Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika

Type Verdrag
Publication 2010-02-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika,

verlangend de samenwerking tussen de Verenigde Staten van Amerika en de lidstaten van de Europese Unie verder te vergemakkelijken;

verlangend de criminaliteit doeltreffender te bestrijden teneinde hun respectieve democratische samenlevingen en gemeenschappelijke waarden te beschermen;

met inachtneming van de rechten van het individu en de rechtsstaat;

indachtig de waarborgen die hun respectieve rechtsstelsels bieden inzake het recht van een uitgeleverde persoon op een eerlijk proces, waaronder het recht te worden gevonnist door een onpartijdig gerecht dat is ingesteld bij wet;

verlangende een verdrag te sluiten betreffende de uitlevering van plegers van strafbare feiten,

hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel 1. Onderwerp en doel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst bestaande betrekkingen tussen de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika inzake de samenwerking bij uitlevering van plegers van strafbare feiten te verbeteren.

Artikel 2. Definities
1.

Onder „overeenkomstsluitende partijen” wordt verstaan: de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika.

2.

Onder „lidstaat” wordt verstaan: een lidstaat van de Europese Unie.

3.

Onder „ministerie van Justitie” wordt verstaan: voor de Verenigde Staten van Amerika het „Department of Justice” van de Verenigde Staten, en voor een lidstaat, zijn ministerie van Justitie, met dien verstande dat voor een lidstaat waar de in de artikelen 3, 5, 6, 8 en 12 omschreven taken door de procureur-generaal worden vervuld, die autoriteit mag worden aangewezen om zodanige taken in plaats van het ministerie van Justitie uit te voeren in overeenstemming met artikel 19, tenzij de Verenigde Staten en de betrokken lidstaat overeenkomen om een andere autoriteit aan te wijzen.

Artikel 3. Reikwijdte van de overeenkomst in verhouding tot bilaterale uitleveringsverdragen met lidstaten
1.

De Europese Unie, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie, en de Verenigde Staten van Amerika waarborgen dat deze overeenkomst in samenhang met bilaterale uitleveringsverdragen die tussen de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst gelden, op de volgende wijze wordt toegepast:

3.

Indien de in lid 2, onder b), bedoelde procedure niet vóór de datum van toetreding is voltooid, zijn de bepalingen van deze overeenkomst van toepassing in de betrekkingen tussen de betrokken nieuwe lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika met ingang van de datum waarop zij elkaar en de Europese Unie in kennis hebben gesteld van de voltooiing van hun interne procedures die daartoe moeten leiden.

Artikel 4. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden
1.

Tot uitlevering kunnen leiden, feiten die krachtens de wetten van de verzoekende en de aangezochte staat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van meer dan een jaar of met een strengere straf. Tot uitlevering kunnen eveneens leiden, poging of samenspanning tot, dan wel deelneming aan het plegen van een strafbaar feit dat tot uitlevering kan leiden. Indien het verzoek strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnis waarbij een persoon die veroordeeld is voor een feit dat tot uitlevering kan leiden, dient het gedeelte van de vrijheidsstraf dat nog niet is ondergaan, ten minste vier maanden te bedragen.

2.

Indien uitlevering is toegestaan voor een feit dat tot uitlevering kan leiden, wordt zij tevens toegestaan voor elk ander in het verzoek genoemd strafbaar feit, indien laatstbedoeld feit strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van een jaar of minder, mits aan alle andere voorwaarden voor uitlevering is voldaan.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een feit beschouwd als een feit dat tot uitlevering kan leiden:

4.

Indien het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende staat is begaan, wordt uitlevering, behoudens de andere toepasselijke voorwaarden voor uitlevering, toegestaan indien de wetten van de aangezochte staat voorzien in de bestraffing van een strafbaar feit dat in soortgelijke omstandigheden buiten zijn grondgebied is gepleegd. Indien de wetten van de aangezochte staat niet voorzien in de bestraffing van een strafbaar feit dat in soortgelijke omstandigheden buiten zijn grondgebied is gepleegd, kan de uitvoerende autoriteit van de aangezochte staat uitlevering naar eigen inzicht toestaan, mits aan alle andere toepasselijke voorwaarden voor uitlevering is voldaan.

Artikel 5. Toezending en waarmerking van stukken
1.

Verzoeken tot uitlevering en stukken tot staving daarvan worden langs diplomatieke weg toegezonden, daaronder begrepen toezending zoals bepaald in artikel 7.

2.

Stukken die voorzien zijn van het waarmerk of het zegel van het ministerie van Justitie of het ministerie of department dat verantwoordelijk is voor buitenlandse zaken van de verzoekende staat zijn zonder nadere certificering, waarmerking of andere vorm van legalisering toelaatbaar in uitleveringsprocedures in de aangezochte staat.

Artikel 6. Toezending van verzoeken om voorlopige aanhouding

Verzoeken tot voorlopige aanhouding kunnen rechtstreeks tussen de ministeries van Justitie van de verzoekende en de aangezochte staat worden gedaan, in plaats van langs diplomatieke weg. Voor de toezending van verzoeken kan ook gebruik worden gemaakt van de diensten van de Internationale Criminele Politie-Organisatie (Interpol).

Artikel 7. Toezending van stukken na voorlopige aanhouding
1.

Indien de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht, door de aangezochte staat voorlopig is aangehouden, kan de verzoekende staat voldoen aan de verplichting om zijn uitleveringsverzoek en de stukken tot staving daarvan langs diplomatieke weg overeenkomstig artikel 5, lid 1, toe te zenden door in de verzoekende staat het verzoek en de stukken over te leggen aan de ambassade van de aangezochte staat. In dat geval wordt met het oog op de termijn die uit hoofde van het toepasselijke uitleveringsverdrag in acht moet worden genomen om de persoon in hechtenis te kunnen houden, de datum van ontvangst van het verzoek door de ambassade beschouwd als de datum van ontvangst ervan door de aangezochte staat.

2.

Indien een lidstaat op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst, ten gevolge van vaste jurisprudentie van zijn op die datum toepasselijke interne rechtssysteem, de in lid 1 bedoelde maatregelen niet kan nemen, is dit artikel niet op hem van toepassing zolang die lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika niet in een diplomatieke-notawisseling anderszins overeenkomen.

Artikel 8. Aanvullende informatie
1.

Indien de aangezochte staat van oordeel is dat de gegevens die tot staving van het verzoek tot uitlevering zijn verstrekt, ontoereikend zijn om aan de voorwaarden van het toepasselijke uitleveringsverdrag te voldoen, kan de aangezochte staat van de verzoekende staat verlangen dat hij binnen een redelijke, door hem aan te geven termijn aanvullende inlichtingen verstrekt.

2.

Dergelijke aanvullende inlichtingen kunnen rechtstreeks worden gevraagd en uitgewisseld tussen de ministeries van Justitie van de betrokken staten.

Artikel 9. Tijdelijke overlevering
1.

Indien een verzoek tot uitlevering wordt ingewilligd ten aanzien van een persoon die in de aangezochte staat wordt vervolgd of een straf ondergaat, kan de aangezochte staat de opgeëiste persoon met het oog op vervolging tijdelijk aan de verzoekende staat overleveren.

2.

De aldus overgeleverde persoon wordt in de verzoekende staat in hechtenis gehouden en wordt bij het afsluiten van de gerechtelijke behandeling van zijn zaak teruggezonden naar de aangezochte staat overeenkomstig in onderling overleg tussen de verzoekende en de aangezochte staat vast te stellen voorwaarden. De tijd die op het grondgebied van de verzoekende staat in hechtenis is doorgebracht in afwachting van vervolging in de verzoekende staat kan in mindering worden gebracht op de straf die nog moet worden ondergaan in de aangezochte staat.

Artikel 10. Samenloop van verzoeken tot uitlevering of overlevering
1.

Indien de aangezochte staat van de verzoekende staat en van een andere staat of andere staten een verzoek tot uitlevering van dezelfde persoon ontvangt, hetzij voor hetzelfde feit hetzij voor andere feiten, beslist de uitvoerende autoriteit van de aangezochte staat of en aan welke staat betrokkene wordt overgeleverd.

2.

Indien een aangezochte lidstaat voor dezelfde persoon een verzoek tot uitlevering van de Verenigde Staten van Amerika en een verzoek tot overlevering krachtens het Europees aanhoudingsbevel ontvangt, beslist de uitvoerende autoriteit van de aangezochte lidstaat of en aan welke staat betrokkene wordt overgeleverd. Hiertoe is de bevoegde autoriteit de uitvoerende autoriteit van de aangezochte lidstaat indien krachtens het tussen de lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika geldende bilateraal uitleveringsverdrag besluiten over samenlopende verzoeken door die autoriteit worden genomen; indien het bilateraal uitleveringsverdrag dat niet bepaalt, wordt de bevoegde autoriteit door de betrokken lidstaat aangewezen krachtens artikel 19.

3.

Bij zijn beslissing krachtens de leden 1 en 2 houdt de aangezochte staat rekening met alle relevante factoren waaronder, zij het niet uitsluitend, de factoren die reeds in het toepasselijke uitleveringsverdrag zijn gespecificeerd, en, bij ontstentenis van dergelijke gespecificeerde factoren, met:

Artikel 11. Verkorte uitleveringsprocedures

Indien de gezochte persoon ermee instemt dat hij wordt overgeleverd aan de verzoekende staat, kan de aangezochte staat, in overeenstemming met de beginselen en procedures van zijn rechtssysteem, de betrokkene zonder verdere procedures zo snel mogelijk overleveren. De instemming van de gezochte persoon kan afstand van bescherming door het specialiteitsbeginsel inhouden.

Artikel 12. Doortocht
1.

Een lidstaat kan toestemming geven tot vervoer over zijn grondgebied van een door een derde staat aan de Verenigde Staten van Amerika of van een door de Verenigde Staten van Amerika aan een derde staat overgeleverde persoon. De Verenigde Staten van Amerika kunnen toestemming geven tot vervoer over hun grondgebied van een door een derde staat aan een lidstaat of van een door een lidstaat aan een derde staat overgeleverde persoon.

2.

Een verzoek tot doortocht wordt langs diplomatieke weg of rechtstreeks tussen het „Department of Justice” van de Verenigde Staten van Amerika en het ministerie van Justitie van de betrokken lidstaat gedaan. Voor de toezending van zodanig verzoek kan ook gebruik worden gemaakt van de diensten van Interpol. Het verzoek bevat een beschrijving van de te vervoeren persoon en een korte feitelijke uiteenzetting van de zaak. Een persoon in doortocht wordt tijdens de doortocht in hechtenis gehouden.

3.

Toestemming is niet vereist wanneer de betrokkene door de lucht wordt vervoerd en geen tussenlanding is voorzien op het grondgebied van de staat van doortocht. Wanneer een onvoorziene tussenlanding plaatsvindt, kan de staat waar dit gebeurt een verzoek tot doortocht overeenkomstig het bepaalde onder lid 2 verlangen. Alle nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de vervoerde persoon zich onttrekt aan de doorvoer voordat deze wordt uitgevoerd, mits het verzoek tot doortocht binnen een termijn van 96 uren na de onvoorziene tussenlanding wordt ontvangen.

Artikel 13. Doodstraf

Wanneer op een strafbaar feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd naar het recht van de verzoekende staat doch niet naar het recht van de aangezochte staat de doodstraf is gesteld, kan de aangezochte staat aan de uitlevering de voorwaarde verbinden dat de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon wordt opgelegd of, indien de verzoekende staat om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan voldoen, de voorwaarde dat de doodstraf, indien deze wordt opgelegd, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Indien de verzoekende staat instemt met de uitlevering op de in dit artikel genoemde voorwaarden, moet hij die voorwaarden naleven. Indien de verzoekende staat de voorwaarden niet aanvaardt, kan het uitleveringsverzoek worden geweigerd.

Artikel 14. Gevoelige informatie in een verzoek

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.