Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika
De Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika,
verlangend de samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika verder te vergemakkelijken;
verlangend de criminaliteit doeltreffender te bestrijden teneinde hun democratische samenlevingen en gemeenschappelijke waarden te beschermen;
met inachtneming van de rechten van het individu en de rechtsstaat;
indachtig de waarborgen die hun respectieve rechtsstelsels bieden inzake het recht van een verdachte op een eerlijk proces, waaronder het recht te worden gevonnist door een onpartijdig gerecht, dat is ingesteld bij de wet;
vanuit de wens een verdrag betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken te sluiten,
hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:
Artikel 1. Onderwerp en doel
De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst de samenwerking en wederzijdse rechtshulp te verbeteren.
Artikel 2. Definities
Onder „overeenkomstsluitende partijen” wordt verstaan: de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika.
Onder „lidstaat” wordt verstaan: een lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 3. Reikwijdte van deze overeenkomst met betrekking tot bilaterale rechtshulpverdragen met lidstaten en bij gebreke daarvan
De Europese Unie, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie, en de Verenigde Staten van Amerika waarborgen dat de bepalingen van deze overeenkomst in samenhang met bilaterale rechtshulpverdragen tussen de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika die op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst gelden, op de volgende wijze worden toegepast:
- a. artikel 4 wordt toegepast om te voorzien in de identificatie van financiële rekeningen en transacties, naast de rechtsgronden die reeds vervat zijn in bilaterale verdragsbepalingen;
- b. artikel 5 wordt toegepast om te voorzien in de instelling en het functioneren van gemeenschappelijke onderzoeksteams, naast de rechtsgronden die reeds vervat zijn in bilaterale verdragsbepalingen;
- c. artikel 6 wordt toegepast om erin te voorzien dat personen die zich in de aangezochte staat bevinden, kunnen worden gehoord met gebruikmaking van een videoverbinding tussen de verzoekende en de aangezochte staat, naast de rechtsgronden die reeds vervat zijn in bilaterale verdragsbepalingen;
- d. artikel 7 wordt toegepast om te voorzien in het gebruik van snelle communicatiemiddelen, naast de rechtsgronden die reeds vervat zijn in bilaterale verdragsbepalingen;
- e. artikel 8 wordt toegepast om te voorzien in rechtshulp aan de betrokken administratieve autoriteiten, naast de rechtsgronden die reeds vervat zijn in bilaterale verdragsbepalingen;
- f. behoudens artikel 9, leden 4 en 5, wordt artikel 9 toegepast in plaats van, of indien in bilaterale verdragen bepalingen ontbreken over de beperking van het gebruik van gegevens of bewijsmateriaal die aan de verzoekende staat worden verstrekt, en over het verbinden van voorwaarden aan rechtshulp of de weigering ervan om redenen van gegevensbescherming;
- g. artikel 10 wordt toegepast indien in bilaterale verdragen bepalingen ontbreken over omstandigheden waaronder de verzoekende staat de geheimhouding van zijn verzoek kan verlangen.
- a. De Europese Unie, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarborgt dat iedere lidstaat in een schriftelijk instrument tussen die lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika bevestigt dat hij zijn bilateraal rechtshulpverdrag dat geldt in de relatie met de Verenigde Staten van Amerika op de in onderhavig artikel uiteengezette wijze zal toepassen.
- b. De Europese Unie, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarborgt dat nieuwe lidstaten die na de inwerkingtreding van deze overeenkomst tot de Europese Unie toetreden en die bilaterale rechtshulpverdragen hebben gesloten met de Verenigde Staten van Amerika, de onder a) bedoelde maatregelen nemen.
- c. De overeenkomstsluitende partijen beijveren zich om het onder b) omschreven proces te voltooien vóór, dan wel zo spoedig mogelijk na, de geplande toetreding van een nieuwe lidstaat. De Europese Unie stelt de Verenigde Staten van Amerika in kennis van de datum van toetreding van nieuwe lidstaten.
- a. De Europese Unie, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie, en de Verenigde Staten van Amerika waarborgen tevens dat de bepalingen van deze overeenkomst worden toegepast als er tussen een lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika geen bilateraal rechtshulpverdrag van kracht is.
- b. De Europese Unie, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarborgt dat een dergelijke lidstaat middels een schriftelijk instrument tussen de lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika erkent dat de bepalingen van deze overeenkomst van toepassing zijn.
- c. De Europese Unie, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarborgt dat nieuwe lidstaten die na de inwerkingtreding van deze overeenkomst tot de Europese Unie toetreden en geen bilaterale rechtshulpverdragen hebben gesloten met de Verenigde Staten van Amerika, de onder b) bedoelde maatregelen nemen.
Indien het in lid 2, onder b, en lid 3, onder c, bedoelde proces niet vóór de datum van toetreding is voltooid, zijn de bepalingen van deze overeenkomst van toepassing in de betrekkingen tussen de Verenigde Staten van Amerika en de betrokken nieuwe lidstaat met ingang van de datum waarop zij elkaar en de Europese Unie in kennis hebben gesteld van de voltooiing van hun interne procedures die daartoe moeten leiden.
De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat deze overeenkomst alleen tot rechtshulp tussen de betrokken staten strekt. Een particulier kan aan de bepalingen van deze overeenkomst niet het recht ontlenen bewijs te verkrijgen, te weren of uit te sluiten, de uitvoering van een verzoek te beletten, of de anderszins krachtens de nationale wetgeving beschikbare rechten uit te breiden of te beperken.
Artikel 4. Identificatie van bankgegevens
- a. Op verzoek van de verzoekende staat onderzoekt de aangezochte staat terstond, in overeenstemming met dit artikel, of de op zijn grondgebied gevestigde banken weten of een met name genoemde natuurlijke of rechtspersoon die verdacht wordt van of in staat van beschuldiging is gesteld wegens een strafbaar feit, houder is van een of meer bankrekeningen. De aangezochte staat deelt het resultaat van zijn onderzoek terstond aan de verzoekende staat mee.
- b. De onder a) omschreven handelingen kunnen ook worden uitgevoerd teneinde
- i. gegevens over veroordeelde of anderszins bij een strafbaar feit betrokken natuurlijke of rechtspersonen te achterhalen,
- ii. gegevens die in het bezit zijn van andere financiële instellingen dan banken te achterhalen, of
- iii. niet aan rekeningen gebonden financiële transacties op te sporen.
Een verzoek om de in lid 1 omschreven gegevens omvat:
- a. de identiteit van de natuurlijke of rechtspersoon die van belang is om rekeningen en transacties op te sporen, en
- b. voldoende gegevens op grond waarvan de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat:
- i. redelijkerwijs kan vermoeden dat de betrokken natuurlijke of rechtspersoon bij een strafbaar feit is betrokken en dat banken en niet-bancaire instellingen op het grondgebied van de aangezochte staat over de verlangde gegevens zouden kunnen beschikken, en
- ii. kan vaststellen dat de verlangde gegevens betrekking hebben op het strafrechtelijk onderzoek of de strafvervolging.
- c. voorzover mogelijk, gegevens over de mogelijk betrokken bank of andere niet-bancaire financiële instelling, en andere gegevens die dienstig kunnen zijn om de reikwijdte van het onderzoek te kunnen beperken.
Verzoeken om rechtshulp uit hoofde van dit artikel worden verzonden tussen
- a. de centrale autoriteiten die bevoegd zijn voor rechtshulp in de lidstaten of de nationale autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor het onderzoek naar en de vervolging van strafbare feiten, zoals aangewezen overeenkomstig artikel 15, lid 2, en
- b. de nationale autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika die bevoegd zijn voor het onderzoek naar en de vervolging van strafbare feiten, zoals aangewezen overeenkomstig artikel 15, lid 2. Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst kunnen de overeenkomstsluitende partijen door middel van een diplomatieke notawisseling overeenkomen de kanalen waarlangs verzoeken uit hoofde van dit artikel worden verstuurd, te wijzigen.
- a. Behoudens het bepaalde onder b), kan een staat krachtens artikel 15 zijn plicht om uit hoofde van dit artikel rechtshulp te verlenen, beperken tot:
- i. feiten die zowel in de aangezochte als in de verzoekende staat strafbaar zijn gesteld;
- ii. feiten die in de verzoekende staat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste vier jaar, en in de aangezochte staat met een maximum van ten minste twee jaar, of
- iii. aangewezen ernstige feiten die zowel in de aangezochte als in de verzoekende staat strafbaar zijn gesteld.
- b. Een staat die zijn verplichtingen overeenkomstig het bepaalde onder a, ii of iii, beperkt, moet ten minste de identificatie mogelijk maken van rekeningen in verband met terroristische activiteiten en het witwassen van de opbrengsten uit een groot aantal ernstige criminele activiteiten die zowel in de verzoekende als in de aangezochte staat strafbaar zijn gesteld.
In het kader van dit artikel mag rechtshulp niet worden geweigerd op grond van het bankgeheim.
De aangezochte staat beantwoordt een verzoek tot het overleggen van stukken betreffende de rekeningen of transacties die conform dit artikel zijn geïdentificeerd, in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke rechtshulpverdrag dat tussen de betrokken staten van kracht is of, bij gebreke daarvan, in overeenstemming met de vereisten van zijn nationale wetgeving.
De overeenkomstsluitende partijen nemen maatregelen om te voorkomen dat aangezochte staten door de toepassing van dit artikel buitengewoon worden belast. Indien een aangezochte staat, met inbegrip van banken of de communicatiekanalen waarin dit artikel voorziet, niettemin buitengewoon worden belast, plegen de overeenkomstsluitende partijen onmiddellijk overleg teneinde de toepassing van dit artikel te vergemakkelijken, en teneinde de maatregelen te treffen die nodig zijn om de bestaande en toekomstige belasting te verminderen.
Artikel 5. Gemeenschappelijke onderzoeksteams
De overeenkomstsluitende partijen nemen, voorzover zij zulks nog niet hebben gedaan, de nodige maatregelen om gemeenschappelijke onderzoeksteams te kunnen instellen en te laten optreden op het grondgebied van respectievelijk elke lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika, teneinde strafrechtelijke onderzoeken of strafvervolgingen waarbij een of meer lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika betrokken zijn te vergemakkelijken, voorzover de betrokken lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika dit nodig achten.
De procedures voor het functioneren van het team, zoals samenstelling, duur, plaats, organisatie, functies en doel, en de voorwaarden voor deelneming van leden van het team aan onderzoekshandelingen op het grondgebied van een andere staat, worden overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten belast met het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten die door de respectieve betrokken staten zijn bepaald.
De bevoegde autoriteiten aangewezen door de respectieve staten treden rechtstreeks met elkaar in contact met het oog op de instelling en de werking van het team. Echter wanneer vanwege de uitzonderlijke complexiteit, de grote omvang of andere omstandigheden een meer centrale coördinatie nodig wordt geacht voor bepaalde of voor alle aspecten, kunnen de staten overeenkomen daartoe andere passende communicatiekanalen te gebruiken.
Wanneer het gemeenschappelijk onderzoeksteam het noodzakelijk acht dat in een van de staten die het team hebben ingesteld, onderzoekshandelingen plaatsvinden, kan een uit die staat afkomstig lid van het team zijn eigen bevoegde autoriteiten vragen die handelingen te verrichten zonder dat de andere staten daartoe een verzoek om rechtshulp behoeven in te dienen. Aan de toepassing van de maatregel in die staat zullen dezelfde juridische eisen worden gesteld als aan nationale onderzoekshandelingen.
Artikel 6. Videoconferenties
De overeenkomstsluitende partijen nemen, voorzover dergelijke hulp niet al beschikbaar is, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat tussen iedere lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika videoconferenties kunnen worden gehouden om personen die zich in de aangezochte staat bevinden als getuige of deskundige in een procedure waarin rechtshulp wordt verstrekt, te horen. Voorzover niet specifiek in dit artikel bepaald, gelden voor die procedure de voorwaarden van het tussen de betrokken staten toepasselijke rechtshulpverdrag of van de wet van de aangezochte staat.
Tenzij de verzoekende en de aangezochte staat anders zijn overeengekomen, draagt de verzoekende staat de kosten van het totstandbrengen en het functioneren van de videoverbinding. De overige kosten die voortvloeien uit de uitvoering van de maatregel (met inbegrip van de reiskosten van de deelnemers in de aangezochte staat) worden gedragen in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het tussen de betrokken staten toepasselijke rechtshulpverdrag, dan wel, bij gebreke van zodanig verdrag, zoals overeengekomen tussen de verzoekende en de aangezochte staat.
De verzoekende en de aangezochte staat kunnen met elkaar in overleg treden om de oplossing van juridische, technische of logistieke kwesties die zich bij de uitvoering van het verzoek kunnen voordoen, te vergemakkelijken.
Onverminderd de rechtsmacht krachtens de wet van de verzoekende staat, dient het met opzet afleggen van een valse verklaring of een ander wangedrag van de persoon die als getuige of deskundige tijdens de videoconferentie wordt gehoord, door de aangezochte staat op dezelfde wijze gestraft als in het kader van nationale procedures zou gebeuren.
Dit artikel doet niet af aan het gebruik van andere middelen die krachtens het toepasselijke verdrag of de toepasselijke wet beschikbaar zijn om getuigen te horen.
Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van bepalingen van bilaterale rechtshulpovereenkomsten tussen de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika die het gebruik van videoconferenties voor andere dan de in lid 1 aangegeven doelen verplicht stellen of toestaan, daaronder begrepen ten behoeve van de identificatie van personen of voorwerpen of het afnemen van verklaringen in het kader van een onderzoek. Wanneer een toepasselijke overeenkomst of wet niet reeds daarin voorziet, kan een staat het gebruik van videoconferenties in die gevallen toestaan.
Artikel 7. Versnelde toezending van verzoeken
Verzoeken om rechtshulp, en mededelingen dienaangaande, kunnen worden gedaan met behulp van snelle communicatietechnieken, daaronder begrepen faxapparatuur of elektronische post, gevolgd door een formele bevestiging wanneer de aangezochte staat zulks vereist. De aangezochte staat kan het verzoek met behulp van zulke snelle communicatietechnieken beantwoorden.
Artikel 8. Rechtshulp aan administratieve autoriteiten
Rechtshulp wordt ook verleend aan een nationale administratieve autoriteit die, krachtens een specifieke administratieve of regelgevende bevoegdheid om dergelijke onderzoeken te doen, gedragingen onderzoekt met het oog op strafvervolging of verwijzing van dergelijke gedragingen naar autoriteiten die bevoegd zijn deze te onderzoeken of strafrechtelijk te vervolgen. Rechtshulp kan onder vergelijkbare omstandigheden ook worden verleend aan andere administratieve autoriteiten. Rechtshulp wordt niet verleend in aangelegenheden waarin de administratieve autoriteit op voorhand verklaart dat geen vervolging of, voorzover van toepassing, verwijzing zal plaatsvinden.
- a. Verzoeken om rechtshulp uit hoofde van dit artikel worden verzonden tussen de centrale autoriteiten die zijn aangewezen krachtens het tussen de betrokken staten toepasselijke bilaterale rechtshulpverdrag, of tussen andere autoriteiten die door de centrale autoriteiten zijn overeengekomen;
- b. Bij gebreke van een verdrag worden verzoeken verzonden tussen het „Department of Justice” van de Verenigde Staten van Amerika en het ministerie van Justitie of, krachtens artikel 15, lid 1, een vergelijkbaar ministerie van de betrokken lidstaat dat verantwoordelijk is voor de verzending van rechtshulpverzoeken, of tussen andere autoriteiten als overeengekomen tussen het „Department of Justice” en het betrokken ministerie.
De overeenkomstsluitende partijen nemen maatregelen om buitengewone belasting van de aangezochte staten ten gevolge van de toepassing van dit artikel te voorkomen. Wanneer een dergelijke buitengewone belasting toch optreedt, plegen de overeenkomstsluitende partijen onverwijld overleg om de toepassing van dit artikel te vergemakkelijken, onder andere door die maatregelen te nemen welke nodig zijn om bestaande en toekomstige belasting te verminderen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.