← Geldende tekst · Geschiedenis

Overeenkomst betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen

Geldende tekst a fecha 2005-10-20

De Algemene Conferentie van de UNESCO, de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur, tijdens de 33e zitting te Parijs van 3 tot en met 21 oktober 2005 bijeen,

Bevestigend dat culturele diversiteit inherent is aan de mensheid,

Zich ervan bewust dat de culturele diversiteit tot het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid behoort en tot ieders voordeel moet worden gekoesterd en bewaard,

In het besef dat culturele diversiteit een rijke, gevarieerde wereld creëert, die het aantal keuzes vergroot en menselijke capaciteiten en waarden bevordert, en dus een drijfveer is voor de duurzame ontwikkeling van gemeenschappen, volkeren en naties,

Eraan herinnerend dat culturele diversiteit, die zich in een kader van democratie, tolerantie, sociale gerechtigheid en wederzijds respect tussen volkeren en culturen kan ontplooien, een noodzakelijke voorwaarde is voor lokale, nationale en internationale vrede en veiligheid,

De nadruk leggend op het belang van culturele diversiteit voor de volledige verwezenlijking van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden die zijn afgekondigd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en in andere universeel erkende instrumenten,

Onderstrepend dat cultuur als strategisch element in het nationale en internationale ontwikkelingsbeleid en in de internationale ontwikkelingssamenwerking moet worden geïntegreerd, tevens rekening houdend met de Millenniumverklaring van de VN (2000) die de nadruk legt op de uitroeiing van de armoede,

Overwegend dat cultuur in de loop van de tijd en in de ruimte diverse vormen aanneemt en dat deze diversiteit tot uiting komt in de originaliteit en de pluraliteit van de identiteiten en de cultuuruitingen van de volkeren en de samenlevingen die samen de mensheid uitmaken,

Erkennend dat traditionele kennis als bron van immateriële en materiële rijkdom, en in het bijzonder de kennissystemen van autochtone volkeren, van groot belang zijn, een positieve bijdrage leveren tot duurzame ontwikkeling, en doelmatig moeten worden beschermd en bevorderd,

Erkennend dat er maatregelen moeten worden genomen om de diversiteit van cultuuruitingen, inclusief van hun inhoud, te beschermen, in het bijzonder in situaties waar cultuuruitingen mogelijk met verdwijning of ernstige aantasting worden bedreigd,

Onderstrepend dat cultuur van belang is voor de sociale cohesie in het algemeen, en in het bijzonder een bijdrage levert tot de verbetering van de status en de rol van de vrouw in de samenleving,

Zich ervan bewust dat culturele diversiteit wordt versterkt door het vrije verkeer van ideeën, en wordt gevoed door permanente uitwisselingen en wisselwerkingen tussen de culturen,

Nogmaals bevestigend dat de vrijheid van denken, meningsuiting en informatie, alsook de diversiteit van de media, het mogelijk maken dat cultuuruitingen zich in de samenlevingen ontplooien,

Erkennend dat de diversiteit van cultuuruitingen, en ook van traditionele cultuuruitingen, een belangrijke factor is waardoor individuen en volkeren zich kunnen uiten, en hun ideeën en waarden met anderen kunnen delen,

Eraan herinnerend dat taalkundige diversiteit een essentieel element van de culturele diversiteit is, en nogmaals bevestigend dat het onderwijs een fundamentele rol vervult in de bescherming en de bevordering van cultuuruitingen,

Overwegend dat de vitaliteit van de culturen voor iedereen van belang is, ook voor mensen die tot minderheden behoren en voor autochtone volkeren, zoals die tot uiting komt in hun vrijheid om hun traditionele cultuuruitingen te scheppen, te verspreiden en te distribueren, en er toegang toe te hebben zodat zij er voor hun eigen ontwikkeling voordeel uit kunnen halen,

Onderstrepend dat de wisselwerking tussen culturen en de culturele creativiteit een essentiële rol vervullen: zij voeden en vernieuwen cultuuruitingen en versterken de rol van wie ijvert voor de ontwikkeling van de cultuur voor de vooruitgang van de samenleving in haar geheel,

Erkennend dat intellectuele eigendomsrechten van belang zijn voor de ondersteuning van personen die cultureel creatief zijn,

Ervan overtuigd dat culturele activiteiten, goederen en diensten zowel een economisch als een cultureel aspect hebben omdat zij dragers zijn van identiteiten, waarden en betekenissen, en bijgevolg niet mogen worden behandeld alsof zij uitsluitend een commerciële waarde hebben,

Vaststellend dat de mondialiseringsprocessen, in de hand gewerkt door de snelle ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologieën, weliswaar nooit geziene omstandigheden scheppen voor een versterkte wisselwerking tussen de culturen, maar ook een uitdaging vormen voor de culturele diversiteit, met name wat de gevaren van ongelijkheid tussen rijke en arme landen betreft,

Zich bewust van het specifieke mandaat dat aan de UNESCO is toevertrouwd om het respect voor de diversiteit van de culturen te verzekeren en aanbevelingen te doen voor de internationale akkoorden die zij nuttig acht om het vrije verkeer van ideeën via woord en beeld te bevorderen,

Verwijzend naar de bepalingen van de door de UNESCO goedgekeurde internationale instrumenten in verband met culturele diversiteit en de uitoefening van culturele rechten, en in het bijzonder naar de Universele Verklaring betreffende culturele diversiteit van 2001,

Keurt op 20 oktober 2005 het onderhavige verdrag goed.

I. DOELSTELLINGEN EN LEIDENDE BEGINSELEN

Artikel 1. Doelstellingen

Dit verdrag heeft tot doel:

Artikel 2. Leidende beginselen
1.

Respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

2.

Soevereiniteit

3.

Gelijke waardigheid van en gelijk respect voor alle culturen

4.

Internationale solidariteit en samenwerking

5.

Complementariteit van de economische en culturele aspecten van ontwikkeling

6.

Duurzame ontwikkeling

7.

Billijke toegang

8.

Openheid en evenwicht

II. TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 3. Toepassingsgebied

Dit verdrag is van toepassing op de maatregelen en het beleid van de partijen met betrekking tot de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen.

III. DEFINITIES

Artikel 4. Definities

In dit verdrag worden de volgende definities gehanteerd:

1.

Culturele diversiteit

Onder „culturele diversiteit’’ wordt verstaan: de veelheid aan vormen waardoor de culturen van groepen en samenlevingen tot uiting komen. Deze uitingen worden binnen en tussen de groepen en samenlevingen overgebracht.

Culturele diversiteit komt niet alleen tot uiting in de uiteenlopende vormen waarin het cultureel erfgoed van de mensheid dankzij de diversiteit van cultuuruitingen wordt geopenbaard, verrijkt en overgebracht, maar, ongeacht de gebruikte middelen en technologieën, ook via de verschillende wijzen om cultuuruitingen te scheppen, te produceren, te verspreiden, te distribueren en te genieten.

2.

Culturele inhoud

Onder „culturele inhoud’’ wordt verstaan: de symbolische betekenis, de artistieke dimensie en de culturele waarden waaraan culturele identiteiten ten grondslag liggen of die deze tot uiting brengen.

3.

Cultuuruitingen

„Cultuuruitingen’’ zijn uitingen die het resultaat zijn van de creativiteit van individuen, groepen en samenlevingen, en die een culturele inhoud hebben.

4.

Culturele activiteiten, goederen en diensten

Onder „culturele activiteiten, goederen en diensten’’ wordt verstaan: activiteiten, goederen en diensten die gezien hun specifieke aard, aanwending of doel, vorm geven aan cultuuruitingen of deze overbrengen, ongeacht hun eventuele commerciële waarde. Culturele activiteiten kunnen een doel op zich zijn, maar kunnen ook bijdragen tot de productie van culturele goederen en diensten.

5.

Cultuurindustrie

Onder „cultuurindustrie’’ wordt verstaan: de industrie die culturele goederen of diensten zoals omschreven in punt 4 produceert of distribueert.

6.

Cultuurbeleid en culturele maatregelen

Onder „cultuurbeleid en culturele maatregelen’’ wordt verstaan: het beleid en de maatregelen op cultuurgebied op lokaal, nationaal, regionaal of internationaal niveau, ongeacht of deze op de eigenlijke cultuur zijn toegespitst, dan wel bedoeld zijn om een rechtstreekse uitwerking te hebben op cultuuruitingen van individuen, groepen of samenlevingen, inclusief op het scheppen, produceren, verspreiden en distribueren van culturele activiteiten, goederen en diensten, alsook op de toegang daartoe.

7.

Bescherming

Onder „bescherming’’ wordt verstaan: het nemen van maatregelen met het oog op het behoud, de vrijwaring en de versterking van de diversiteit van cultuuruitingen.

Onder „beschermen’’ wordt verstaan: dergelijke maatregelen nemen.

8.

Interculturaliteit

Onder „interculturaliteit’’ wordt verstaan: het bestaan van en de billijke wisselwerking tussen verschillende culturen, alsook de mogelijkheid om via dialoog en wederzijds respect tot gezamenlijke cultuuruitingen te komen.

IV. RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN DE PARTIJEN

Artikel 5. Algemene regel inzake rechten en verplichtingen
1.

Overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, de internationale rechtsbeginselen en de universeel erkende instrumenten op het gebied van de mensenrechten, bevestigen de partijen hun soevereine recht om hun cultuurbeleid te bepalen en uit te voeren, en om maatregelen te nemen ter bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen en ter versterking van de internationale samenwerking teneinde de doelstellingen van dit verdrag te verwezenlijken.

2.

Wanneer een partij een beleid uitvoert en maatregelen neemt om de diversiteit van cultuuruitingen op haar grondgebied te beschermen en te bevorderen, moeten haar beleid en maatregelen met dit verdrag in overeenstemming zijn.

Artikel 6. Rechten van de partijen op nationaal vlak
1.

Elke partij kan in het kader van haar in artikel 4, punt 6, beschreven cultuurbeleid en culturele maatregelen, en rekening houdend met de eigen omstandigheden en behoeften, maatregelen nemen ter bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen op haar grondgebied.

2.

Het kan daarbij gaan om:

Artikel 7. Maatregelen ter bevordering van cultuuruitingen
1.

De partijen streven ernaar om op hun grondgebied de omstandigheden te creëren die personen en maatschappelijke groepen ertoe aanzetten:

2.

De partijen streven er eveneens naar de belangrijke bijdrage te erkennen van kunstenaars en van al wie bij het scheppingsproces betrokken is, van culturele gemeenschappen en van organisaties die hen in hun werk steunen, alsook hun centrale rol die erin bestaat de diversiteit van cultuuruitingen te bevorderen.

Artikel 8. Maatregelen ter bescherming van cultuuruitingen
1.

Onverminderd de artikelen 5 en 6 kan een partij vaststellen dat zich speciale situaties voordoen waarin cultuuruitingen op haar grondgebied gevaar lopen te verdwijnen, ernstig bedreigd worden of op de ene of andere manier dringend moeten worden gevrijwaard.

2.

De partijen kunnen in de in lid 1 genoemde situaties alle nodige maatregelen nemen om cultuuruitingen in overeenstemming met dit verdrag te beschermen en te behouden.

3.

De partijen brengen bij het in artikel 23 bedoelde Intergouvernementeel Comité verslag uit over alle maatregelen die zijn genomen om de situatie te verhelpen, en het Comité kan passende aanbevelingen doen.

Artikel 9. Uitwisseling van informatie en transparantie

De partijen:

Artikel 10. Voorlichting en bewustmaking van het publiek

De partijen:

Artikel 11. Participatie van het maatschappelijk middenveld

De partijen erkennen de essentiële rol van het maatschappelijk middenveld in de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen. Zij moedigen het maatschappelijk middenveld ertoe aan actief te participeren in hun inspanningen om de doelstellingen van dit verdrag te verwezenlijken.

Artikel 12. Bevordering van de internationale samenwerking

De partijen streven ernaar hun bilaterale, regionale en internationale samenwerking te versterken om gunstige voorwaarden te scheppen voor de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, in het bijzonder rekening houdend met de in artikelen 8 en 17 vermelde situaties, met name teneinde:

Artikel 13. Integratie van cultuur in duurzame ontwikkeling

De partijen streven ernaar cultuur op alle niveaus in hun ontwikkelingsbeleid te integreren om gunstige voorwaarden voor duurzame ontwikkeling te scheppen, en in dat kader aspecten die verband houden met de bescherming en de bevordering van cultuuruitingen te stimuleren.

Artikel 14. Ontwikkelingssamenwerking

De partijen beijveren zich ervoor de samenwerking met het oog op duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding te steunen, in het bijzonder wat de specifieke behoeften van de ontwikkelingslanden betreft, teneinde onder meer met de volgende middelen het ontluiken van een dynamische culturele sector te bevorderen:

Artikel 15. Invulling van de samenwerking

De partijen stimuleren de ontwikkeling van partnerschappen tussen en in de overheidssector, de privé-sector en non-profitorganisaties, die tot doel hebben met ontwikkelingslanden samen te werken aan de versterking van hun capaciteit om de diversiteit van cultuuruitingen te beschermen en te bevorderen. Inspelend op de concrete behoeften van de ontwikkelingslanden zullen deze vernieuwende partnerschappen de nadruk leggen op de verdere ontwikkeling van infrastructuur, menselijk potentieel en beleidsmaatregelen, alsook op de uitwisseling van culturele activiteiten, goederen en diensten.

Artikel 16. Voorkeursbehandeling voor ontwikkelingslanden

De ontwikkelde landen bevorderen de culturele uitwisselingen met de ontwikkelingslanden door hun kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars, alsook hun culturele goederen en diensten door middel van een passend institutioneel en juridisch kader een voorkeursbehandeling te geven.

Artikel 17. Internationale samenwerking in geval van een ernstige bedreiging van cultuuruitingen

De partijen werken samen om elkaar, en in het bijzonder de ontwikkelingslanden, in de in artikel 8 bedoelde situaties bijstand te verlenen.

Artikel 18. Internationaal Fonds voor culturele diversiteit
1.

Er wordt een Internationaal Fonds voor culturele diversiteit opgericht, hierna „het fonds” te noemen.

2.

Het fonds bestaat uit deposito’s overeenkomstig het financieel reglement van de UNESCO.

3.

De middelen van het fonds omvatten:

4.

Het Intergouvernementeel Comité beslist over de aanwending van de middelen van het fonds op grond van de richtsnoeren van de in artikel 22 bedoelde Conferentie van de partijen.

5.

Het Intergouvernementeel Comité kan voor algemene of specifieke doelstellingen in verband met welomschreven projecten bijdragen en andere vormen van steun aanvaarden, op voorwaarde dat die projecten door het Intergouvernementeel Comité zijn goedgekeurd.

6.

Aan de bijdragen tot het fonds mogen geen politieke, economische of andere voorwaarden zijn verbonden die onverenigbaar zijn met de doelstellingen van dit verdrag.

7.

De partijen streven ernaar op gezette tijden vrijwillige bijdragen te storten voor de uitvoering van dit verdrag.

Artikel 19. Uitwisseling, analyse en verspreiding van informatie
1.

De partijen komen overeen informatie en deskundigheid met betrekking tot gegevensverzameling en statistieken op het gebied van de diversiteit van cultuuruitingen uit te wisselen, alsook met betrekking tot beste praktijken om deze diversiteit te beschermen en te bevorderen.

2.

Door gebruik te maken van de bestaande mechanismen van het secretariaat bevordert de UNESCO het verzamelen, de analyse en de verspreiding van alle informatie, statistieken en beste praktijken op dit gebied.

3.

Voorts creëert en actualiseert de UNESCO een gegevensbank over verschillende sectoren en gouvernementele, particuliere en non-profitorganisaties die actief zijn op het gebied van cultuuruitingen.

4.

Teneinde het verzamelen van de gegevens te bevorderen, besteedt de UNESCO bijzondere aandacht aan de versterking van de capaciteit en de deskundigheid van de partijen die op dat gebied om bijstand vragen.

5.

De in dit artikel beschreven verzameling van informatie vult de in artikel 9 bedoelde informatie aan.

V. VERHOUDING TOT ANDERE INSTRUMENTEN

Artikel 20. Verhouding tot andere instrumenten: wederzijdse steun, complementariteit en non-subordinatie
1.

De partijen erkennen dat zij hun verplichtingen krachtens dit en alle andere verdragen waarbij zij partij zijn, te goeder trouw moeten nakomen. Zonder dit verdrag aan andere verdragen ondergeschikt te maken,

2.

Niets in dit verdrag mag worden geïnterpreteerd als een wijziging van de rechten en verplichtingen van de partijen krachtens andere verdragen waarbij zij partij zijn.

Artikel 21. Overleg en coördinatie op internationaal niveau

De partijen verbinden zich ertoe de verwezenlijking van de doelstellingen en beginselen van dit verdrag op andere internationale fora te bevorderen. Daartoe plegen de partijen, indien nodig, overleg, daarbij deze doelstellingen en beginselen in gedachten houdend.

VI. ORGANEN VAN HET VERDRAG

Artikel 22. Conferentie van de partijen
1.

Er wordt een Conferentie van de partijen ingesteld. Deze Conferentie is het plenaire en hoogste orgaan van dit verdrag.

2.

De Conferentie van de partijen komt, voorzover mogelijk, om de twee jaar in gewone zitting bijeenin het kader van de Algemene Conferentie van de UNESCO. Zij kan in buitengewone zitting bijeenkomen wanneer zij daartoe beslist, of wanneer het Intergouvernementeel Comité daartoe van minstens een derde van de partijen een verzoek ontvangt.

3.

De Conferentie van de partijen stelt haar reglement van orde vast.

4.

De Conferentie van de partijen heeft onder meer de taak:

Artikel 23. Intergouvernementeel Comité
1.

Bij de UNESCO wordt een Intergouvernementeel Comité voor de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen ingesteld, hierna „het Intergouvernementeel Comité” te noemen. Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van 18 staten die partij zijn bij het verdrag. Zij worden, zodra dit verdrag overeenkomstig artikel 29 in werking treedt, voor vier jaar door de Conferentie van de partijen verkozen.

2.

Het Intergouvernementeel Comité komt één keer per jaar bijeen.

3.

Het Intergouvernementeel Comité staat onder toezicht en volgt de richtsnoeren van de Conferentie van de partijen, en is haar rekenschap verschuldigd.

4.

Het aantal leden van het Intergouvernementeel Comité wordt op 24 gebracht zodra er 50 partijen zijn bij het verdrag.

5.

De verkiezing van de leden van het Intergouvernementeel Comité is gebaseerd op de beginselen van een billijke geografische spreiding en roulering.

6.

Onverminderd de andere bevoegdheden die dit verdrag het Intergouvernementeel Comité verleent, heeft dat Comité de volgende taken:

7.

Overeenkomstig zijn reglement van orde kan het Intergouvernementeel Comité op elk ogenblik overheidsorganen, privé-organen of natuurlijke personen op zijn vergaderingen uitnodigen om hen over specifieke aangelegenheden te raadplegen.

8.

Het Intergouvernementeel Comité stelt zijn reglement van orde vast en legt het ter goedkeuring voor aan de Conferentie van de partijen.

Artikel 24. Secretariaat van de UNESCO
1.

De organen van het verdrag worden bijgestaan door het secretariaat van de UNESCO.

2.

Het secretariaat stelt de documentatie van de Conferentie van de partijen en van het Intergouvernementeel Comité samen, stelt de ontwerp-agenda van hun vergaderingen op, helpt hun beslissingen uit te voeren en brengt er verslag over uit.

VII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 25. Geschillenregeling
1.

Wanneer de partijen het oneens zijn over de interpretatie of de toepassing van dit verdrag, proberen zij door overleg een oplossing te vinden.

2.

Wanneer de betrokken partijen niet door overleg tot overeenstemming kunnen komen, kunnen zij in onderlinge overeenstemming een beroep doen op de bijstand of bemiddeling van een derde.

3.

Wanneer er geen bijstand is verleend of er geen bemiddeling heeft plaatsgevonden, of wanneer het geschil niet kon worden geregeld door overleg, bijstand of bemiddeling, kan één van de partijen een beroep doen op de verzoeningsprocedure in de bijlage bij dit verdrag. De partijen overwegen te goeder trouw het voorstel van de verzoeningscommissie voor de regeling van het geschil.

4.

Elke partij kan bij de bekrachtiging, de aanvaarding, de goedkeuring of de toetreding verklaren dat zij de hierboven vermelde verzoeningsprocedure niet erkent. Elke partij die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, kan die verklaring te allen tijde intrekken door middel van kennisgeving aan de directeur-generaal van de UNESCO.

Artikel 26. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding
1.

Dit verdrag is onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door de lidstaten van de UNESCO, overeenkomstig hun respectieve grondwettelijke procedures.

2.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden bij de directeur-generaal van de UNESCO nedergelegd.

Artikel 27. Toetreding
1.

Tot dit verdrag kunnen staten toetreden die geen lid zijn van de UNESCO, maar wel van de Verenigde Naties of van één van haar gespecialiseerde instellingen, en die door de Algemene Conferentie van de UNESCO tot toetreding worden uitgenodigd.

2.

Tot dit verdrag kunnen eveneens gebieden toetreden die een door de Verenigde Naties als dusdanig erkende volledige interne autonomie genieten, maar niet volledig onafhankelijk zijn overeenkomstig Resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn voor de aangelegenheden die in dit verdrag worden geregeld, alsook om over deze aangelegenheden verdragen te sluiten.

3.

De volgende bepalingen zijn van toepassing op de organisaties voor regionale economische integratie:

4.

De akte van toetreding wordt bij de directeur-generaal van de UNESCO nedergelegd.

Artikel 28. Contactpunt

Elke partij die lid wordt bij dit verdrag wijst een contactpunt aan als bedoeld in artikel 9.

Artikel 29. Inwerkingtreding
1.

Dit verdrag treedt in werking drie maanden na de datum waarop de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd, maar uitsluitend ten aanzien van de staten en organisaties voor regionale economische integratie die hun respectieve akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding op die datum of eerder hebben nedergelegd. Voor alle andere partijen treedt het verdrag in werking drie maanden na de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een akte die door een organisatie voor regionale economische integratie wordt nedergelegd niet beschouwd als een bijkomende akte naast de akten die haar lidstaten reeds hebben nedergelegd.

Artikel 30. Federale of niet-unitaire grondwettelijke stelsels

Erkennende dat de internationale overeenkomsten de partijen, ongeacht hun grondwettelijke stelsels, verbinden, gelden de onderstaande bepalingen voor de partijen met een federaal of niet-unitair grondwettelijk stelsel:

Artikel 31. Opzegging
1.

Elk van de partijen kan dit verdrag opzeggen.

2.

Kennisgeving van de opzegging gebeurt door nederlegging van een schriftelijk instrument bij de directeur-generaal van de UNESCO.

3.

De opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de akte van opzegging. Zij wijzigt geenszins de financiële verplichtingen, die de opzeggende partij dient na te komen tot de datum waarop de opzegging van kracht wordt.

Artikel 32. Taken van de depositaris

In zijn hoedanigheid van depositaris van dit verdrag licht de directeur-generaal van de UNESCO de lidstaten van de organisatie, de in artikel 27 bedoelde niet-lidstaten en organisaties voor regionale economische integratie, alsook de Verenigde Naties, in over de nederlegging van alle in artikelen 26 en 27 bedoelde akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, en over de in artikel 31 bedoelde opzeggingen.

Artikel 33. Amendementen
1.

Elke partij kan bij schriftelijke mededeling aan de directeur-generaal amendementen op dit verdrag voorstellen. De directeur-generaal doet deze mededeling aan alle partijen toekomen. Indien, binnen zes maanden na de datum waarop de mededeling is toegestuurd, minstens de helft van de partijen een gunstig antwoord heeft gegeven, presenteert de directeur-generaal dit voorstel ter bespreking en eventuele aanneming op de volgende zitting van de Conferentie van de partijen.

2.

De amendementen worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde partijen.

3.

Wanneer de amendementen op dit verdrag zijn aangenomen, worden zij ter aanvaarding, instemming, goedkeuring of toetreding aan de partijen voorgelegd.

4.

Voor de partijen die de amendementen op dit verdrag hebben bekrachtigd, ze hebben aanvaard, ze hebben goedgekeurd of ertoe zijn toegetreden, treden deze amendementen in werking drie maanden na de nederlegging van de in lid 3 van dit artikel bedoelde akten door twee derden van de partijen. Vervolgens treedt dat amendement voor elke partij die het bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt in werking drie maanden na de nederlegging door de partij van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

5.

De in de leden 3 en 4 vastgestelde procedure is niet van toepassing op de amendementen op artikel 23 betreffende het aantal leden van het Intergouvernementeel Comité.

Deze amendementen treden in werking op het ogenblik van hun aanneming.

6.

Een in artikel 27 bedoelde staat of organisatie voor regionale economische integratie die partij wordt bij dit verdrag na de inwerkingtreding van amendementen conform lid 4 van dit artikel, wordt, indien geen blijk werd gegeven van een andere intentie, geacht:

Artikel 34. Authentieke teksten

Dit verdrag is opgesteld in het Arabisch, het Chinees, het Engels, het Frans, het Russisch en het Spaans. De zes teksten zijn gelijkelijk authentiek.

Artikel 35. Registratie

Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties wordt dit verdrag op verzoek van de directeur-generaal van de UNESCO geregistreerd bij het secretariaat van de Verenigde Naties.

Artikel 1. Verzoeningscommissie

Op verzoek van één van de partijen bij het geschil wordt een verzoeningscommissie opgericht. Tenzij de partijen er anders over beslissen, is de commissie samengesteld uit vijf leden: elke betrokken partij wijst twee leden aan, en de voorzitter wordt door de aldus aangewezen leden in onderlinge overeenstemming gekozen.

Artikel 2. Leden van de commissie

Bij een geschil tussen meer dan twee partijen wijzen de partijen met dezelfde belangen hun leden van de commissie in onderlinge overeenstemming aan. Wanneer minstens twee partijen onafhankelijke belangen hebben of het er niet over eens zijn of zij dezelfde belangen hebben, wijzen zij hun leden afzonderlijk aan.

Artikel 3. Aanwijzing

Wanneer de partijen twee maanden na het verzoek tot oprichting van een verzoeningscommissie niet alle leden hebben aangewezen, wijst de directeur-generaal van de UNESCO op vraag van de partij die het verzoek heeft ingediend binnen een nieuwe termijn van twee maanden alle leden van de commissie aan die niet door de partijen zijn aangewezen.

Artikel 4. Voorzitter van de commissie

Wanneer de leden van de commissie binnen een termijn van twee maanden na de aanwijzing van het laatste lid van de commissie geen voorzitter hebben gekozen, wijst de directeur-generaal van de UNESCO op verzoek van een partij binnen een nieuwe termijn van twee maanden de voorzitter aan.

Artikel 5. Beslissingen

De verzoeningscommissie neemt haar beslissingen met de meerderheid van de stemmen van haar leden. Tenzij de partijen bij het geschil daar anders over beschikken, stelt zij haar eigen procedure vast. Zij doet een voorstel voor een oplossing van het geschil, dat de partijen te goeder trouw overwegen.

Artikel 6. Onenigheden

Bij onenigheid over de bevoegdheid van de verzoeningscommissie, beslist deze laatste of zij al dan niet bevoegd is.