemd voor het beroepsmatig slachten van dieren voor het verkrijgen van vlees bestemd voor menselijke consumptie of voor het doden van dieren om andere redenen;
Verplaatsen: Het uitladen van dieren of het drijven van deze dieren van de losplaatsen, of van de stallen of hokken behorende bij het slachthuis naar de ruimten of plaatsen waar zij zullen worden geslacht;
Onderbrengen: Het houden en het op passende wijze verzorgen (water, voedsel, rust) van dieren in stallen, hokken of overdekte plaatsen bij het slachthuis voordat zij worden geslacht;
Fixeren: Het toepassen op een dier van iedere methode die in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag en die erop is gericht de bewegingen van het dier te beperken ten einde het bedwelmen en het slachten te vergemakkelijken;
Bedwelmen: Iedere methode die in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag die, bij toepassing op een dier, dit dier in een staat van bewusteloosheid brengt die aanhoudt tot het intreden van de dood. Bij het bedwelmen moet in ieder geval elk onnodig lijden van de dieren worden vermeden;
Slachten: Het doden van een dier na het kluisteren, bedwelmen en verbloeden, behoudens de uitzonderingen, bedoeld in hoofdstuk III van dit Verdrag.
Artikel 2
Iedere Verdragsluitende Partij neemt de maatregelen die nodig zijn voor een doeltreffende toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag belet de Verdragsluitende Partijen strengere voorschriften voor de bescherming van dieren in te voeren.
Iedere Verdragsluitende Partij zorgt ervoor dat het ontwerp, de bouw en de inrichting van de slachthuizen en het gebruik daarvan zodanig zijn dat overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag, de voorwaarden worden geschapen om opwinding, pijn en lijden van de dieren zoveel mogelijk te voorkomen.
Iedere Verdragsluitende Partij zorgt ervoor dat de dieren die in of buiten de slachthuizen worden geslacht, elke onnodige pijn of elk onnodig lijden wordt bespaard.
HOOFDSTUK II. HET AFLEVEREN VAN DE DIEREN OP DE SLACHTHUIZEN EN HET ONDERBRENGEN VAN DE DIEREN TOTDAT ZE WORDEN GESLACHT
Artikel 3
De dieren moeten zo spoedig mogelijk worden uitgeladen. Wanneer de dieren in de transportmiddelen moeten wachten, moeten zij beschermd zijn tegen extreme weersomstandigheden en moeten zij voldoende toevoer van verse lucht krijgen.
Het personeel dat is belast met het verplaatsen en onderbrengen van de dieren, moet de vereiste kennis en vaardigheden bezitten en voldoen aan de in dit Verdrag vermelde eisen.
Afdeling I. Het verplaatsen van de dieren binnen het slachthuisterrein
Artikel 4
Bij het uitladen en verplaatsen van de dieren dient zorgvuldig te werk te worden gegaan.
Voor het uitladen van de dieren moeten geschikte voorzieningen zoals bruggen, vlonders of loopplanken, worden gebruikt. Deze voorzieningen moeten een stroef loopvlak hebben en zonodig een bescherming aan de zijkanten. De bruggen, vlonders en loopplanken moeten zo weinig mogelijk hellen.
De dieren mogen niet worden bang gemaakt of opgewonden. Er dient in ieder geval voor te worden gezorgd dat de dieren niet omvallen en niet van de bruggen, vlonders of loopplanken afvallen. Het is verboden de dieren op te tillen aan de kop, de poten of de staart op een manier die bij hen pijn of lijden veroorzaakt.
Indien nodig moeten de dieren afzonderlijk worden verplaatst; indien de dieren door gangen moeten worden geleid, moeten deze gangen zo zijn geconstrueerd dat de dieren zich niet kunnen verwonden.
Artikel 5
Bij het verplaatsen van de dieren moet gebruik worden gemaakt van hun kuddeinstinct. Instrumenten bestemd om de dieren in een bepaalde richting te drijven, mogen alleen met dat doel worden gebruikt en uitsluitend voor korte ogenblikken. Het is met name verboden de dieren te slaan op of druk uit te oefenen op lichaamsdelen die bijzonder gevoelig zijn. Elektrische schokken mogen alleen worden toegepast bij runderen en varkens en mits de schokken niet langer dan twee seconden duren, er tussen de verschillende schokken voldoende tijdruimte wordt gelaten en de dieren over de nodige bewegingsvrijheid beschikken; de elektrische schokken mogen alleen worden toegepast op spieren die daarvoor geschikt zijn.
Het is verboden de staart van de dieren te verbrijzelen, om te draaien of te breken; ook is het verboden de dieren in de ogen te grijpen. Slaan en schoppen is niet toegestaan.
Kooien, manden of kisten waarin zich dieren bevinden, moeten zorgvuldig worden behandeld en mogen niet op de grond gegooid of gekanteld worden.
Dieren die worden afgeleverd in kooien, manden of kisten waarvan de bodem geperforeerd of buigzaam is, moeten bijzonder voorzichtig worden uitgeladen om te voorkomen dat de extremiteiten van de dieren worden verwond. Desnoods moeten de dieren afzonderlijk worden uitgeladen.
Artikel 6
De dieren mogen alleen naar de slachtruimten worden overgebracht indien zij onmiddellijk kunnen worden geslacht.
Indien de dieren niet onmiddellijk na hun aankomst worden geslacht, moeten zij worden ondergebracht.
Afdeling II. Het onderbrengen
Artikel 7
De dieren moeten worden beschermd tegen ongunstige weersomstandigheden. De slachthuizen moeten beschikken over voldoende stallen en hokken om de dieren te beschermen tegen slechte weersomstandigheden.
De vloer van de plaatsen waar de dieren worden uitgeladen, waarover zij worden verplaatst, waar zij moeten wachten of waar zij worden ondergebracht, mag niet glad zijn en moet kunnen worden gereinigd en gedesinfecteerd en vloeistoffen moeten volledig kunnen worden afgevoerd.
De slachthuizen moeten over overdekte ruimten beschikken met voer- en drinkbakken en voorzieningen voor het vastbinden van de dieren.
Dieren die de nacht in het slachthuis moeten doorbrengen, moeten worden ondergebracht en, indien nodig, worden vastgebonden op zodanige wijze dat zij kunnen gaan liggen.
Dieren die zich vanwege hun soort, geslacht, leeftijd of herkomst van nature onderling vijandig gedragen, moeten gescheiden worden gehouden.
Dieren die zijn vervoerd in kooien, manden of kisten, moeten zo spoedig mogelijk worden geslacht; zo niet dan moeten zij worden gedrenkt en gevoederd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.
Indien de dieren zijn blootgesteld aan hoge temperaturen bij vochtig weer, moet er voor afkoeling worden gezorgd.
Wanneer de weersomstandigheden zulks vereisen (bijvoorbeeld bij grote vochtigheid, lage temperaturen), moeten de dieren worden gestald. De stallen moeten zijn voorzien van goede ventilatie. Tijdens het voederen, moeten de stallen voldoende verlicht zijn.
Afdeling III. Verzorging
Artikel 8
De dieren moeten kunnen beschikken over water, tenzij zij zo spoedig mogelijk naar de slachtruimten worden gebracht.
Met uitzondering van dieren die worden geslacht binnen twaalf uur na aankomst, moeten de dieren matig en met passende tussenpozen worden gevoederd en gedrenkt.
Indien de dieren niet worden vastgebonden, moeten zij beschikken over voerbakken die het hun mogelijk maken ongestoord hun voer op te eten.
Artikel 9
De gezondheidstoestand van de dieren moet ten minste iedere ochtend en iedere avond worden gecontroleerd.
Zieke, verzwakte of gewonde dieren moeten onmiddellijk worden geslacht. Indien dit niet mogelijk is, moeten zij worden afgezonderd om zo spoedig mogelijk te worden geslacht.
Afdeling IV. Overige bepalingen
Artikel 10
Ten aanzien van rendieren kan iedere Verdragsluitende Partij afwijkingen toestaan van de bepalingen van hoofdstuk II van dit Verdrag.
Artikel 11
Iedere Verdragsluitende Partij kan bepalen dat de bepalingen van hoofdstuk II van dit Verdrag mutatis mutandis van toepassing zijn op het verplaatsen en het onderbrengen van dieren buiten de slachthuizen.
HOOFDSTUK III. HET SLACHTEN
Artikel 12
De dieren moeten vlak voordat zij worden geslacht, zo nodig worden gefixeerd en, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 17, volgens een passende methode worden bedwelmd.
Artikel 13
Bij het rituele slachten, moeten de runderen, voordat zij worden geslacht, worden gefixeerd met een toestel waarmede alle pijn, lijden en opwinding alsmede alle verwondingen of kneuzingen kunnen worden voorkomen.
Artikel 14
Het is verboden voor het fixeren van de dieren middelen te gebruiken die onnodig lijden veroorzaken, de achterpoten van de dieren vast te binden of de dieren op te hangen voordat zij worden bedwelmd dan wel in het geval van het rituele slachten, voordat het dier is verbloed. Het verbod om dieren op te hangen, geldt evenwel niet voor het slachten van gevogelte en konijnen, mits de bedwelming geschiedt onmiddellijk nadat zij zijn opgehangen.
Artikel 15
Met slachthandelingen anders dan die bedoeld in het tweede lid van artikel 1, mag eerst een begin worden gemaakt nadat het dier dood is.
Artikel 16
De door de Verdragsluitende Partijen toegestane methoden voor het bedwelmen, moeten het dier brengen in een staat van bewusteloosheid die aanhoudt totdat het wordt geslacht, en wel zodanig dat daarbij het dier in ieder geval ieder onnodig lijden wordt bespaard.
Het gebruik van de puntilla, de hamer of de slachtbijl is verboden.
Voor eenhoevigen, herkauwers en varkens zijn alleen de volgende methoden voor het bedwelmen toegestaan:
- -. toepassing van een instrument waarmede ter hoogte van de hersenen een slag wordt toegebracht of dat ter hoogte van de hersenen binnendringt;
- -. elektrische bedwelming;
- -. bedwelming door middel van gas.
Iedere Verdragsluitende Partij kan van het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel afwijkingen toestaan voor het slachten van een door de veehouder ter plaatse voor zijn persoonlijk gebruik opgefokt dier.
Artikel 17
Iedere Verdragsluitende Partij kan van de bepalingen betreffende het van tevoren bedwelmen afwijkingen toestaan in de volgende gevallen:
- -. bij het slachten volgens religieuze riten;
- -. bij noodslachting wanneer bedwelming niet mogelijk is;
- -. bij het slachten van gevogelte en konijnen volgens erkende methoden waarbij de dood onmiddellijk intreedt;
- -. bij het doden van dieren uit hygiënische overwegingen, indien bijzondere redenen zulks vereisen.
Iedere Verdragsluitende Partij die gebruik maakt van de afwijkingen bedoeld in het eerste lid van dit artikel, moet er evenwel op toezien dat bij het slachten of doden de dieren elke onnodige pijn of elk onnodig lijden wordt bespaard.
Artikel 18
Iedere Verdragsluitende Partij vergewist zich van de vaardigheden van de personen die beroepshalve dieren kluisteren, bedwelmen en slachten.
Iedere Verdragsluitende Partij zorgt ervoor dat de instrumenten, apparaten of installaties die nodig zijn voor fixeren en bedwelmen, voldoen aan de eisen van dit Verdrag.
Artikel 19
Iedere Verdragsluitende Partij die het slachten volgens religieuze riten toestaat, moet - voor zover zij zelf niet de vereiste goedkeuringen afgeeft - ervoor zorgen dat de rituele slachters zijn erkend door de desbetreffende religieuze genootschappen.
HOOFDSTUK IV. SLOTBEPALINGEN
Artikel 20
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa alsmede door de Europese Economische Gemeenschap. Het moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Dit Verdrag treedt in werking zes maanden na de datum waarop de vierde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van een Lid-Staat van de Raad van Europa is nedergelegd.
Ten aanzien van iedere ondergetekende Partij die het bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt na de datum, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, treedt het Verdrag in werking zes maanden na de datum van nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Artikel 21
Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, op de wijze die het wenselijk acht, iedere Staat die geen lid is van de Raad, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden.
Toetreding geschiedt door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van een akte van toetreding, die zes maanden na de datum van nederlegging van kracht wordt.
Artikel 22
Iedere Staat kan, bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het gebied of de gebieden aanwijzen waarop dit Verdrag van toepassing is.
Iedere Staat kan, bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander in de verklaring aangewezen gebied waarvan hij de internationale betrekkingen behartigt of waarvoor hij bevoegd is verbintenissen aan te gaan.
Iedere afgelegde verklaring overeenkomstig het voorgaande lid kan, met betrekking tot elk in die verklaring aangewezen gebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. Deze intrekking wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 23
Iedere Verdragsluitende Partij kan, wat haarzelf betreft, dit Verdrag opzeggen door een kennisgeving te richten aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 24
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft aan alle Lid-Staten van de Raad en aan iedere Verdragsluitende partij die geen lid van de Raad is, kennis van:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.