Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen
De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend,
Erkennend dat in de Lid-Staten van de Raad van Europa bij het geven van beslissingen inzake het gezag over kinderen het belang van het kind van doorslaggevende betekenis is;
Overwegend dat door het treffen van maatregelen ter vergemakkelijking van de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen de belangen van de kinderen beter zullen worden beschermd;
Het in verband met dat doel wenselijk achtend er met nadruk op te wijzen dat het bezoekrecht van de ouders het normale uitvloeisel is van het recht betreffende het gezag;
Wijzend op het groeiende aantal gevallen waarin kinderen ongeoorloofd een internationale grens zijn overgebracht en op de moeilijkheden die zich voordoen bij het zoeken naar een passende oplossing voor de problemen, die zich bij deze gevallen voordoen;
Verlangend passende bepalingen in te voeren waardoor het gezag over kinderen kan worden hersteld wanneer dit gezag eigenmachtig is onderbroken;
Overtuigd van de wenselijkheid daartoe maatregelen te nemen die aansluiten bij de verschillende behoeften en de verschillende omstandigheden;
Verlangend een juridische samenwerking tot stand te brengen tussen hun autoriteiten,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag, wordt verstaan onder:
- a. kind: een persoon, ongeacht zijn nationaliteit, voor zover hij nog niet de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en niet het recht heeft zelf zijn verblijfplaats te bepalen volgens het recht van zijn gewone verblijfplaats, zijn nationale recht of het interne recht van de aangezochte Staat;
- b. autoriteit: iedere rechterlijke of administratieve autoriteit;
- c. beslissing inzake het gezag: iedere beslissing van een autoriteit voor zover deze betrekking heeft op de zorg voor de persoon van het kind, met inbegrip van het recht zijn verblijfplaats te bepalen, alsmede op het bezoekrecht;
- d. ongeoorloofde overbrenging: de overbrenging van een kind over een internationale grens in strijd met een beslissing inzake het gezag over dat kind, gegeven in een Verdragsluitende Staat en uitvoerbaar in een zodanige Staat; als ongeoorloofde overbrenging wordt tevens beschouwd:
- i. het niet doen terugkeren van een kind over een internationale grens na het verstrijken van de periode waarin het op dit kind betrekking hebbende bezoekrecht wordt uitgeoefend of na het verstrijken van ieder ander tijdelijk verblijf op een ander grondgebied dan dat waar het gezag wordt uitgeoefend;
- ii. een overbrenging die later ongeoorloofd wordt verklaard in de zin van artikel 12.
TITEL I. Centrale autoriteiten
Artikel 2
Iedere Verdragsluitende Staat wijst een centrale autoriteit aan die de in dit Verdrag bedoelde taken uitvoert.
Federale Staten en Staten waarin verschillende rechtsstelsels van kracht zijn, kunnen verschillende centrale autoriteiten aanwijzen, waarvan zij de bevoegdheden bepalen.
Iedere aanwijzing krachtens dit artikel moet ter kennis worden gebracht van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 3
De centrale autoriteiten van de Verdragsluitende Staten moeten onderling samenwerken en samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van hun onderscheiden landen bevorderen. Zij moeten handelen met de nodige voortvarendheid.
Ten einde de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, zullen de centrale autoriteiten van de Verdragsluitende Staten:
- a. er voor zorgen dat verzoeken om inlichtingen die afkomstig zijn van de bevoegde autoriteiten en die betrekking hebben op juridische of feitelijke gegevens betreffende lopende procedures, worden doorgegeven;
- b. elkaar, op verzoek, inlichtingen verschaffen betreffende hun recht inzake het gezag over kinderen en de ontwikkeling van dat recht;
- c. elkaar op de hoogte houden van de moeilijkheden die zich zouden kunnen voordoen bij de toepassing van het Verdrag en, voor zover mogelijk, trachten de belemmeringen voor de toepassing ervan weg te nemen.
Artikel 4
Een ieder die in een Verdragsluitende Staat een beslissing heeft verkregen betreffende het gezag over een kind en die wenst dat die beslissing in een andere Verdragsluitende Staat wordt erkend of ten uitvoer gelegd, kan een daartoe strekkend verzoek richten tot de centrale autoriteit van een Verdragsluitende Staat.
Het verzoek moet zijn vergezeld van de in artikel 13 genoemde documenten.
De centrale autoriteit waartoe het verzoek wordt gericht zendt, indien het een andere centrale autoriteit is dan die van de aangezochte Staat, de documenten rechtstreeks en onverwijld aan de centrale autoriteit van de aangezochte Staat.
De centrale autoriteit waartoe het verzoek wordt gericht, kan haar tussenkomst weigeren wanneer duidelijk is dat aan de door dit Verdrag gestelde voorwaarden niet is voldaan.
De centrale autoriteit waartoe het verzoek wordt gericht, deelt de verzoeker onverwijld mede welk gevolg aan zijn verzoek is gegeven.
Artikel 5
De centrale autoriteit van de aangezochte Staat treft zo spoedig mogelijk alle maatregelen die zij geschikt acht of zorgt dat deze zo spoedig mogelijk worden getroffen, eventueel door het instellen van een procedure voor de bevoegde autoriteiten van die Staat, ten einde:
- a. vast te stellen waar het kind zich bevindt;
- b. te voorkomen, met name door middel van de noodzakelijke voorlopige maatregelen, dat de belangen van het kind of van de verzoeker worden geschaad;
- c. de erkenning of de tenuitvoerlegging van de beslissing te verzekeren;
- d. te verzekeren dat het kind aan de verzoeker wordt teruggegeven wanneer de tenuitvoerlegging van de beslissing is toegestaan;
- e. de verzoekende autoriteit mede te delen welke maatregelen zijn genomen en welke de gevolgen daarvan zijn.
Wanneer de centrale autoriteit van de aangezochte Staat redenen heeft aan te nemen dat het kind zich bevindt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat, zendt zij de documenten rechtstreeks en onverwijld aan de centrale autoriteit van die Staat.
Iedere Verdragsluitende Staat verbindt zich van de verzoeker geen betaling te eisen voor maatregelen die ingevolge het eerste lid van dit artikel door de centrale autoriteit van die Staat ten behoeve van de verzoeker zijn genomen; onder deze bepaling vallen ook de proceskosten en, indien deze zijn gemaakt, de kosten veroorzaakt door bijstand van een advocaat, maar niet de kosten van teruggeleiding.
Indien de erkenning of de tenuitvoerlegging wordt geweigerd en indien de centrale autoriteit van de aangezochte Staat meent gevolg te moeten geven aan een verzoek van de verzoeker om in die Staat een rechtsvordering ten principale aanhangig te maken, stelt deze autoriteit alles in het werk om ervoor te zorgen dat de verzoeker in die procedure wordt vertegenwoordigd onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke gelden voor iemand die woont in en onderdaan is van deze Staat en kan zij daartoe met name een procedure aanhangig maken voor de bevoegde autoriteiten van die Staat.
Artikel 6
Behoudens bijzondere regelingen tussen de betrokken centrale autoriteiten en behoudens het derde lid van dit artikel:
- a. worden mededelingen aan de centrale autoriteit van de aangezochte Staat gesteld in de officiële taal of in een van de officiële talen van deze Staat dan wel gaan zij vergezeld van een vertaling in die taal;
- b. moet de centrale autoriteit van de aangezochte Staat toch mededelingen aanvaarden die zijn gesteld in de Franse of de Engelse taal dan wel zijn vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
De mededelingen, afkomstig van de centrale autoriteit van de aangezochte Staat, met inbegrip van de resultaten van uitgevoerde onderzoeken, kunnen worden gesteld in de officiële taal of in een van de officiële talen van deze Staat dan wel in het Frans of het Engels.
Iedere Verdragsluitende Staat kan het bepaalde in het eerste lid, letter b, van dit artikel, geheel of gedeeltelijk van toepassing uitsluiten. Wanneer een Verdragsluitende Staat dit voorbehoud heeft gemaakt, kan iedere andere Verdragsluitende Staat dit eveneens toepassen ten aanzien van die Staat.
TITEL II. Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en herstel van het gezag over kinderen
Artikel 7
De in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissingen inzake het gezag worden erkend en zijn, wanneer zij uitvoerbaar zijn in de Staat waar zij zijn gegeven, vatbaar voor tenuitvoerlegging in iedere andere Verdragsluitende Staat.
Artikel 8
Bij ongeoorloofde overbrenging dient de centrale autoriteit van de aangezochte Staat ervoor te zorgen dat onmiddellijk maatregelen worden genomen tot teruggave van het kind;
- a. wanneer, ten tijde van het aanhangig maken van het geding in de Staat waar de beslissing werd gegeven dan wel op het tijdstip van de ongeoorloofde overbrenging, indien deze eerder plaatsvond, het kind alsmede zijn ouders alleen van deze Staat de nationaliteit hadden en het kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die Staat had, en
- b. wanneer binnen zes maanden na de ongeoorloofde overbrenging een verzoek om teruggave is ingediend bij een centrale autoriteit.
Indien, overeenkomstig het recht van de aangezochte Staat, niet kan worden voldaan aan de voorschriften van het eerste lid van dit artikel zonder tussenkomst van een rechterlijke autoriteit, is geen enkele van de in dit Verdrag voorziene weigeringsgronden in de procedure voor de rechter van toepassing.
Indien tussen de persoon die het gezag over het kind heeft en een andere persoon een door een bevoegde autoriteit goedgekeurde regeling is tot stand gekomen, waarbij aan laatstbedoelde persoon een bezoekrecht is verleend, en indien het kind dat is meegenomen naar het buitenland na het verstrijken van de overeengekomen periode niet is teruggegeven aan de persoon die het gezag daarover heeft, wordt overgegaan tot herstel in de uitoefening van dit recht overeenkomstig het eerste lid, letter b, en het tweede lid van dit artikel. Hetzelfde geldt in geval van een beslissing van de bevoegde autoriteit, waarbij dit recht wordt toegekend aan een persoon die niet het gezag over het kind heeft.
Artikel 9
In andere gevallen van ongeoorloofde overbrenging dan die bedoeld in artikel 8, en indien binnen zes maanden na de overbrenging een verzoek is ingediend bij een centrale autoriteit, kunnen de erkenning en de tenuitvoerlegging slechts worden geweigerd:
- a. indien, bij een beslissing die was gegeven in afwezigheid van de verweerder of van zijn wettige vertegenwoordiger, het inleidend gedingstuk of een daarmee gelijkstaand stuk niet op regelmatige wijze en tijdig was betekend of ter kennis gebracht aan de verweerder, opdat deze zijn verweer kon voorbereiden; dit ontbreken van een betekening of een kennisgeving kan evenwel geen grond vormen voor weigering van de erkenning of van de tenuitvoerlegging wanneer de betekening of de kennisgeving niet heeft plaatsgevonden omdat de verweerder zijn verblijfplaats verborgen heeft gehouden voor de persoon die het geding aanhangig had gemaakt in de Staat waar de beslissing was gegeven;
- b. indien, bij een beslissing die was gegeven in afwezigheid van de verweerder of van zijn wettige vertegenwoordiger, de bevoegdheid van de autoriteit die de beslissing heeft gegeven, niet was gebaseerd:
- i. op de gewone verblijfplaats van de verweerder, of
- ii. op de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de ouders van het kind voor zover een van hen aldaar nog steeds zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- iii. op de gewone verblijfplaats van het kind;
- c. indien de beslissing onverenigbaar is met een beslissing inzake het gezag die in de aangezochte Staat uitvoerbaar is geworden vóór de overbrenging van het kind, tenzij het kind, gedurende een jaar voorafgaand aan zijn overbrenging, zijn gewone verblijfplaats heeft gehad op het grondgebied van de verzoekende Staat.
Indien geen verzoek is ingediend bij een centrale autoriteit, is het bepaalde in het eerste lid van dit artikel eveneens van toepassing wanneer om de erkenning en de tenuitvoerlegging wordt verzocht binnen zes maanden na de ongeoorloofde overbrenging.
In geen enkel geval mag een onderzoek worden ingesteld naar de juistheid van de buitenlandse beslissing.
Artikel 10
In de andere gevallen dan die van de artikelen 8 en 9 kunnen de erkenning en de tenuitvoerlegging niet alleen op de gronden van artikel 9, maar bovendien op een van de volgende gronden worden geweigerd:
- a. indien wordt vastgesteld dat de gevolgen van de beslissing kennelijk onverenigbaar zijn met de grondbeginselen van het familie- en kinderrecht van de aangezochte Staat;
- b. indien wordt vastgesteld dat door een verandering van omstandigheden - waaronder het verstrijken van de tijd, doch niet de enkele verandering van de verblijfplaats van het kind na een ongeoorloofde overbrenging zijn begrepen - de gevolgen van de in het buitenland gegeven beslissing kennelijk niet meer in overeenstemming zijn met het belang van het kind;
- c. indien, op het moment van het aanhangig maken van het geding in de Staat waar de beslissingen werden gegeven:
- i. het kind de nationaliteit van de aangezochte Staat had of zijn gewone verblijfplaats in die Staat had terwijl een zodanige band met de Staat waar de beslissing werd gegeven, niet aanwezig was;
- ii. het kind zowel de nationaliteit van de Staat waar de beslissing werd gegeven, als die van de aangezochte Staat had en zijn gewone verblijfplaats in de aangezochte Staat had;
- d. indien de beslissing onverenigbaar is met een beslissing hetzij gegeven in de aangezochte Staat, hetzij gegeven in een derde Staat en uitvoerbaar in de aangezochte Staat, na een procedure die aanhangig was gemaakt voordat het verzoek om erkenning of tenuitvoerlegging werd gedaan, en indien de weigering in het belang van het kind is.
In dezelfde gevallen kunnen de erkenningsprocedure alsmede de tenuitvoerleggingsprocedure op een van de volgende gronden worden geschorst:
- a. indien een gewoon rechtsmiddel tegen de in het buitenland gegeven beslissing is ingesteld;
- b. indien een procedure betreffende het gezag over het kind, aangevangen vóór de instelling van de procedure in de Staat waar de beslissing werd gegeven, in de aangezochte Staat aanhangig is;
- c. indien een andere beslissing betreffende het gezag over het kind het onderwerp vormt van een tenuitvoerleggingsprocedure of van enige andere procedure inzake de erkenning van die beslissing.
Artikel 11
Beslissingen inzake het bezoekrecht en bepalingen uit beslissingen inzake het gezag die betrekking hebben op het bezoekrecht, worden erkend en ten uitvoer gelegd onder dezelfde voorwaarden als de overige beslissingen inzake het gezag.
De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat kan evenwel nadere regels vaststellen voor de verwezenlijking en de uitoefening van het bezoekrecht, met name rekening houdend met verplichtingen die de partijen daaromtrent op zich hebben genomen.
Wanneer geen beslissing inzake het bezoekrecht is gegeven of wanneer de erkenning of de tenuitvoerlegging van de beslissing inzake het gezag is geweigerd, kan de centrale autoriteit van de aangezochte Staat haar bevoegde autoriteiten verzoeken een beslissing inzake het bezoekrecht te geven, indien de persoon die op dit recht aanspraak maakt, hierom verzoekt.
Artikel 12
Indien op het tijdstip waarop het kind een internationale grens wordt overgebracht, geen uitvoerbare beslissing inzake het gezag over het kind gegeven in een andere Verdragsluitende Staat voorhanden is, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op iedere latere beslissing inzake het gezag over dat kind waarbij de overbrenging ongeoorloofd wordt verklaard en die op verzoek van een belanghebbende in een Verdragsluitende Staat is gegeven.
TITEL III. Procedure
Artikel 13
Het verzoek om erkenning of tenuitvoerlegging in een andere Verdragsluitende Staat van een beslissing inzake het gezag dient te worden vergezeld van:
- a. een document waardoor de centrale autoriteit van de aangezochte Staat wordt gemachtigd op te treden namens de verzoeker of daartoe een andere vertegenwoordiger aan te wijzen;
- b. een afschrift van de beslissing dat aan de noodzakelijke waarborgen van echtheid voldoet;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.