Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM)

Type Verdrag
Publication 2013-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Beseffende, dat de kernenergie de voornaamste hulpbron vormt welke de ontwikkeling en de vernieuwing van de produktie zal verzekeren en de vooruitgang van de werken des vredes mogelijk zal maken,

Overtuigd, dat alleen een onverwijlde gemeenschappelijke inspanning de belofte inhoudt van een verwezenlijking die beantwoordt aan het scheppingsvermogen van hun landen,

Vastbesloten, de voorwaarden te scheppen tot ontwikkeling van een krachtige industrie op het gebied van de kernenergie als bron van ruime energievoorraden en van een modernisering der techniek, alsook van talrijke andere toepassingen welke zullen bijdragen tot het welzijn van hun volkeren,

Verlangende, veiligheidsvoorwaarden te scheppen, waardoor de gevaren voor het leven en de gezondheid van de bevolking worden afgewend,

Geleid door de wens, andere landen te betrekken in hun arbeid en samen te werken met de internationale organisaties die zich toeleggen op de vreedzame ontwikkeling van de atoomenergie,

Hebben besloten een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op te richten, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

de Heer PAUL-HENRI SPAAK, Minister van Buitenlandse Zaken;

J.CH. BARON SNOY ET D’OPPUERS, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken, Voorzitter van de Belgische delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie.

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Dr. KONRAD ADENAUER, Bondskanselier;

Prof. Dr. WALTER HALLSTEIN, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

De President van de Franse Republiek:

de Heer CHRISTIAN PINEAU, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer MAURICE FAURE, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

De President van de Italiaanse Republiek:

de Heer ANTONIO SEGNI, Voorzitter van de Raad van Ministers;

Prof. GAETANO MARTINO, Minister van Buitenlandse Zaken.

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:

de Heer JOSEPH BECH, Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer LAMBERT SCHAUS, Ambassadeur, Voorzitter van de Luxemburgse delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie.

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

de Heer JOSEPH LUNS, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer J. LINTHORST HOMAN, Voorzitter van de Nederlandse delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie;

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

TITEL EERSTE. TAKEN VAN DE GEMEENSCHAP

Artikel 1

De Hoge Verdragsluitende Partijen richten bij dit Verdrag tezamen een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op.

De Gemeenschap heeft tot taak, door het scheppen van de voorwaarden noodzakelijk voor de snelle totstandkoming en groei van de industrie op het gebied van de kernenergie, bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard in de Lid-Staten en de ontwikkeling van de betrekkingen met andere landen.

Artikel 2

Voor de vervulling van haar taak moet de Gemeenschap onder de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden:

Artikel 3

Vervallen

TITEL TWEEDE. BEPALINGEN TER BEVORDERING VAN DE VOORUITGANG OP HET GEBIED VAN DE KERNENERGIE

HOOFDSTUK I. Ontwikkeling van het onderzoek

Artikel 4
1.

De Commissie is er mede belast het onderzoek op het gebied van de kernenergie in de Lid-Staten te bevorderen en te vergemakkelijken en het aan te vullen door het ten uitvoer brengen van het onderzoek- en onderwijsprogramma van de Gemeenschap.

2.

In deze aangelegenheid is de Commissie werkzaam op het gebied, dat is bepaald in de lijst die als bijlage I aan dit Verdrag is gehecht.

Deze lijst kan door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie, die het in artikel 134 genoemde Wetenschappelijk en Technisch Comité raadpleegt.

Artikel 5

Ten einde de coördinatie van de in de Lid-Staten ondernomen onderzoekingen te bevorderen en om deze te kunnen aanvullen, nodigt de Commissie, hetzij door een aan een bepaalde geadresseerde gericht speciaal verzoek dat ter kennis wordt gebracht van de Lid-Staat waaronder de geadresseerde ressorteert, hetzij door een openbaargemaakt algemeen verzoek, de Lid-Staten, personen of ondernemingen uit, haar hun programma’s met betrekking tot de onderzoekingen die zij in haar verzoek omschrijft, mede te delen.

De Commissie kan, na aan de betrokkenen alle gelegenheid tot het maken van opmerkingen te hebben verleend, een met redenen omkleed advies uitbrengen over elk van de programma’s welke haar worden medegedeeld. Op verzoek van de Staat, van de persoon of van de onderneming die het programma heeft medegedeeld, is de Commissie gehouden een dergelijk advies uit te brengen.

Door deze adviezen raadt de Commissie nutteloos dubbel werk af en richt het onderzoek op de onvoldoende bestudeerde sectoren. De Commissie kan de programma’s niet publiceren zonder toestemming van de Staten, personen of ondernemingen die deze hebben medegedeeld.

De Commissie publiceert op gezette tijden een lijst van de sectoren van het onderzoek op het gebied van de kernenergie, die zij onvoldoende bestudeerd acht.

Ten einde te geraken tot wederzijds overleg en tot uitwisseling van inlichtingen kan de Commissie de vertegenwoordigers van de openbare en particuliere onderzoekcentra bijeenroepen, alsmede alle deskundigen die onderzoek verrichten op dezelfde of aanverwante gebieden.

Artikel 6

Ter bevordering van de uitvoering van de haar medegedeelde onderzoekprogramma’s kan de Commissie:

Artikel 7

Met eenparigheid van stemmen stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, welke het Wetenschappelijk en Technisch Comité raadpleegt, de onderzoek- en onderwijsprogramma’s van de Gemeenschap vast.

Deze programma’s worden opgesteld voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

De geldmiddelen nodig voor de uitvoering van die programma’s worden ieder jaar op de begroting voor onderzoek en investeringen van de Gemeenschap opgevoerd.

De Commissie zorgt voor de uitvoering van de programma’s en legt daaromtrent ieder jaar een verslag voor aan de Raad.

De Commissie houdt het Economisch en Sociaal Comité op de hoogte van de grote lijnen van de onderzoek- en onderwijsprogramma’s van de Gemeenschap.

Artikel 8
1.

Na raadpleging van het Wetenschappelijk en Technisch Comité richt de Commissie een Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie op.

Het Centrum draagt zorg voor de uitvoering van de onderzoekprogramma’s en van de overige taken, welke de Commissie aan het Centrum toevertrouwt.

Daarenboven zorgt het Centrum voor het vaststellen van een uniforme terminologie op het gebied van de kernenergie en voor één ijkstelsel.

Het richt een centraal bureau op voor metingen op het gebied van de kernenergie.

2.

De werkzaamheden van het Centrum kunnen om geografische of organisatorische redenen in afzonderlijke inrichtingen worden verricht.

Artikel 9
1.

Na advies van het Economisch en Sociaal Comité te hebben ingewonnen, kan de Commissie, in het kader van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie, scholen stichten voor de opleiding van specialisten, met name op het gebied van de opsporing van delfstoffen, de produktie van kernmateriaal van grote zuiverheid, de behandeling van bestraalde splijtstoffen, de techniek van de kernenergie, de bescherming van de gezondheid, de vervaardiging en het gebruik van radioactieve isotopen.

De Commissie regelt de wijze waarop het onderwijs wordt ingericht.

2.

Een instelling op universitair niveau wordt opgericht, waarvan de werkwijze door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zal worden bepaald.

Artikel 10

De Commissie kan bij contract de uitvoering van bepaalde delen van het onderzoekprogramma van de Gemeenschap toevertrouwen aan Lid-Staten, personen of ondernemingen, alsmede aan derde Staten, aan internationale organisaties of aan onderdanen van derde Staten.

Artikel 11

De Commissie publiceert de in de artikelen 7, 8 en 10 bedoelde onderzoekprogramma’s, alsmede periodieke verslagen over de stand van de uitvoering daarvan.

HOOFDSTUK II. Verspreiding van kennis

Afdeling I. - Kennis waarover de Gemeenschap beschikt

Artikel 12

De Lid-Staten, personen en ondernemingen hebben op hun tot de Commissie gericht verzoek het recht, niet-uitsluitende licenties op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, die eigendom der Gemeenschap zijn, te verkrijgen, voor zover zij in staat zijn de desbetreffende uitvindingen daadwerkelijk te exploiteren.

De Commissie moet onder dezelfde voorwaarden sub-licenties verlenen op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, wanneer de Gemeenschap krachtens een licentie-overeenkomst daartoe de bevoegdheid heeft.

Op voorwaarden, welke in onderlinge overeenstemming met de gegadigden worden vastgesteld, verleent de Commissie die licenties of sub-licenties en deelt zij alle voor de exploitatie daarvan noodzakelijke kennis mede. Die voorwaarden hebben met name betrekking op een passende vergoeding en eventueel op de bevoegdheid, toe te kennen aan de gegadigde, om aan derden sublicenties te verlenen evenals op de verplichting de medegedeelde kennis als fabrieksgeheim te behandelen.

Bij gebreke van overeenstemming over de vaststelling van de in de derde alinea bedoelde voorwaarden, kunnen de gegadigden zich wenden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie, ten einde passende voorwaarden te doen vaststellen.

Artikel 13

De Commissie moet aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen mededeling doen van door de Gemeenschap verkregen kennis, welke niet onder de bepalingen van artikel 12 valt, onverschillig of deze voortvloeit uit de uitvoering van haar onderzoekprogramma dan wel aan haar is medegedeeld met de bevoegdheid er vrijelijk over te beschikken.

De Commissie kan echter aan mededeling van deze kennis de voorwaarden verbinden, dat zij als vertrouwelijk moet worden beschouwd en niet aan derden mag worden doorgegeven.

De Commissie kan kennis welke zij heeft verkregen onder beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik en de verspreiding daarvan - zoals de zogenaamde geclassificeerde kennis - slechts mededelen indien zij de naleving van die voorwaarden waarborgt.

Afdeling II. - Andere kennis

a). Verspreiding langs minnelijke weg

Artikel 14

De Commissie beijvert zich langs minnelijke weg mededeling te verkrijgen of te doen verkrijgen van kennis, die van nut is voor het bereiken der doelstellingen van de Gemeenschap, en verlening van tot exploitatie strekkende licenties op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, die deze kennis tot onderwerp hebben.

Artikel 15

De Commissie stelt een procedure vast, volgens welke de Lid-Staten, personen en ondernemingen, door haar bemiddeling, de voorlopige of uiteindelijke resultaten van hun onderzoekingen kunnen uitwisselen, voor zover het niet betreft resultaten door de Gemeenschap verkregen krachtens door de Commissie verstrekte opdrachten tot onderzoek.

Deze procedure moet de vertrouwelijke aard van de uitwisseling waarborgen. De medegedeelde resultaten kunnen echter door de Commissie worden doorgegeven aan het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie voor documentatiedoeleinden, zonder dat dit doorgeven een gebruiksrecht tot gevolg heeft, waartoe hij, die de mededeling deed, geen toestemming heeft gegeven.

b). Ambtshalve mededeling aan de Commissie

Artikel 16
1.

Zodra een aanvrage om octrooi of om een gebruiksmodel waarvan het onderwerp valt binnen het specifiek kernenergetische terrein, bij een Lid-Staat wordt ingediend, vraagt deze Staat toestemming aan de aanvrager om de inhoud der aanvrage onmiddellijk aan de Commissie mede te delen.

Stemt de aanvrager daarin toe, dan wordt deze mededeling binnen drie maanden na indiening van de aanvrage gedaan. Bij gebreke van toestemming van de aanvrager geeft de Lid-Staat binnen dezelfde termijn van het bestaan der aanvrage kennis aan de Commissie.

De Commissie kan van de Lid-Staat mededeling verzoeken van de inhoud van een aanvrage, van het bestaan waarvan haar kennis is gegeven.

De Commissie dient haar verzoek in binnen twee maanden na de kennisgeving. Iedere verlenging van deze termijn heeft tot gevolg een gelijke verlenging van de termijn gesteld in de zesde alinea.

De Lid-Staat, die het verzoek van de Commissie ontvangt, is gehouden wederom toestemming aan de aanvrager te verzoeken om de inhoud van de aanvrage mede te delen. In geval van toestemming wordt deze mededeling zonder verwijl gedaan.

Bij gebreke van toestemming van de aanvrager is de Lid-Staat niettemin gehouden deze mededeling aan de Commissie te doen, achttien maanden na indiening van de aanvrage.

2.

De Lid-Staten zijn gehouden binnen achttien maanden na de indiening aan de Commissie mededeling te doen van het bestaan van elke aanvrage om octrooi of om een gebruiksmodel, welke nog niet is bekendgemaakt en waarvan zij na een eerste onderzoek menen, dat zij betrekking heeft op een onderwerp, dat zonder dat het binnen het specifiek kernenergetisch terrein valt, niettemin rechtstreeks verband houdt met en van overwegend belang is voor de ontwikkeling van de kernenergie binnen de Gemeenschap.

Op verzoek van de Commissie wordt haar de inhoud daarvan binnen twee maanden medegedeeld.

3.

De Lid-Staten zijn gehouden de duur van de procedure betreffende aanvragen om octrooi of om gebruiksmodellen, welke betrekking hebben op de in leden 1 en 2 bedoelde onderwerpen en ten aanzien waarvan de Commissie een verzoek heeft ingediend, zoveel mogelijk te verkorten, opdat de bekendmaking binnen de kortst mogelijke termijn kan geschieden.

4.

Bovengenoemde mededelingen moeten door de Commissie als vertrouwelijk worden beschouwd. Zij kunnen slechts worden gedaan voor documentatiedoeleinden. De Commissie kan de medegedeelde uitvindingen evenwel toepassen met toestemming van de aanvrager of overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 23.

5.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer een met een derde Staat of met een internationale organisatie gesloten akkoord zich tegen mededeling verzet.

c). Licentieverlening bij wege van arbitrage of ambtshalve

Artikel 17
1.

Bij gebreke van een minnelijke schikking kunnen niet-uitsluitende licenties worden verleend bij wege van arbitrage of ambtshalve, volgens de bepalingen van de artikelen 18 tot en met 23:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.