Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen

Type Verdrag
Publication 1990-09-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend,

Erkennend dat in de Lid-Staten van de Raad van Europa bij het geven van beslissingen inzake het gezag over kinderen het belang van het kind van doorslaggevende betekenis is;

Overwegend dat door het treffen van maatregelen ter vergemakkelijking van de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen de belangen van de kinderen beter zullen worden beschermd;

Het in verband met dat doel wenselijk achtend er met nadruk op te wijzen dat het bezoekrecht van de ouders het normale uitvloeisel is van het recht betreffende het gezag;

Wijzend op het groeiende aantal gevallen waarin kinderen ongeoorloofd een internationale grens zijn overgebracht en op de moeilijkheden die zich voordoen bij het zoeken naar een passende oplossing voor de problemen, die zich bij deze gevallen voordoen;

Verlangend passende bepalingen in te voeren waardoor het gezag over kinderen kan worden hersteld wanneer dit gezag eigenmachtig is onderbroken;

Overtuigd van de wenselijkheid daartoe maatregelen te nemen die aansluiten bij de verschillende behoeften en de verschillende omstandigheden;

Verlangend een juridische samenwerking tot stand te brengen tussen hun autoriteiten,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag, wordt verstaan onder:

TITEL I. Centrale autoriteiten

Artikel 2
1.

Iedere Verdragsluitende Staat wijst een centrale autoriteit aan die de in dit Verdrag bedoelde taken uitvoert.

2.

Federale Staten en Staten waarin verschillende rechtsstelsels van kracht zijn, kunnen verschillende centrale autoriteiten aanwijzen, waarvan zij de bevoegdheden bepalen.

3.

Iedere aanwijzing krachtens dit artikel moet ter kennis worden gebracht van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 3
1.

De centrale autoriteiten van de Verdragsluitende Staten moeten onderling samenwerken en samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van hun onderscheiden landen bevorderen. Zij moeten handelen met de nodige voortvarendheid.

2.

Ten einde de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, zullen de centrale autoriteiten van de Verdragsluitende Staten:

Artikel 4
1.

Een ieder die in een Verdragsluitende Staat een beslissing heeft verkregen betreffende het gezag over een kind en die wenst dat die beslissing in een andere Verdragsluitende Staat wordt erkend of ten uitvoer gelegd, kan een daartoe strekkend verzoek richten tot de centrale autoriteit van een Verdragsluitende Staat.

2.

Het verzoek moet zijn vergezeld van de in artikel 13 genoemde documenten.

3.

De centrale autoriteit waartoe het verzoek wordt gericht zendt, indien het een andere centrale autoriteit is dan die van de aangezochte Staat, de documenten rechtstreeks en onverwijld aan de centrale autoriteit van de aangezochte Staat.

4.

De centrale autoriteit waartoe het verzoek wordt gericht, kan haar tussenkomst weigeren wanneer duidelijk is dat aan de door dit Verdrag gestelde voorwaarden niet is voldaan.

5.

De centrale autoriteit waartoe het verzoek wordt gericht, deelt de verzoeker onverwijld mede welk gevolg aan zijn verzoek is gegeven.

Artikel 5
1.

De centrale autoriteit van de aangezochte Staat treft zo spoedig mogelijk alle maatregelen die zij geschikt acht of zorgt dat deze zo spoedig mogelijk worden getroffen, eventueel door het instellen van een procedure voor de bevoegde autoriteiten van die Staat, ten einde:

2.

Wanneer de centrale autoriteit van de aangezochte Staat redenen heeft aan te nemen dat het kind zich bevindt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat, zendt zij de documenten rechtstreeks en onverwijld aan de centrale autoriteit van die Staat.

3.

Iedere Verdragsluitende Staat verbindt zich van de verzoeker geen betaling te eisen voor maatregelen die ingevolge het eerste lid van dit artikel door de centrale autoriteit van die Staat ten behoeve van de verzoeker zijn genomen; onder deze bepaling vallen ook de proceskosten en, indien deze zijn gemaakt, de kosten veroorzaakt door bijstand van een advocaat, maar niet de kosten van teruggeleiding.

4.

Indien de erkenning of de tenuitvoerlegging wordt geweigerd en indien de centrale autoriteit van de aangezochte Staat meent gevolg te moeten geven aan een verzoek van de verzoeker om in die Staat een rechtsvordering ten principale aanhangig te maken, stelt deze autoriteit alles in het werk om ervoor te zorgen dat de verzoeker in die procedure wordt vertegenwoordigd onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke gelden voor iemand die woont in en onderdaan is van deze Staat en kan zij daartoe met name een procedure aanhangig maken voor de bevoegde autoriteiten van die Staat.

Artikel 6
1.

Behoudens bijzondere regelingen tussen de betrokken centrale autoriteiten en behoudens het derde lid van dit artikel:

2.

De mededelingen, afkomstig van de centrale autoriteit van de aangezochte Staat, met inbegrip van de resultaten van uitgevoerde onderzoeken, kunnen worden gesteld in de officiële taal of in een van de officiële talen van deze Staat dan wel in het Frans of het Engels.

3.

Iedere Verdragsluitende Staat kan het bepaalde in het eerste lid, letter b, van dit artikel, geheel of gedeeltelijk van toepassing uitsluiten. Wanneer een Verdragsluitende Staat dit voorbehoud heeft gemaakt, kan iedere andere Verdragsluitende Staat dit eveneens toepassen ten aanzien van die Staat.

TITEL II. Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en herstel van het gezag over kinderen

Artikel 7

De in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissingen inzake het gezag worden erkend en zijn, wanneer zij uitvoerbaar zijn in de Staat waar zij zijn gegeven, vatbaar voor tenuitvoerlegging in iedere andere Verdragsluitende Staat.

Artikel 8
1.

Bij ongeoorloofde overbrenging dient de centrale autoriteit van de aangezochte Staat ervoor te zorgen dat onmiddellijk maatregelen worden genomen tot teruggave van het kind;

2.

Indien, overeenkomstig het recht van de aangezochte Staat, niet kan worden voldaan aan de voorschriften van het eerste lid van dit artikel zonder tussenkomst van een rechterlijke autoriteit, is geen enkele van de in dit Verdrag voorziene weigeringsgronden in de procedure voor de rechter van toepassing.

3.

Indien tussen de persoon die het gezag over het kind heeft en een andere persoon een door een bevoegde autoriteit goedgekeurde regeling is tot stand gekomen, waarbij aan laatstbedoelde persoon een bezoekrecht is verleend, en indien het kind dat is meegenomen naar het buitenland na het verstrijken van de overeengekomen periode niet is teruggegeven aan de persoon die het gezag daarover heeft, wordt overgegaan tot herstel in de uitoefening van dit recht overeenkomstig het eerste lid, letter b, en het tweede lid van dit artikel. Hetzelfde geldt in geval van een beslissing van de bevoegde autoriteit, waarbij dit recht wordt toegekend aan een persoon die niet het gezag over het kind heeft.

Artikel 9
1.

In andere gevallen van ongeoorloofde overbrenging dan die bedoeld in artikel 8, en indien binnen zes maanden na de overbrenging een verzoek is ingediend bij een centrale autoriteit, kunnen de erkenning en de tenuitvoerlegging slechts worden geweigerd:

2.

Indien geen verzoek is ingediend bij een centrale autoriteit, is het bepaalde in het eerste lid van dit artikel eveneens van toepassing wanneer om de erkenning en de tenuitvoerlegging wordt verzocht binnen zes maanden na de ongeoorloofde overbrenging.

3.

In geen enkel geval mag een onderzoek worden ingesteld naar de juistheid van de buitenlandse beslissing.

Artikel 10
1.

In de andere gevallen dan die van de artikelen 8 en 9 kunnen de erkenning en de tenuitvoerlegging niet alleen op de gronden van artikel 9, maar bovendien op een van de volgende gronden worden geweigerd:

2.

In dezelfde gevallen kunnen de erkenningsprocedure alsmede de tenuitvoerleggingsprocedure op een van de volgende gronden worden geschorst:

Artikel 11
1.

Beslissingen inzake het bezoekrecht en bepalingen uit beslissingen inzake het gezag die betrekking hebben op het bezoekrecht, worden erkend en ten uitvoer gelegd onder dezelfde voorwaarden als de overige beslissingen inzake het gezag.

2.

De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat kan evenwel nadere regels vaststellen voor de verwezenlijking en de uitoefening van het bezoekrecht, met name rekening houdend met verplichtingen die de partijen daaromtrent op zich hebben genomen.

3.

Wanneer geen beslissing inzake het bezoekrecht is gegeven of wanneer de erkenning of de tenuitvoerlegging van de beslissing inzake het gezag is geweigerd, kan de centrale autoriteit van de aangezochte Staat haar bevoegde autoriteiten verzoeken een beslissing inzake het bezoekrecht te geven, indien de persoon die op dit recht aanspraak maakt, hierom verzoekt.

Artikel 12

Indien op het tijdstip waarop het kind een internationale grens wordt overgebracht, geen uitvoerbare beslissing inzake het gezag over het kind gegeven in een andere Verdragsluitende Staat voorhanden is, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op iedere latere beslissing inzake het gezag over dat kind waarbij de overbrenging ongeoorloofd wordt verklaard en die op verzoek van een belanghebbende in een Verdragsluitende Staat is gegeven.

TITEL III. Procedure

Artikel 13
1.

Het verzoek om erkenning of tenuitvoerlegging in een andere Verdragsluitende Staat van een beslissing inzake het gezag dient te worden vergezeld van:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.